Jachtfanfares klonken door de eenzaamheid van het Odenwoud. Karel de
Groote en zijn getrouwen beoefenen het edele jachtvermaak. De oude
keizer, die overal vergetelheid zoekt heeft de speer ter hand genomen
om de herten van het woud te treffen.
Hij heeft zich van zijn begeleiders afgezonderd en vervolgt juist een
trotsch hert met zestienpuntig gewei. De zon staat reeds hoog aan
den hemel als het vervolgde dier de richting van den Main uitsnelt
welks water door de takken glinstert. Hij ontdekt den vloed, staat een
oogenblik onthutst stil, maar stort zich dan, door de nabijheid van
den vervolger opgejaagd, in de rivier, welks overkant hij zwemmende
bereikt. De keizer verschijnt en staat uitgeput aan den oever. Nu
eerst bemerkt hij, dat de avond hem onmerkbaar overvallen, en de
streek, waarin hij zich bevindt, hem geheel onbekend is.
Voor zich heeft hij den vloed, achter zich het woud. De eerste sterren
schitteren reeds aan den hemel. Tevergeefs zoekt Karel den rechten
weg langs de rivier te vinden. Het woud, dat hij zooeven doorsneden
heeft, schijnt nu ondoordringbaar. Volslagen duisternis omgeeft hem.
Daar schittert onverwachts een licht in de verte. De keizer ziet
het en richt met blijde verrassing zijn schreden daarheen. Vlak bij
den oever ontdekt hij een hutje. Door het verlichte venster ziet de
koninklijke bespieder een armoedig vertrek.
Wellicht is dit de kluis van een vroom man, denkt hij en klopt aan
de deur. Een man met blonden baard verschijnt. De keizer deelt,
zonder zich bekend te maken, mede in welk een verlegenheid hij zich
bevindt en vraagt huisvesting voor den nacht. Bij den klank zijner
stem ontroert de man hevig. Hij laat den keizer binnentreden. Een
jonge vrouw zit op een laag stoeltje en wiegt een kind op haar
knieën. Als zij den keizer ziet, glinstert haar donker oog en wordt
haar gelaat wit als marmer. Snel begeeft ze zich in de aangrenzende
ruimte om haar snikken te verbergen. Karel neemt plaats en steunt,
terwijl hij iedere verfrissching, die zijn gastheer hem aanbiedt,
weigert, het moede hoofd in de handen.
Minuten verstrijken.
Slaapt hij?
Neen, hij is in treurig gepeins verzonken.
Hij denkt aan vervlogen dagen. In zijn verbeelding ziet hij een jongen
man, wiens zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij
de schaar stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de
heerlijke heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen,
die de keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit
het grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven
had, dan was er dikwijls een jong meisje met donkere oogen tegenwoordig
geweest, de lievelingsdochter van Karel den Grooten. Tegen vaders
knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem van den voorlezer
en in haar helder oog blonk dikwijls een traan van ontroering.
De keizer slaakte een diepen zucht.
Een zilveren kinderstem deed hem uit zijn overpeinzingen
opschrikken. Een meisje van ongeveer vijf jaar, meer op een engel
dan op een aardsch wezen gelijkend, naderde hem bedeesd en bracht
den vreemden gast den nachtgroet van haar moeder. Getroffen keek de
keizer op het kindje neer, dat hem het witte handje toestak. Dubbel
bekoorlijk kwam de onschuldige schoonheid in de schramele omgeving uit:
een pastelteekening in een donkere lijst.
"Hoe heet je, kleine?" vroeg de keizer.
"Emma," antwoordde het kind.
"Emma!" herhaalde Karel en een traan gleed over zijn wangen. Hij
trok het engelachtige kind naar zich toe en drukte een kus op haar
rein voorhoofd.
Toen hoorde men gedruisch. Aan de voeten van den keizer lagen de
man met den blonden baard en de jonge vrouw en smeekten snikkend
om vergeving.
"Emma, Eginhard!" roept Karel met trillende stem en omarmt hen
weenend. "Gezegend zij de plaats, waar ik u weergevonden heb!" Boven
de eenzame hut zweeft de engel des vredes.