III.

Den volgenden morgen riep Karel de Groote de wijze raadsleden

bijeen. De oude getrouwen ontstelden bij zijn aanblik. Rimpels

doorploegden zijn voorhoofd en verdriet lag op zijn afgematte trekken

te lezen. Vooral Eginhard, die een voorgevoel had van wat er komen

zou, beschouwde zijn gebieder met schuwe blikken. Karel verhief zich

en sprak: "Wat verdient een koninklijke princes, die 's nachts een

man in haar vertrekken ontvangt?"

De raadsheeren keken elkaar sprakeloos aan. Eginhards gelaat werd

bleek als van een doode. De aanhangers des keizers zochten niet lang

naar den naam van deze vorstendochter.

Verlegen beraadslaagden zij een tijdlang, toen nam een van hen

het woord:

"Majesteit, voor misdrijven door de liefde begaan wordt de zwakke

vrouw nooit gestraft."

"En wat verdient een gunsteling des keizers, die 's nachts in de

vertrekken van een koninklijke princes sluipt?"

Met fonkelende oogen wendde de ijzeren Karel zich tot zijn

secretaris. Eginhard beefde eenigszins en zijn meisjesachtig gezicht

werd nog bleeker. Verloren! mompelde hij. Toen zeide hij, terwijl

hij zich fier oprichtte:

"Den dood, mijn Heer en Keizer!"

Karel de Groote beschouwde den jongeling met bewondering. Bij deze

zelfaanklacht en innig berouw smolt de toorn in zijn binnenste en

maakte plaats voor zachtere gevoelens. Eenige oogenblikken later gaf de

keizer den raadsleden hun afscheid. Eginhard wenkte hij, hem te volgen.

Zwijgend ging Karel hem voor in zijn studeerkamer, daar werd de tweede

deur geopend en Emma, door haar vader geroepen, trad binnen. Zij

begreep dadelijk alles en met een doordringenden smartkreet viel zij

voor haar vader op de knieën.

"Genade, genade, vader! Wij beminden elkaar zoo innig!" En de groote

omfloersde oogen keken smeekend omhoog.

"Genade!" mompelde ook Eginhard en boog de knie.

De keizer bleef eerst zwijgen. Toen begon hij te spreken, eerst streng

en ernstig, doch geleidelijk, door het snikken van zijn innig geliefd

kind, werden zijn woorden zachter.

"Daar gij elkaar bemint--hij legde bijzonder den klemtoon op dit

woord--wil ik u niet scheiden. Een priester zal u vereenigen en

voordat de volgende morgen aanbreekt, zijt gij van hier vertrokken."

De deur sloot zich achter hem.

Door smart overweldigd, den inhoud van het gesprek slechts half

begrijpende, knielde het schoone meisje terneder. Een zachte stem

deed haar opschrikken. Teeder trok Eginhard haar aan zijn borst.

"Ween niet, geliefde," fluisterde hij, "door dat je vader, mijn

gebieder je van zich stiet, heeft hij ons voor eeuwig vereenigd."

Heviger vloeiden haar tranen.

"Kom," ging hij bewogen voort, "de liefde zal ons geleiden."

Den volgenden morgen verlieten twee jeugdige pelgrims het slot te

Ingelheim en begaven zich in de richting van Mainz.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 23 / 114 题