Den volgenden morgen riep Karel de Groote de wijze raadsleden
bijeen. De oude getrouwen ontstelden bij zijn aanblik. Rimpels
doorploegden zijn voorhoofd en verdriet lag op zijn afgematte trekken
te lezen. Vooral Eginhard, die een voorgevoel had van wat er komen
zou, beschouwde zijn gebieder met schuwe blikken. Karel verhief zich
en sprak: "Wat verdient een koninklijke princes, die 's nachts een
man in haar vertrekken ontvangt?"
De raadsheeren keken elkaar sprakeloos aan. Eginhards gelaat werd
bleek als van een doode. De aanhangers des keizers zochten niet lang
naar den naam van deze vorstendochter.
Verlegen beraadslaagden zij een tijdlang, toen nam een van hen
het woord:
"Majesteit, voor misdrijven door de liefde begaan wordt de zwakke
vrouw nooit gestraft."
"En wat verdient een gunsteling des keizers, die 's nachts in de
vertrekken van een koninklijke princes sluipt?"
Met fonkelende oogen wendde de ijzeren Karel zich tot zijn
secretaris. Eginhard beefde eenigszins en zijn meisjesachtig gezicht
werd nog bleeker. Verloren! mompelde hij. Toen zeide hij, terwijl
hij zich fier oprichtte:
"Den dood, mijn Heer en Keizer!"
Karel de Groote beschouwde den jongeling met bewondering. Bij deze
zelfaanklacht en innig berouw smolt de toorn in zijn binnenste en
maakte plaats voor zachtere gevoelens. Eenige oogenblikken later gaf de
keizer den raadsleden hun afscheid. Eginhard wenkte hij, hem te volgen.
Zwijgend ging Karel hem voor in zijn studeerkamer, daar werd de tweede
deur geopend en Emma, door haar vader geroepen, trad binnen. Zij
begreep dadelijk alles en met een doordringenden smartkreet viel zij
voor haar vader op de knieën.
"Genade, genade, vader! Wij beminden elkaar zoo innig!" En de groote
omfloersde oogen keken smeekend omhoog.
"Genade!" mompelde ook Eginhard en boog de knie.
De keizer bleef eerst zwijgen. Toen begon hij te spreken, eerst streng
en ernstig, doch geleidelijk, door het snikken van zijn innig geliefd
kind, werden zijn woorden zachter.
"Daar gij elkaar bemint--hij legde bijzonder den klemtoon op dit
woord--wil ik u niet scheiden. Een priester zal u vereenigen en
voordat de volgende morgen aanbreekt, zijt gij van hier vertrokken."
De deur sloot zich achter hem.
Door smart overweldigd, den inhoud van het gesprek slechts half
begrijpende, knielde het schoone meisje terneder. Een zachte stem
deed haar opschrikken. Teeder trok Eginhard haar aan zijn borst.
"Ween niet, geliefde," fluisterde hij, "door dat je vader, mijn
gebieder je van zich stiet, heeft hij ons voor eeuwig vereenigd."
Heviger vloeiden haar tranen.
"Kom," ging hij bewogen voort, "de liefde zal ons geleiden."
Den volgenden morgen verlieten twee jeugdige pelgrims het slot te
Ingelheim en begaven zich in de richting van Mainz.