"Heer Rechter! In naam van Adam Geyensz. beschuldig ik den zanger en

sprookspreker, genaamd Lieven van Keynoot, van doodslag op Frederik

Geyensz., welke doodslag is geschied met dezen stok binnen de poorten

van onze stad."

Bij deze woorden legde hij den stok, waarmede de manslag was geschied,

voor den Schout op de tafel, en vervolgde:

"De Schepenen hebben den doode gezien, en de wond, die hem het leven

kostte. Hij vraagt u recht, Heer Schout, en een rechtvaardig vonnis."

De taalman zweeg, en de Schout vestigde zijn blik op den

beschuldigde. Eerst slechts een oogenblik, doch terwijl hij sprak,

hield hij zijn oogen steeds scherper op hem gericht, 't Was alsof

hij hem door de ziel wilde heenkijken.

"Hoe is uw naam?" vroeg hij zacht en afgebroken. 't Was, alsof de

woorden hem niet uit de keel wilden. De Schepenen waren er verwonderd

over en keken eerst den Schout, die daar doodsbleek op den rechterstoel

zat, en daarna elkander aan. Op hun gelaat stond hun verwondering te

lezen, en 't was, alsof zij elkander stilzwijgend vroegen, wat den

Schout kon overkomen.

"Ik heet Lieven van Keynoot, Heer Rechter!" klonk het op eerbiedigen

toon terug.

't Was den Schout bij het hooren van die hem zoo welbekende stem,

of hij door den grond heenzonk; een siddering voer hem door de

leden en er kwam een nevel voor zijn oogen. Hij voelde zich niet bij

machte, een woord te spreken, "'t Is Nanning! 't Is Nanning! O God,

mijn broeder een moordenaar, en ik--ik moet zijn rechter zijn!" Die

gedachte vloog hem met groote snelheid door het hoofd, en hij voelde,

dat hij bijna een bezwijming nabij was.

De Schepenen waren verrast over het stilzwijgen en het doodsbleeke

gelaat van den anders zoo degelijken Schout, en staarden hem met

de grootste verbazing aan. Sommigen staken de hoofden bij elkander

en fluisterden:

"Wat zou onze Schout toch schelen? Zou hij ziek zijn?"

Eindelijk herstelde Geraert zich een weinig, en met de grootste moeite

vroeg hij:

"Vanwaar komt ge, en wat voert u hierheen?"

"Ik ben zanger van beroep, Heer, en verdien op jaarmarkten den kost. Ik

ben uit het Brabantsche van geboorte."

"Man! 't Is onwaar! Je liegt!" riep opeens de Schout hem heftig

toe. "Zeg mij je naam, je eigen naam!"

"Lieven van Keynoot, Heer!" antwoordde Nanning zacht.

"Dan, Lieven van Keynoot, zeg mij uw antwoord op de ingebrachte

beschuldiging!" sprak de Schout afgemeten, alsof hij moeite moest doen,

de woorden over de lippen te brengen.

"Hij heeft recht, Heer! Dáár voor u ligt de stok, waarmede ik

de daad pleegde. Wij waren vroolijk bij elkander in de taveerne,

toen hij binnentrad en verlof vroeg, om mede te mogen spelen op het

verkeerbord. Er ontstond twist, en--door mijn hand doodelijk getroffen

stortte hij ter aarde. Ik beken mijn misdaad volmondig en wacht uw

vonnis af."

De Schout bleef wederom eenige oogenblikken in gepeins verzonken

voor zich staren. Toen vestigde hij zijn oogen met zulk een

onbeschrijfelijke droefheid op den beschuldigde, dat deze bijna de

tranen in de oogen kreeg. En met een diepen zucht vroeg de Schout aan

de Schepenen, of zij het noodig oordeelden, nog getuigen in verhoor te

nemen. Doch de Schepenen vonden dit overbodige moeite. De gevangene,

benevens zijn aanklager en diens taalman werden uit de zaal verwijderd,

ten einde den Schepenen de gelegenheid te geven ongestoord over de

zaak te spreken en het vonnis te vellen.

"Heeren, ik vraag uw oordeel," zeide de Schout, zoodra zij alleen in

de zaal waren.

"Dat zal spoedig geveld zijn, Heer Schout. Volgens mijn gevoelen is

er maar één vonnis mogelijk, en dat is de dood."

Opnieuw voer Geraert een huivering door de leden. Hij wist, dat dit

vonnis komen zou, en toch vervulde de klank van dat vreeselijke woord

hem met ontzetting.

Een tweede Schepen vroeg den klerk voor te lezen, wat de wet

hieromtrent bepaalde, en deze las:

"Elke vechter zal van zijn lichaam verliezen hoofd om hoofd, oog

om oog, lid om 't zelfde lid. Hij, die een ander het leven beneemt,

zal met den dood worden gestraft."

"Juist, dat is ook mijn meening," hervatte de Schepen, die het eerst

gesproken had.

"Maar deze misdaad is bedreven uit tegenweer, Heeren," sprak een

der Schepenen zacht. "Frederik Geyensz. was de aanvaller, en de

beschuldigde heeft gehandeld uit nood, daar hij zelf anders wellicht

gedood ware."

"Neen!" sprak de Schout, en elk woord kwam hem met moeite over de

lippen. "Hier is bloed gestort ten doode, en ik eisch van u, Heeren,

het--vonnis--des doods."

Nu spreken de Schepenen een oogenblik samen, maar zijn weldra met hun

vonnis gereed. En hun antwoord tot den Schout, die met krampachtig

samengewrongen handen door het vertrek loopt, luidt:

"De schuldige zal worden gehangen. Dat is recht van onze stad."

"Schrijf het op!" beveelt Geraert aan den bode, waarop deze zich

dadelijk aan den arbeid zet. En nauwelijks is hij er mede gereed,

of Geraert herneemt zijn plaats, klopt driemaal met zijn staf op de

tafel, en geeft den deurwaarder last, de partijen binnen te laten.

Nanning wordt binnengeleid. Ook de klager en de taalman keeren

terug. Allen zien den Schout aan, wien het papier trilt in de

sidderende hand. Het angstzweet parelt hem op het gelaat, en zijn

stem hokt hem in de keel, als hij zegt:

"In den naam des Keizers, des Graven, des Baljuws en in naam van

mijzelven spreek ik het vonnis. Lieven--Lieven van Keynoot! Volgens

uw--eigen--"

Hier kon de Schout niet verder. Hij wilde geluid uitbrengen, doch

zijn lippen weigerden den dienst. Weer kwam hem een nevel voor de

oogen en hij voelde, dat hij bijna ter aarde stortte.

Allen staarden hem met angst aan, en een van de Schepenen fluisterde

zijn buurman toe:

"Zie den Schout eens? Wat kan er toch zijn?"

"Hij heeft nog nooit een vonnis des doods geveld. Vandaar zijn

ontroering, vermoed ik."

Het duurde eenige seconden eer de Schout voldoende tot zichzelven kwam,

om verder te kunnen spreken.

"Lieven van Keynoot!" zeide hij ontroerd. "Volgens uw eigen bekentenis

zijt gij schuldig aan doodslag. Onze wet spreekt hieromtrent

duidelijk. Uw vonnis is... de--dood!... Gij zult sterven--aan de galg."

Hij nam een klein wit staafje van de tafel, brak het midden door en

wierp het den beschuldigde voor de voeten, ten teeken dat het vonnis

geveld was.

"Hebt gij nog iets te zeggen?" vroeg hij daarna.

"Neen Heer, uw vonnis is rechtvaardig," zeide Nanning met

neergeslagen oogen. "Alleen zou ik wenschen te vragen, wanneer het

zal worden--voltrokken."

"Morgen. Heeft een van de Schepenen nog iets te behandelen of te

zeggen?"

Allen bleven zwijgen.

"Dan wensch ik met den veroordeelde eenige oogenblikken alleen

te zijn."

De Schepenen verlieten allen de rechtszaal. Alleen de bode bleef aan

de deur staan. Maar de Schout zag hem gebiedend aan en zeide:

"Hebt gij mij niet verstaan? Ik wensch met dezen man alleen te zijn."

De deurwaarder verwijderde zich met spoed. Hij had den Schout nog

nimmer op zulk een bevelenden toon hooren spreken. Toen waren de beide

broeders alleen. Gedurende enkele oogenblikken bleven zij roerloos

staan, Nanning met de oogen naar den grond geslagen, Geraert met den

blik strak op zijn broeder gericht. Eindelijk verbrak de laatste de

pijnlijke stilte, en op droevigen toon riep hij uit:

"Nanning,--mijn broeder,--moeten wij elkander zóó terugzien?"

"Vergeef mij, Geraert,--vergeef mij!" stamelde Nanning, zonder zich

te bewegen. Maar nauwelijks zag hij hoe Geraert vol liefde zijn armen

uitbreidde, of hij ijlde hem tegemoet, en omhelsde hem onder snikken

en tranen.

"O, nu voel ik mij gelukkig, zelfs met den dood in het gezicht!" riep

hij vol vreugde uit. "Ach, Geraert, wat zijt ge edelmoedig en groot,

en hoeveel verdriet heb ik u berokkend. Wat heeft mijn slecht gedrag

mij al de jaren, die ik van u gescheiden was, berouwd, en hoe heb

ik er naar gehunkerd, u weer terug te zien. Mijn hart en mijn liefde

waren bij u, Geraert, en ik hunkerde naar uwe vergiffenis. Ik dank God,

dat ik u eindelijk teruggevonden heb."

"Maar hoe, Nanning, hoe!" riep Geraert smartelijk uit, terwijl

hij zijn beide armen om den hals van zijn broeder sloeg en hem vol

onuitsprekelijke liefde aankeek. "Hebben wij dan elkander alleen

terug mogen vinden, om dadelijk weer te moeten scheiden,--scheiden

voor altoos? O, Nanning, dat ik nu juist uw rechter moest zijn,

dat ik het schuldig over u moest uitspreken. Dat verscheurt mij het

hart, Nanning, en ik weet, dat ik u niet lang overleven zal. Moest

ik,--ik u ter dood veroordeelen? Ach, het was mij bijna onmogelijk

te spreken! Telkens was het mij, alsof ik Vaders geest achter u

zag oprijzen, die mij bestraffend aankeek en mij toeriep: "Geraert,

zult gij uw broeders goede engel zijn? Je weet het immers, Nanning,

dat Vader mij dat opdroeg, toen wij aan zijn sterfbed stonden? Ik

had beter op u moeten passen, Nan, ach het is alles mijn eigen schuld!"

Geraert wrong radeloos de handen en liep gejaagd het vertrek op

en neer.

"Neen, Geraert, neen, je hebt ten volle je plicht gedaan. Aan niemand

dan aan mij ligt de schuld en ik moet de gevolgen zelf dragen. Ik

was slecht, Geraert."

"Maar kan dan niets je meer redden, arme Nan! O, je weet niet, hoe lief

ik je heb! Mijn leven zou ik gaarne willen geven om het uwe te redden."

"Onmogelijk! Ik ben verloren, maar toch sterf ik met vreugde,

Geraert. Het leven had voor mij toch geen waarde meer. Als een arme

zwerveling, als liedjeszanger, trok ik de wereld door en menigmaal

heb ik naar den dood verlangd. Ik had slechts één wensch, die mij

aan het leven hechtte, en die wensch was, dat ik u nog eenmaal zou

mogen ontmoeten en uw vergiffenis verwerven. Nog eenmaal wilde ik zoo

gaarne u in de trouwe oogen zien en uw vriendelijke stem hooren. Ik

ben dankbaar, dat die wensch vervuld is. Het leven brengt mij toch

nimmer den vrede en het geluk terug, die ik moedwillig heb vertreden."

"O, dat ik uw vonnis moest uitspreken!" riep Geraert in vertwijfeling

uit. "En dan, welk een vreeselijk vonnis!"

De broeders zwegen, maar blikten elkander vol liefde aan. Daarna

zeide Geraert bedroefd:

"Een vreeselijke tocht wacht je morgen, arme Nan! Vervult de gedachte

daaraan je niet met ontzetting en angst?"

"Ja, ik kan er niet aan denken, zonder te huiveren, Geraert,--maar

het einde van dien vreeselijken tocht brengt mij de rust, waarnaar ik

reeds zoo lang heb verlangd. Dat troost mij meer, dan ik zeggen kan."

"En ik zal u vergezellen, Nan. Mijne oogen zullen op u rusten en u

sterken in den doodsstrijd..."

"O, neen, dat niet, dat niet, Geraert! Wat ik u bidden mag, vergezel

mij niet. 't Is mijn laatste verzoek, en je zult mij dat niet weigeren.

Uw tegenwoordigheid zou het grootste leed zijn dat mij aangedaan kon

worden. Neen, Geraert, beloof mij, dat je het niet doen zult."

"Ik beloof het je, Nan, omdat je het wenscht. Maar toch zou het mijn

plicht zijn..."

"Neen--neen!" riep Nanning smeekend uit. "Laat mij alleen gaan,

en laat ook niemand weten wie ik ben.

Ik heb reeds schande genoeg over uw hoofd gebracht en wensch te

sterven, zooals ik den laatsten tijd geleefd heb, als een vreemdeling,

zonder vaderland, zonder vrienden, dan alleen den ouden Hans. Heb je

niets omtrent hem gehoord?"

"Wien bedoel je?" vroeg Geraert.

"Hans den Zanger, of Hans den Vedelaar. Heb je hem niet gezien of

niets omtrent hem gehoord?"

"Niets, Nan, ik weet niet eens, wien je bedoelt."

"Goddank!" prevelde Nanning. En luider vervolgde hij: "Zie ik u morgen

nog, Geraert?"

"Ik zal reeds vroeg bij je zijn, Nan en zal zoolang bij je blijven,

als mij mogelijk is. Nu moeten wij scheiden. De Schepenen zullen toch

al niet begrijpen, wat er gaande is."

En met tranen in de oogen wierp hij zich in de armen van zijn

weergevonden broeder. Daarna opende hij de deur en gebood den

stokbewaarder, den gevangene weg te voeren.

"Hij behoeft niet in den stok gesloten te worden en gij kunt hem in den

toren opsluiten!" gebood hij. Hij wist, hoe somber en akelig het hok

was, waarin Nanning tot nog toe bewaard geworden was en kon het niet

van zich verkrijgen, hem daar langer te doen blijven. In den toren

was een ander vertrek, waarin minder gevaarlijke gevangenen werden

opgesloten. Geen wonder dus, dat de stokbewaarder vreemd opkeek bij

het hooren van dit bevel, en maar niet begrijpen kon, waarmede deze

gevangene dat voorrecht verdiend had. De Schout gaf hem evenwel geen

rekenschap. Hij zag den gevangene na, zoover hij kon, en antwoordde

niet eens op hetgeen de Schepenen tot hem zeiden. Hij hoorde hen

zelfs niet. Zonder groeten verliet hij de rechtszaal om zich naar

huis te begeven. Maar ook daar vond hij geen rust. Hij verliet daarom

zijn woning weder en liep doelloos door de stad. Telkens drong zich

de gedachte aan hem op, dat het hem zoo gemakkelijk zou vallen, zijn

broeder te doen ontvluchten. Als Schout had hij immers steeds toegang

tot de gevangenen, en den stokbewaarder kon hij licht onder een of

ander voorwendsel verwijderen? Hij behoefde dan slechts de deur open

te laten om zijn broeder de gelegenheid te geven, zich in veiligheid

te brengen! Wie zou hem ooit kunnen verdenken, dat met voorbedachten

rade te hebben gedaan? Niemand bevroedde immers, dat de veroordeelde

zijn jongere broeder was? Onophoudelijk vervolgde hem de gedachte,

dat het zijn plicht was, Nanning te doen ontvluchten. En ach, hoe

gaarne zou hij het hebben gedaan! Telkens richtte hij als door een

onzichtbare macht gedreven, zijn schreden naar den toren, waarin

Nanning opgesloten was. Maar even dikwijls klonk de waarschuwende

stem van zijn geweten, die hem zeide, dat het als Schout zijn plicht

was, den gevangene zijn gerechte straf te doen ondergaan. Wie kon

voorspellen, hoevele misdaden deze veroordeelde in zijn later leven nog

doen zou? Ja, Geraert voerde een hevigen strijd in zijn binnenste. Zijn

broederliefde dreef hem aan, den pas hervonden broeder te redden van

een smadelijken en wreeden dood, maar zijn plicht als Schout schreef

hem voor, recht te doen zonder aanzien des persoons.

En hij deed zijn plicht. Wel was hij doodsbleek en beefde hij over

al zijn leden van spanning en gejaagdheid, toen hij in zijn woning

terugkeerde, maar--hij was zijn plicht getrouw gebleven...

Nanning zuchtte nog in den kerker, en met een onbeschrijflijken angst

zag hij het oogenblik tegemoet, dat de beul zijn kerker zou openen,

om hem weg te voeren naar het schavot. Bij die gedachte bedekte hij

onwillekeurig het gelaat met de handen, als wilde hij zijn geestesoog

sluiten voor het schrikbeeld, dat voor hem oprees, en dan brak het

klamme angstzweet hem uit. Maar toch gevoelde hij zich getroost en

bemoedigd, nu hij Geraert weder had ontmoet en diens vergiffenis

had mogen verwerven. Dat laatste vooral was hem een troost in het

bitter lijden.

Toch plooide somtijds een glimlach zijn lippen, en meer dan eenmaal

mompelde hij: "Neen, zij zullen het nooit weten, hoe een onschuldige

stierf; niemand zal het zelfs ooit vermoeden, dan Hans alleen, Hans

mijn trouwe makker, die mij opnam en verzorgde, toen ik ziek was

en van allen verlaten. Hij althans zal mij niet van ondankbaarheid

kunnen beschuldigen, en mijn dood zal veel goedmaken, wat ik in

mijn leven misdreef. O, Geraert had het eens moeten weten, dat het

niet mijn hand was, die den doodelijken slag toebracht, maar die

van Hans, den goede oude, die nimmer iemand leed deed en alleen

door drift vervoerd, zijn stok harder liet neerkomen, dan hij zelf

vermoedde. En bovendien, Frederik was schuldig. Hij speelde valsch

en tartte Hans! Arme Frederik, wat is er van ons gekomen? Gij gedood

in de taveerne, bij verkeerbord en wijnkroes, en ik--sterven aan de

galg! O, vreeselijk! Wat zijn wij dwaas en eigenzinnig geweest,--hoe

hebben wij ons eigen geluk verwoest.

Ha, daar denk ik weer aan die Zigeunerin. Wat zeide ze ook weer?

"De toekomst, die u wacht,

Is zwart, als donk're nacht.

Maar liefde geeft u kracht

En maakt het sterven zacht."

Vreemd toch, hoe zoo'n schepsel vooruit kan weten, wat er gebeuren

zal. Want 't is waar: de toekomst is zoo duister voor mij als de

nacht, en alleen de liefde van mijn broeder verzacht mij den harden

dood. Vreemd toch. Maar neen, 't is enkel dwaasheid! Wie weet, tegen

hoevele menschen zij 't zelfde rijmpje opzegt. Dwaas, die ik ben,

om er nog aan te gelooven. 't Is bedrog, alleen bedrog, en 't is

slechts toeval, dat ze het nu bij mij eens geraden heeft. En ook aan

Hans voorspelde zij immers den dood? Bij hem heeft zij het althans

reeds mis gehad, want hij is den dans ontsprongen en bevindt zich

reeds ver van hier in veiligheid. Praatjes zijn het, en anders niet."

Langzaam begon de nacht te vallen, en reeds vroeg werd het donker in

het kleine vertrek. Huiverend van zenuwachtigheid legde Nanning zich

op zijn strooleger, om te gaan slapen. Maar het was hem onmogelijk;

de slaap ontvlood zijn leger. Eindelijk stond hij weder op. 't Werd

nu wat lichter in zijn cel, want door het vierkante raam, dat boven

in den muur was aangebracht, goot de maan haar vriendelijk schijnsel

naar binnen. Ontroerd richtte Nanning zijn blikken op het kleine

gedeelte van den sterrenhemel, dat zichtbaar voor hem was, en met

tranen in de oogen snikte hij:

"Voor de laatste maal, o, voor de laatste maal."

En hij vouwde de handen samen en hief ze biddend ten hemel....

ZEVENDE HOOFDSTUK.

EIND GOED,--AL GOED.

Toen de ochtendzon boven de kim verrees, had Nanning zijn kalmte

teruggekregen en vervulde zijn naderend einde hem niet meer met

dezelfde vrees, als den vorigen dag. Wel was zijn gelaat doodsbleek,

maar zijn bewegingen waren vlug en veerkrachtig. Toch overviel hem

weer een huivering, toen hij de grendels van de deur hoorde schuiven

en deze langzaam zag opengaan.

Een priester trad binnen, om hem voor te bereiden voor het vreeselijke

oogenblik, dat hem wachtte.

Nanning wierp zich eerbiedig voor hem op de knieën, en boog het hoofd

ter aarde. De priester, een eerbiedwaardige grijsaard, staarde hem

eenige seconden met innige deernis aan. Toen hield hij hem de handen

zegenend boven het hoofd, en sprak met ernstige, maar vriendelijke

stem:

"Ontvang mijn zegen, mijn zoon. God moge zich over u ontfermen en u

vergeven, wat gij misdreven hebt."

"Dank, Vader!" stamelde Nanning ontroerd.

"Sta op, mijn zoon," hernam de geestelijke. "Laten wij ons op die

bank nederzetten. Ik heb veel, zeer veel met u te spreken."

Maar Nanning stond niet op. Zoodra de priester gezeten was, wendde

Nanning zich tot hem, en verhaalde hem zijn levensgeschiedenis. Dat

hij daarbij verzweeg de broeder van den Schout te zijn, spreekt van

zelf. Maar diep ontroerd was de priester, toen hij vernam, dat hij

met een onschuldige sprak, die zich opofferde voor een ouden vriend

uit dankbaarheid en erkentelijkheid voor de weldaden, die deze hem

bewezen had. Hij wendde al zijn welsprekendheid aan, om hem over te

halen, den Schout de volle waarheid te zeggen. "Dat is de dankbaarheid

te ver gedreven, mijn zoon!" riep hij uit. "Dat mag niet geschieden,

en het is uw plicht, de volle waarheid te zeggen. Op deze wijze te

sterven is misdadig!"

"Zeg dat niet, Vader!" riep Nanning smartelijk uit. "Laat mij door

mijn dood goedmaken, wat ik in mijn leven misdreef. Laat mij toonen,

dat ik niet slecht ben en dat ik de weldaden niet vergeet, die mij

bewezen werden. Het leven is voor mij toch arm aan geluk, en de dood,

hoe vreeselijk ook, maakt een einde aan mijn leed. O, 't is mij een

heerlijke gedachte, dat mijn sterven de redding is van mijn weldoener."

Tevergeefs poogde de priester hem van zijn plan terug te

brengen. Nanning was vast besloten. En 't was met diepe smart, dat

de grijsaard hem eindelijk verliet, met de belofte, dat hij hem zou

vergezellen op zijn vreeselijken tocht naar het schavot.

Nu was Nanning weder alleen, maar slechts voor korten tijd. Want

spoedig werd de deur weder geopend, en nu trad Geraert binnen. Aan

zijn gelaat was duidelijk te zien, dat hij den nacht slapeloos had

doorgebracht, en nauwelijks was hij met Nanning alleen, of zijn

oogen vulden zich met tranen. Het was hem onmogelijk zich langer te

bedwingen, en hij barstte in hevig snikken los. Nanning wierp zich

in zijn armen en legde zijn hoofd tegen Geraerts borst.

"Wat zijt gij hier al vroeg," fluisterde Nanning zijn broeder toe,

terwijl hij hem dankbaar aanzag. "Ik ben u zeer dankbaar, Geraert. Je

tegenwoordigheid bemoedigt mij zoo, en maakt mij zoo onuitsprekelijk

gelukkig."

"Als het mij mogelijk geweest ware, zou ik vroeger gekomen zijn,

Nan," zeide hij snikkend. Maar toen bedwong hij zich met kracht en

droogde zijn tranen. "Kom Nan, laten wij bij elkander gaan zitten;

daar verlang ik naar. En wees overtuigd, dat wij niet zullen scheiden

voordat wij--door de wet daartoe gedwongen worden. Ik blijf bij u,

Nan, en zal u vergezellen, als gij het wilt."

"O neen, Geraert, dat niet, ik herhaal het. Wil je mij dat beloven,

om mij voor het laatst een genoegen te doen?"

"Zooals je wilt, Nan. Kom laten wij gaan zitten, hier, dicht bij

elkander, zooals wij vroeger deden, toen we nog kinderen waren."

Zij namen beiden op de bank plaats, en zaten geruimen tijd naast

elkander, zonder een enkel woord te spreken. Toch deed het hun goed

aan het hart, zoo dicht bij elkander te zijn, en zij gevoelen zich,

te midden van hun ongeluk, gelukkig.

Af en toe zeiden zij een enkel woord, maar op eens vroeg Geraert:

"Nanning, hebt ge mij lief? Werkelijk lief?"

"Ik heb u onuitsprekelijk lief, Geraert," antwoordde Nanning uit den

grond van zijn hart. "Ach, wat heb ik al uw liefde met ondank beloond,

en hoeveel verdriet hebt ge moeten lijden om mijnentwil. Hoe heb ik

uw liefde verbeurd."

"Neen, Nanning, nooit heb ik opgehouden je lief te hebben. Steeds

heb ik gewacht en gehoopt op je terugkomst, en wel duizendmaal heb ik

mijzelven verweten, dat alles mijn schuld en dat ik te streng geweest

was. Maar Nan, laten wij nu over het verleden niet meer spreken. Dat

alles is voorbij."

"Zooals ook Nanning Baerthoutsz. weldra niet meer zijn zal. Nog

slechts een enkel uur scheidt mij van de eeuwigheid. Geraert, zult

ge met liefde aan mij denken? Ik zou het zoo zielsgraag willen."

"Dat zal ik doen, Nan. Mijn leven zou ik willen geven voor het uwe."

Hij greep Nannings hand en legde die tegen zijn eigen kloppend hart.

Plotseling voer Nanning een kille huivering door de leden, want een

zwaar, somber klokgelui drong tot in zijn kerker door. 't Was de

doodsklok, die reeds bij zijn leven geluid werd. Opnieuw rees het

schrikbeeld voor hem op, dat hem den vorigen nacht zoozeer had doen

huiveren, en hij verborg zijn gelaat ook nu weer in zijn handen.

Geraert stond op. Hij was tot in het diepst zijner ziel ontroerd,

maar hij bedwong zich om zijns broeders wil.

"Het oogenblik van scheiden komt, Nan," zeide hij zacht, terwijl hij

zijn broeder omhelsde en hem zacht tot zich trok. Aan de deur deed

zich weer gedruisch hooren. Er werd geklopt.

"Vaarwel, voor eeuwig, Nan!" zeide Geraert somber.

"Voor eeuwig,--voor eeuwig!" fluisterde Nan. "Goede, brave

Geraert! Ik dank God, dat ik u terug mocht vinden. Denk aan mij--met

liefde. Vaarwel, Geraert!"

"Dag Nan, God zij met u!" snikte Geraert.

Toen opende hij de deur voor--den beul. Maar tegelijkertijd trad ook

de eerwaardige geestelijke wederom binnen, die zich naast Nanning

plaatste, wien de handen nu op den rug werden gebonden.

Op een enkel teeken van den Schout werd Nanning weggevoerd. De

krijgsknechten wachtten hem aan de deur. Daar wendde Nanning het hoofd

om en zag voor het laatst zijn broeder aan. Kalm stond deze in het

midden van den kerker. In den blik, dien de broeders nu wisselden,

lag al de liefde opgesloten, die zij voor elkander koesterden.

Maar nauwelijks was Geraert alleen of hij barstte in een jammerlijk

snikken uit. En zijn hart kromp ineen bij elken klokketoon, die in het

vertrek doordrong, en hij huiverde bij het geluid van het tromgeroffel,

dat zijn broeder vergezelde op zijn vreeselijken tocht.

Geraert knielde neder en bad God om kracht voor zijn armen broeder...

Zoo bleef hij geruimen tijd liggen. Voortdurend drong het somber

klokgelui tot hem door, en in gedachten volgde hij Nanning op diens

tocht.

Maar plotseling hoorde hij een hevig gedruisch en vernam hij de

kreten: "Waar is de Schout? Waar is de Schout? Spoedig, spoedig,

of een onschuldige sterft!"

De Twee Broeders: Een Kennemer Legende uit de jaren 1420-1436 · 第 5 / 6 段