en mannenstemmen naderde de cel, waarin hij zich bevond. De deur werd
opengeworpen en een gerechtsdienaar trad binnen. Doch op het zien van
den Schout, die nu onverwachts voor hem stond, deinsde hij achteruit.
"De Schout!" zeide hij, en nauwelijks had hij die woorden geuit,
of een oude man drong zich met spoed naar binnen, en wierp zich voor
den Schout op de knieën.
"Genade, Heer, voor een onschuldige! O, ik bid u, spaar zijn leven,
spoedig, eer het te laat is! Ik ben de schuldige, Heer, ik alleen!"
"Groote Hemel!" riep Geraert doodelijk ontsteld uit, maar hij verloor
geen oogenblik zijn bezinning.
"De terechtstelling wordt geschorst!" beval hij aan een zijner
krijgsknechten. "Zorg, dat ge niet te laat komt!"
En ijlings verliet de dienaar zijn plaats, om zich naar het marktplein
te begeven, waar de veroordeelde zeker haast aangekomen moest zijn.
"Als hij maar niet te laat komt!" mompelde Geraert met samengevouwen
handen. En nu viel zijn blik wederom op den ouden man, die nog altoos
geknield voor hem lag.
"Spreek, oude, zeg mij de waarheid, want indien gij liegt, doet gij een
vreeselijke misdaad. Dan zou hij immers tweemaal denzelfden doodsangst
moeten uitstaan! En bovendien, hij heeft immers zelf bekend, de dader
te zijn?"
"Dat heeft hij gedaan, om mij te redden, Heer," antwoordde Hans de
Vedelaar, want die was het, zooals de lezer zeker wel geraden zal
hebben. "Hij is braaf en edelmoedig, Heer, en heeft zich willen
opofferen voor mij. Maar dat kan, dat mag ik niet toestaan, Heer
Schout. Hij is jong en ik ben een oud man. Mijn hoofd buigt zich reeds
naar het graf. Ik heb den Alkmaarschen poorter gedood, niet hij, Heer."
"Spreek de waarheid, oude. Wie zijt gij?"
"Een zanger en vedelaar, Heer, anders niet. Eenmaal, al jaren geleden,
heb ik hem, Lieven, mijn trouwen makker en reisgezel, zwaar gewond
op den weg gevonden, beroofd van alles, wat hij bezat. Toen heb ik
hem verpleegd en van den dood gered. Uit dankbaarheid neemt hij nu
de schuld van mij op zich. O, hij is goed en edelmoedig!"
De oude man was ontroerd. De tranen stonden hem in de oogen.
"Dat is hij, als gij waarheid spreekt, zanger. Maar toch, hij is een
speler en -- --"
"Niet waar, Heer. Hij speelde niet mede; dat deed hij al in jaren
niet meer. Het spel was zijn ongeluk geworden, zeide hij mij, en
daarom raakte hij dobbelsteenen noch wijnkroes meer aan. O, dat ik
niet te laat kome!"
"Dat geve God!" stamelde Geraert ontroerd. Hij ging naar het venster
en keek naar buiten. Ha, daar zag hij een drom volks naderen. Twee
krijgsknechten liepen hard vooruit, en waren het stadhuis bijna
genaderd. Geraert snelde hen tegemoet. Hij sprak geen woord, maar
hield vol spanning den blik op hen gericht.
"Wij waren nog juist bij tijds, Heer! Waren wij vijf minuten later
gekomen, dan zou het vonnis voltrokken geweest zijn."
Het was Geraert bij die woorden, of hem een last van wel duizenden
ponden van de schouders was genomen, en met een verruimd hart keerde
hij naar den ouden man terug. Nu ontstond er een verbazende drukte
voor het gebouw. Het volk had den gevangene, die zoo onverwacht den
dood was ontkomen, vergezeld op zijn tocht herwaarts, en wachtte met
spanning af, wat er verder gebeuren zou. Van mond tot mond ging de
tijding, dat een oude man zichzelven als de dader had bekend gemaakt,
en dat deze vrijwillig naar Alkmaar teruggekeerd was, toen hij vernomen
had, dat men een onschuldige ging dooden. Maar nu men vernam, dat de
jonge man zichzelven uit dankbaarheid voor den waren schuldige had
willen opofferen, keek ieder hem met eerbied en ontzag aan. Ook den
ouden man kon men niet haten, na zijn vrijwillige terugkeer, om zijn
jongen vriend te redden.
Nanning werd in de cel binnengeleid, niet weinig nieuwsgierig, wat er
gebeurd mocht zijn. Maar nauwelijks viel zijn blik op den ouden Hans,
zijn goeden makker en den redder van zijn leven, of hij slaakte een
kreet van smart.
"O Hans, waarom hebt ge dat gedaan?" riep hij uit.
"Omdat ik moest, Lieven. Mijn geweten dwong mij er toe. Mocht ik dan
een onschuldige laten sterven?"
"Arme, oude vriend, welk vreeselijk lot staat u te wachten!" riep
Nanning bedroefd uit.
Maar nu voelde hij twee armen om zijn hals slaan.
"Nanning, mijn broeder!" hoorde hij zacht uitroepen.
't Was Geraert, die zijn ontroering niet langer bedwingen kon en hem,
voor de oogen van allen, die er omheen stonden, omhelsde.
"Geraert!" was alles, wat Nanning zeide.
Het is te begrijpen, hoe verwonderd de omstanders waren, en met welk
een diep gevoel van eerbied en bewondering zij naar den Schout opzagen,
die zelfs zijn eigen broeder ter dood verwezen had, toen hij dat zijn
plicht achtte.
"Uw broeder?" vroeg Hans, met een tinteling van geluk in zijn oog. "O,
Lieven, dat verheugt mij! Nu zult ge weer gelukkig worden. Welk een
schoon leven ligt nog voor u!"
"En voor u, mijn trouwe Hans?" vroeg Nanning bedroefd.
Thans wenkte de Schout een paar krijgsknechten, die zich naast Hans
plaatsten.
"Ik moet u gevangen nemen, oude man. Dat is mijn plicht. Brengt
hem naar de rechtszaal, en zegt den stadsbode, dat hij de Schepenen
bijeenroepe. Gij behoeft den gevangene niet te boeien; dat is hier
onnoodig!"
"Ik volg u, Hans, en zal vóór u getuigen!" riep Nanning hem toe.
Daarop werd Hans weggeleid.
Zoodra hij buiten de deur verscheen, ging er een gemompel van
goedkeuring onder het volk op.
"Dat is een brave kerel!" riep er een. "Hij moest losgelaten worden."
"Dat moest hij!" meende een tweede.
"De andere is de broeder van den Schout!" klonk het nu weer uit den
mond van een ander, en allen volgden den ouden man op zijn weg naar
het stadhuis.
Op dit oogenblik schoot ook Hans de voorspelling van de zigeunerin
te binnen. En zacht murmelde hij:
"'k Zie niets dan somber zwart.
Angst gaat gepaard met smart.
't Hoofd buigt zich onder druk,
Slechts 't kerkhof geeft geluk."
"Zij heeft het geraden, althans wat mij betreft. Want met Lieven
heeft zij het misgehad," dacht hij. "De dood wacht mij, en niets is
in staat mij te redden."
Langzaam werd de tocht voortgezet. De beide krijgsknechten liepen
naast hem, zonder eigenlijk veel op hem te letten. Zij spraken samen
druk over hetgeen er gebeurd was.
Opeens kwam er een eigenaardige flikkering in de oogen van den ouden
man. Hij mompelde zacht:
"Ha, laat ik het beproeven. Wie weet, of ik de voorspelling van die
heidin niet tot waarheid kan maken, al is het op een andere wijze,
dan zij bedoelde. Ginds zie ik een kerkhof, en--een kerkhof is een
vrijplaats. Opgepast, Hans, 't wordt een wedloop om je leven!"
Nu was hij een kleine dwarsstraat genaderd, die op het kerkhof
uitliep. Het hek daarvan stond open. Met meer snelheid dan iemand van
den ouden man had kunnen verwachten, sprong hij vooruit, en liep in
de richting van de eenige plaats, die hem redding kon aanbrengen.
Eer de krijgsknechten goed zijn bedoeling begrepen, was hij hun reeds
een flink eind vooruit.
"Grijpt hem! Grijpt hem! Het kerkhof!" riepen zij, terwijl zij hem
ijlings nazetten. "Het kerkhof! De vrijplaats!"
"Het kerkhof! Het kerkhof!" joelde de menigte. "Hij is ontsnapt! Hij
vlucht naar de vrijplaats!"
't Werd propvol in de nauwe straat. De vlugsten haalden de
krijgsknechten spoedig voorbij en liepen hen in den weg. Nog een
kort oogenblik, en Hans snelde het reddende hek binnen. Daar was hij
in veiligheid. Niemand dan de prior van het klooster, waaraan het
behoorde, had het recht hem vandaar te verwijderen.
Een groot gedeelte van het volk juichte, toen hij daar aangekomen
was. En ook Geraert en Nanning verheugden zich zeer, toen zij een
oogenblik later daar aankwamen, en zagen wat er gebeurd was.
"Bewaakt hem daar, mannen!" gebood de Schout.
En nu begaf hij zich met Nanning naar de rechtszaal, waar de Schepenen
reeds waren aangekomen.
Het vonnis, dat over Nanning was uitgesproken, werd nu vernietigd,
en men besloot geen pogingen te doen, om den prior over te halen,
den vluchteling uit te leveren.
Alleen werd de oude zanger voor goed uit de stad gebannen, dat was zijn
vonnis. En dat vonnis was hem welkom. Nanning en Geraert geleidden
hem zelven buiten de poort, en de laatste zorgde er wel voor, dat
hij niet met ledige handen vertrok. Hij schonk hem zooveel dat hij
zonder zorg verder leven kon.
"Vaarwel, Lieven! Ik keer naar mijn vaderland terug, en zal u nimmer
vergeten. Leef gelukkig!"
"God zij met u, Hans," zeide Nanning bedroefd. Ook de Schout drukte
hem de hand, en beiden staarden hem zoolang na, tot hij uit het oog
verdwenen was.
Met innige vreugde voerde Geraert zijn teruggevonden broeder naar
zijn woning.
Reeds lang was hij van plan geweest, zich uit de zaken terug te
trekken, en voortaan alleen te leven om als Schout de belangen van
de stad te behartigen. Nu had hij daarvoor een goede gelegenheid. Hij
deed zijn brouwerij aan Nanning over, en vergenoegde zich alleen met
zijn schoutsambt.
Hun verder leven hebben zij in de stad Alkmaar doorgebracht, waar
Nanning spoedig een van de meestgeachte poorters werd. Tot aan hun
dood hebben de beide broeders elkander innig liefgehad en nimmer was
meer van scheiding sprake.
INHOUD.
Eerste Hoofdstuk. Bladz.
Het Sterfbed 5
Tweede Hoofdstuk.
Afgedwaald 27
Derde Hoofdstuk.
In den vreemde 51
Vierde Hoofdstuk.
Hans de Vedelaar 75
Vijfde Hoofdstuk.
Gevankelijk weggevoerd 96
Zesde Hoofdstuk.
Eindelijk hereenigd, om--voor goed weer te scheiden 119
Zevende Hoofdstuk.
Eind goed--al goed 141