Nanning en Hans op. Langzaam bewegen zij zich verder, nu eens
stilstaande, om met een kramer van hun kennis een oogenblik te
praten, dan weer luisterende naar een potsenmaker of kwakzalver,
die zijn best doet het geld der toeschouwers in zijn beurs te doen
overgaan. Zij zijn in de laatste tien jaren veel veranderd. Oude
Hans is nog een krasse man, maar men kan het hem toch aanzien, dat
de last des ouderdoms hem begint te drukken. Zijn haren zijn geheel
wit geworden en zijn gestalte is gekromd. Maar armoede schijnt hij
niet meer te kennen, want hij is voor iemand van zijn jaren keurig
gekleed. Hij schijnt een goede plaats te zoeken, om zijn liederen
voor te dragen, want hij heeft zijn vedel onder den linkerarm. In de
rechterhand houdt hij een stevigen wandelstok, die hem veel dienst
begint te bewijzen, want hij loopt niet zoo vlug meer als vroeger. Ook
Nanning is tien jaar ouder geworden. Hij is nu een krachtige, jonge
man, met breede schouders en een gezond, sterk voorkomen. Hij draagt
thans een knevel en een korten puntbaard, die hem voor zijn vroegere
kennissen vrijwel onherkenbaar maken. Met onverschilligen blik ziet
hij naar de wandelaars, die hem voorbijloopen, en over het geheel is
zijn uiterlijk niet vroolijk of levenslustig. Eigenlijk schijnt niets
hem te boeien of aan te trekken en soms is zijn voorhoofd gefronst,
alsof onaangename gedachten hem kwellen.
Veel haast schijnen onze wandelaars niet te hebben, want telkens staan
zij stil, om te luisteren en te kijken naar de drukte, die rondom
hen heerscht. Nu komen zij op een plaats, waar een oud grijs man op
een verhevenheid heeft plaats genomen, van welk verheven standpunt
hij met deftigen ernst het publiek aankijkt, terwijl zijn knecht,
door op een grooten trom te slaan, alsof hij er spaanders van wilde
maken, en soms zoo geweldig op een trompet te blazen, dat zijn aderen
dreigen te springen, alle moeite doet, om publiek te lokken. Eindelijk
schijnt hij tevreden over den uitslag van zijn wanhopige pogingen. Hij
legt stok en trompet ter zijde, en begint te schreeuwen:
"Luistert allen, die lijdende zijn in hoofd, romp of ledematen, die
kiespijn hebben, of doof zijn, of blind, of kreupel, of lam, of door
likdoorns gekweld worden, of oud worden en graag jong willen zijn,
of jong zijn en graag oud willen worden! Luistert allen, boeren en
poorters, edellieden en gezellen, mannen en vrouwen. Dáár--(en nu
wijst hij op den zwijgenden man naast zich)--dáár staat de beroemdste
wonderdokter van de geheele wereld! In China als in Japan, in Azië
zoowel als in Europa, overal, overal is hij wereldberoemd, ja, nog
veel beroemder dan dat! Hebt ge kiespijn? Zoo ja, komt dan tot hem,
en zonder eenige smart of pijn trekt hij de kies er uit. En doet ge
een klein beetje van deze zalf op de wond, binnen drie maanden hebt
ge de mooiste kies teruggekregen, die ge wenschen kunt! Overal, ja
overal weet hij raad voor, en 't kost slechts een kleinigheid. Dezen
beroemden dokter is het niet om het geld te doen, neen, brave menschen,
geld heeft hij niet noodig, want hij is nog rijker dan schatrijk;
hij komt hier alleen, omdat hij medelijden heeft met de lijdende
menschheid en uw pijn verdrijven wil. Hier is het beroemde levenssap,
dat de jeugd teruggeeft en den dood verjaagt; die het een jaar lang
gebruikt, kan zoo lang leven als hij wil! Komt, komt, allen die pijn
hebt of ziek zijt, hier wordt u redding en hulp gebracht!"
Lachend ziet Nanning het aan, hoe een boertje met een dik gezicht van
de kiespijn de verhevenheid beklimt, en den wonderdokter eerbiedig
nadert. En de dienaar grijpt haastig naar stok en trompet, en schettert
en boemt zóó hard, dat zelfs de kreten van den boer voor het publiek
onhoorbaar worden, nu de dokter hem van zijn zieke kies verlost. En
weer komt een ander die de hulp van den beroemden man inroept...
Maar Nanning en Hans vervolgen hun tocht. Zij glimlachen om de
snorkerijen van den oolijken dienaar, dien zij zeer goed kennen. Zij
weten wel, hoe goed hij er den slag van heeft, de bekwaamheden van
zijn meester te luchten en diens beurs te spekken.
Even verder zien zij weder een ander schouwspel. Daar doet een
kunstenaar halsbrekende toeren op zijn paard, springt door een
met papier beplakten hoepel, en rijdt eindelijk in gestrekten draf
rond, staande op het ros, terwijl zijn achtjarig zoontje hem op de
schouders staat. De menschen juichen vader en zoon uitbundig toe,
al wordt ook menig teeder vrouwenoog afgewend, als het den kleine
bij zijn gevaarlijke toeren aanschouwt.
Nu treedt hun een kleine, vuile vrouw tegemoet, met pikzwarte haren
en een donkere gelaatskleur. Groote, witte kralen hangen haar om
den hals, en opzichtelijke bellen moeten haar ooren tot versiersel
dienen. 't Is een zigeunerin. Zij nadert Nanning en grijpt zijn hand.
"De toekomst voorspellen, heer?" vraagt zij met vreemd accent. Maar
driftig rukt hij zijn hand uit de hare. Doch opeens bedenkt hij zich.
"'t Is goed, vrouw, voorspel mij de toekomst eens!"
Hij houdt haar de handpalm voor, waarvan zij met groote aandacht de
lijnen beschouwt. Dan zegt zij zacht:
"Ik zie in uw jeugd gelukkige jaren,
Waaraan groote liefde en weelde zich paren..."
Hier hield de vrouw een oogenblik op en keek hem in het gelaat,
wat Nanning deed uitroepen:
"Welnu, vrouw, is je wijsheid nu reeds uitverkocht? Waarom ga je
niet voort?"
"Ik zal voortgaan," zei de Zigeunerin.... "Luister:
Maar weelde en liefde,--zij vloden heen!
Het vroolijk lachen werd--droef geween."
Nanning trok zijn hand terug en zeide wrevelig:
"Dat is oud nieuws, vrouw! Het verleden behoef je mij niet te zeggen,
want dat weet ik zelf het best. Ik heb je gevraagd, mij de toekomst
te voorspellen, maar die weet je misschien evenmin als ik!"
"Geef mij uw hand, dan zal ik u ook de toekomst ontsluieren," sprak
de vrouw, en nogmaals beschouwde zij de hand zorgvuldig. Na enkele
seconden zeide ze op somberen toon:
"Heer wees met het verleden tevreden. De toekomst brengt geen geluk
aan."
"Geluk of ongeluk, dat is mij om 't even!" zeide Nanning luchthartig,
hoewel de zwarte oogen van de vrouw en de somberheid toch eenigen
indruk op hem maakten. "Ga voort, vrouw, en zeg mij wat er gebeuren
zal."
"Gij wilt het, Heer, ik heb u gewaarschuwd," antwoordde de Zigeunerin,
die ongetwijfeld zelf geloof sloeg aan haar kunst. En zij vervolgde:
"De toekomst die u wacht
Is zwart, als donk're nacht.
Maar liefde geeft u kracht
En maakt het sterven zacht!"
"Is 't anders niet vrouwtje?" riep Nanning uit, terwijl hij haar
eenig kleingeld gaf. "Dus de toekomst zal mij den dood brengen? Wel,
dat is oud nieuws. Dezelfde voorspelling kon ik u ook doen. Ha, ha,
wat weten de voorspellers er zich toch aardig uit te redden! Ik moet
zeggen, dat gij uw vak verstaat, hoor!"
"Voorspel mij nu de toekomst ook, vrouw," riep Hans haar toe. "Ik
ben ook nieuwsgierig, of ik later sterven zal!"
Hij legde zijn oude, rimpelige hand in de hare, en wachtte lachend
af, wat zij zeggen zou. Maar de vrouw keek ook hem met haar groote,
donkere oogen angstig aan, en zeide:
"Ook voor u is geen geluk, Heer."
"'t Doet er niet toe! Laat hooren, wat je in mijn hand leest."
"Wel, natuurlijk, dat je eenmaal sterven zult!" riep Nanning hem toe.
"Hoor dan," sprak de vrouw zonder zich aan Nannings spot te storen. En
zacht fluisterend vervolgde zij:
"'k Zie niets, dan somber zwart.
Angst gaat gepaard met smart.
't Hoofd buigt zich onder druk
Slechts 't kerkhof geeft geluk."
"Zie je nu wel, dat je ook eenmaal sterven moet?" zeide Nanning
lachend.
"'t Is waar!" antwoordde Hans. "Op die manier kan ik ook de toekomst
voorspellen. Hier heb je een paar penningen, vrouw. Je verstaat
de kunst uitstekend, en wij zijn even dom als de boer, die straks
dacht, dat de wonderdokter hem zonder pijn kiezen kon trekken. Kom,
Lieven, laten wij zien, dat we onze weggegooide penningen terug
verdienen. Ginds zie ik een goede plaats."
De beide mannen gingen verder, tot zij op een pleintje kwamen,
waar zij ruimte genoeg hadden, om flink wat menschen om zich heen
te kunnen verzamelen. Hans nam op een kleine verhevenheid plaats en
begon zijn viool te stemmen. Maar juist toen hij beginnen wilde met
het zingen van zijn liederen ontstond er aan het einde van de straat
een groote drukte, waarom hij besloot liever nog een oogenblik te
wachten. Weldra zag hij ook, wat de reden van deze opschudding was. Er
naderde een optocht van de gilden, die zich naar de Doelen begaven
om op den papegaai te schieten. Voorop gingen de muzikanten, wier
schetterend trompetgeschal al in de verte hoorbaar was. En daarna
volgden de verschillende ambachten, welke in die dagen in gilden
vereenigd waren, die allen hun eigen bestuur hadden. Elk gilde werd
voorafgegaan door den deken of opperbestuurder, die gevolgd werd
door den vaandeldrager en de overlieden. Daarop volgden de meesters,
of zooals zij tegenwoordig genoemd worden de patroons of bazen, en na
hen kwamen de gezellen en leerlingen. Om zich toen ergens als baas of
meester te kunnen vestigen, moest men ten overstaan van den deken en de
overlieden proeven van bekwaamheid afleggen, en alleen na een voldoend
examen kon men den titel van meester verwerven. Zonder dien titel mocht
niemand zich als zoodanig nederzetten. Het was een lange optocht, die
een vroolijk gezicht opleverde. Alle deelnemers waren op 't keurigst
gekleed en van een handboog voorzien. De papegaai van hout of leder,
die tot mikpunt moest dienen, werd ook in den stoet medegevoerd.
Nauwelijks was deze optocht voorbij, of een nieuwe verscheen aan het
einde der straat. 't Waren de schutters, die een feestelijken omgang
door de stad hielden. Vroolijk wapperden de vaandels in den wind, en
hel blonken de speren en zwaarden in den zonneschijn. En de muziek
liet haar opwekkende tonen hooren en bracht menigen jongensvoet in
beweging. Toen eindelijk ook de schutters voorbijgetrokken waren, kon
Hans met zijn spel beginnen. Maar men verleende hem weinig aandacht,
want het pas genoten schouwspel had de voorbijgangers verwend. De
oude zanger kon hen niet boeien en de meesten spoedden zich naar het
doelenplein om getuigen te zijn van het feest.
Hans en Nanning besloten daarom liever enkele uren te wachten,
en wandelden nog eenigen tijd doelloos door de stad. Op eens bleef
Nanning onder blijken van groote ontsteltenis op de plaats, waar hij
zich bevond, stilstaan en hield onafgebroken zijn oogen gevestigd op
een jongen man, die hem langzaam voorbijliep. Hij zag er vrij haveloos
uit en zijn gelaat had een onedele uitdrukking. Zijn lijfrok was
kaal en versleten, zijn hozen waren verkleurd, zijn schoenen oud
en zijn hoed droeg de sporen van een langdurig gebruik. Toch kon
men hem aanzien, dat hij het eenmaal beter in de wereld had gehad,
want de snit van zijn kleederen was als die van de gegoede poorters,
tot welke hij blijkbaar zich nog gaarne bleef rekenen. Maar hoe
vervallen deze jonge man er ook mocht uitzien en hoe weinig er was
overgeschoten van zijn vroeger zoo vroolijk en welvarend uiterlijk,
toch herkende Nanning zijn vroegeren vriend onmiddellijk, en met de
teekenen van droeve verrassing mompelde hij zacht:
"Frederik Geyensz."
Zonder dat iemand het hem behoefde te zeggen, begreep hij wat
er gebeurd was, en dat het spel en de wijnkroes van den vroegeren
Frederik Geyensz. dat armzalig overschot hadden gelaten.
"Arme Frederik," mompelde hij, zonder in het minst lust te gevoelen,
de kennismaking met hem te hernieuwen. En met droefheid en knagend
zelfverwijt volgde hij Hans, die nu opnieuw de snaren van zijn
speeltuig spande, en begon te zingen. Want het feest op het doelenplein
was afgeloopen en het werd weer drukker op de straten. Een groote
menigte verzamelde zich om den ouden zanger en luisterde naar het
eenvoudige lied, dat hij zong. 't Was een zeemansliedje en scheen
zeer in den smaak van zijn hoorders te vallen. Het luidde:
Zeilreê ligt 't scheepje aan 't Hollandsche strand;
Wie vaart er mee?
Juichend roept Janmaat in 't slingerend want
Vroolijk hoezee!
't Vaartuig danst blij op het woelige sop,
Vlug als een meeuw!
Wapprende kleuren versieren den top:
Hollandsche leeuw.
Janmaat kampt moedig met zeeën en wind,
Vreest geen gevaar,
Klimt in de masten en touwen gezwind,
Hoog op de baar.
Brengt naar het Noorden de waar van den Rijn,
Zwellend van buit,
Wollen van Vlaanderen, uit Spanje den wijn,
Vruchten van 't Zuid.
't Scheepje keert weder met schatten aan boord,
Heerlijk belaân,
Haring of walvisch uit 't vischrijke Noord,
Masthout en graan.
Janmaat verlangt naar het heerlijke thuis;
Hut aan het strand;
Moeder ontvangt hem met vreugd in haar huis,
"Welkom aan land!"
Men juicht den ouden zanger toe en dringt hem, om nog een lied
te zingen, waaraan hij gaarne voldoet, maar dan is de beurt aan
Nanning. Tot groote bevreemding echter van Hans is hij voor de eerste
maal, zoolang hij hem kent, daartoe niet bereid.
"Ik doe heden niets, Hans," zegt hij kortaf. "Ga jij maar voort. Het
gaat heel goed."
Hans kijkt hem met bevreemding aan, maar kan onmogelijk gissen, wat
de beweegreden van Lievens onverklaarbaar gedrag is. Had hij echter
geweten, dat onder de luisteraars zich ook Nannings vroegere vriend,
Frederik Geyensz. bevond, dan zou het raadsel opgelost geweest zijn. 't
Was Nanning heden bepaald onmogelijk, als zanger of sprookspreker op
te treden. Hij voelde dat de woorden hem in de keel zouden blijven
steken, en--in één woord, 't was hem heden onmogelijk. Opnieuw dacht
hij aan alles wat er vroeger gebeurd was, aan zijn verleden en heden,
en zijn hart was tot barstens toe vol.
Eindelijk gingen ze naar de taveerne terug, waar zij hun intrek genomen
hadden,--zwijgend en slechts met halve verdienste. Want Nanning bracht
gewoonlijk het grootste deel aan.
't Was vol in de taveerne, die, nu de avond gevallen was, door lampen
verlicht werd. Nanning nam in een hoek van het vertrek plaats en
verzonk daar in droef gepeins. Hij lette niet op de dansende paren,
die zich op de maat der krassende vedels voortbewogen en gaf Hans
ter nauwernood antwoord, toen deze zich bij hem voegde, om hem wat
op te vroolijken. Want de oude man zag wel, dat Lieven in een sombere
stemming verkeerde, zooals dat vroeger wel meer gebeurde. Doch in de
laatste jaren waren die buien minder geworden en scheen Lieven zich
in het onvermijdelijke te schikken.
Maar hoe hij nu ook praatte, het hielp hem niets, en Lieven bleef
even stil en teruggetrokken. Hij gaf zelfs niet onduidelijk te kennen,
dat hij liever alleen wilde zijn.
Eindelijk begonnen de gasten langzamerhand te vertrekken en konden
ook de vedelaars naar huis terugkeeren. Maar in de taveerne bleef
het druk, want de kooplieden hadden nu hun kramen gesloten en kwamen
binnen, om nog een poosje genoeglijk bij elkander te zijn, voor zij
zich ter ruste begaven. Er kwam nu een vroolijk volkje bij elkander,
dat het aan grappen niet liet ontbreken en weldra het verkeerbord
en de wijnkroes lieten brengen. De dobbelsteenen rammelden over de
tafel en de wijn liet zich goed smaken. Het was al laat in den avond,
toen de deur nog eenmaal voor een bezoeker geopend werd en dezen
binnenliet. Eerst keek hij een oogenblik onderzoekend rond, bij welk
tafeltje hij zich zou aansluiten, en trad toen op het gezelschap toe,
waarvan ook Hans deel uitmaakte, 't Was Frederik Geyensz. Nanning
herkende hem dadelijk. Hij zag, hoe de oogen van zijn vroegeren vriend
fonkelden, toen hij de dobbelsteenen opraapte, om ook zijn geluk te
beproeven. Neen, om de gezelligheid van het gezelschap was het hem
blijkbaar niet te doen: alleen de kansen van het verkeerbord hadden
hem hierheen gelokt. De ongelukkige! Nog altoos was hij de slaaf van
zijn hartstocht, hoewel hij het wist, dat deze hem verarmd had en
ongelukkig gemaakt. Toch kwam hij hier weder binnensluipen, om zijn
schamele penningen te wagen. Wie weet, hoe het geluk hem dienen mocht!
Hij scheen gelukkig te zijn, want het stapeltje geld vóór hem op
de tafel, werd langzamerhand grooter. En hoe meer hij won, hoe
hartstochtelijker hij speelde. Op de anderen lette hij niet. Alleen
keek hij Nanning een oogenblik aan, toen deze geroepen werd, om ook
mede te spelen.
"Kom Lieven, durf je weer geen enkele penning te wagen?" werd hem
toegeroepen.
Maar Nanning weigerde, en Frederik had hem niet herkend. Het spel
werd voortgezet, en hoe later het werd, hoe meer de wijnkroes werd
aangesproken en de inzet verhoogd. Frederiks gelaat werd hoogrood van
speelzucht en begeerigheid. Eindelijk scheen zijn geluk hem te verlaten
en verloor hij keer op keer. Zijn geld begon te verminderen, en daarom
verhoogde hij telkens zijn inzet. Maar hij bleef ongelukkig. Toen
begon hij valsch te spelen. Er had zich een groep van toeschouwers
om het tafeltje gevormd. Ook Nanning was eindelijk opgestaan en had
zich bij hen gevoegd.
Frederik waagde een grooten inzet. Hij verloor, Hans won. Maar
Frederik wilde zijn geld niet betalen. Hij sprong op en riep Hans toe,
dat hij valsch gespeeld had. De ongelukkige! Wat was hij reeds diep
gezonken! Toen ontstond er een geweldig tumult. Allen schreeuwden door
elkander. Hans achtte zich door de beschuldiging van den Alkmaarschen
poorter diep beleedigd en eischte het gewonnen geld. Frederik wilde
niet betalen. Opeens werden zij handgemeen. Allerlei kreten hoorden
zij door elkander, en de waard deed vergeefsche pogingen, om hen te
scheiden. In zijn drift hief Frederik een kruik omhoog en wilde die
op het hoofd van den ouden man doen nederkomen, doch Nanning zag dat,
en sloeg hem de kruik uit de handen, zoodat zij aan scherven over den
vloer vloog. Een lamp werd naar beneden geslagen. 't Was een vreeselijk
tooneel. De waard snelde naar buiten, om de dienaren van den Schout
te hulp te roepen. De vechtpartij werd algemeen. Toen flikkerde een
mes in de hand van Frederik Geyensz, maar voordat hij er den ouden
man mede kon treffen, snorde een stok door de lucht en--verbrijzelde
hem den schedel. Ontzield zonk hij ter aarde.
"Moord! Hulp! Moord!" hoorde men roepen, en velen verlieten in de
grootste haast het vertrek. Nanning boog zich over den verslagene heen,
maar--helaas, het leven was gevloden.
"Arme Frederik!" mompelde hij. Doch opeens bedacht hij zich, dat
zijn veiligheid gevaar liep. Hij stond op en zocht naar Hans, doch
hij zag hem niet. Allen waren verdwenen. Hij alleen was daar nog,
met den doode. Voort! Eer het te laat is!
Hij ijlde naar de deur, maar daar klonken hem dreunende voetstappen in
de ooren. De wacht naderde, dus was hem daar de uitgang versperd. Toen
snelde hij naar de achterdeur, maar het was te laat. De dienaren
traden het vertrek binnen, en met een enkelen oogopslag bemerkten
zij wat er gebeurd was.
"Grijpt dien kerel daar!" klonk het uit den mond van den
bevelhebber. Nanning rukte de deur open en vluchtte naar buiten,
waar hij dadelijk achtervolgd werd. En nu kwam hij tot de vreeselijke
ontdekking, dat hij verloren was, want de plaats waar hij zich nu
bevond, was door een hooge schutting omgeven, die een ontvluchting
ten eenen male onmogelijk maakte.
Hij voelde zich met ruwe hand aangrijpen en naar binnen sleuren,
waar hij voor den bevelhebber werd gebracht, die bij het lijk van
den verslagene stond.
"Hier is de doodslager!" klonk het uit den mond van den krijgsman
den bevelhebber toe.
Deze nam hem op van het hoofd tot de voeten.
"Hoe is je naam?" vroeg hij kortaf.
"Mijn naam is Lieven van Keynoot!" gaf Nanning ten antwoord.
"Waar geboren?"
"In het Brabantsche, heer!"
"Wat doet ge hier?"
"Ik ben zanger en sprookspreker, en tracht op de jaarmarkten aan den
kost te komen."
"Ik hoor het al!" sprak de bevelhebber ruw. "Mannen, bindt dien kerel
de handen op den rug en doet hem een strop om den hals, opdat hij
niet ontsnappe. Breng hem naar de gevangenis en zeg den bewaarder,
dat hij hem in den stok sluite!"
Het bevel werd dadelijk uitgevoerd.
Met ruwe hand werden hem de armen op den rug samengesnoerd, en met
een strop om den hals voerde men hem naar de poort, waarvan de deur
weldra ontsloten werd. De stokbewaarder, een onooglijk man met een
wreed uiterlijk, ging hem voor en leidde hem naar een kerker onder de
poort Daar moest Nanning in een zittende houding plaats nemen, met de
beide beenen over een smal blok, en toen legde de bewaarder een ander
blok daar overheen en timmerde de beide einden stevig aan elkander.
"Zoo zal hij niet wegloopen, dat durf ik te verzekeren," zeide hij
met zelfvoldoening over zijn arbeid tot de dienaren.
"Al moest hij ook tien jaren hier blijven, het zou hem niet gelukken
te ontsnappen!"
"Zoolang blijft hij niet," antwoordde de bevelhebber met een wreed
gebaar. "Hij zal het niet lang meer maken."
"Ha, zoo!" lachte de stokbewaarder. "Nu, kort of lang, dat is mij
onverschillig: hij zal het goed bij mij hebben!"
Luid lachende over deze aardigheid verliet hij den kerker, de dienaren
volgden hem en Nanning bleef in de diepste duisternis alleen...
ZESDE HOOFDSTUK.
EINDELIJK HEREENIGD, OM--VOOR GOED WEER TE SCHEIDEN.
Het was eenige dagen later.
In het groote vertrek van het stadhuis, dat tot rechtszaal diende,
bevond zich nog niemand dan de bode, die alles in gereedheid had
gebracht voor de plechtigheid, welke straks een aanvang zou nemen. Nog
eenmaal laat hij zijn blik onderzoekend ronddwalen of alles in orde
is. Daar aan die lange tafel, geplaatst onder de groote schilderij,
die Salomo's rechtspraak voorstelt, zullen Schout en Schepenen heden
vergaderen om recht te spreken over den jongen vreemdeling, wien men
manslag ten laste legt.
Met een tevreden knikje over zijn eigen zorgvuldigheid neemt hij den
versierden bodestok in de hand en begeeft zich naar den ingang om
te zien, of nog niemand in aankomst is. Maar zoodra ziet hij niet,
dat reeds twee Schepenen het rechtsgebouw naderen, of hij trekt
zich ijlings terug en neemt de deftige houding aan, die bij zijn
ambt behoort. Met groote plechtigheid opent hij de deuren, om hen
binnen te laten. Nu volgen ook spoedig de andere Schepenen en allen,
wier tegenwoordigheid hier heden vereischt wordt. Alleen de Schout
is nog afwezig, en ook den beschuldigde heeft men nog niet herwaarts
gevoerd. Deze zal echter niet lang meer uitblijven, want een luid
getier aan het einde der straat verkondigt zijn nadering. Geboeid
en weder met den strop om den hals wordt hij door de stad geleid,
op welken tocht hij gevolgd wordt door een joelende menigte, die hem
met spot en schimp overstelpt.
De Schepenen zijn in druk gesprek, wat geen wonder is. Het
misdrijf toch heeft aller tong in de stad in beweging gebracht,
en men is nieuwsgierig naar het vonnis, dat over hem zal worden
uitgesproken. Vooral naar het vonnis van dezen Schout is men
nieuwsgierig, want zoolang Geraert Baerthoutsz. dat ambt bekleedt,
heeft hij nog nooit over een doodslager rechtgesproken. Wel is dat nog
eenmaal in dien tijd voorgekomen, doch toen was hij niet in de stad.
"'t Zal een gestreng vonnis zijn," zegt één der Schepenen. "Want onze
Schout is een hard man."
"Zeg liever een gestreng en somber man," antwoordt een tweede, "want
hardvochtig is hij niet. Integendeel, hij is goed voor de armen, en
een steun voor de weduwen en weezen. Maar hij is een rechtvaardig man,
die onder geen enkele omstandigheid van de wet zal afwijken. Doch stil,
daar nadert hij."
Op dit oogenblik trad de Schout binnen, en met een buiging groet hij
de aanwezigen. Hij begeeft zich regelrecht naar den voor hem bestemden
zetel, welk voorbeeld door de Schepenen gevolgd wordt. Ook de klerk,
die van alles, wat er gesproken zal worden, aanteekening moet houden,
heeft zijn plaats ingenomen. Zoodra de stadsklok het uur van de
opening der rechtspleging sloeg, stond de Schout op en nam den staf
in de hand. Daarna spande hij volgens oud gebruik de vierschaar in
naam van den Keizer, van den Graaf en van zichzelven. Hij gaf ieder
verlof, zijn klachten in te brengen en verbood het voeren van geslepen
wapentuig. Daarna vroeg hij den Schepenen verlof, den rechterstoel
te bezetten, hetgeen hem werd toegestaan. Nu beval hij den bode,
klagers en aangeklaagden binnen te brengen.
De aanklager was Adam Geyensz., de broeder van Frederik. Zijn raadsman
en woordvoerder, de taalman geheeten, ging aan zijn zijde. Op hen
volgde Nanning, die thans ontboeid, door een gerechtsdienaar naar
de bank der beschuldigden werd gevoerd. De Schepenen vestigden hun
blik nieuwsgierig op hem, doch de Schout, met diep medelijden jegens
den ongelukkige bewogen, deed alsof hij in eenige papieren bladerde,
die voor hem lagen. Nanning keek zijn rechters met open blik aan,
maar niet zoodra had hij den Schout in het oog gekregen, of een
doodelijke bleekheid overtoog zijn gelaat en hij had moeite, om zich
staande te houden. Hij greep zich aan de leuning van de bank vast,
om niet te vallen.
"Geraert!" fluisterde hij in de grootste ontsteltenis. Maar opeens
bedwong hij zich en hij deed moeite, om zijn kalm uiterlijk te
herwinnen.
Op dit oogenblik trad de taalman een weinig naar voren en zeide:
"Heer Rechter! Met uw toestemming en oorlof zal ik het woord voeren
voor Adam Geyensz., die hier om recht verschijnt."
"Erkent gij zijn woorden voor de uwe, Adam Geyensz.?" vroeg de Schout.
"Ja, Heer!"
"Doe dan uw aanklacht, taalman."