waren vergrijsd. Bij het flauwe licht van het walmende olielampje
kon Nanning toch nog best opmerken, dat hij arm moest zijn, want
zijn lange lijfrok, die eenmaal een kostbaar kleedingstuk moest
geweest zijn, zooals bleek uit de versierselen, die er op waren
aangebracht, had thans alle kleuren van den regenboog aangenomen,
en was op verschillende plaatsen met onbedreven hand versteld. En
daar dit niet geschied was met goed van dezelfde stof, maar met
lapjes van allerlei kleur, had de geheele lijfrok wel iets weg van
een lappendeken en zag er vrij bespottelijk uit. De eigenlijke kleur
was niet meer te onderscheiden, maar de verschillende tinten van
de opgezette stukken kwamen nog helder uit, en lieten den eigenaar
soms van den groenen, dan weer van den blauwen of grijzen kant zien,
al naar mate hij zich wendde. Voeg daar nog bij, dat hij vuurroode
hozen droeg, ook al met stoppen in verschillende kleuren, dat hij
gescheurde, maar zeer puntige schoenen droeg, en een hoed op had,
waarvan de halve rand verdwenen was, doch die daarentegen een bosje
groote haneveeren tot sieraad had, dan is het niet te verwonderen,
dat Nanning hem met verbazing opnam van het hoofd tot de voeten en
een spotachtigen glimlach bijna niet kon bedwingen. Dat deze man
iets kwaads met hem in den zin had, behoefde hij niet te vreezen,
want hij zag er goedig en vriendelijk uit.
De oude hield het lampje bij Nannings gelaat en keek hem aan.
"Ha," riep hij op verheugden toon uit, "ben je eindelijk ontwaakt? Dat
doet mij pleizier, goede vriend. Je sliept zoo lang, dat ik begon te
vreezen, of je wel ooit weer goed wakker zoudt worden! En hoe gaat
het je nu?"
"Dat kon beter, oude!" antwoordde Nanning, die, hoewel nog niet bekomen
van zijne verbazing over 's mans vreemde uiterlijk, toch getroffen
was door zijn vriendelijkheid. "Mijn hoofd en ledematen doen mij nog
veel pijn en ik kan mij ternauwernood bewegen. Doch zeg mij, wie is
u en hoe kom ik hier?"
Bij die laatste woorden keek Nanning onwillekeurig rondom zich, en
zijn gelaat toonde zeker weinig ingenomenheid met zijn tegenwoordig
verblijf, want de oude man antwoordde:
"Dat was je beter gewend, niet waar? Ja, ja, dat behoef je me niet
te vertellen, want dat begrijp ik wel. Mijn verstand is beter dan
mijn kleeren, weet je. En hoe je hier gekomen bent, wel, dat is
spoedig genoeg gezegd; ik heb je hierheen gedragen, en ik verzeker
je, dat ik een mooi vrachtje aan je had. Maar dat doet er niet toe;
ik verheug er mij in, dat je eindelijk ontwaakt bent, want je bent
nu reeds drie dagen hier, en ik begon mij waarlijk ongerust te maken."
"Was ik maar nooit weer wakker geworden," mompelde Nanning somber.
"Wel, waarom niet?" riep de oude man op vroolijken toon uit. "'t
Zou jammer geweest zijn van zoo'n flinken, jongen man! Kom, kom,
alle zorgen op zijde gezet en moed gehouden! De wereld is groot en er
is plaats voor iedereen. Maar zeg mij nu eens, wie zijt gij? En waar
kan ik uw familie vinden, om haar kennis te geven van uw tegenwoordig
verblijf? Mij dunkt uw bloedverwanten zullen wel ongerust over u zijn."
"Familie--heb ik niet," antwoordde Nanning somber, "en mijn naam is
u onverschillig. Noem mij, zooals gij wilt, en ----"
De oude man viel hem lachend in de rede.
"Wel, dat is gemakkelijk! Dan zal ik u Lieven noemen, omdat ik dien
naam mooi vind, en daar ik van geboorte uit Keynoot ben, zult ge
Lieven van Keynoot heeten. Mij kunt ge Hans noemen, want ik heet Hans
Jelissen, en onder dien naam ben ik heinde en ver bekend, alhoewel
ik meer Hans de Vedelaar word genoemd, omdat ik met vedelen en zingen
mijn kost verdien. Maar eerst moet ik wat eten, want ik heb meer trek
dan jij."
Bij deze woorden wees hij op het brood, dat nog onaangeroerd bij
Nanning op de tafel lag.
"Hoe is het, Lieven, heb je geen honger, of smaakt het je niet? Is
je tong misschien aan fijner gebak gewoon?"
"Ik lust nog niets," gaf Nanning ten antwoord. "Alleen heb ik een
onleschbaren dorst."
"Dat komt van de koorts, en drinken is er goed voor," antwoordde de
oude zanger. "Drink zooveel je lust; het is het eenige, dat geen geld
kost. Wil ik je de kruik eens aangeven?"
Nanning dronk met groote teugen. Toen viel hij, vermoeid van het
spreken, in zijn kussen terug en sloot de oogen. Vol medelijden staarde
de oude man hem eenige oogenblikken aan, en men kon het hem aanzien,
dat hij meer dacht, dan uitsprak.
Toen zette hij het lampje op de tafel en haalde wat brood en kaas
uit de kast, waarmede hij zijn avondmaal begon te doen. Af en
toe wierp hij een blik op den zieken jongeling, die met gesloten
oogleden onbeweeglijk bleef liggen. Hij sliep, wat kon blijken
uit zijn diepe ademhaling. Zoodra de oude vedelaar zijn avondmaal
genuttigd had, nam hij een kleinen kan uit de kast en verliet het
huis. Weldra kwam hij terug; nu was de kan met versche melk gevuld,
en onder zijn arm had hij een zakje rijst. Hij maakte het vuur aan
en zette de melk daar op. Toen zij kookte, wierp hij er de rijst in,
en zag er langzamerhand een heerlijke pap van ontstaan. Hij scheen
trotsch te zijn op den gunstigen uitslag van zijn kokerij, want
een welbehaaglijke glimlach speelde hem om den mond. Maar plotseling
fronste hij de wenkbrauwen. Haastig wierp hij een blik op den zieke, en
toen hij zag, dat deze nog bleef doorslapen, haalde hij gedruischloos
het geld te voorschijn, dat hij dien dag had verdiend. Hij liet het
op de vlakke hand liggen, en fluisterde met een zucht:
"Ziedaar het loon van een ganschen, langen dag. Ja, ja, de goede
dagen zijn voorbij en Hans wordt oud. Zij luisteren liever naar de
jonge minstreels en zangers met hun mooie sproken, en laten mij met
mijn eenvoudige liedekens alleen. Weldra zal de tijd komen, dat er
niet één meer naar mij luistert, en dan--dan kan ik bedelen op mijn
ouden dag.--Maar nog is het zoover niet!" vervolgde hij eenigszins
opgewekter, "en morgen moeten zij mij geven, want--ik heb er nu
voor twee te zorgen! En hij--neen, hij mag geen gebrek hebben, de
arme. Ach ja, mijn Lieven kon nu ongeveer even oud zijn, als hij
niet gestorven was. Maar allen hebben mij alleen gelaten, allen,
die ik lief had. Eerst zij, mijn Geerte, en toen Lieven, mijn sterke,
vroolijke jongen. Nu ben ik oud en heb niemand meer op de wereld. Neen,
hij zal geen gebrek hebben, al--zou ik voor hem bedelen."
De oude verzonk bij het vlammend vuurtje in diep gepeins. Hij
verdiepte er zich in, wie toch die jongeling wel mocht zijn, en wat
er toch gebeurd was, dat hem verdreven kon hebben van zijn verwanten,
misschien wel van zijn ouders.
"Maar slecht is hij niet; dat kan hij niet zijn!" mompelde Hans
voor zich heen. "In die oogen, in dat gelaat kan ik mij niet
bedriegen! Slecht is hij niet!"
Op dit oogenblik ontwaakte Nanning weder. De oude man deed de
rijstepap, die nu gaar was, in een houten nap en bracht haar bij hem.
"Hier, eet eens wat," zeide hij vriendelijk. "'t Zal je waarlijk goed
doen en je wat kracht geven. Ziet ze er niet heerlijk uit?"
En de oude man keek hem met zooveel kinderlijke blijdschap aan, dat
Nanning er door getroffen werd. Hij richtte zich wat op en antwoordde:
"Ge zijt wel vriendelijk, goede Hans! Helaas, hoe moet ik het u ooit
vergelden, want weet het, dat ik arm ben, doodarm, dat ik zelfs geen
enkelen penning bezit, dien ik mijn eigendom kan noemen. Alles is
mij ontstolen! Zonder geld, zonder familie, zelfs zonder vaderland
lig ik hier, van iedereen verlaten, en zonder uw menschlievendheid
zou ik zeker gestorven zijn."
"Dat is voorwaar het beste bewijs, dat ge niet van iedereen verlaten
zijt, al moet ik toegeven, dat het niet veel is, wat u overschoot. Maar
eet nu eerst wat; dat zal je verkwikken."
Nanning had volstrekt geen trek, maar hij durfde den goeden oude niet
langer te weigeren. En het smaakte hem, ondanks den houten nap en
den lepel met gebroken steel, beter dan hij zich voorgesteld had. Hij
gevoelde er zich werkelijk door verkwikt en kreeg lust, den zanger tot
spreken uit te lokken. Toen hij verzadigd was, vroeg hij vriendelijk:
"Toe Hans, kom een poosje bij mijn bed hier zitten en vertel mij eens,
hoe je mij gevonden hebt."
"Dat wil ik gaarne doen," was het antwoord. En plaats genomen hebbende,
vertelde hij:
"Zooals ik gezegd heb, ben ik zanger en vedelaar, en moet ik mijn
kost verdienen op de jaarmarkten door bij de huizen te spelen en te
zingen. Nu drie dagen geleden was ik naar een dorp geweest, waar op
de papegaai geschoten werd, hier een uur of drie vandaan, en het was
al avond, bijna nacht, eer ik de terugreis aanvaardde. Zoo kwam het,
dat het bijna middernacht was, toen ik binnen de poort kwam. Ik was
tamelijk vermoeid, zooals je begrijpen kunt, en haastte mij, thuis
te komen, 't Was stil op de straten en erg donker. Op eens scheen het
mij toe, of ik een kreet hoorde, een angstkreet of een hulpkreet. Ik
luisterde, of ik opnieuw wat zou hooren, doch het bleef stil, en ik
dacht niet anders, dan dat ik het mij verbeeld had. Ik vervolgde
mijn weg, maar bleef natuurlijk nauwlettend achtgeven, of ik ook
iets bespeurde. Plotseling hoorde ik iemand aan de overzijde van de
straat zich ijlings uit de voeten maken. 't Was te donker, om iets
te onderscheiden, althans op eenigen afstand, maar ik kon duidelijk
hooren, dat het slechts één persoon was, die daar wegvluchtte. Ik begaf
mij nu naar de overzijde van de straat, want ik was nieuwsgierig om
te weten, wat er aan de hand was, en--toen vond ik een menschelijke
gestalte op den grond liggen. Eerst dacht ik, dat je dood waart,
en ik was reeds van plan, om verder te gaan. Maar toen bemerkte ik,
dat de moordenaar zijn afschuwelijk doel niet bereikt had, en dat je
nog leefdet. Zeker was hij door mijn nadering in zijn opzet gestoord
en had hij de vlucht genomen uit vrees voor ontdekking. Intusschen
wist ik eigenlijk niet, wat ik moest beginnen. Eerst wilde ik de wacht
waarschuwen, maar toen bedacht ik, dat die heeren mij wel eens voor
den dader konden aanzien en onder den toren sluiten. Bovendien had
ik een innig medelijden met u, en zoo besloot ik, u op te nemen en
naar mijn huis te dragen. Gelukkig was dat niet ver van de noodlottige
plaats verwijderd, en al kostte het mij veel moeite, ik ben er toch in
geslaagd, zooals je ziet. Meer kan ik je niet vertellen, want meer weet
ik zelf niet. Wie de dader was en met welk doel de misdaad geschiedde,
weet je misschien zelf het beste."
"Dat is zoo, Hans!" zeide Nanning, terwijl hij den oude zijn hand
toestak. "Dus aan u heb ik het te danken, dat ik nog in leven ben. Ik
zal het nooit vergeten en hoop vurig, nog eens in staat gesteld te
worden, u die dankbaarheid te bewijzen. Ja, den laffen moordenaar
ken ik, en de beweegreden van zijn snoode daad ken ik ook. Doch laat
ik daarover niet spreken. Zelf ben ik de oorzaak van het lot, dat mij
getroffen heeft, en ik heb niet meer ontvangen dan mijn gerechte straf,
want--ik beken het met schaamte, dat ik slecht gehandeld heb."
De oude man keek hem ernstig peinzend aan. Toen zeide hij:
"Laten wij het verleden rusten, Lieven, want zoo zal ik je maar blijven
noemen. Wij hebben nu met het heden te doen, en totdat je hersteld
bent, neem ik alle zorg op mij. Wel ben ik arm en valt het mij niet
gemakkelijk, genoeg voor ons beiden te verdienen, maar zoolang ik nog
een enkelen penning ontvang, zullen wij dien eerlijk deelen. En over
de toekomst behoeven wij ons niet te bekommeren. Komt tijd, komt raad,
zegt het spreekwoord. Maar 't is nu al laat, en morgen is het voor
mij weer vroeg dag. Laten wij dus nu gaan slapen, Wel te rusten!"
"Slaap wel, Hans, en weet, dat ge een dankbaren gast onder uw dak
hebt. Maar zeg mij eens, waar is uw bed?"
"Laat mij daar maar voor zorgen," klonk het antwoord, en nu zag hij,
hoe de brave oude een stuk zeildoek op den grond legde en daarop de
vermoeide, stramme leden uitstrekte.
Een gevoel van innige dankbaarheid doortintelde den jongeling, en
al was het dan ook onder het dak van een ouden armen liedjeszanger,
toch gevoelde hij, dat hij nog niet van iedereen verlaten was. Weldra
viel hij in een verkwikkenden slaap, die aan zijn verzwakt lichaam
nieuwe kracht bijzette.
Hij gevoelde zich den volgenden morgen dan ook veel frisscher en
helderder, maar er kon toch nog geen sprake van zijn op te staan. Er
zouden nog vrij wat dagen moeten verloopen eer hij het bed verlaten
kon, en--eer hij naar buiten kon gaan, daarmede zouden zelfs weken
verstrijken.
Elken morgen ging Hans er op uit, om het noodige te verdienen voor hun
beider onderhoud, en dan lag Nanning den geheelen dag alleen. Duizenden
gedachten doorkruisten in die dagen van volslagen eenzaamheid zijn
brein, en die gedachten waren niet van opwekkenden aard. Maar het
besluit om zijn leven te beteren vatte hoe langer hoe zekerder bij
hem post. Hij zou nooit weder spelen,--nooit!
En wat duurden die dagen hem lang! Hij hunkerde dikwijls naar het
oogenblik, waarop de deur geopend en het altijd vroolijke gelaat
van den ouden Hans zichtbaar zou worden. Steeds had hij een kleine
versnapering voor den zieke bij zich, altijd hier of daar van een goede
ziel gekregen, zooals hij zeide. Doch als Nanning geweten had, dat
de oude man een snede brood minder at, om hem die kleine verkwikking
te bezorgen, dan zou Nanning er niet zoo smakelijk in gebeten hebben.
Toch voelde hij zich dikwijls verlegen tegenover den braven zanger,
die, hoe lang zijn ziekte ook duurde, niet ophield hem trouw te
verzorgen. Ook kon het hem op den duur niet verborgen blijven, in
welke bekrompen omstandigheden zijn beschermer en redder verkeerde,
en hoe hij zelf bijna honger leed om zijn zieken gast te kunnen geven,
wat hij noodig had. Eindelijk kon Nanning het bed weer verlaten en
toen namen zijn krachten bij den dag toe. Weldra hoopte hij sterk
genoeg te zijn, om Hans zijn dankbaarheid te toonen. Ja, het was
zijn stellig voornemen werk te zoeken en voor hun beiden het brood
te verdienen. Maar het ongeluk vervolgde hem, want nog voordat hij
geheel hersteld was, werd Hans ziek, zoodat hij dagen lang het bed
moest houden. Nu hield natuurlijk ook alle verdienste op, en Nanning
moest tot zijn ontzetting ontwaren, dat er geen penning in huis
was. Wat moest hij nu beginnen?
Hij ging de straat op en trachtte werk te vinden, doch dat gelukte
hem niet, hoeveel moeite hij ook deed. Moedeloos keerde hij naar de
armzalige woning terug, waar weldra, dat kon hij zich niet ontveinzen,
de grootste ellende zou heerschen.
"Wat moeten wij toch beginnen, om niet van honger te sterven,
Hans?" vroeg hij ten einde raad.
"Ik weet maar één middel, Lieven," was het antwoord, "doch ik vrees,
dat je niet zult willen."
"Spreek op, Hans, nood leert bidden, zegt het spreekwoord. Ik wil
alles, want ik heb geen keus."
"Welnu, ga dan de poort uit en zing bij de huizen de liedjes, die je
al dikwijls genoeg van mij gehoord hebt, om ze te kennen. Anders weet
ik er niets op."
Nanning antwoordde niets, maar een blos van schaamte bedekte zijn
wangen, en hij sloeg de oogleden neer.
"Zie je wel, dat ik goed geraden heb?" zeide Hans. "Ik wist wel, dat
je niet zoudt willen. Maar--ik kan het mij begrijpen, hoor. Ik zou
het ook niet gezegd hebben als je mijn raad niet gevraagd hadt--en
indien ik iets beters wist."
Er heerschte een oogenblik stilte in het kleine vertrek. Toen stond
Nanning op en zeide met doffe stem:
"Ik zal gaan, Hans."
En na alles voor den zieken grijsaard gereed gezet te hebben, verliet
hij het huis.
't Was reeds laat in den avond toen hij terugkeerde. Hans vroeg hem
niets, maar Nanning kwam regelrecht naar het tafeltje en legde er
eenig geld op.
"Wij zijn uit den nood, goede vriend," sprak hij. "Ziedaar, ik heb
meer gekregen, dan ik verwacht had, en we hebben hier voor eenige
dagen genoeg aan, denk ik."
Hans keek hem vragend in de oogen.
"Ja, Hans, ik heb gezongen, en je raad was goed, zooals je ziet. De
menschen zeiden dat ik goed zong en waren mild. Ben je over mij
tevreden?"
"Meer dan dat, Lieven, want ik weet, dat je het voor mij gedaan
hebt. Voor je zelven zou je het niet doen."
"Dat is zoo," zeide Nanning. En terwijl hij den zanger de hand gaf,
liet hij er op volgen: "Had je dan gedacht, dat ik je zou verlaten,
nu je ziek bent en niemand hebt, om voor je te zorgen? Neen, Hans,
ik ben je mijn leven lang dankbaar, en zal je dat ook toonen. Weet
je wat? Word maar spoedig beter, dan trekken wij samen de wereld in
en zullen met zingen en sprookspreken den kost verdienen. Jij zingt
en speelt en ik ken nog enkele sproken, die ik in mijn jeugd heb
geleerd. Zoo zullen wij genoeg verdienen, om in het leven te blijven,
en--meer verlang ik niet."
Hans antwoordde niet. Gedurende een langen tijd lag hij stil te
peinzen. Eindelijk, toen Nanning gegeten had en zich bij het bed van
den ouden man plaatste, sprak deze:
"Luister eens, Lieven. Ik heb nog eens over je plan nagedacht,
en ik moet je dankbaar zijn over je voorstel. Maar ik mag het niet
aannemen, zonder je eerst een goeden raad gegeven te hebben. Nooit
heb ik je gevraagd, vanwaar je komt en wie je bent. Want ik weet,
dat je daar liever niet over spreekt. Ik weet ook niet, waarom je
bent heengegaan van hen, die je liefhebben en wat je tot die daad
bewogen heeft. Zeg het mij, Lieven, dat je geen misdaad gedaan hebt,
want--dat kan niet zijn."
"'t Is zoo, Hans, een misdaad heb ik niet gepleegd en hoop ik ook
nooit te plegen. De heiligen mogen er mij voor behoeden. Maar toch heb
ik slecht geleefd, Hans, want ik bracht halve nachten door bij het
verkeerbord en den wijnkroes. En uit wrevel tegen mijn broeder, die
mij lief had en mij waarschuwde voor den weg, dien ik was ingeslagen,
ben ik hem en mijn vaderstad ontvlucht, heb hier en daar gezworven en
zette eindelijk in deze stad mijn slecht leven voort. Op den avond,
toen je mij meer dood dan levend gevonden hebt, had ik veel geld
gewonnen, en heeft een van mijn medespelers mij er van beroofd en
getracht, mij het leven te benemen. Ziedaar Hans, nu weet je alles,
en nu weet je ook, hoe ik mijzelven mijn lot moet wijten en dat ik
niets heb gekregen, dan mijn verdiende loon. Ik ben slecht geweest,
en was met blindheid geslagen, toen ik de waarschuwingen van mijn
broeder in den wind sloeg en hem, door weg te vluchten in den vreemde,
het grievendste leed veroorzaakte, dat mogelijk was."
"Luister dan nu naar den raad van een oud man, Lieven; keer terug naar
je broeder, die ongetwijfeld met smart naar je verlangt. Zet je valsche
schaamte op zijde en spoed je terug naar de woning, die je in een
overijld oogenblik verlaten hebt. Want indien je bij mij blijft, zal
armoede je deel zijn, levenslang en je zult een troostelooze grijsheid
hebben. Spiegel je aan mijn lot, Lieven, of--lacht je dat toe?"
"'t Is niet benijdenswaardig, dat moet ik zeggen, maar neen,
Hans,--neen, terugkeeren kan ik niet. Ik wil mijn broeder die schande
niet aandoen. Mijn besluit staat vast: ik blijf bij u en samen zullen
wij de wereld ingaan. Jij hebt mij het leven gered, dat zal ik nooit
vergeten."
"'t Is dwaas van je, Lieven," sprak de oude man, "en mijn raad is
goed. Keer terug."
"Spreek er niet meer van," riep Nanning op beslisten toon uit. "Of wil
je graag van mij ontslagen worden? Zeg dat dan, en ik zal heengaan."
"Om naar je broeder terug te keeren?"
"Neen, dat in geen geval."
"Daarvoor zou ik gaarne van je willen scheiden, maar daarvoor ook
alleen. Want ik houd veel van je, Lieven, zooveel, of je mijn zoon
waart. Indien je niet wilt terugkeeren naar het huis, dat je ter
kwader ure ontvlucht bent, houd ik je het liefst bij mij. Dus neem
ik je voorstel aan en zullen wij samen verder door het leven trekken."
Maar de oude man bleef nog geruimen tijd ziek, en Nanning moest
nog menigmaal de stad verlaten, om bij de boeren met zingen wat te
verdienen. Hij scheen een welkome gast te zijn, want telkens kwam
hij met zooveel geld thuis, dat zij wel weer voor drie of vier dagen
genoeg hadden.
Eindelijk was Hans sterk genoeg, om zijn woning te kunnen verlaten. Zij
namen nu afscheid van de stad Gent en trokken de wereld in. Hans
speelde en zong langs de huizen of op de jaarmarkten, en Lieven zong of
vertelde sproken; vooral dat laatste deed hij graag en hij verdiende
er veel geld mede, dat hij zorgvuldig opspaarde. Toen hij genoeg
had, kocht hij voor zijn braven reismakker een nieuw pak kleeren,
waardoor de oude man bijna onkenbaar werd, zoo veel waardiger werd
hij er door. Zij zagen er nu uit als zeer fatsoenlijke lieden,
zooals er velen in die dagen de wereld doorkruisten, en genoten,
vooral onder de lagere volksklasse zelfs een zeker aanzien. Vooral
Nanning trok door zijn beschaafd uiterlijk en zijn goede voordracht
zeer de aandacht van het publiek en hij oogstte veel lof in.
In zijn eensgenomen besluit bleef hij volharden. Geen droppel wijn kwam
meer over zijn lippen en geen dobbelsteen nam hij meer in de hand. Toch
kwam hij daartoe menigmaal in de verzoeking, want de nachten brachten
zij geregeld in de taveernen door, waar zij steeds in gezelschap
verkeerden van vroolijke lieden, die den wijn lieten vloeien en de
steenen rammelen. Immers, zij reisden van de eene jaarmarkt naar de
andere, en troffen steeds dezelfde kramers, kooplieden en zangers aan,
die zij elders ontmoet hadden. En dezen plaagden Lieven niet weinig
met zijn kinderachtigheid, maar het baatte hun niet. Nanning bleef
bij zijn besluit.
Zoo gingen tien jaren voorbij.
VIJFDE HOOFDSTUK.
GEVANKELIJK WEGGEVOERD.
Er heerschte een ongewone drukte in de stad Alkmaar, want de groote
jaarmarkt was begonnen. Van heinde en verre waren de kramers en
kooplieden opgekomen, om hun waren aan den man te brengen. En daarvoor
ontzagen zij geen moeite. In lange rijen stonden hun kramen op de
straten, in de nabijheid der kerkgebouwen geschaard, en de eene was nog
schooner opgesierd dan de andere, om de aandacht te trekken van het
publiek, dat nu weer voor geruimen tijd den noodigen voorraad moest
inslaan. Want winkels waren er toen maar zeer weinig; die wat noodig
had, moest dat bij gelegenheid van de jaarmarkten, die gewoonlijk
drie- of viermaal per jaar gehouden werden, aanschaffen. Daardoor kan
het dan ook niet verwonderen, dat het aantal kramers en kooplieden
zoo bijzonder groot is en dat er zulk een buitengewone drukte op de
straten heerscht. Er is letterlijk van alles te koop. Hier vindt ge
een handelaar in lakens, daar een in allerlei nuttig huisraad, ginds
biedt men u zelfs parelen en diamanten aan van de schoonste soort. Er
zijn zoowel kramen met fijne, kostbare kleedingstukken, welke zelfs
een edelman zich niet schamen zou te dragen en die door menige schoone
edelvrouw met begeerige oogen worden aangezien, als kramen met worst,
spek, hammen en gevulde pens: men vindt er zoowel uitstallingen
van harnassen en vlijmscherpe wapens, als van heiligenbeeldjes en
kleine sieraden. Met luide stem worden u verschillende levensmiddelen
aangeprezen, en drommen van kinderen hebben zich om de speelgoedkraam
geschaard, of doen zich te goed aan heerlijke oliebollen en wafels,
die er toen, evenals thans, voor weinig geld te koop waren.
Hoor, hoe de kooplieden hun best doen, de tallooze wandelaars tot
zich te lokken. Hoe prijzen zij hun waren, die nergens zoo goed en
toch zoo goedkoop worden verkocht! Hoe vroolijk beantwoorden zij
de grappen van de boeren en boerinnen, die in lange reien zingend
en schertsend voorbijtrekken, hoe beleefd groeten zij de edellieden
en rijke poorters, die met vrouwen en dochters statig voortwandelen,
waarbij velen een rinkelend geluid doen hooren, hetwelk voortgebracht
wordt door de bellen, waarmede de hooggeplaatsten zich toen begonnen
te tooien.