had besloten nu met Nanning nog eens ernstig te spreken, ja, hij zou
hem smeeken, zijn raadgeving niet langer in den wind te slaan. Nogmaals
wilde hij hem wijzen op het laatste uur van Vaders dood en hem diens
laatste woorden in het geheugen terugroepen. Ach, hoe geroerd had
Nanning toen beloofd, steeds naar Geraert te zullen luisteren en
diens goeden raad op te volgen. Helaas, wat was de arme jongeling
veranderd. Hoe stroef en norsch gedroeg hij zich den laatsten tijd
tegenover hem en hoe was zijn liefde veranderd in haat. Want Nanning
haatte hem nu, dat bemerkte hij duidelijk uit alles wat hij sprak en
deed. En toch had hij, Geraert, niet opgehouden hem lief te hebben,
zooals het een broeder betaamt. Hoe hunkerde hij naar een vriendelijk
woord uit Nannings mond, naar een enkel blijk van wederliefde.
Maar Nanning liet zich wachten. Reeds was het gewone ontbijtuur lang
voorbij, en nog had hij zijn slaapkamer niet verlaten. Mechteld was
reeds een paar malen boven gekomen, om aan het ontbijt deel te nemen,
maar was telkens weer naar de keuken gegaan, als zij zag, dat Nanning
nog niet binnen gekomen was.
Zoo verstreek er langzaam een uur. Ware het niet, dat Geraert
vast besloten was, nu met Nanning te spreken, dan zou hij zeker
alleen ontbeten en zich naar de brouwerij begeven hebben, waar zijn
tegenwoordigheid moeilijk kon worden gemist.
Zoo verstreek bijna nog een uur, en nu kon hij het niet langer
uithouden. Hij stond op en begaf zich naar de slaapkamer van zijn
broeder.
"Nanning!" riep hij aan de deur. "Sta je nog niet op? 't Is reeds
zeer laat!"
Hij hoorde niets. Geen enkel geluid drong tot hem door. Daarna riep
hij nog eens, maar nu veel luider:
"Opstaan, Nanning! Je slaapt een gat in den dag!" En hij tikte luid
op de deur.
Maar nog kwam er geen antwoord.
Een hevige ongerustheid maakte zich plotseling van hem meester. Hij
deed de deur open en trad binnen. Een enkele blik was voldoende,
om hem te doen zien, dat Nanning daar niet was.
"Genadige Hemel!" riep hij ontzet uit, terwijl een doodelijke bleekheid
zijn gelaat bedekte. En zacht mompelde hij: "Weg! Nanning is weg!"
Het bed was onaangeroerd. Het lag daar nog in dezelfde vouwen, zooals
Mechteld het gisteren had opgemaakt.
"Weg! Nanning is weg!" herhaalde Geraert zacht, terwijl hij vol
ontzetting bewegingloos midden in het vertrek staan bleef. Hij zag,
hoe de laden van Nannings kast opengetrokken waren en de inhoud
daarvan verdwenen was. Blijkbaar had hij alles, wat zijn eigendom was,
medegenomen en was hij vertrokken, voor altoos!
"Arme Nan! Arme, afgedwaalde Nan! Ach, waartoe ben je gekomen!" zuchtte
Geraert met tranen in de oogen, terwijl hij ontroerd op een stoel
nederzakte en zijn gelaat met de handen bedekte.
Geruimen tijd bleef hij zoo zitten, tot eindelijk Mechteld hem
stoorde. Zij kon zich niet begrijpen, waar de broeders bleven en
tikte nu aan de deur. Toen zij geen antwoord kreeg, besloot zij
binnen te gaan. Maar wie beschrijft haar schrik, toen zij Geraert daar
onbeweeglijk bij de tafel zag zitten en Nanning verdwenen vond. Luid
schreiende liep zij het vertrek op en neer, en nu eerst bleek het
Geraert, hoeveel de oude vrouw van Nanning gehouden had. Ach, zij had
hem immers reeds als klein kindje op den arm gedragen, hem vertroeteld
en geliefkoosd, en hare mooiste liedjes voor hem gezongen. En haar
liefde voor hem was nog verdubbeld, toen zijn moeder gestorven was en
zij de zorg voor hem geheel op zich moest nemen. En nu was hij weg! Nu
was hij heengegaan, zonder eens afscheid van haar te nemen! Wie zou
er nu voor hem zorgen, en wat moest er nu van hem worden!
Plotseling stond Geraert op en haastig verliet hij het huis. Zijn
besluit was genomen. Hij zou Nanning opzoeken en terugvoeren naar
huis. Ver weg kon hij niet zijn, want na middernacht was hij nog
thuis geweest. Overal zou hij hem zoeken en hij twijfelde niet, of
hij zou hem ook vinden! Hij begaf zich naar de brouwerij en zeide
tot den meesterknecht, dat hij voor enkele dagen op reis ging; hij
droeg hem daarom de zorg voor de zaak geheel op. Daarna spoedde hij
zich naar de woning van Frederik Geyensz. om te vernemen of deze ook
wist, waarheen Nanning zich begeven had. Maar Frederik kon hem geen
nadere inlichtingen geven. Hij wist niets van Nannings vertrek af,
en toonde zich zeer verwonderd, over hetgeen hij hoorde. Vandaar begaf
Geraert zich naar Jan Alertsz., den waard, die niet weinig schrikte,
toen hij den ernstigen Schepen wederom voor zich zag. Maar ook deze kon
niet zeggen, waar Nanning zich bevond. Hij had hem sedert middernacht
niet teruggezien.
Toen besloot Geraert de stad te verlaten en elders zijn onderzoek voort
te zetten. Hij keerde naar huis terug en deelde Mechteld zijn voornemen
mede. De bedroefde oude hoorde hem met tranen in de oogen aan.
"Ach ja, ach ja, doe dat!" riep zij uit, toen Geraert uitgesproken
was. "Hij zal nog wel terecht komen, mijn lieveling. Wat zijt ge toch
edel en goed!"
Zoo vertrok Geraert uit de stad, waar het gerucht van Nannings
verdwijning reeds als een loopend vuurtje rondging. Iedereen had
er den mond vol van en de jongelieden, die aan het spel hadden
deelgenomen, hoorden het niet zonder eenige wroeging te gevoelen en
het als een les te beschouwen. Zij zagen nu, wat de gevolgen waren
van hun lichtzinnigheid, en waartoe zij voerde.
Ook den Schout kwam het gebeurde al spoedig ter oore, en hij maakte
er dadelijk werk van. De jongelieden kregen een geduchte berisping
van hem, en de waard, die zoo weinig eerbied voor de bevelen van de
overheid had getoond, kreeg zijn gerechte straf. Hij moest een zware
boete betalen en werd voor goed uit de stad gebannen, opdat hij geen
gelegenheid meer zou hebben, de jongelieden daar op den slechten weg
te brengen.
Dagen lang bleef Geraert afwezig. Niemand wist, waarheen hij zich
begeven had, en men hoopte algemeen, dat het hem gelukken mocht den
afgedoolden broeder terug te vinden en mede te voeren naar huis.
Eindelijk kwam Geraert terug, doodelijk vermoeid van de reis en bleek
van verdriet en teleurstelling, want--hij kwam alleen. Zijn broeder
had hij niet kunnen vinden, zelfs zijn spoor had hij niet ontdekt.
Van dat oogenblik af werd Geraert nog stiller en ernstiger, dan hij
ooit geweest was. Hij gevoelde zich diep ongelukkig in het huis,
waarin hij zooveel jaren met zijn broeder had samengewoond, en den
aanblik van zijn medepoorters kon hij niet langer verdragen. Daarom
nam hij zijn ontslag als Schepen en maakte hij alles wat hij bezat,
ten gelde. Ook het huis, waarin hij woonde, verkocht hij; de oude,
trouwe Mechteld gaf hij zooveel, dat zij onbezorgd haar laatste
levensdagen kon doorbrengen, en toen vertrok hij uit de stad, waar
hij de laatste jaren niets dan verdriet ondervonden had.
Eerst vestigde hij zich te Beverwijk, doch al korten tijd daarna
vertrok hij naar Alkmaar, waar hij een nieuwe brouwerij opzette. Ook
hier won hij spoedig aller achting. Het duurde niet lang, of hij werd
ook hier tot Schepen verkozen; ieder prees hem om zijn ernst en groote
eerlijkheid. En toen na eenige jaren de Schout van Alkmaar stierf,
werd die hooge waardigheid aan hem opgedragen, zeer tot genoegen van
Alkmaars poorterij.
Van zijn ongelukkigen broeder vernam hij niets meer. Toch hoopte hij
nog altoos, hem eens terug te zien. Nannings aandeel in de nalatenschap
zijner ouders had hij van het zijne afgezonderd en in een ijzeren
kast gesloten, waarin hij het zorgvuldig bewaarde. Wanneer Nan ooit
terug kwam, zou er geen penning aan ontbreken.
Waar was deze onbezonnen jongeling intusschen gebleven? In een staat
van hevige opgewondenheid was hij in dien nacht, toen zijn broeder hem
in het speelhuis overvallen had, thuisgekomen. Hij achtte zich door de
handelwijze van Geraert ten diepste gekrenkt. Door zijn optreden in de
taveerne als Schepen van de stad had hij hem, naar hij meende in een
belachelijk daglicht gesteld en tegenover zijn vrienden bespottelijk
gemaakt. Hij begreep zeer goed, dat het gerucht van het voorgevallene
weldra door de stad verbreid zou zijn, en dan, meende hij, zou men hem
met den vinger nawijzen en hem een klein kind noemen, die door zijn
broeder 's avonds naar huis gehaald moest worden. O, hij voelde een
doodelijken haat tegen hem opkomen in zijn hart, en hij besloot, een
dergelijke dwingelandij niet langer te dulden. Neen, hij zou weggaan,
de wereld in, en Geraert zou langer geen last van hem hebben. Zelfs
zou hij hem nimmer terugzien. In der haast verzamelde hij alle dingen
van waarde, die hij zijn eigendom kon noemen, stak zijn geld in een
lederen gordel, dien hij om zijn middel hechtte, en verliet ongemerkt
de woning, waarin een langer verblijf hem onmogelijk was.
Hij verkeerde in een staat van groote opgewondenheid, zooals de lezer
weet, en zijn hoofd was nog verhit van den wijn, dien hij gebruikt
had, maar toch voer hem een kille huivering door de leden, toen hij
de deur zacht achter zich dichttrok en hij de woning ontvluchtte,
waarin hij zooveel jaren gelukkig was geweest.
Een oogenblik wijfelde hij nog en het was hem, of een stem in zijn
binnenste hem toeriep: "Keer terug, Nanning, zet geen stap verder op
dezen noodlottigen weg!" Ook voelde hij voor een kort oogenblik een
zachter gevoel jegens zijn broeder in zich opkomen, doch ook maar een
oogenblik. Want plotseling dacht hij aan den hem aangedanen hoon,
aan den spot, waarmede zijn kameraden hem bejegend hadden--en met
haastige schreden verwijderde hij zich van het huis, dat hem had zien
geboren worden, en waarin op dit oogenblik een liefdevolle broeder
zich rusteloos omwendde op zijn legerstede, peinzende over de middelen,
die hij moest aanwenden, om hem te behouden.
Hij liet zich de stadspoort openen, wat hem als broeder van Schepen
Geraert Baerthoutsz niet moeielijk viel, en sloeg den weg in naar
Leiden, welke stad hij eenige uren later bereikte. Na een korte
rust zette hij zijn tocht voort naar 's Gravenhage en trok vandaar
dieper het zuiden in. Doelloos reisde hij voort, van de eene plaats
naar de andere, zonder zich rekenschap te geven van het heden of
zich ongerust te maken over de toekomst. Hij wist, dat hij geld
genoeg bezat, om gedurende langen tijd onbezorgd te kunnen leven,
en hij wilde nu eens volop genieten van zijn vrijheid. Ook had hij al
sedert lang gewenscht, op reis te gaan en de wereld eens te bezien,
en aan dien wensch kon hij nu ongestoord gevolg geven.
Zoo kwam hij eindelijk in Gent, welke groote stad hem bijzonder
aantrok, zoodat hij besloot, daar eenigen tijd te vertoeven. Hij gaf
zich uit voor een Hollandschen koopman en nam zijn intrek in een der
grootste taveernen van de stad. Hier maakte hij kennis met eenige
jongelieden, die zich, evenals hij, aan het spel hadden overgegeven,
en nu keerde hij geheel tot zijn woeste uitspattingen terug. Elken
avond werden de wijnkroezen gevuld en rammelden de dobbelsteenen over
het verkeerbord. En geruimen tijd speelde Nanning met afwisselend
geluk. Wat hij den eenen avond verloor, won hij den volgenden dag
terug, soms zelfs nog meer. Maar hoe meer de jongelieden speelden, hoe
sterker hun hartstocht voor het spel werd, en naar die mate verhoogden
zij hun inzet. Eindelijk speelden zij zelfs om hooge sommen, en met
fonkelende oogen telden zij de punten, die zij maakten. Soms, als de
inzet buitengewoon groot was, heerschte er een ademlooze stilte in de
zaal en met afgunst zag men den gelukkigen winner het geld naar zich
toestrijken. Eens op een avond was Nanning bijzonder fortuinig. Hij
won keer op keer en de stapel geld, dien hij bij zich op de tafel had
liggen, werd voortdurend grooter. Daarentegen voelden de andere spelers
hun beurzen gestadig lichter worden. Maar zij gaven den moed niet op,
en hoopten, dat de kansen straks wel zouden keeren, en dat zij dan
zouden herwinnen, wat zij nu verloren hadden. Telkens verhoogden zij
hun inzetten, maar even dikwijls moesten zij het toezien, hoe hun geld
van eigenaar verwisselde en bij Nanning terecht kwam. De verstandigsten
onder hen, die begonnen te begrijpen, dat tegen Nanning dien avond
niet te spelen was, schoven achteruit en wierpen de dobbelsteenen
van zich af. Eindelijk was er maar een meer over, die den moed nog
niet verloren gaf. Hij was de zoon van een weduwe, een rechte losbol,
die het geld van zijn moeder verteerde en haar veel verdriet gaf. Hij
had dezen avond veel geld verloren, bijna alles wat hij bezat. Hij
wist, dat hij verloren was, dat hij en zijn moeder tot volslagen
armoede gebracht waren, indien het geluk hem niet dienstig werd en hij
terugwon, wat hij verloren had. Doodsbleek en met het angstzweet op het
gelaat, zette hij het spel voort, telkens zijn inzet verhoogende. De
hartstocht fonkelde hem uit de oogen, en zijn neusvleugels trilden
van spanning en angst. Eindelijk waagde hij zijn laatste geld, en met
een rauwen kreet zag hij het even daarna in Nannings handen overgaan.
"Verloren!" mompelde hij. "Ik moet eindigen; ik heb niets meer!"
En met een versteenden blik staarde hij op de dobbelsteenen, die hem
in het ongeluk hadden gestort.
De jongelieden stonden, de een na den ander, op en verlieten de
taveerne. Zij waren onder den indruk van het gebeurde, want zij
begrepen allen, dat Gerrit Leendertsz., zoo heette de ongelukkige,
zijn geheele vermogen verspeeld had.
Ook Gerrit stond op. Met wankelende schreden ging hij naar de plaats,
waar zijn kaproen lag. Hij zette die op, zeide met heesche stem tot
den waard, dat hij niet in staat was, zijn gelag te betalen, want
dat hij niets meer bezat, en verliet de zaal.
Plotseling stond ook Nanning op en liep hem met haastige schreden
achterna. Hij kreeg medelijden met den ongelukkige en wilde hem
helpen. Toen hij buiten kwam, zag hij hem niet meer, want het was zeer
donker, doch hij hoorde zijn schreden nog in de verte. Hij verhaastte
daarom zijn tred en haalde hem weldra in.
"Laat mij u een eindweegs vergezellen, Gerrit," zeide hij. "'t Is
heerlijk koel buiten en wij mogen wel een kleine opfrissching hebben."
Hij kreeg geen antwoord. Sprakeloos liep de ongelukkige naast hem
voort, maar ongetwijfeld moest een booze gedachte hem door het
hoofd spelen, want zijn oogen waren met een vreeselijke uitdrukking
op Nanning gericht. Zij waren nu in een stil gedeelte van de stad
aangekomen. Nanning bleef hier staan en legde hem de hand op den
schouder.
"Luister, Gerrit," sprak hij. "Je bent van avond zeer ongelukkig
geweest, en hebt alles verloren, wat je bezat. Dat spijt mij, en
daarom ben ik je gevolgd. Laat mij je een gedeelte van het verlorene
teruggeven. Wie weet, hoe het je morgenavond geluk aanbrengt."
Bij die woorden maakte hij zijn gordel los om het geld er uit te
nemen. Had hij echter den blik gezien, waarmede Gerrit beurtelings hem
en den gordel aanstaarde, dan zou hij zich zeker wel tweemaal bedacht
hebben, want hebzucht en alles wat slecht was, lag er in te lezen. Op
eens voelde Nanning een vreeselijken slag op zijn hoofd nederkomen,
en toen nog een; alles draaide hem voor de oogen en hij kon bijna niet
staande blijven. Een vreemde suizing kwam in zijn ooren, de gordel
ontglipte zijn handen en met een doffen slag viel hij ter aarde. Hij
had zijn bewustzijn verloren....
't Was eerst dagen daarna dat hij de oogen wederom opende, en met een
hevige pijn in het hoofd ontwaakte. Met een doffen blik staarde hij
voor zich uit, zonder iets te beseffen, dan alleen, dat hij zich erg
ziek gevoelde. Maar langzamerhand kwam zijn herinneringsvermogen terug
en begon hij eenig vermoeden te krijgen van hetgeen er gebeurd was. Met
inspanning van al zijn zwakke krachten richtte hij zich eenigszins op
en keek in het rond, om te zien, waar hij was. Hij bemerkte dadelijk,
dat hij zich op een plaats bevond, waar hij nog nooit geweest was, en
dat zijn toestand verre van rooskleurig genoemd mocht worden. De kamer,
waarin men hem huisvesting verleend had, was laag van verdieping
en zag er hoogst armoedig uit. Een klein raampje, waarvan bijna
alle ruiten gebarsten of met lappen dichtgestopt waren, gaf het
heldere buitenlicht zoo weinig doortocht, dat de weinige meubels,
die in het lage, bedompte vertrek stonden, slechts spaarzaam verlicht
werden. Trouwens, veel licht konden zij niet verdragen, want zij legden
in het halfduister reeds een krachtig getuigenis af van de armoede der
bewoners. Een oude houten tafel, die vlak voor de bedstede geschoven
was, waarop men hem nedergelegd had, en twee stoelen op waggelende
pooten, maakten bijna het geheele huisraad uit. En het beddegoed, dat
hem dekte, geleek al heel weinig op dat, wat hem tot nog toe gediend
had. Slechts eenige oude lappen en een stuk grof zeildoek was alles,
wat hem ten dienste stond. Een gevoel van walging en afkeer maakte
zich van hem meester, toen hij zijn omgeving in oogenschouw genomen
had, en zijn eerste beweging was een poging om het bed te verlaten,
want hij wilde hier geen oogenblik langer blijven, dan noodig was. Zijn
kleederen lagen op eenigen afstand op een van de stoelen.
Maar hij spande zich tevergeefs in, want zijn krachten lieten hem niet
toe, op te staan en zich te kleeden. Al zijn ledematen deden hem pijn
en zoodra hij zich een weinig inspande, kreeg hij een gevoel, alsof
hij opnieuw zijn bewustzijn zou verliezen. Hoe groot zijn tegenzin
dus ook mocht wezen, was hij wel verplicht van den nood een deugd te
maken en te blijven waar hij was. Met een zucht van pijn maar nog
meer van teleurstelling en afkeer, liet hij zich weder op zijn bed
van lompen nedervallen, en nieuwsgierig vroeg hij zich af, waar hij
zich toch wel bevinden kon en wie de bewoners van dit krot waren,
want dat het een krot was, kon hij zich niet ontveinzen. Behalve hij
was er niemand in de kamer. Toch scheen een zorgzame hand over hem
te waken, want op de tafel, die voor zijn bed stond, ontdekte hij een
kruik met water en een snede grof brood, die daar ongetwijfeld waren
neêrgelegd om hem te kunnen verkwikken, indien hij ontwaken mocht
tijdens hunne afwezigheid. Die kruik water was het eenige, dat hem
welkom was in dit vertrek. Nauwelijks had hij haar ontdekt, of gretig
stak hij er de hand naar uit en leschte hij met groote teugen zijn
hevigen dorst. Dat scheen hem nieuwe kracht te geven en maakte zijn
denkvermogen helderder. Allengs begon hij zich beter te herinneren,
wat er met hem geschied was en werd hem zijn toestand duidelijker. En
hoe meer hij nadacht, hoe banger het hem te moede werd. Want immers,
hulpeloos lag hij daar ter neder, onmachtig om zich te bewegen en niet
in staat om op eenige wijze in zijn levensonderhoud te voorzien. En
hij was arm, doodarm, daaraan behoefde hij niet te twijfelen. De laffe
moordenaar, die hem onverhoeds had aangevallen, en getracht had hem
te dooden, zou zich zeker wel meester hebben gemaakt van den kostbaren
gordel, om wiens bezit de misdaad was geschied. Geen enkele penning dus
was hem overgeschoten van alles wat hij bezeten had. Arm en berooid,
ziek naar lichaam en geest, lag hij daar, verlaten door iedereen,
in een vunzig krot op een bed van oude lappen. Ach, hoe ver was het
met hem gekomen, hoe diep was hij gezonken. En plotseling drong zich
de vreeselijke gedachte aan hem op: "Dat alles is uw eigen schuld,
Nanning! Had naar den goeden raad van uw broeder geluisterd, en ge
waart nog de gelukkige jongeling van vroeger dagen. En nu, in welk
een poel van ellende hebt ge uzelven gestort en wat een jammer heeft
uw onbezonnenheid en drift over uw hoofd gebracht." En het was hem of
plotseling de gestalte van Geraert voor hem oprees, met zijn ernstig,
maar vriendelijk gelaat, en hem wenkte om tot hem te komen. Hij
gevoelde nu, hoe hard en onbillijk hij hem beoordeeld had en hoeveel
verdriet hij hem had berokkend. Met afkeer dacht hij aan den jongsten
tijd, die achter hem lag, den tijd, dien hij had doorgebracht aan
de speeltafel en bij den wijnkroes, en vol schaamte verborg hij zijn
gelaat in de handen. Hij voelde diep berouw over zijn gedrag en nam
zich heilig voor, zijn leven te beteren. Geen droppel wijn zou meer
over zijn lippen komen, geen dobbelsteen zou hij meer in de hand nemen.
Nu eerst voelde hij ook de ijskorst smelten, die zijn hart omgeven had,
en zag hij duidelijk en klaar in, hoe goed en edel zijn broeder altijd
geweest was en hoe deze steeds het goede met hem had voorgehad. En
hoe slecht had hij, Nanning, al die liefde beloond. Met ondank had
hij de teederste zorgen beantwoord, ja, zelfs het grievendst leed
had hij hem niet bespaard. O, hij kon het zichzelven niet vergeven
dat hij zoo slecht geweest was.
Vol berouw verborg hij schreiend zijn gelaat in het kussen, dat zijn
pijnlijk hoofd tot rustplaats diende.
Maar langzamerhand bedaarde zijn hevige smart, en hij begon er
over na te denken, wat hem thans te doen stond. En in de eerste
plaats kwam het verlangen in hem op, om tot zijn broeder terug te
keeren en hem om vergiffenis te smeeken voor al het verdriet, dat
hij hem berokkend had. Nu hij het vaste besluit had opgevat, zijn
leven te beteren, nu hij al het verfoeilijke van zijn gedrag inzag,
en niet dan met diepe schaamte aan dien tijd terugdacht, nu hunkerde
hij er zelfs naar, tot Geraert terug te keeren en hem door dubbele
bewijzen van zijn broederlijke liefde het doorgestane verdriet te doen
vergeten. Maar neen,--neen! Dat mocht, dat kon hij niet doen! Welk
een schande zou hij dan brengen over het hoofd van zijn waardigen
broeder, den alom geachten en geëerden Schepen! Hoe zou dan ieder hem
nawijzen en zeggen: "Nanning, de jongere, wiens voogd en beschermer
hij was, is als een speler de stad uitgevlucht, heeft zijn geld in
den vreemde doorgebracht en is als een bedelaar teruggekeerd!" Neen,
dat verdriet wilde hij Geraert niet aandoen! Hij had hem reeds leed
genoeg gedaan. Zijn besluit stond vast: hij keerde in geen geval
naar Haarlem terug. Zijn vaderstad zoowel als zijn broeder zou hij
de schande van het wederzien besparen!
Doch wat dan? Hier blijven was hem onmogelijk! Nogmaals keek hij
het vertrek in het rond en liet zijn oogen dwalen over de lompen,
die hem dekten, en weer vervulde hem dat gevoel van afkeer, dat hem
had overmeesterd, toen hij ontwaakte uit zijn verdooving. Nogmaals
spande hij al zijn krachten in om zich op te richten en de bedstede
te verlaten, maar het was hem onmogelijk. Tegen wil en dank moest
hij blijven, waar hij was.
Wie kon het toch zijn, die zich over hem ontfermd had? Wie toch
had hem hierheen vervoerd? Wie had dat water en brood voor hem
neergezet? Waarom kwam niemand naar hem omzien?
Met al die vragen pijnigde hij zijn arm, vermoeid hoofd, zonder er
ook maar één van te kunnen beantwoorden. Eindelijk schudde hij al die
gedachten van zich af. De tijd zou hem wel meer licht verschaffen
en hem de oplossing van al die raadsels aan de hand doen. Dit eene
wist hij: Zoo gauw hij zijn krachten teruggekregen had, zou hij dit
bedompte, armoedige vertrek verlaten en de wereld ingaan. Wàt hij
daar zou doen, wist hij nog niet, doch liever zwierf hij als bedelaar
langs de straten, dan hier langer te blijven, dan noodig was. En
bovendien als niemand hem in dienst wilde nemen, dan kon hij altoos
nog krijgsman worden. Als zoodanig zou het hem niet moeilijk vallen,
in zijn levensonderhoud te voorzien.
Het begon nu duisterder te worden in het vertrek. Zeker was de zon
ondergegaan en stond het nacht te worden. En nog kwam er niemand
de stilte verbreken, die hem nu zelfs eenigszins angstig begon
te worden. Een vreeselijk gevoel van totale verlatenheid bekroop
hem; soms dacht hij, dat het alles slechts een benauwde droom was,
die hem kwelde en dat hij straks wel ontwaken zou. Maar neen, dat
was toch niet zoo. Hij wist, dat hij wakker was. O, dat er nu toch
iemand kwam, om hem een woord van troost toe te spreken! Het werd
hoe langer, hoe donkerder, eindelijk kon hij niets meer zien, dan
eenige onbestemde grillige vormen. Onafgebroken hield hij de oogen
op de lage, bouwvallige deur gericht, in de hoop, dat er eindelijk
iemand zou verschijnen.
Maar uur na uur ging voorbij, en niemand kwam.
Eindelijk viel Nanning in een lichte, zenuwachtige sluimering. Benauwde
droomen kwelden hem, en telkens prevelde hij den naam van zijn
broeder Geraert.
Op eens ontwaakte hij. Daar hoorde hij geritsel aan de deur. Nu zou
hij dan toch eindelijk uit de onzekerheid verlost worden.
Het geluid kwam nader. Langzaam draaide de deur op haar scheefgezakte
hengsels en zacht, bijna onhoorbaar trad iemand de kamer binnen. Hij
deed de deur achter zich dicht en liep regelrecht naar een kleine
kast in den hoek van het vertrek. Daar haalde hij een lampje uit te
voorschijn en stak het op. Toen draaide hij zich om en kwam naar het
bed toe waarop Nanning lag.
VIERDE HOOFDSTUK.
HANS DE VEDELAAR.