Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
ONS GENOEGEN
Bibliotheek voor Jongens en Meisjes.
Serie A Jongensboeken Deel 3.
DE TWEE BROEDERS
Een Kennemer Legende
uit de jaren 1420-1436
W. J. HOFDIJK vrij naverteld
door
C. JOH. KIEVIET.
ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN.
EERSTE HOOFDSTUK.
HET STERFBED.
Het was laat in den herfst van het jaar 1420. De zon was reeds lang
ondergegaan, zonder zich den geheelen dag ook maar een enkel oogenblik
te hebben vertoond. Zij had zich schuil gehouden achter dichte wolken,
die door den feilen najaarswind langs het zwerk werden voortgejaagd,
en onophoudelijk haar inhoud, afwisselend uit hagelsteenen en
regendroppels bestaande, op het aardrijk nederstortten. De straten
van de goede stad Haarlem,--want het is daar, dat ons verhaal een
aanvang neemt,--welke in die dagen nog niet met steenen bevloerd
waren, konden onmogelijk al het gevallen water opeens verzwelgen, en
waren in modderpoelen veranderd, terwijl het water zich op de lagere
plaatsen verzameld en er diepe plassen gevormd had. De gure herfstwind
gierde over de daken en bulderde in de schoorsteenen. De hagelsteenen
kletterden tegen de ruiten en deden ze in haar looden lijsten rammelen.
't Was zeer donker buiten, want van straatverlichting was toen
nog geen sprake, en er was bijna niemand buitenshuis; anders zou
er althans eenige verlichting geweest zijn, daar na zonsondergang
zich niemand zonder brandende lantaarn buiten mocht bevinden. Er
was geen levend wezen te zien, trouwens, het was dan ook al te laat
in den avond om zonder gewichtige reden het knapperend haardvuur te
verlaten, tenzij dan om naar bed te gaan. Af en toe kwam nu evenwel
het maantje door de wolken breken en liet een droefgeestig licht
vallen op de sombere daken en de getrapte voorgeveltjes, en spiegelde
zich een oogenblik in de plassen, die de straten bijna onbegaanbaar
maakten. Van lieverlede werden de verlichte bovenramen kleiner in
getal, daar de bewoners zich ter ruste begaven, en eindelijk was de
geheele stad in duisternis gehuld.
't Was nacht geworden. De straten waren doodsch en stil. Alleen de
torenwachter waakt en overziet de stad, of niet iemand roekeloos met
het vuur had omgegaan en brand had veroorzaakt. Doch alles is in orde
en van uur tot uur doet hij zijn trompetgeschal hooren, dat echter
in het loeien van den wind verloren gaat.
Toch sliep nog niet iedereen.
Daar werd een deur geopend en haastig trad iemand naar buiten. De
duisternis scheen hij niet te vreezen, want zonder een oogenblik
aarzelens spoedde hij zich, na de deur achter zich gesloten te
hebben, de stad in. Haastig en gejaagd ging hij voort, zonder er in
het minst op te letten, waar hij liep. Het water spatte onder zijn
schreden omhoog, doch hij scheen het niet op te merken. Met gebogen
hoofd vervolgde hij zijn nachtelijken tocht, de handen krampachtig
samengeknepen en met tranen in de oogen. Telkens verhaastte hij zijn
schreden, alsof hij vreesde te laat te zullen komen. De slippen van
zijn korten mantel werden door den wind omhooggeslagen en de modder
van de straat bezoedelde zijn fijne hozen, doch hij let nergens op.
Plotseling klinken hem voetstappen in de ooren, krachtige, gelijkmatige
voetstappen, als van krijgslieden. 't Zijn de dienaren van den
Schout, die de nachtelijke ronde doen, en plotseling schiet het hem te
binnen, dat hij vergeten heeft zich van een lantaarn te voorzien. Dat
voorspelt hem moeielijkheden, altoos onaangenaam, doch nu dubbel,
want hij heeft immers haast. De dood kan er mede gemoeid zijn.
IJlings trekt hij zich terug in een donkeren hoek, tegen de deur van
een woning. Wellicht zal hij hier niet opgemerkt worden en zullen de
dienaren hem voorbijloopen. Reeds zijn ze hem genaderd en weldra zal
hij zijn reis kunnen vervolgen. Doch juist op dat oogenblik breekt de
maan door de wolken en doet haar volle licht op zijn schuilhoek vallen.
Wij zien thans dat deze late wandelaar een jongeling is van hoogstens
zestienjarigen leeftijd. En hij moet van goede familie zijn, dat
bewijst de fijnheid van zijn kleeding. De korte mantel, die met een
gouden haak om den hals bevestigd is, en zijn nauwsluitend wambuis
zijn van kostbaar laken, fijne hozen bedekken zijn gespierde beenen
en de voeten zijn in lange, gepunte schoenen gestoken. Hij heeft een
innemend gelaat, dat nu evenwel angst en droefheid teekent. Zijn hoofd
is bedekt met een kleine muts, welke zijn blonde krullen volkomen
vrijheid laat om hem langs hals en schouders te zwieren. Waarlijk,
zoowel zijn kostbare kleeding als zijn fiere houding bewijzen duidelijk
dat hij, zoo niet van adellijken huizinge, dan toch zeker eens rijken
poorters zoon moet zijn, en dit laatste vermoeden is waarheid, zooals
gij weldra uit zijn eigen mond zult vernemen. Want zijn schuilplaats,
hoe goed ook gekozen, is door het verraderlijk maantje plotseling in
het volle licht gekomen, en de dienaren moesten wel blind geweest zijn,
indien zij hem thans niet opgemerkt hadden.
"Hallo, mannen, wacht een oogenblik!" klinkt het op bevelenden toon uit
den mond van den bevelhebber. "Daar staat iemand op verdachte wijze
tegen een deur geleund, en zeker voert hij daar niet veel goeds in
zijn schild. Past op dat hij niet door een vlugge beweging ontsnapt,
en brengt hem hier!"
Nauwelijks waren deze woorden uitgesproken, of de mannen verdeelden
zich in twee groepen, ten einde een ontvluchting onmogelijk te maken,
en naderden nu in schuine richting en van twee kanten den jongeling,
die blijkbaar geen kans zag aan de handen der dienaren te ontkomen. Hij
deed althans in het geheel geen poging om te ontsnappen, maar liep
regelrecht op den aanvoerder toe.
"Ach, heer," sprak hij beleefd, bijna smeekend, "ik bid u, houd mij
niet op. Ik ben...."
"Geen praatjes, vriendje!" voerde de hoofdman hem gebiedend toe. "Wat
moet je daar bij die deur doen, en waarom tracht je je zoo geheimzinnig
te verschuilen? Hallo, spreek de waarheid en zoek me geen praatjes
op de mouw te spelden, of je zit in minder dan geen tijd onder 's
Graven toren. Hoe heet je en waarom voldoe je niet aan het bevel van
de overheid, door een lantaarn bij je te voeren?"
De spraakzame hoofdman vroeg zooveel, dat de jongeling een oogenblik
weifelde, welke vraag hij het eerst beantwoorden zou. Maar de
bevelhebber was niet alleen zeer woordenrijk, hij was ook erg driftig,
en toen hij niet spoedig genoeg antwoord ontving, riep hij luid:
"Grijpt hem, mannen, en voert hem mede. Ik heb waarlijk geen tijd
om hier het oogenblik af te wachten waarop het dezen schobbejak zal
behagen, mij antwoord te geven. Brengt hem onder den toren, wellicht
is hij dan morgen vlugger ter taal."
Met groote snelheid werd de jongeling omsingeld en aangegrepen,
doch hij rukte zich los en wendde zich tot den bevelhebber.
"Vergeef mij, heer," sprak hij op waardigen toon,--"vergeef mij, dat
ik u niet op al uw vragen tegelijk kan antwoorden, doch ik beloof u,
dat ik u voldoende inlichtingen zal geven, en dan verzoek ik u, mij
geen oogenblik langer op te houden, dan hoog noodig is. Mijn naam is
Nanning Baerthoutszoon, en ik ben op weg naar ..."
"Wat!" riep de hoofdman verrast uit. "Nanning, de zoon van Schepen
Baerthout Nannings? Vergeef mij dat ik u niet eerder herkend heb,
dan zou ik u waarlijk niet op deze wijze behandeld hebben. Doch wat
kan de reden zijn, die u nog zoo laat op de straat voert, en waarom
hebt gij niet voldaan aan den last van de regeering, die gestrengelijk
heeft voorgeschreven, dat na zonsondergang...."
"Ik weet het, heer!" viel de jongeling, die als op gloeiende ijzers
stond, den woordenrijken hopman in de reden. "Doch laat mij u zeggen,
dat mijn vader hedenavond plotseling hevig ongesteld is geworden. Op
het eene oogenblik was hij gezond en frisch, en een oogenblik later lag
hij als dood voor onze voeten. Is het mij kwalijk te duiden, dat ik in
de haast vergat een lantaarn mede te nemen, toen ik mij wegspoedde, om
den meester te halen? Zoo ja, de vereischte boete zal worden voldaan;
gij weet thans, wie ik ben en waarheen mijn weg voert. Doch ik bid u,
houd mij niet langer op. Elk oogenblik vertragens kan den dood van
mijn lieven vader ten gevolge hebben!"
"Gij kunt vrij gaan, Nanning Baerthoutsz.!" klonk het op meewarigen
toon den jongeling toe. "God geve den waardigen Schepen een spoedige
beterschap. Indien gij wilt, zal een mijner dienaren den meester van
het gebeurde verwittigen, dan kunt gij naar uwe woning terugkeeren."
"Heb dank, heer! Ik zal liever zelf gaan. Meester Gerrit Heinsz. woont
niet ver van hier en dan kan ik zelf hem ontbieden. Hebt mijn groet
samen!"
Met groote schreden vervolgt de jongeling, wiens naam wij thans
kennen, zijn weg, en weldra heeft hij de woning van den chirurgijn
bereikt. Met een doffen slag laat hij den klopper op de deur vallen,
en in spanning wacht hij het oogenblik af, dat deze geopend zal
worden. Zijn geduld wordt evenwel op een zware proef gesteld, want de
meester barbier-chirurgijn laat niets van zich hooren. De deur blijft
gesloten en geen enkel teeken van leven dringt van uit de woning tot
hem door.
Nogmaals heft hij den klopper op, en tot driemalen toe laat hij hem
met een zwaren dreun op de deur nedervallen. Daarna loopt hij met
gejaagde schreden voor het huis heen en weder.
Ha, daar hoort hij gestommel. Nu worden de grendels weggeschoven en
eindelijk gaat de deur langzaam open. Tot zijn groote teleurstelling
is het echter niet de wijze meester zelf die thans met een lantaarn
in de hand voor hem verschijnt; 't is diens huisvrouw, die hem vraagt:
"Wie is daar?"
"Nanning, de zoon van Schepen Baerthout. Mijn vader is plotseling
hevig ongesteld geworden, waarschijnlijk door een beroerte getroffen,
en daarom verzoek ik, of de meester ten spoedigste wil komen. Wij
vreezen dat vader sterven zal. Wil u ..."
"Meester Gerrit is niet thuis, Nanning. Hij is uitgehaald, maar zoodra
hij terugkeert, zal ik hem zeggen, dat gij hier geweest zijt. Och,
och, is de brave Schepen door een beroerte getroffen? Wel, wel, wat is
dat treurig. Ik beloof u, dat ik hem tot grooten spoed zal aansporen,
hoewel ik moet zeggen, dat dit wel niet noodig zal zijn, want meester
Gerrit is ten allen tijde bereid om zijn plicht te doen. En voorzeker
zal hij zich haasten, nu het den braven Schepen Baerthout geldt,
wie hij zulk een hooge achting toedraagt."
"Heb dank, Vrouw!" sprak de jongeling. "Zou de meester nog lang
uitblijven?"
"Waarschijnlijk niet. Binnen een kwartier is hij stellig wel terug,
doch gij behoeft niet op hem te wachten. Ik sta er u borg voor,
dat hij zich dadelijk op weg zal begeven."
"Goed. Zoo wensch ik u wel te rusten!"
"Het beste met uw vader!"
Nanning haastte zich thans de ouderlijke woning weer te bereiken. Ach,
welke droevige gedachten vervulden zijn ziel. Hoe kort, slechts twee
jaren was het geleden, dat hij zijn lieve moeder verloren had, de
edele vrouw, die zoozeer door allen was bemind. Welke heete tranen
waren toen geschreid door zijn vader, wien het leven zonder haar
bijna een last was geworden, en door zijn ouderen broeder Geraert,
die thans in angst en vreeze waakte bij het ziekbed van hun vader,
en door hemzelven, die toen nog pas veertien jaren oud was en zijn
moeder nog zoo slecht missen kon. Ach, wat hadden zij elkander innig
liefgehad, en hoe wreed had de dood toen de teederste banden met ruwe
hand verscheurd! En zou hij nu ook nog zijn braven, edelen vader moeten
verliezen? Zouden hij en Geraert nu niets op de wereld overhouden om
lief te hebben dan slechts elkander?
"Neen, neen, goede Hemelvader, dat niet,--ach, dat niet!" snikt de
arme jongen, terwijl groote tranen zijne oogen vullen en de keel hem
van droefheid als toegeknepen wordt. "Ach Heer, laat ons geen weezen
worden,--laat Vader niet sterven."
Weldra heeft hij de ouderlijke woning weder bereikt en angstig wendt
hij den blik naar de bovenramen, die nog verlicht zijn.
"Zou Vader nog leven?" vraagt hij zich angstig af, en het is hem,
alsof hij den edelen grijsaard daar weder zag liggen, zooals hij
straks voor hunne voeten nedergestort was, bleek als een doode,
roerloos en met verwrongen gelaatstrekken. Hoe waren hij en Geraert
verschrikt opgesprongen bij dien plotselingen val, en hoe verbijsterd
hadden zij gedurende de eerste oogenblikken op het lichaam van den
gevallene gestaard. Geraert was de eerste geweest die zijn bezinning
terug bekomen had, en samen hadden zij Vader, met behulp van Mechteld,
de oude meid, die het huishouden bestuurde sedert Moeders dood, op
bed gelegd. Dadelijk daarna was Nanning heengegaan, om den meester
te halen.
Dat alles vloog hem pijlsnel door het hoofd, nu hij de ouderlijke
woning weder genaderd was en den blik vestigde op de verlichte
bovenramen, waarachter de zieke lag. En terwijl hij den klopper
opheft, om Mechteld te waarschuwen, dat hij teruggekomen is, mompelt
hij zacht voor zich heen: "Zou Vader nog leven?" Een huivering vaart
hem door de leden bij de gedachte, dat het wellicht reeds voorbij is,
dat hij zijn lieven Vader niet levend zal terugzien.
Zacht doet hij den klopper op de deur vallen, en spoedig laat de oude
Mechteld hem binnen.
Angstig kijkt hij de brave vrouw in de met tranen gevulde
oogen. Spreken behoeft hij niet; woorden zijn hier overtollig.
"Vader is tot zijn bewustzijn teruggekeerd, Nanning," zegt zij zacht,
doch op zoo droevigen toon, dat de jongeling niet behoeft te vragen,
wat zij vreest. "Hij verlangt zeer naar je terugkomst. Ga dadelijk
tot hem, want hij heeft al meer dan eens naar je gevraagd."
Nanning begaf zich dadelijk naar boven, en zacht opende hij de deur der
ziekenkamer. 't Was een ruim vertrek, waarvan de muren grijs geverfd
en met een donkerder kleur gestippeld waren. Aan de achterzijde bevond
zich een hoog raam met kleine ruitjes, die in lood gevat waren en
door den wind in beweging gebracht, voortdurend een rinkelend geluid
lieten hooren. Onder den hoogen schouw, welks lijst bezet is met fraaie
borden van Delftsch aardewerk, brandde een groot turf vuur. De kamer
werd verlicht door een olielamp, die met het vuur van den haard een
rossig licht door de kamer verspreidde. Behalve een wit-houten tafel en
een paar groote gebeeldhouwde leuningstoelen bevond zich niets in het
vertrek dan een ruim ledikant, waarvan de groene gordijnen zorgvuldig
dichtgeschoven zijn. De zieke slaapt zeker, want geen enkel geluid
treft het oor van den binnentredende, dan het gefluisterd gebed van
den ouderen broeder, die eerbiedig voor een heiligenbeeld, dat door
een waskaars verlicht wordt, nedergeknield is, en den Heer van leven
en dood smeekt om het behoud van den beminden Vader.
Nu hij de deur hoort openen, richt hij zich op en legt den vinger op
zijn mond, om tot stilte aan te manen. Welk een ernst ligt er op het
gelaat van dezen jongeling uitgedrukt. In die trouwhartige oogen is
het onmogelijk zich te bedriegen. Geraert, de 21-jarige broeder van
Nanning, moet een eerlijk, trouw karakter hebben, niet in staat tot
iets, wat laag of onedel is. Zacht nadert de jongere hem en geroerd
staren zij elkander in de oogen.
"Wees stil, Nan, Vader slaapt, maar zijn bewustzijn is
teruggekeerd. Zal meester Heyns spoedig komen?"
"Hij was niet thuis, doch wij kunnen hem spoedig verwachten. Dus
vader is wat beter? Goddank! O, wat vreesde ik reeds, dat wij hem
zouden verliezen."
"Ja Nan, er is wel eenige verandering bij Vader gekomen, maar
toch--veel hoop heb ik niet. Ik zie den toestand donker in, beste
broeder..."
"Och neen, zeg dat niet, Geraert, laat mij mijn hoop behouden. Ach,
als ik hem verliezen moest, wien heb ik dan op de wereld over, die
mij lief zal hebben..."
Geraert trok zijn broeder naar zich toe en deze liet zijn hoofd tegen
diens borst rusten.
"En heb je mij dan niet, Nan? Zal ik je dan niet altijd liefhebben en
doen, wat in mijn vermogen is, om je gelukkig te doen zijn? Stil Nan,
schrei zoo niet. Vader slaapt, en wie weet, hoe goed hem dat doet. Nóg
kunnen wij hopen,--en bidden."
Samen knielden zij voor het beeld neder en fluisterend zonden zij
hun gebed op ten hemel.
Eindelijk deed zich eenig geritsel in het ledikant hooren, en dadelijk
stonden de broeders op, om zich naar den zieke te begeven. Geraert
sloeg de gordijnen open.
Daar lag hij, de waardige grijsaard, geacht en geëerd door de
geheele poorterij van de stad Haarlem om zijn rechtschapenheid en
vriendelijkheid, bemind door zijn kinderen, die hij liefhad als het
licht zijner oogen. Doch hoe ontstelde Nanning, nu hij de groote
verandering opmerkte, die zijn Vader had ondergaan. Doodsbleek was
dat gelaat, ingezonken en hol stonden de oogen. 't Scheen hem toe,
dat de dood reeds zijn kille hand had uitgestrekt en de laatste snik
weldra over de lippen van den zieke zou komen. Doch één ding was
niet veranderd, en dat was de liefde, die uit zijn oogen blikte, nu
hij zijn beide kinderen, de twee zonen, op wie hij zoo trotsch was,
voor zich zag staan. En hij stak hun zijn hand toe, die zij vurig
kusten en met hun heete tranen besproeiden.
"Mijn lieve kinderen," zeide hij zacht, en blijkbaar kostte het
spreken hem eenige moeite.
"Vader, lieve Vader," snikte Nanning, terwijl hij zich vooroverboog
en zijn hoofd zacht nedervlijde tegen dat van den grijsaard. Geraert
zeide niets. Zwijgend, maar met tranen in de oogen hield hij zijn
Vaders hand in de zijne.
"Help mij een weinig oprichten, Geraert," sprak de zieke. "Ik heb u
iets te zeggen."
"Zou het niet beter zijn, dat u rustig bleef liggen, Vader! De meester
zal dadelijk komen."
Maar de Vader schudde het hoofd, en een droevige trek gleed over
zijn gelaat.
"Neen, mijn jongen, help mij een weinig oprichten, want ik heb iets
te bespreken; straks... straks zal het wellicht te laat zijn."
Zwijgend werd aan zijn wensch voldaan.
Toen vestigde de grijsaard een blik vol onuitsprekelijke liefde op
zijn kinderen, nam van ieder hunner een hand in de zijne, en sprak:
"Arme lievelingen, ik weet bijna niet, hoe ik het zeggen moet. Ik zou
je dit groote leed zoo graag willen besparen, maar--het moet, want
ik voel, dat ik niet veel tijd meer over heb. Ach, kinderen, ook mij
valt het hard te moeten scheiden,--maar ik mag het niet verzwijgen,
dat ik sterven ga. De dood woelt mij reeds door de aderen."
De beide jongelingen barstten in hevig snikken uit, doch Geraert
bedwong zich spoedig. Zwijgend staarde hij zijn Vader aan. Maar
Nanning schreide zenuwachtig en was niet tot bedaren te brengen.
"Ach Vader, wellicht weet de meester raad en neemt de ziekte spoedig
een gunstige wending..." zeide Geraert zacht.
"Neen, neen, mijn kind, zoek mij niet te vleien met een ijdele hoop. Ik
voel het te goed, hoe het weldra afgeloopen zal zijn. Doch ik vrees
den dood niet, kinderen, want God is genadig. Hij zal zich mijner
ontfermen, en spoedig hoop ik uwe lieve Moeder weder te zien. Toch
had ik nog zoo gaarne wat langer geleefd om u, mijn kinderen, den weg
te blijven wijzen, dien gij bewandelen moet, om hier en hier namaals
gelukkig te zijn. Vooral mijn Nanning, mijn jongste. Met droefheid
moet ik het bedenken, dat hij nog maar zestien jaar oud is, en dan
reeds wees te moeten worden."
"O Vader, spreek toch zoo niet," zeide Geraert ontroerd.
"Ja kind, ik moet, want juist over hem is mijn ziel bekommerd; juist
zijn jeugd maakt mij het scheiden zoo moeilijk. Maar Gode zij dank,
ik weet dat hij een ouderen broeder heeft, die hem lief zal hebben,
die over hem waken zal als een vader, die hem leiden zal. O Geraert,
beloof mij dat! Jij, mijn ernstige, trouwe, brave Geraert zult immers
voor hem zorgen, hem het kwade aanwijzen, het goede voorhouden. Jij
zult immers zijn goede engel zijn?"
Ontroerd boog Geraert zich tot den stervende over. "Ik beloof het
Vader, en God hoort mijn belofte. Ik zal over hem waken als een vader,
ik zal hem liefhebben als een moeder. Het mijne zal het zijne wezen en
met alle kracht zal ik er naar streven zijn goede engel te zijn. Ach
Vader, hoe droef wordt het mij te moede bij de gedachte, dat Nan en
ik weldra alleen zullen zijn. Zou er geen hulp meer wezen?"
Hij sloeg den arm om den hals zijns broeders en trok hem vol liefde
tegen zich aan.
"Ik wist het, mijn zoon," sprak de grijsaard met een gelukkigen
glimlach. "Deze belofte maakt mij het sterven lichter, want ik
weet, dat zij u heilig is. Hoe schoon, u beiden daar te zien staan,
de jongere steunende op den oudere, elkander de armen om den hals
geslagen. O mijn zoons, vergeet dit plechtig oogenblik nooit, waar
en in welken toestand gij u ook moogt bevinden. En gij, Nanning,
beloof mij, dat gij uw broeder altoos zult eeren en liefhebben, ook
wanneer hij u hard moet vallen en u op uw fouten moet wijzen. Want
dan, in zulke oogenblikken, zal uw gemoed in opstand komen, juist als
hij het ernstigste deel van zijn taak volbrengt. Beloof je mij dat,
Nan? Zal je naar hem luisteren, hem gehoorzamen, en steeds bedenken,
dat ik het ben, die door zijn mond spreekt? O, Nan, indien ge dat doet,
zal hij in waarheid een goede engel voor je geweest zijn, want dan zal
je bewaard blijven voor alles wat slecht is. Beloof je mij dat, Nan?"
In de diepste ontroering knielde Nanning neder. "Vader, ik beloof het
u," sprak hij schreiend; het was hem onmogelijk meer te zeggen. De
woorden bleven hem in de keel steken.
"Vaart beiden dan wel, mijn kinderen!" sprak de grijsaard met zoo
zwakke stem, dat hij bijna onverstaanbaar was. "God zegene u!"
Toen bedekte een lijkkleur zijn gelaat en zijn hoofd zonk machteloos
op zijde.
De beide jongelingen staarden het zwijgend aan. 't Was een plechtig
oogenblik, deze stonde, waarop de ziel zich losmaakte van het lichaam
en deze aarde ontvlood.
De oogen sloten zich, en de borst hield op met zwoegen. Een vredige
trek daalde op het aangezicht neder, en--alles was voorbij.
Het scheen dat de dood er op gewacht had, dat de grijsaard zijn taak
ten einde had gebracht, om hem weg te nemen van de aarde.
"Geraert, mijn broeder, is dat sterven?" vroeg Nanning eerbiedig
fluisterend.
"Het wàs sterven, Nan. Vader is dood."
Onbeschrijflijk droevig klonken deze woorden uit den mond van den
ernstigen jongeling. Hij besefte ten volle de zwaarte van den slag,
die hun getroffen had, en zijn gemoed was tot barstens toe vol. Toch
hield hij zich kalm om den wille van zijn broeder. Dezen vloeiden
onophoudelijk de tranen langs de wangen en zijn lichaam schokte van
zijn hartstochtelijk snikken. Hij hield niet op zijn Vader te noemen
bij de liefste namen, waarmede hij hem ooit genoemd had. De arme
jongeling was bitter bedroefd.
Op dit oogenblik werd de deur geopend en trad meester Heyns
zacht binnen, gevolgd door Mechteld. Op de teenen naderde hij het
ziekbed. Doch een enkele blik was voor dezen man met zijn rijpe
ervaring voldoende, om hem te doen zien, dat hier geen hulp meer
noodig was.
"Ik zie het," sprak hij zacht en op meewarigen toon, "'t is voorbij,
de strijd is gestreden. Zijn asch ruste in vrede. De Schepen Baerthout
Nannings was een edel, een rechtschapen man. Hij zal door velen
betreurd worden."
Geruimen tijd hoorde men niets dan het snikken der zoons en van de
oude Mechteld.
Eindelijk schoof de meester de gordijnen van het ledikant dicht,
en sprak:
"'t Is voorbij, helaas! Komt, verlaat deze kamer en begeeft u ter
ruste. Misschien brengt de slaap vergetelheid. Arme jongelingen,
hoe zwaar is voor u deze slag. Doch uw tranen brengen het leven niet
terug, en het lichaam heeft zijne eischen. Komt begeeft u ter ruste."
En met zachten aandrang voerde hij hen uit de sterfkamer.
TWEEDE HOOFDSTUK.
AFGEDWAALD.
Zeer treurige dagen waren er toen gevolgd, en er had in het sterfhuis
meer drukte geheerscht, dan den bedroefden zoons welkom was.
Eindelijk was de begrafenis gevolgd, een plechtigheid, die zij nooit
zouden vergeten. Ach, hoe droef was het hun te moede, toen de geliefde
doode in zijn laatste woning weggedragen werd uit het huis, waarin
hij zijn geheele leven had doorgebracht.
't Was een lange en deftige stoet geweest. Voorop was de stadsbode
gegaan met een brandende kaars in de hand. Daarop was de baljuw gevolgd
met de helft van de schepenen, die de kist voorafgingen. De kist werd
door twaalf mannen in het zwart gedragen en gevolgd door Geraert en
Nanning, verder door den schout en de overige schepenen en eindelijk
door een groot aantal belangstellenden, die den overledene de laatste
eer wilden bewijzen. Zoo waren zij onder het plechtig lijkgezang van
de koorknapen naar de kerk gegaan, waar de lijkdienst werd gehouden,
en eindelijk was de kist nedergelaten in de groeve.
Zwijgend waren de broeders naar huis teruggekeerd. Aan het weelderige
begrafenismaal, dat nu naar de gewoonte dier tijden volgde, namen
zij weinig of geen deel, en het was hun een verlichting, toen al de
gasten eindelijk vertrokken waren. Nu eerst gevoelden zij zich vrij
en konden ongezien aan hun tranen luchtgeven.
Zoo gingen enkele dagen in groote droefheid en rouw voorbij, doch
dit kon natuurlijk zoo niet blijven. Het leven stelt nu eenmaal zijn
eischen en dwingt dikwijls tot arbeiden, waar wij ons het liefst aan
onze stille overpeinzingen zouden overgeven.
Zoo ging het ook onzen beiden broeders. Hun Vader had bij zijn leven
een groote bierbrouwerij gehad, die hem veel voordeel opleverde en
de bron was geweest van zijn rijkdom, en nu kwam de zorg daarvoor
op de schouders van Geraert. Dat was hem nu wel niet vreemd, wat hij
had zijn Vader gedurende de laatste jaren in de uitoefening van dat
beroep in alles ter zijde gestaan, zoodat hij met voldoende kennis van
zaken kon optreden, maar van nu aan rustte de geheele verantwoording
op hem, en dat was geen kleinigheid. Maar hij vatte met al den ernst,
die aan zijn karakter eigen was, de zaak bij de hand en smaakte het
genoegen te zien, dat alles even goed bleef gaan als toen zijn Vader
nog leefde. Ook Nanning hervatte zijn arbeid in de brouwerij, maar
hij was nog te jong om zijn broeder krachtig ter zijde te staan en de
lasten met hem te deelen. Bovendien was hij nog slechts een leerling
in het vak en moest nog veel leeren eer hij een meester bierbrouwer
genoemd kon worden.
Met een innige liefde hing hij zijn ouderen broeder aan, en van dezen
moet gezegd worden, dat hij geen dag in zijn leven voorbij liet gaan,
zonder te toonen, dat hij de plechtige gelofte, die hij aan zijn Vaders
sterfbed had afgelegd, gedachtig was. Hij waakte over zijn broeder
Nan, met al de liefde, waarover zijn groot en warm hart beschikken
kon en omringde hem met de teederste zorgen. En Nan was daarvoor
dankbaar in woord en daad. O, hoe menigmaal spraken zij nog samen,
's avonds in het schemeruur, over hun gestorven ouders, over hun
liefde en hun groote deugden. Hoe bewaarden zij hun nagedachtenis
als groote kostbaarheden in hun hart.
Zoo gingen een paar jaren voorbij.
Toen kwam er verandering. Nanning kreeg een vriend, een jongeling
van gelijken leeftijd als hij. Zijn naam was Frederik Geyensz en hij
was van geboorte uit Alkmaar, waar zijn vader bakker was. Hij was als
leerling in dienst bij den wapensmid Jacob Pietersz, waar hij zich in
diens vak wilde bekwamen en den meesterstitel verwerven. Die Frederik
was een alleraardigst, vroolijk jongmensch, van wien Nanning zeer veel
ging houden. En daar hij zelf ook gezellig en vroolijk van aard was,
valt het niet te verwonderen, dat zij hun vrije uren al spoedig bijna
uitsluitend in elkanders gezelschap doorbrachten. En het mag niet
verzwegen worden, dat Nanning zich weldra veel meer bij zijn vriend,
dan bij zijn broeder Geraert ophield.
Daarover verwonderde zich niemand minder dan Geraert zelf. Hij wist
te goed, dat hij te ernstig van aard was, en gedurende den avond te
zeer in zijn studiën verdiept, om voor den vroolijken, levenslustigen
Nanning een buitengewoon aangenaam gezelschap te zijn. Bovendien
verschilden zij vier jaren in leeftijd, en zochten door hun aard en
aanleg verschillende genoegens. Geraert kende geen grooter genot, dan
den avond onder het lezen van een wetenschappelijk geschrift door te
brengen. Nanning daarentegen vermaakte zich nooit meer dan in vroolijke
gezelschappen en onder aangenamen kout. Geraert kon het zich daarom
best begrijpen, dat Nanning zijn avonden minder in zijn gezelschap
doorbracht en meer zijn vermaak bij zijn vriend zocht, en hij duidde
het hem allerminst ten kwade. De verhouding tusschen hen beiden bleef,
zooals zij altoos geweest was. Zij hadden elkander hartelijk lief,
en met welgevallen kon Geraert des avonds als Nanning thuis kwam,
luisteren naar hetgeen deze hem dan vertelde van de grappen, die zij
hadden gehoord, en van de vermaken, die hun deel geweest waren. Want
Geraert bleef steeds ten volle deelen in het vertrouwen van zijn
jongeren broeder. En het deed hem genoegen te bemerken hoe gaarne men
hem in allerlei gezelschappen en huisgezinnen scheen te ontvangen, ja,
hoe hij daar door zijn vroolijkheid en innemend karakter een welkome
gast was. Op partijtjes waren hij en zijn vriend weldra onmisbaar, want
zonder hun gezelschap had men veel minder genoegen, dan als zij er bij
tegenwoordig waren. Dat alles verheugde hem te meer, omdat Nanning er
zijn dagelijkschen arbeid geenszins om verwaarloosde. Integendeel,
zijn gedrag gaf hem niet de minste reden tot bezorgdheid of tot
klagen, en hij deed zijn plicht naar behooren. Ook zijn omgang met
Frederik Geyensz droeg zijn goedkeuring weg, want hij bemerkte elken
dag opnieuw, dat deze jongeling een goed karakter had en van zeer
fatsoenlijke familie was. Frederik kwam dikwijls bij hem aan huis en
bracht menigen avond bij hem door, en steeds toonde hij zich iemand
te zijn, op wiens gedrag niet het minste aan te merken viel. Geraert
zag dus in het geheel geen kwaad in hun omgang, integendeel, hij
verheugde er zich in, zijn broeder zoo gelukkig en vroolijk te zien.
Gedurende geruimen tijd had hij dan ook in het geheel geen reden,
om zich over dien vriendschapsband bezorgd te maken, want de beide
vrienden brachten hun avonden door op een wijze, die niets laakbaars
had. Zij maakten groote wandelingen, roeiden op het schoone Spaarne
of zaten hier of daar bij een goed vriend om het knapperend haardvuur
en luisterden naar de verhalen uit lang vervlogen tijden, die deze
of gene ten beste gaf.
Doch langzamerhand kwam er verandering in hun levenswijze, en die
verandering was er geen ten goede. Zij begonnen meermalen de taveerne,
zooals in die dagen een herberg genoemd werd, te bezoeken, niet om
daar groot gelag te maken of zich te buiten te gaan aan de dranken,
die daar verkocht werden, dat allerminst; zij gingen er alleen heen
om te spelen, zooals de jongelieden uit dien tijd vrij algemeen
deden. Sommigen zochten hun vermaak in het kaatsspel, anderen op de
kegelbaan, en weinigen ook in dubbelspelen, zooals het verkeerbord of
het ganzenspel, welke laatste twee echter door de overheid verboden
waren. Laat mij er evenwel dadelijk bijvoegen, dat zij hieraan
volstrekt geen deel namen. Zij hielden zich voornamelijk bezig met
kegelen, een gezond en levendig spel, waarin op zichzelf volstrekt
geen kwaad stak. Al spoedig begon het hen zoodanig te bekoren, dat
zij er zich bijna elken avond aan overgaven, en kregen zij eenige
kennissen, die zij geregeld in de kegelbaan ontmoetten. Het duurde
maar korten tijd, of zij werden tot de vaste medespelers gerekend.
Hoewel Nanning wist, dat zijn broeder Geraert in het kegelspel geen
bijzonder kwaad zag en het geen ongeoorloofde uitspanning achtte,
sprak hij er met hem toch geen enkel woord over. Hij wist te goed,
dat Geraert het spel alleen goedkeurde als uitspanning, doch geenszins
als vaste gewoonte.
Maar Geraert bemerkte bij toeval, hoe Nanning zijn avonduren
doorbracht. Eens dat hij 's avonds een weinig hoofpijn had en een
wandeling maakte, in de hoop daardoor van zijn kwelling verlost te
worden, zag hij, hoe Nanning met zijn vriend en eenige jongelieden
uit de stad, zich met het spel vermaakten.
Dat wekte dadelijk zijn bezorgdheid. Hij hoopte echter, dat deze keer
slechts een uitzondering op den gewonen levensregel van zijn broeder
was, en nam zich voor, er met geen enkel woord van te reppen. Maar
tevens besloot hij, nauwlettend acht te geven, of het meermalen,
misschien wel dikwijls plaats had. Want in dat geval achtte hij zich
verplicht, hem te waarschuwen. Hoe licht immers kon de hartstocht
voor het spel zich van hem meester maken en--ten verderve voeren?
Den volgenden avond begaf hij zich daarom opnieuw op straat, om een
onderzoek in te stellen, en vurig hoopte hij, dat zijn vrees ongegrond
zou blijken te zijn. Maar tot zijn droefheid moest hij wederom zien,
dat Nan zich in de kegelbaan bevond, en den volgenden avond alweer.
Met een bezorgden trek op het gelaat wacht hij zijn thuiskomst
af. Eindelijk, reeds vrij laat, hoort hij zijn bekenden voetstap op
de trap en komt Nanning nog verhit van zijn spel binnen.
Nanning ziet hem bij zijn avondgroet aan en bemerkt Geraerts peinzende,
eenigszins bezorgde gelaatsuitdrukking, en hij gevoelt zich niet
op zijn gemak. Na een oogenblik zwijgens komt Geraert naar hem toe,
en zegt zacht, maar op hartelijken toon:
"Waar ben je van avond geweest, Nan?"
Met voordacht noemt hij hem bij zijn verkorten naam, den naam, die
zijn ouders altoos gebruikten als zij hem liefkoosden toen hij nog
klein was, en waarmede hijzelf hem altoos noemt bij een vertrouwelijk
onderhoud.
Nanning bloost.
"Waar ik geweest ben?" vraagt hij. "Wel, ik heb een partijtje
gekegeld. Waarom vraag je dat?"
"En waar ben je gisterenavond geweest, Nan?" vraagt Geraert op
dezelfden ernstigen toon.
"Gisterenavond?" herhaalt Nanning, die zich onrustiger voelt
worden. "Dat wil ik je wel zeggen; toen heb ik ook gekegeld."
"En eergisteren, Nan?" houdt Geraert vol.
Gemelijk rijst Nanning op. Hij voelt dat hij zich schamen moet
voor zijn broeder; dat hij niet goed gehandeld heeft; dat hij op
den verkeerden weg is, en dat Geraert goed doet, door hem er naar te
vragen. Maar in plaats van diens goede bedoeling te waardeeren, tracht
hij zijn schaamte te verbergen onder een wrevelig antwoord en zegt hij:
"Dat weet ik zoo precies niet meer. Je kunt me wel vragen, hoe ik
het vorige jaar elken avond heb doorgebracht. En in allen gevalle
ben ik jou geen rekenschap verschuldigd. Ik ben oud en wijs genoeg
om te weten, wat ik doen en laten moet."
"Oud genoeg wel, om te weten, dat de taveerne geen goede plaats is om
er dikwijls te wezen, Nan. Als je werkelijk ook wijs genoeg waart zou
ik je dat niet behoeven te zeggen. Met droefheid heb ik nu al eenige
avonden achter elkander moeten zien, dat je daar aan het spelen waart,
en ..."
"O, dus mijn broeder heeft mij bespionneerd, en heeft mij in het
geheim achtervolgd om te zien, wat ik deed? Dat noem ik fraai, echt
broederlijk voorwaar."
Dat waren bittere woorden van Nanning, en hij behoefde niet te vragen,
of zij zijn broeder pijn deden, want hij kon het aan diens uiterlijk
wel zien.
"Spreek zoo niet, Nan," zeide hij zacht en vriendelijk. En met
aandoening vervolgde hij: "Denk je nog wel eens om het laatste
uur van vaders leven, en aan de woorden, die hij op zijn sterfbed
sprak? O, Nan, voor mij is dat uur onvergetelijk, en nog is het mij,
of ik hem hoor zeggen: "Zult ge voor Nan zorgen als een vader, hem
liefhebben als een moeder,--wil je zijn goede engel zijn?" En Nan,
heb ik je niet lief gehad, altoos, zoo lang wij elkander kennen,
en heb ik niet voor je gezorgd? Daarom, laat mij het recht om je te
waarschuwen voor den weg, dien je nu ingeslagen bent. De taveerne is
een weg, die ten verderve voert, en het spel is de lokvogel, die den
onervaren jongeling van het goede pad lokt met zoet gefluit. Nan,
beste Nan, luister naar mijn raad, en ga er niet meer heen. Och,
wil bedenken, dat ik je dit niet zeg om je te bedroeven of te plagen,
maar dat het juist mijn liefde voor je is, die mij zoo doet spreken."
Nanning was er in het diepst van zijn hart van overtuigd, dat Geraert
gelijk had. Bij hemzelf was al meermalen de gedachte opgekomen,
dat hij niet goed handelde, door zich zoo dikwijls aan het spel over
te geven. Bovendien hadden Geraerts laatste woorden, zoo ernstig en
getuigende van zooveel broederlijke genegenheid, hem getroffen. Hij
stak hem daarom de hand toe en sprak:
"Je hebt gelijk, broeder; ik dank je voor den raad, dien je mij
gegeven hebt, en ik zal hem ter harte nemen, dat beloof ik je."
Het was Nanning volkomen ernst met die belofte. Heilig nam hij
zich voor, de taveerne niet meer te bezoeken en de verleiding te
ontvlieden. De verleiding! Want hij moest het zichzelven bekennen, dat
het spel hem meer aantrok, dan goed voor hem was. Hij voelde zelfs,
dat hij op weg was, om een hartstochtelijk speler te worden, en dat
het hem moeite en strijd zou kosten er zich van te onthouden. Maar
toch nam hij zich stellig voor, er geen deel meer aan te nemen. Met
dat vast besluit viel hij dien avond in slaap.
Toch bleek zijn zucht voor het spel hem op den duur te sterk, om er
weerstand aan te bieden. De eerste weken hield hij zich stipt aan
zijn genomen besluit, en in spijt van de pogingen, die zijn vriend
Frederik in het werk stelde, om hem aan zijn belofte ontrouw te doen
worden, bezocht hij de kegelbaan in het geheel niet meer, waarover
Geraert zich zeer verheugde. Maar zijn standvastigheid kostte hem
zijn vriend, want deze was reeds te zeer aan het spel verslaafd,
om het nog te kunnen laten. Toen hij dus de keuze kreeg tusschen
zijn vriend en het spel, koos hij het laatste. Dat deed Nanning veel
verdriet, en maakte hem zijn strijd nog moeilijker. Want telkens
als hij Frederik ontmoette, verweet deze hem zijn kinderachtigheid,
en hitste hij hem met allerlei schampere uitdrukkingen tegen zijn
broeder op. Hij noemde Geraert een drogen suffer en een bedilal, en
hij voor zich zou er wel hartelijk voor bedanken, om zich zoo door
zijn broer te laten bedrillen. "Dat hij niet van een onschuldig spel,
waar niet het minste kwaad in steekt, houdt, en zich liever tusschen
de vier muren van zijn kamer opsluit, is zijn zaak, maar dat geeft
hem in het geheel nog geen recht, om hetzelfde van jouw te vergen,"
zeide hij telkens en die woorden lieten niet na, op Nanning indruk
te maken. Ook hij begon het onrechtvaardig te vinden, dat Geraert hem
zulk een onschuldig vermaak verbood, en--nog geen drie maanden waren
er verloopen na het onderhoud, dat hij met zijn broeder gehad had,
of de kegelbaan zag hem terugkeeren en met vernieuwden hartstocht
zich aan het spel overgeven.
Dat de stadgenooten van Geraert over dezen degelijken jongen man
een andere meening hadden dan vriend Frederik, kan blijken uit het
feit, dat hij om dezen zelfden tijd tot Schepen van de stad Haarlem
werd benoemd, een eer, die buitengewoon groot genoemd moest worden,
omdat hij nog zoo jong was. Hij was toen nauwelijks zes-en-twintig
jaar oud. Ieder die hem kende, voorspelde hem een schoone toekomst,
en men had de grootste verwachtingen van hem.
Het kon hem niet lang verborgen blijven, dat Nanning zich opnieuw
aan het spel had overgegeven, en dat bedroefde hem zeer. Meermalen
onderhield hij er zijn broeder over en liet zijn waarschuwende stem
hooren, doch het mocht hem niet baten. Nanning zeide hem eindelijk,
dat hij zich niet langer wilde laten ringelooren en doen zou, wat
hij verkoos.
Zoo kwam het langzamerhand, dat Nanning zich niet meer alleen bij het
kegelspel bepaalde, maar ook aan het dobbelen ging. De waard wist wel,
dat dergelijke spelen verboden waren, maar zijn gasten begonnen hoe
langer hoe grooter verteringen te maken, en daar zij tot de gegoedste
poorters van de stad behoorden, waren zij goede betalers. En voor den
Schout maakte hij zich niet ongerust. Immers, behoorde niet zelfs
de broeder van Schepen Geraert Baerthoutsz, tot de deelnemers? Hèm
zouden zij toch niet aan het gerecht overleveren? Neen, hij meende
volstrekt geen reden te hebben, om ongerust te wezen.
Zoo verviel Nanning van kwaad tot erger. Hij werd een speler in den
slechtsten zin van het woord, en bij de hitte van het spel werd er
meer bier of wijn gebruikt, dan noodig was. En Frederik hield hem
trouw gezelschap.
De beklagenswaardige jongelieden gingen hun ongeluk tegemoet. Maar niet
ongewaarschuwd, want Geraert deed alles, wat in zijn vermogen was,
om hen terug te doen keeren van den ingeslagen weg. Hij bezwoer hen
zelfs met tranen in de oogen, het spelen te laten en de taveerne niet
meer te bezoeken, doch te vergeefs. Nanning lachte hem uit en stoorde
zich niet aan hem. Het werd al later en later op den avond, eer hij
thuis kwam, en eindelijk werd het zelfs middernacht, ja daar over,
eer Geraert hem naar boven hoorde komen. Hij wachtte hem altoos op;
nooit zou hij naar bed gaan voor Nanning thuis was. Ach, hoe bitter
leed hij onder dat gedrag van zijn broeder, en hoe pijnlijk waren hem
diens bittere woorden, als hij met hem sprak over zijn levenswijze. Hij
had hem toch zoo innig lief.
Eindelijk kon Geraert het niet langer uithouden. 't Was op den sterfdag
van hun vader. Reeds zes jaren rustte deze in den koelen schoot der
aarde. Geraert was besloten nogmaals een poging te doen, om Nanning
in het goede spoor terug te brengen, en dat wilde hij dezen avond
doen. Wie weet hoe op dezen dag wellicht zijn hart vatbaar was voor
goede woorden.
Doch reeds den geheelen avond heeft hij hem tevergeefs gewacht. Reeds
was het sluitingsuur voor de taveerne lang voorbij, en nog kwam hij
niet. Geraert voerde een hevigen strijd in zijn binnenste. Eindelijk
stond hij op en begaf zich naar buiten. Met groote schreden sloeg
hij den weg in, die naar de taveerne voerde.
Daar scheen alles in rust. De kegelbaan was verlaten en de lichten
waren uitgedoofd. En angstig vroeg hij zich af, waar zijn broeder
thans kon zijn. Reeds stond hij op het punt naar zijn woning terug
te keeren, toen hem het gerucht van stemmen in het oor drong. Het
scheen uit een van de achterkamers te komen en dadelijk begreep hij,
dat zich daar de jongelieden verzameld hadden, om zich ongestoord
aan het verboden spel te kunnen overgeven.
Hij liep naar de voordeur en trachtte die te openen, doch zij was
gesloten; de waard had blijkbaar zijn voorzorgsmaatregelen genomen om
niet overvallen te worden. "De achterdeur zal wellicht niet gesloten
zijn," mompelde hij zacht, terwijl hij het huis omliep. Zijn vermoeden
was juist geweest. Zacht deed hij de deur open en trad naar binnen,
waar hij nu in een donker gedeelte van het huis stond. Hier wachtte
hij een oogenblik en luisterde. Verschillende stemmen drongen tot hem
door en duidelijk kon hij die van zijn broeder onderscheiden. Luide
klonken zij boven het geluid der dobbelsteenen en het rammelen
der kroezen uit. Hij hoorde wijn bestellen en het rinkelen van
geldstukken. Plotseling scheen er oneenigheid te ontstaan, want allen
spraken driftig door elkander en hij hoorde vuistslagen op de tafel.
Hij spoedde zich thans met beslistheid voort in de richting, vanwaar
al die geluiden tot hem doordrongen. Tastende zocht hij, tot hij de
deur gevonden had, die naar het vertrek der spelers voerde, en hij
opende haar. Niemand had iets van zijn nadering bemerkt, want de
ontstane twist nam ieders aandacht in beslag.
"De winst komt mij eerlijk toe!" schreeuwde Frederik Geyensz.,
terwijl hij met gebalde vuist tegenover zijn tegenpartij stond,
"en niemand is zoo knap, dat hij ze mij uit de handen krijgt. 't Is
eerlijk gewonnen geld!"
"Gestolen geld bedoel je!" schreeuwde de ander, "gestolen, en anders
niet. Je bent een dief, een...!"
"Bedaar, Jacob, bedaar," klonk het bemiddelend van verschillende
kanten.
"Komt heeren, geen twist!" riep de waard er tusschen, terwijl hij
met een nieuwen voorraad druivensap naderde. "Houdt de kroezen bij
en drinkt elkander heil!"
Maar nauwelijks had hij uitgesproken, of hij deinsde verschrikt wel
drie passen achteruit, want op dit oogenblik trad Geraert uit den
donkeren hoek, waarin hij stond, te voorschijn en kwam midden in
de kamer.
"Schepen Geraert Baerthoutsz.!" riep de waard ontsteld uit en als met
een tooverslag ontstond er de diepste stilte. Allen keken den jongen
Schepen met spanning en schrik in het ernstige, bleeke gelaat.
Ook Nanning had geen kleur meer op zijn wangen, doch helaas, het was
niet van schaamte alleen. Nauwelijks had hij zijn broeder opgemerkt,
of pijlsnel drong zich de gedachte aan hem op, dat het een laagheid was
van Geraert, om hem zelfs hier met zijn waarschuwingen en raadgevingen
te achtervolgen, en dat het een laffe, beleedigende daad van hem
was, hem hier, te midden van zijn vrienden, als een klein kind een
bestraffing te geven. En zijn door den wijn en het spel verhit bloed
steeg hem met ontstuimige kracht naar het hoofd, zoodat hij in een
staat van opwinding geraakte, die hem tot verzet prikkelde.
"Jan Alertsz.!" klonk het op gestrengen toon den waard tegen: "Kent
ge mij?"
"Den Schepen Geraert Baerthoutsz. zou ik niet kennen?" sprak de
waard bedremmeld.
"En kent gij ook de voorschriften van onze stad?" hernam Geraert op
denzelfden gestrengen toon.
"Ik ken ze!" klonk het bijna onhoorbaar terug.
"Dan weet ge ook, dat het verkeerbord een verboden spel is, waarover
ge den Schout morgen rekenschap zult moeten geven. Ik, de Schepen
Geraert Baerthoutsz. zal zelf uw aanklager wezen. En kent ge ook het
uur van sluiten, Jan Alertsz.?"
"Klokslag elven, Heer Schepen."
"'t Is nu middernacht. Breng dien wijn weg, en gebied uw gasten
te vertrekken!"
Deze woorden klonken zoo bevelend, dat er aan geen wederstreven gedacht
kon worden. De waard verwijderde zich. Maar nu klonk plotseling de
stem van Nanning, die zijn toorn over den hem aangedanen hoon niet
kon bedwingen, door het vertrek.
"Blijf, Jan Alertsz., en breng mij, wat ik besteld heb. Ik laat mij
niet als een klein kind wegjagen. Breng wijn, zeg ik u!"
Bij die woorden keek hij zijn broeder uittartend aan, doch Geraert
vestigde zijn blik met zulk een droevige uitdrukking op hem, dat hij
zijn oogen moest neerslaan. "Nanning!" zeide hij zacht en ernstig.
Maar opnieuw bruiste de toorn in Nannings binnenste op, en met een
geweldigen vuistslag op de tafel herhaalde hij zijn bevel:
"Breng wijn, Jan Alertsz! Ik wil met mijn vrienden de gezondheid
mijns broeders drinken. Breng wijn!" Allen staarden met schrik den
schepen aan, nieuwsgierig, wat hij thans doen zou. Maar zij, die
gedacht hadden, dat hij den uitval zijns broeders met even heftige
woorden beantwoorden zou, hadden zich vergist.
"Gaat allen naar huis, vrienden," klonk het hun op ernstigen toon
toe, "en--speelt niet weer! Nog is de Schout niet van het gebeurde
onderricht, nog heb ik het in mijn macht uw naam voor schande te
bewaren. Doch verlaat dit speelhol en keert er niet in terug, want het
einde is uw verderf. Bedenkt het voor het te laat is. Jan Alertsz.,
over een kwartier zullen de dienaren van den Schout hier zijn, om te
zien, of uw taveerne gesloten is. Wacht u voor de gevolgen!"
Toen keek hij zijn broeder met een vragenden blik aan, als een
zwijgende uitnoodiging om hem naar huis te vergezellen, doch
Nanning wendde zich toornig van hem af. Vol droefheid verliet hij
het speelhuis, om naar zijn woning terug te keeren. Korten tijd
later hoorde hij ook Nanning thuis komen en regelrecht naar diens
slaapkamer gaan. Voor het eerst in zijn leven bracht deze hem zijn
gewonen avondgroet niet.
Geraert begaf zich naar bed. In het voorbijloopen riep hij: "Wel te
rusten, Nan!" maar hij kreeg geen antwoord.
Een oogenblik dacht hij er nog over, Nannings kamer binnen te gaan
en met hem te spreken, doch bij eenig nadenken begreep hij, dat het
beter was, hem eerst wat tot kalmte te laten komen, en stelde het
daarom tot den volgenden dag uit. Met een hart vol bekommernis begaf
hij zich ter ruste.
DERDE HOOFDSTUK.
IN DEN VREEMDE.