Niet waar, het is een nieuw, een futuristiesch gevoel--wij spreken niet
meer van modern, maar van futuristiesch--en gij hadt misschien niet
gedacht, dat er zoo iets als vreemdelingenhaat bestond in Italië, in
Florence. Mij heeft die eerste uiting van dit nieuwe gevoel ook een
weinig versteld doen staan, zoo als àlle nieuwigheid u een weinig
versteld doet staan--heel weinig echter maar, omdat wij geleerd hebben
ons te beheerschen--en dan nog alleen maar stil in u en onzichtbaar voor
de buitenwereld, omdat onze poze er eene is van nèrgens ons over te
verbazen, zelfs niet al had een luchtvaarder de maan of Mars eensklaps
bereikt. Maar trots die poze, mag ik toch wel, o lezer, u over dit
nieuwe Italiaansche, Florentijnsche gevoel onderhouden, want tusschen u
en mij is geen aanstellerij noodig: ik beken u ten minste maar vrij-weg
véel, dat mij ontroert.
Toen dus Papini's redevoering: _Contro Firenze passatista_ ongehoord--om
het durend laweide van het publiek--nièt tot mij was door geklonken, las
ik haar in het tijdschrift onzer nieuwe generatie: Lacerba. Las ik haar
ge-intrigeerd, glimlachend, bekoord en werd het bijna eens met den
bitteren redenaar, ook al was ik zelve een vreemdeling. En kan ik niet
na laten u er hier van de quintessens te vertalen:
Ik ben hier niet--zegt Papini--om u voor de honderdduizendste maal te
vertellen, dat Florence is "wieg der kunsten", "Athene van Italië",
"gloeihaard der Renaissance" en "vruchtbare moeder der genieën". En hij
gaat door met te zeggen, dat deze vruchtbare moeder hare geniale zonen
altijd vervolgd heeft, en dat, ofschoon hij Florentijn is en zijne stad
lief heeft, haar verwijt, dat zij alleen leeft in "passatistische
bigotterie" en éen groot muzeum van zich maken laat, ten dienste van "al
de transalpijnsche en transatlantische apen, die uit stappen aan het
station van Santa-Maria Novella".
Hoewel ik natuurlijk mij moet rekenen onder de transalpijnsche apen, ben
ik niet al te beleedigd, gij zult later wel zien, waarom. Papini vloekt
dan tegen het Florence, dat leeft en teert van de vreemdelingen. "Van
den huurkoetsier tot den groot-hôtelier en den schoenenjongen en den
antiquiteitenkoopman toe, is de Florentijn de allernederigste dienaar en
allerlaagste uitzuiger van... al die bovenvermelde apen. Zie de straten
aan: overal hôtels, pensions, café's voor de vreemdelingen;
vreemdelingen-reisbureaux en tea-rooms, winkels van antiquiteiten van
stelers en heelers, van copieën van beeldhouwwerken en schilderkunst,
van fotografieën en ge-illustreerde briefkaarten, van nieuw-oude
goudsmeêkunst en "souvenirs" aan Florence in brons, ijzer, majolica,
hout en bord-papier. Daarbij is alles muzeum: paleis en kerk en klooster
en loggia." En Papini wil nieuw leven in Florence scheppen, wil zijn
stàd niet éen muzeum zien voor de "vreemde apen", wil niet hebben, dat,
als een winter de zaken in Florence slecht gaan, er gezegd wordt: er
zijn dit jaar ook zoo weinig vreemdelingen. Hij wil ook niet, dat, ter
wille der vreemdelingen, de oude namen der straten onder de nieuwe
blijven vermeld en dat op alle straathoeken versregelen van Dante op
marmeren platen herinnering wekken aan huis of personen of voorval, die
Dante tot deze regelen bezielde. Hij wil Florence een nieuwe,
futuristische stad, waar het jeugdige, Florentijnsche geslacht, vrij van
alle "passatisme", leve in de idealen der Toekomst, in de bewondering
van "vrije woorden"--verzen zonder rijm of rythme--van dynamische of
chemische of natuurkundige schilderijen en van eene levensbeschouwing,
die anti-filozofiesch en anti-moralistiesch is. En dan wil hij al de
Amerikaansche snobs, al de Duitsche Professors, al de arme, oude
Engelsche dames, al de Fransche haastige toeristen en de Italiaansche
Dantisten... in de Arno gooien en Florence voor de Florentijnen
behouden.
* * * * *
Er is in ieder nieuw ideaal iets waars en iets moois, al kan het ook den
beminnaars van het Oude onaangenaam aan doen en al kan het door een
vurige, jeugdige welsprekendheid zonder mededoogen worden geuit. Wij
hebben ook om en bij '80 zoo vurig en mededoogenloos gescholden tegen
een ouder, letterkundig geslacht. De futuristische, Italiaansche
beweging is echter gericht tegen passatistische kunst èn passatistiesch
leven en mogen wij het wraken, dat er in de jonge, Italiaansche ziel een
nieuwe behoefte ontwaakt, een brutaal en frisch levensideaal zich
verheft boven alle waardeering van het Oude? In dit land, in dit volk is
sedert eeuwen het Heden gedrukt gebleven door den zwaren rijkdom van het
Verleden. Hoe wij het Verleden ook lief hebben, wij moeten het Heden
zijn recht laten te ademen--en niet te verstikken--te leven--en niet te
vegeteeren. Wij moeten het jonge geslacht zich zijn eigen weg laten
zoeken, al lijkt óns die weg niet sympathiesch, een weg tusschen vele
puinhoopen door van wat wij, gevoeliger, beminden, een weg door een
schel, hel, braak landschap, zonder tinten van weemoed, zonder schaduwen
van sentiment, zonder droom en zonder verteedering. Want deze allen,
die ons lief zijn, de Italiaansche futurist kent haar niet. De blik, die
naar den verren horizon staart, ziet scherp uit en wil niet den mist van
den traan of het waas eener stemming van aandoening. Hij kent niet de
bekoring van stof en spinneweb, van patine, van wat verbleekt is en wat
getaand, van wat roest en wat is gebrokkeld, gebroken. Hij wil vergeten,
dat hij is een kind der eeuwen en wil slechts de zoon van het Oogenblik
zijn; ja, àls hij droomt, droomt hij zich de Vader der Toekomst. Hij wil
een kunst, die anders zal aandoen dan àlle, gewezene kunst; hij wil een
litteratuur, die anders zal spreken, een muziek, die anders zal klinken,
een architectuur, die anders zal rijzen; hij wil een leven, anders dan
vele geslachten geleefd hebben. Hij wil iets nièuws. Wàt hij wil, is
hemzelven niet geheel duidelijk... maar mogen wij hem dit kwalijk nemen
als hij jeugdig is, vurig en brutaal?
Papini--al ben ik maar een aap van over de Alpen, geschikt om met de
andere vleet in de Arno te worden gesmeten--heeft gelijk als hij tegen
het vreemdelingen-Florence scheldt. Want de intelligente aap--ik meen,
vreemdeling--en als ik mij bij de apen tel, mag ik toch wel bij de
intelligente gerekend worden, hoop ik--heeft evenals Papini een afkeer
van het snobisme, dat, òm Florence--en geheel Italië daarna--gezien te
hebben, enkele dagen hier vertoeft en dan meent iets in zijn
herinnering, hart en hersenen te hebben opgestoken van al het schoons,
dat het oude Florence haar waren beminnaar nog altijd schenkt, in
afwachting van de schitterende Toekomst, die haar jeugdigste genieën op
roepen. Ook hij, wil wel in de Arno gooien--zoo niet, menschlievender,
toeristen, professoren, jonge huwelijksparen en oude vrijsters--dan toch
wel heele winkels vol van afschuwelijke nadoenerij in leelijke kleur en
verknoeid marmer. Hij twijfelt alleen die intelligente aap, of het wel
goed gezien is van een stad als Florence, en wij kunnen er bij voegen
een stad als Venetië en half-Rome, iets anders te maken dan wat zij
noodlottig geworden is: iets als éen groot muzeum. Waar het Verleden
rijk is geweest en vele sporen na liet, blijft de Toekomst ge-emailleerd
met dat Verleden en waarom zoû dat niet mogen? Waarom mag Florence, ik
meen het oude Florence, dat zich strekt van Pitti, van Uffizi tot San
Marco toe... niet éen groot muzeum blijven? Is er geene ruimte genoeg,
maagdelijke ruimte om te bouwen, schilderen, muziek te maken, in een
woord te léven op futuristische wijze tusschen dat oude Florence en
Fiesole? Men zegt, dat Marinetti zoo rijk is: waarom koopt hij niet
terreinen bij Fiesole, en sticht een futuristiesch Walden?
* * * * *
Wie echter meenen mocht, dat men alleen op futuristiesch terrein zich
bewegen moet, om de eerste symptomen van een vreemdelingen-antipathie in
Italië te bespeuren, vergist zich. Er gist iets hier in den lande ook in
niet-futuristische kringen. Er is iets veranderd in de stemming, o, niet
meer dan een schakeering, een nuance, een heel fijne, nauw waarneembare
_sfumatura_, maar die toch voor wie Italië van vroeger kent, wèl is waar
te nemen. Vroeger--twintig jaren geleden--was Italië het land der nog
jonge Eenheid; het had veel door gemaakt, het bloeide niet, het was op
den rand van staatsbankroet, de eene bankinstelling na de andere sprong.
Abyssinië en de slag van Adua hadden het een knak gegeven als geene
andere Europeesche natie zich zoû laten welgevallen van een exotiesch
volk, dat "gecivilizeerd" moest worden. Maar de vreemdelingen stroomden
Italië toe--het was er vól belang om oude kunst voor Duitsche
professoren en jeugdige "Eheparen", voor Engelsche oude vrijsters en
Amerikaansche oude-wereldbezoekers. En het was er zoo goedkoop, veel
goedkooper dan in Duitschland, Engeland, Amerika: de toerist kreeg een
mooi agio-cadeautje, telkens als hij bij de een of andere bijna
springende bank zijn credietbrief prezenteerde. En de Italiaan
beschouwde de "vreemdelingen" als de niet-geïnteresseerde weldoeners van
zijn land. Zij voerden hem een zeker cosmopolitisme toe, eene nieuwe
hygiène: het hôtelwezen werd geperfectionneerd, er werden mooie
tweedeklasse-compartimenten ontworpen voor den spoorweg, en, vooral in
het bijzijn van "vreemdelingen", spoog de Italiaan niet meer op den
grond, in spoor, theater, kerk of straat. Dit is àlles nu veranderd.
Italië is een bloeiende, rijke, jeugdige groote-Mogendheid geworden,
hare stem klinkt door in het Europeesch concert, haar
imperialisme--ofschoon niet meer dat van Crispi--heeft succes gehad in
Tripoli en de Italiaan--en de futurist niet alleen--doet den vreemdeling
duidelijk merken, dat hij hem niet meer van noode heeft. Ja, hij heeft
zelfs die zekere bravoure verkregen, die... den parvenu, den jeugdigen
parvenu onder de staten kenmerkt: hij meent, dat hij niets meer van den
vreemdeling noodig heeft, noch zijn geld, dat hij hier passatistiesch
verteeren komt, noch wat ook uit der vreemdelingen landen: geene
Duitsche eruditie en geen Engelsche stoffen, geen Fransche automobielen
en geen Hollandsch linnen: hij heeft alles zelf, hij maakt alles zelf;
en verkoopt alles "den vreemdeling" minstens voor den zelfden prijs als
hij vroeger voor alle die ge-importeerde zaken vroeg. Hij is er achter
gekomen, dat hij kunstschatten bezit en bezoekt die nu zèlve, met vrouw
en kinderen, een Italiaansche Baedeker in de hand; hij steekt, de nieuwe
Italiaan, den neus in den wind, vooral tegen den vreemdeling en doet hem
duidelijk merken: als je het niet goed vindt in mijn land of duur of dit
of dat... blijf dan weg; wij hebben zulke vreemde snoeshanen nièt meer
noodig...
Of hij heelemaal reeds hierin gelijk heeft, laat ik in het midden: zeker
is het, dat hij véel meer dan twintig jaren geleden spuugt om u heen,
waar gij u ook bevindt, dat hij rookt in niet-rooken-wagons en dat hij
zijne vroegere natuurlijke hoffelijkheid tegen den "vreemdeling"
verliest. Vergeten wij echter niet, dat dèze Italiaan een nieuw geslacht
en... een nieuwe stand, die vroeger niet bestond toen er tusschen
aristocratie en volk nauwelijks middenstand bestond; vergeten wij niet,
dat de middenstand nu is toe genomen, dat iedereen thans is _impiegato_,
_professore_, _avvocato_, _maëstro_, _ingegniere_, _studente_. De
_impiegato_ is wel eens een biljetuitgever aan een stationloketje; de
_professore_ schoolmeester in een dorpje van de Abruzzen, de _avvocato_
regelt zijn processen op het trottoir van Gilli en de _ingegniere_
zouden wij bij ons een eerzaam aannemer noemen, terwijl de _maëstro_ de
piano betingelt van een cinema en de _studente_ een twaalfjarige
schooljongen is. Deze allen formeeren den nieuwen parvenu-Italiaan en
zijn het niet-sympathische maar toch wel vitale element tusschen de
uitbloeiende aristocratie en het eigenlijke volk, dat alle beminnelijke
kwaliteiten van vroeger behield: het element, dat wellicht in
futuristische tijden gelouterd uit den smeltkroes te voorschijn zal
komen.
Wie weet, dàn wijzen zij ons, de apen, wellicht voor goed de deur,
Papini aan het hoofd. Papini, de welsprekende, die echter éen ding
vergeet, of... _niet weet_: nl., dat de vreemdelingen reeds niet meer in
Florence komen, als zij vroeger kwamen in passatistiesche horden, de
vreemdelingen, die heelemaal niet meer zoo dol op Fra Angelico en
Botticelli zijn als Papini nog meent en ze voor de voeten werpt; de
vreemdelingen, bij wie Italië niet meer in de mode en niet meer _en
vogue_ is; de vreemdelingen, die vèrder gaan waar de mode _en vogue_ hen
leiden, naar winter-sportplaatsen, naar Egypte, naar Japan...
Want de vreemdelingen, die in Italië nog komen en die in Italië steeds
terug komen zullen en terug, zijn--à part de haastige toeristen, die
eigenlijk niet meê tellen--de oude aanbidders, de sentimenteele zielen,
die in het nieuwe Italië, trots den nieuwen vreemdelingenhaat, nog
altijd--heel passatistiesch--_blijven_ zoeken, de onverbeterlijken! wat
van het oude Italië overbleef.
En zij zullen wel langzamerhand uit sterven, Papini, en binnen twintig
jaar kunt ge àl de muzea sluiten, en al de hôtels en tea-rooms en
vreemdelingen-reisbureaux ook, en zal het de moeite nièt loonen den
enkelen, resteerenden vreemdeling--in de Arno te smijten!