JAN EN FLORENCE.

Lezer, ik meen, dat ik u zoo ongeveer het interessantste verteld heb van

mijn Spaansche indrukken. Zeker, ik zoû u nòg meer kunnen vertellen, ik

zoû silhouetjes van Spaansche steden als Cadiz in het Zuiden, als

Zaragoza in het Noorden voor u kunnen doen rijzen; ik zoû u nòg meer van

het Prado kunnen vertellen; ik zoû u van Goya kunnen vertellen en van

den Monserrat bij Barcelona... maar... maar... het is reeds zoo lang

geleden, dat ik daar was, het was in het voorjaar en nu, nu is het

alweêr December, en een Münchner zomer is er tusschen geweest, en ik ben

terug in Florence en het is reeds Kerstmis en Spanje, het is reeds zoo

ver, zoo ver terug geweken...! Wat leven wij snel, snel, snel! Zoo snel

zelfs, dat mijn snelle pen het leven niet bij kan houden. Ook zoû ik

veel methodischer van natuur moeten zijn dan ik ben, om u nu nog maar

altijd van Spanje te gaan door vertellen: een land, dat ik reeds meer

dan zes maanden geleden verliet zonder héel veel treurenis. Blij Spanje

te hebben gezien, voel ik geen nostalgie naar Spanje en denk ik er niet

weêr te keeren, al spijt het mij om het Prado. Ja, om het Prado spijt

mij dat. Want, weet ge, de Romeinsche en Florentijnsche muzea, het

Vaticaan en de Uffizi, die zijn van _mij_, die zijn mijn eigendom. Die

zijn misschien ook van den Staat of de Stad, van den Paus of van ù, dat

weet ik niet heel goed, maar het interessantste van de zaak is, dat ze

zijn van _mij_. Ik heb ze eenvoudig genaast, door er heel dikwijls,

sedert jaren, te komen. Gecompliceerder was mijn diefstal dan ook niet.

En nu behooren ze mij toe, met alle hunne schatten. Ik ken er ieder

hoekje van, en in ièder hoekje heb ik er schatten... En ik ben er zóo

ontzaglijk rijk in schoonheid, als zelfs Pierpont Morgan--of hij de

Gioconda bezit of nièt bezit: dit laat ik in het midden[1]--nooit worden

zal!

Maar--het Prado bezit ik niet. Het Prado bezocht ik tien of twaalf maal,

en dat is maar toeristen-arbeid, dat is heelemaal niet genoeg om een

muzeum eerste-klasse te naasten en zulk een schat bij uwe andere

schatten te voegen. Dus, het Prado zal ik nóoit bezitten. En dat

gevoel,--het gevoel van een rijkaard, die nòg meer bezitten wil--maakt

mij wel eens wrevelig en nijdig. Maar "pazienza", als ze hier zeggen. De

Hermitage in St. Petersburg bezit ik waarachtig ook niet; ja, zelfs het

Rijksmuzeum te Amsterdam, waar de gelegenheid tot naasting toch vaak

zich voor deed, is misschien voor een kwart maar zoo een beetje van

mij... Wat zal ik u zeggen, men apprecieert nóoit wat op zijn weg ligt.

Het is de oude geschiedenis van het Geluk, dat de mensch vèr zocht.

Terwijl het aan zijn voet lag. Het sprookje van het blauwe bloempje, dat

de dichter zocht aan de andere kant der oceaan, terwijl het bloeide in

zijn tuintje. Zoo was het Rijksmuzeum mijn blauwe bloem en zoo zal ik

mij moeten vergenoegen, als een ontevreden rijkaard, met mijne schatten

in Vaticaan en Uffizi. Maar toch ben ik nièt zóo nijdig of ik deel ze

gaarne met u.

Dit is allemaal maar een beetje praten en eigenlijk deed ik toch beter

u te onderhouden over Cadiz, Zaragoza of minstens over Goya. Dat ik het

nièt doe, is eigenlijk de schuld van mijn vriend Jan. Ik weet niet of ge

u hem nog herinnert. Hij duikt sporadiesch op in deze feuilletons. Als

in deze feuilletons, duikt hij ook sporadiesch op in mijn leven. Van

mijn schooltijd af, duikt Jan als een onverwachte perluuk door mijne

dagen op. Het meest, als ik heelemaal niet aan hem denk, als ik hem...

vergeten ben. Ben ik hem vergeten, heeft Jan in drie maanden geen brief

van mij gehad, dan ontmoet ik hem (letterlijk) op den hoek van een

straat, en loop hem tegen het lijf. Hij vertegenwoordigt voor mij een

Hollandsch element van nuchterheid, gezond verstand, gemengd met een

tikje zich niet toonen willend gevoel. Hij is werkelijk zéer

waardeerbaar, in het buitenland. En ik mag over hem schrijven. Hij heeft

nooit--als mijn vrouw of mijn vriend Orlando--de pretentie gehad mij te

verbieden over hem te schrijven. Ja, ik vermoed zelfs, dat, als hij zich

onverwachts vermeld ziet, in deze bladen, hij zich gevleid voelt. Hoewel

hij mij dat nóoit heeft gezegd!

Jan is dus de schuld, dat ik u nièt meer over Spanje schrijf, nu deze

reis al zóo lang achter den rug is. Want toen ik Jan de laatste maal

tegen het lijf liep--een paar weken geleden--op den hoek van Tornabuoni

en Strozzi (hij beweerde, op weg naar mij toe), toen zeide Jan tegen

mij:

--Zeg, Louistje, die feuilletons van je--het moet er heusch uit,

hoor--die worden langdradig. Beste kerel, jij bent toch óok een

Hollander, al denk je je ontworteld aan den vaderlandschen grond. Vier

feuilletons over Boabdil, vier over den Cid, vier over Velasquez!

Heusch, dat is geen màat! Je schrijft voor een courant, met

tusschenpoozen van zes dagen. Wordt toch weêr wat luchtiger en schrijf

liever eens over... nièts! Ik ten minste, eindigde Jan; kàn niet, als ik

mijn krantje lees, zoo veel slikken van Spaansche schilderijen, die ik

nooit gezien heb of zien zal. Gelukkig ben je met de Gothische

kathedralen heerlijk discreet en oppervlakkig gebleven.

Lezer, mijn vriend Jan vertrok na vijf dagen, mij in het onzekere latend

wanneer ik hem weêr tegen het lijf zal loopen en op welken hoek van

welken straat. Maar indruk lieten zijne woorden achter op mijne

gevoelige ziel, als zij, helaas, altijd veel te veel doen. Ik ben een

zwak mensch: als ik een compliment krijg, vind ik dat héel natuurlijk,

en waardeer het ter nauwer nood; als men mij blameert, als de Duitscher

zegt, rimpelt zich de effenheid mijner ziel als het water, waarover de

bries strijkt... Heeft men u gezegd, dat ik héel onverschillig was voor

wat men van mij dacht? Maar hoe is het mogelijk: ik beef om de opinie

van mijn medemensch!

Neen, over Spanje schrijf ik u niet meer. Jan heeft mij duidelijk doen

voelen, dat het genoeg was. En ik schrijf u dus over... nièts. Want dat

schijnt interessanter te zijn dan Cadiz, Zaragoza of Goya. Eigenlijk

schreef ik u liever over Goya. En zoû het ook gemakkelijker zijn over

Goya te schrijven dan... over niets. Maar het màg niet.

En dan, Jan heeft gelijk: Spanje is al weêr zoo diep terug gezonken in

het Verleden en deze feuilletons mogen niet stoffig worden maar moeten

bedauwd blijven door de frischheid der aktualiteit. Zijn wij dus weêr

samen in Florence terug, mijn lezer?

Ge zult mij zeggen, dat ge Florence--ook al waart ge er nooit--nu, aan

mijn hand, wel kent. Dat de Uffizi ù ook bijna toe behooren. Dat ge nu

alles weet van mijn paleis--sedert de markies dood is, spreek ik vrijer

van _mijn_ paleis, ook al toeft de markiezin nog beneden--van mijn

heerlijke kamers, mijn hangenden tuin met sentimentvollen

kloostermuur--van mijne gele rozen en goudvischjes, van mijn portier

Antonio in sombere livrei en met eerbiedig beleefden groet en glimlach.

Ge zult mij zeggen, dat ge nu wel weet, dat ik erg prettig word aan

gedaan als ik de breeden, granieten trap van mijn paleis op ga, na

glimlach en groet van Antonio. Ja, het zal u zelfs niet zeer

interesseeren, dat ik die deftige trap statiger op ga als ik Antonio's

blik sympathiesch mijn rug voel volgen--hij _blijft_ toch de portier van

een Florentijnsch paleis--dan als ik 's nachts om éen uur met mijn

sleutels binnen kom (_ik_ alleen, in het paleis, heb sleutels: alle de

anderen moeten om elf uur binnen zijn!!) en vlug met mijn

lucifer-kaarsje die zelfde trap op vlieg, terwijl Antonio mij uit zijn

loge en bed toe roept in de nacht:

--Heeft u de _portone_ goèd gesloten, meneertje??

Neen, dat alles, ge weet het nu wel. Maar als Spanje dan Jan niet meer

interesseert en mijn Florentijnsch paleis ù niet meer, o lezer, dan zal

ik maar,--om u toch ièts te schrijven over... niets--vertellen hoe Jan

over Florence denkt. Want dàt, vermoed ik, interesseert u beiden, vooral

Jan, die zich dol graag, _tel que_, "gedrukt" ziet, de ijdele vent!

* * * * *

Florence, orakelt Jan; die stad, die je (dit tegen mij) altijd zoo vol

lyrisme verheerlijkt... Florence is toch maar een klein, stoffig zoo

niet modderig provinciestadje, waar niet veel om gaat. Laten we nu eens

al die mooie muzea en kunstschatten, die jij genaast hebt, achterwege

laten. Wat blijft er dan over? Een stad zonder modern leven, een stad,

zoo klein, dat je eigenlijk noch auto, noch rijtuig, noch tram van noode

hebt, een stad, zonder eenig bestaansmiddel dan de weinige

vreemdelingen, die er nog komen, want je zegt zelve, dat de stroom veel

minder wordt, de laatste jaren, dat de Engelsche dames gaan dwepen,

verder-op, aan de boorden van den Nijl, waar ze over den rand van Cooks

pleizierboot te vergeefs naar lotossen spieden. Een stad waar 's morgens

niets te doen valt--we kunnen nu nièt altijd de oude meesters

bewonderen--dan bij Gilli een pasteitje te eten en een vermouth te

drinken, terwijl de Florentijnsche "jongens" kringetjes staan te spugen

op het trottoir, om nu maar niet te beweren, dat zij zich wel eens

vergeten in de winkel zelf. Een stad, waar 's middags alleen wat te

wandelen valt door de melancholieke, mistige Cascine of dito Viale dei

Colli, waar je niemand tegen komt, om dan in een _tea-room_ te stranden,

tot je tijd voor je diner daar is. Terwijl de avonden zelden esthetiesch

gevuld worden door ook maar bescheiden theatergenot, daar al die

gribussen, die _jij_--dit tegen mij--weet uit te vinden om het

Florentijnsche avondpubliek te bestudeeren, als je het noemt, _mij_ te

ignobel zijn. Een stad dus van wat? Van Nièts!! En als je eens over

nièts wil schrijven, eindigde Jan; nu goed, haal er nièt Fra Angelico en

de Medici bij; spreek liever over de horribele winkels vol

reproductie-kladderkunst en afgrijselijke Carrarische marmers, vol

smakelooze mozaïektafeltjes en goedkoope goud- en zilversmederij--zoo

geschikt om cadeautjes te koopen voor tante en nichtje en de meid--;

spreek van het gevaar, dat je loopt overreden te worden langs dien

ridiculen Lung'-Arno, door den snob, die tòch meent een auto te moeten

nemen in dit kleine nest van een stad en als je dan eindelijk eens een

goèd artikel over je geliefde onder de blanke (?) steden geschreven

hebt, laat mij je dan verzekeren, Louistje-lief, dat je beter deedt eens

naar Holland te komen, naar Amsterdam, ja naar Den Haag, ja, naar

Arnhem, om weêr eens besef te krijgen van nu niet een wereldstad maar

toch een levende stad, waar wat om gaat, waar je onze moderne schilders

ziet werken, waar je goede muziek hoort, waar je in een hedendaagsche

omgeving leeft, zonder alleen maar te behoeven te dwepen met de Medici

en Fra Angelico!

Deze peroratie, beste lezer, had plaats in Jans hôtelkamer, waar hij

Hollandsch flegmatiek--wij zijn het soms--bezig was zijn valies te

pakken met degelijk Hollandsch linnengoed.

Ik heb, helaas, niet de gave van altijd te antwoorden als geschikt zoû

zijn. Ik heb in vreeslijk hooge mate den "geest van de treden der trap".

Twee minuten te laat valt mij als met een hellen bliksemschicht het

geestige antwoord te binnen, dat ik had moeten geven, om waardig te zijn

mede te doen in de conversatie-dialoog van een Fransche vaudeville.

Helaas, het is onmogelijk dan de "treden der trap" weêr op te gaan. Dit

maal schichtte de helle bliksem mij door het brein toen ik in de lift

Jans hôtel door daalde. Onmogelijk het chasseurtje te bevelen weêr te

stijgen naar de verdieping, die ik juist verliet en... Jan met mijn

laten geest te verblinden. Ik had mij te veel moeten schamen. Ik verbeet

dus in stilte mijn ergernis om Jans depreciatie van Florence en om mijn

eigen domheid. Ik voelde mij om beiden zeer melancholiek. En liep thans

droef langs de Lung'-Arno. Ik werd bijna overreden door de automobiel

van een snob. Te meer omdat er een Londensche mist witteweefde over den

koepel van Santo Spirito, over de cypressen van Monte-Oliveto, den

achterkant van den Borgo S. Jacopo en den Ouden Brug. San Miniato was

geheel opgezogen in namiddagnevel, grauwig blank. Eigenlijk vond ik die

nevels en misten wèl mooi, maar... ze maakten mij heel melancholiesch om

Jans woorden: ik mòcht ze niet mooi vinden, want Jan (die oud wordt)

kwam hier voor de zon, die hij dacht te vinden, hoe ik hem ook

geschreven had, dat Nice àltijd warmer en zonniger blijft. Ik meende

dus, dat het beste maar zijn zoû, mijne vrouw en onze vrienden te gaan

vinden in het Grand-Hôtel, om er thee te drinken en den _tango_ te zien

dansen--mondain genot in Florence, hoe Jan ook scheldt op hare

kleinsteedschheid--toen ik mij bedacht, dat mijn vrouw zéer zeker met

dien witten namiddagmist bij haar eigen thee en houtvuur gebleven zoû

zijn. Ik sleepte mij dus weemoedig naar huis, peinzende over Jans

woorden. Ja, als je niet leefde met de Medici, als je niet dweepte met

Fra Angelico, wat deedt je dan eigenlijk in deze doode, kleine stad vol

oude kunst?? "Sale petit trou de Florence", hadden Fransche kennissen

drie dagen geleden mijn lieve stad gescholden. Neen, de vreemdelingen

beminden Florence niet meer. Zij zochten er iets ànders dan wij er

twintig jaren geleden zoeken kwamen: lieve, bleeke, mediævale emoties.

Zij zochten er auto's, Grand-Hôtels, en _tango_. Neen, zoo wàs Florence

nog niet. Er wàs nog altijd Fra Angelico in San Marco en de Madonna

della Stella was er terug(?)... en de Gioconda zelfs was er terug

gevonden!!! Gebenedijd Florence! Maar ook dit was waar, dat de stad dóod

was, een beetje stervende, al deed ze modern en juist dat dóod-gaan òm

dat modern-doen, was iets navrants: dan was Brugge misschien oprechter

dood... Want het nieuwe, moderne leven van Florence... was dat wel

eigenlijk goèd en vitaal...?

Zoo ver was ik gekomen met mijne door blankgrauwen mist omsponnen

bespiegelingen. Ik naderde reeds _mijn_ paleis... Toen ik op eens

getroffen werd door een aanplakbiljet. Het biljet vertelde mij, dat er

in de Via Cavour een tentoonstelling geopend werd van de Italiaansche

futuristen, schilders der Toekomst. Dat aanplakbiljet in de doode,

mistige Florentijnsche straat, wekte mijne belangstelling... Nieuw

leven? Werkelijk? Nieuw leven waakte op onder jeugdige Florentijnen? Jan

had ongelijk...?

Ik zocht, koortsig, de Florentijnsche Nuove Giornale. Ik zocht meerdere

bizonderheden omtrent de Futuristische tentoonstelling: ik las de namen

van Severini, Boccioni, Carrà... En tevens las ik, dat, in het Teatro

Verdi--waar wij zoo gaarne boven, op den engelenbak, den Trovatore gaan

hooren--een lezing zoû gehouden worden, eene uiteenzetting van principes

door de Futuristische groep der poëten, Marinetti aan het hoofd...

* * * * *

Het duizelde mij een beetje. Ik had naar Jan willen toe vliegen om hem

te zeggen, dat hij nog een paar dagen blijven moest, om de nieuwe

schilders te zien, de nieuwe dichters te hooren... Maar te gelijker tijd

wist ik nièt of ik blijde was Jan te kunnen zeggen, dat Florence niet

dood was, dat er jong leven trilde in Florence... of dat ik heel treurig

was, misschien wel omdat het zoo mistte en heelemaal geen uur en licht

was om naar San Marco te gaan om nog eens voor de honderdste maal Fra

Angelico te bewonderen.

Zoodat ik maar droefgeestig naar huis ging, waar mijne vrouw mij

troostte voor mijne vage melancholie met warme thee en warm houtvuur...

* * * * *

En ik zag, zonder Jan, de schilders en ik woonde, zonder Jan, de lezing

bij in het van opgewondenheid trillende Teatro Verdi en als ge het mij

vergunt, zal ik er u spoedig van vertellen...

[1] Juist toen ik dit schreef, schreeuwden de _strilloni_ of

courantenventers, dat zij in Florence gevonden was!!

Jan en Florence · 第 7 / 20 题