Men heeft den leeuw altijd beschouwd als den koning der dieren, doch
ten onrechte; hij is slechts de tyran der dierenwereld. Hij is de
moedigste aller katten, maar niet de grootmoedigste aller dieren. Green
trots of edelmoedigheid, die men voorheen den leeuw toeschreef,
geven hem eene waardigheid en majesteit boven andere dieren; zij zijn
slechts de uitdrukking van het bewustzijn, dat hij krachtig is, zich
zelven vertrouwt, en gewoon is te zegepralen. Weinig schepselen kunnen
hem dan ook tegenstand bieden, en des nachts als hij op roof uit is,
verspreidt reeds zijn gebrul dat door de bosschen weergalmt, angst en
schrik onder het geheele dierenrijk. Als hij aan zijn maaltijd is,
zal geen enkel schepsel zich vermeten hem te storen; allen wachten
geduldig totdat hij verzadigd is, en vergenoegen zich dan met hetgeen
er overbleef. Zoo regeert hij over het talrijke viervoetige gedierte
dat met hem dezelfde streken bewoont; slechts weinigen die zijn gezag
niet erkennen.
Enkele dieren intusschen vreezen hem niet; het zijn de olifant, het
neushoorndier en de buffel, met wie hij trouwens weinig in aanraking
komt. Toch gebeurt het somtijds dat leeuwen olifanten aanvallen.--Een
reiziger die op de antelopen-jacht was, kwam op eene plaats waar
ongeveer een dozijn olifanten rustig aan hun maaltijd waren. Een van
de olifanten die zich een weinig van de anderen verwijderd had, werd
eensklaps door een leeuw en eene leeuwin aangevallen. De leeuw klom
van achteren bij den olifant op, en de leeuwin sloeg hare klauwen in
zijn keel. Zoodra de olifant de klauwen van zijne bespringers voelde,
begon hij hard te schreeuwen, draafde naar eene dichtbijzijnde rivier,
en sloeg met zijn slurf met zooveel kracht langs rug en zijden,
dat de leeuwen genoodzaakt werden los te laten en den aanval op te
geven. Dezelfde reiziger verhaalt ook van een leeuw die een buffel
aanviel. De leeuw sprong achter op het lichaam van den buffel,
klauterde op zijn rug, en sloeg de klauwen in zijn nek; de buffel
viel en werd spoedig afgemaakt.
Harris verhaalt nog het volgende: "Wij waren eens op de jacht, en
zagen een leeuw in het kreupelbosch liggen. Toen wij er heen reden,
schoot de leeuw eensklaps onder een hevig gebrul uit het boschje,
en rende met de snelheid van een hazewindhond over de vlakte. De
schoonheid van zijne dikke, zwarte manen bracht ons in verzoeking
hem te vervolgen, en zoodra de leeuw zag dat hij achtervolgd werd,
bleef hij in een klein boschje staan, en wachtte in eene edele en
ontzagwekkende houding zijne vervolgers af. Maar hij rook stellig
dat wij kruit bij ons hadden, want hij verliet het boschje en ging op
den top van een heuvel liggen. Zooals hij daar lag, had hij veel van
de steenen leeuwen die men wel aan den ingang van tuinen ziet; hij
keek ons aan en nam eene uitdagende houding aan. Toen de kogels hoe
langer hoe dichter bij hem neervielen, kreeg de toorn de overhand op
de voorzichtigheid; zijne oogen flikkerden; hij begon hoe langer hoe
harder te brullen en sloeg met den staart. Eindelijk trof een kogel
zijn poot. Hij sprong nu naar beneden, de staart rechtuit en de manen
overeind, met oogen die vuur schenen te schieten. Maar hij kon onze
paarden niet inhalen, en keerde hinkend naar den heuvel terug. Wij
hielden niet op met schieten; woedend verliet hij den heuvel en ijlde
over de vlakte; het bloed stroomde uit zijn bek, en kleurde zijne
manen. Een goed gemikte kogel stuitte hem eindelijk in zijn vaart,
hij viel voorover op zijn kop, maakte eene buiteling en was dood."
De leeuw is een verscheurend dier, hij voedt zich met het vleesch van
levende dieren en van lijken. Somtijds valt hij menschen aan, en men
zegt dat, als een leeuw eens menschenvleesch geproefd heeft, hij het
boven al het andere verkiest, alle pogingen in het werk stelt om het
te verkrijgen en daarvoor dagen lang op den loer blijft liggen. Om
deze reden beschouwt men dezen "menscheneter," zooals men hem noemt,
altijd als veel gevaarlijker dan andere roofdieren, en somtijds trekt
de geheele mannelijke bevolking van een afrikaansch dorp er op uit
om hem te vervolgen. Zijn dood verwekt de grootste vreugde, en de
overwinnaars houden de huid van het verslagene dier zegevierend in
de hoogte, opdat een ieder het zal zien.
De aanvallen van zulk een menschenetende leeuw zijn altijd
onverhoeds. Des nachts sluipt hij om de legerplaats heen, en zoekt
een van de personen die om het vuur zitten tot zijn prooi uit; hij
sluipt stil naderbij, neemt een sprong, en grijpt het slachtoffer
met zijne klauwen. Dat alles heeft zoo onverwacht plaats, dat het
gezelschap nauwelijks den tijd heeft om te zien wat er gebeurd is,
en geen hulp meer kan bieden.
De leeuw onderscheidt zich van alle andere dieren van het
kattengeslacht door een haarbos aan den staart, en door lange manen die
zijn hals bedekken. Zijn kleur is meestal bruingeel. Afrika, bovenal
Senegal, Barbarije, de Kaap de Goede Hoop enz. is het vaderland van
dit dier. In Azië is hij minder verbreid; hij leeft dáár in Bengalen,
Perzië, in het stroomgebied van den Indus enz.
De leeuw woont niet in hoogstammige bosschen, maar in kreupelhout en
rietbosschen. Op eene beschutte plaats graaft hij een ondiepen kuil, en
brengt daarin den dag slapende door, om 's avonds op roof uit te gaan.
De leeuw en de leeuwin leven in de grootste eendracht met elkander, en
verdedigen met onbegrensden moed hunne jongen. De leeuw wordt zeer oud;
te Parijs hebben dikwijls leeuwen 40 jaren lang geleefd, en te Londen
stierf in 1760 de beroemde leeuw Pompejus in den ouderdom van 70 jaren.
De leeuwin is veel kleiner dan de leeuw, en mist de prachtige manen,
die zulk een groot sieraad van den laatste zijn. Zij is driftiger
en wreeder dan de leeuw, vooral als zij jongen heeft. Veelal zijn er
van twee tot vier jongen in een leger. Het zijn zeer aardige dieren,
die flauw gestreept zijn; later verdwijnen echter die strepen. Eerst
in het derde jaar krijgen de jongen manen.
In stormachtige nachten, als de regen in stroomen nedervalt
en de boomen voor de kracht van den wind moeten zwichten, als de
ondoordringbare duisternis nu en dan door bliksemstralen wordt verlicht
en de echo de donderslagen herhaalt, is de leeuw het stoutmoedigst,
en laat hij bij voorkeur zijn gebrul hooren. Zelfs in die duisternis
ziet zijn scherp oog eenige schuwe antelopen, die, een schuilplaats
voor den storm zoekend, bevend bij elkander zijn gekropen. Met één
slag van zijn poot velt hij er een. Dan draagt hij zijn prooi naar de
rivier, houdt een oogenblik stil om tegen het weerlicht te brullen,
en de koning der dieren begint zijn avondmaaltijd.