Er zijn geen vogels die met minder geruisch vliegen dan de
nachtuil. Als een geest zweeft hij over het landschap, en ongemerkt
nadert hij zijne slachtoffers, die in een oogenblik van den grond
geheven en in triomf weggedragen worden. De uil behoort bijna in
alle werelddeelen te huis. Ver in de noordpoolstreken, op plaatsen
waar nooit een beschaafd mensch den voet heeft gezet, leeft de groote
sneeuwuil, die bijna even wit is als de sneeuw. Zelfs aan den snavel
en de klauwen heeft deze uil vederen, zoodat hij de strengste koude
kan doorstaan, en in de schemering van den noordschen winter is zijn
oog even helder en scherp als dat van den arend in de stralen der
zon. Zonder vrees en vol zelfvertrouwen op zijne krachten, vliegt hij
over de blanke velden, of volgt de beren op hunne rooftochten op den
walrus en den zeehond, om den maaltijd met hen te deelen.
Er zijn ook uilen die in holen onder den grond wonen en toch het
daglicht niet schuwen. In deze vreemde, onderaardsche gebouwen leeft
de uil in gezelschap van den prairie-hond en de ratelslang. Maar het
valt te betwijfelen of de laatste wel altijd een welkome gast is, want
zij zal somtijds wel eens een van hare medebewoners verscheuren. Deze
kleine holen-uilen zitten altijd aan den ingang van hunne woningen,
om, zoodra zij een alarmkreet hooren, met verbazende snelheid te
verdwijnen.
Zulke koloniën van drie soorten van dieren, die zoo weinig bij elkander
passen, vindt men dikwijls in de prairieën van het westen van Amerika.
In de zuidelijke landen wordt de stilte van den nacht dikwijls door
het gekras van den kerkuil verbroken. De kerkuil vreest de nabijheid
van den mensch niet; hij wordt niet zelden op de zolders van oude
gebouwen midden in groote steden gevonden, waar hij den dag slapende
doorbrengt. Hij is de meest gewone soort van uil in ons land, en
ten gevolge daarvan zekerlijk zoo bekend, dat er hier geen uitvoerige
beschrijving van zijn zacht, geelachtig, met grijs gevlekt en gestreept
gevederte, of van zijne gedaante behoeft gegeven te worden. De kerkuil
schuwt zeer koude luchtstreken, en wordt daarom in Zweden even zelden
aangetroffen als in Schotland, doch komt des te meer voor in Ierland,
Engeland, Nederland, Duitschland en in de overige gedeelten van het
zuidelijk Europa, zelfs tot ver in Azië. Ook aan de Kaap de Goede
Hoop en in Noord-Amerika is hij niet minder gemeen dan in Europa.
De zomernachten brengt de kerkuil onophoudelijk jagende door, en vangt
dan kleine knaagdieren, mollen, vogels en vooral spitsmuizen. Hij
verzamelt zelfs tegen den winter een voorraad van de laatstgenoemde
diertjes. In vraatzucht doet hij voor grootere roofvogels niet onder;
men vindt soms 15 doode muizen en jonge ratten in den omtrek van
zijn nest. Waarom hij echter geen jonge duiven vermoordt, daar
hij zelfs zangvogels die in kooien aan de huizen hangen aantast,
is niet gemakkelijk te verklaren. Hoe dit ook zij, hij verdient
toch de onredelijke vervolging niet, die de boeren hem aandoen, want
hij behoort tot die hoogst nuttige vogels, zonder welke de door den
mensch zoo moeielijk te verdelgen en toch zoo verderfelijke veldmuizen
ontzaglijk zouden toenemen.
Een eigenlijk nest bouwt de kerkuil niet; hij vergenoegt zich met
een hoek of een vlakken kuil in puinhoopen of in oude muren. De drie
tot vijf langwerpige witte, eieren worden omstreeks drie weken lang
bebroed; de jongen worden door de ouden zorgvuldig gevoederd. In de
eerste jeugd gevangen, kunnen zij tot zekere mate tam gemaakt worden,
ten minste aan de nabijheid van den mensch gewennen; vriendelijk en
vertrouwelijk worden zij echter nooit, en een dikwijls uitgestooten
kreet verkondigt hoe moeielijk het hun valt de gevangenschap te
verdragen. Als de uil geplaagd wordt, spert hij zijn bek wijd open
en blaast als een kat, en als hij aangevallen wordt werpt hij zich
op den rug en verdedigt zich dapper met de klauwen en den bek, waarom
hij ook wel katuil wordt genoemd.
Als de zon ondergaat opent de uil zijne groote oogen en komt uit den
hollen boomstam, waarin hij over dag geslapen heeft, te voorschijn. Hij
klapt eenige keeren met de kaken, als om te beproeven of zij goed in
orde zijn, schudt zijne vederen en verlaat zijn verblijf. Hij maakt
nu allerlei wonderlijke bewegingen, rekt zijn hals uit en kijkt,
alsof hij bijziende is en een bril noodig heeft om goed te kunnen
zien; nu en dan draait hij den kop ver naar achteren, op gevaar van
zijn nek te verdraaien, en verschuilt zich vervolgens weer in den
boom, dien hij juist verlaten heeft. Als de nacht en daarmede de
duisternis invalt, wordt hij levendiger. De stilte der bosschen is
hem stellig onaangenaam, want hij uit eenige diepe keeltoonen, die
een geluid geven alsof hij geworgd wordt, en ziet dan om zich heen,
naar allen schijn zeer voldaan over zijn muzikaal talent.
De maan is opgekomen en beschijnt de bladeren en de dikke boomstammen
met haar zilveren licht; duizende sterren flonkeren aan den hemel en
schitteren als diamanten. De geheele natuur is in rust, en geen enkel
geluid stoort de stilte die er heerscht, behalve het geritsel der
bladeren, die door een zacht windje heen en weer bewogen worden. Nu
vliegt de uil weg, hij klappert met zijne vleugels en zweeft zachtjes
voort. Met zijne wonderlijk saamgestelde oogen, die geen daglicht
kunnen verdragen, ziet hij als door een teleskoop in de duisternis van
het bosch. Hij vermijdt zorgvuldig de ontelbare takken, die hij in de
vlucht ontmoet, en ziet meteen naar een prooi uit. Dáár ontdekt hij een
kleine wezel, die eveneens een strooptocht onderneemt naar een plaats
waar eenige vogels zitten; bliksemsnel schiet de uil naar beneden,
en het vlugge, viervoetige diertje is gevangen in de scherpe klauwen
van zijn gevleugelden vijand. De uil vliegt nu naar een bouwvalligen
toren, waar hij reeds dikwijls zijn maaltijd genuttigd heeft, en
waar de vleermuizen, die er om heen fladderen, reeds op zijne komst
schijnen te wachten. Maar eensklaps verminderen zijne vleugelslagen,
hij slaakt een enkelen rauwen kreet, en in plaats van naar boven te
vliegen, valt hij naar beneden.
De oorzaak van dit vreemde verschijnsel is op de volgende wijze te
verklaren. De uil had de wezel bij den rug gegrepen, en de slanke
wezel, die haar leven niet zonder strijd wilde verkoopen, greep den
vogel bij de keel en zette er hare scherpe tanden in. De roover was
gevangen, en zoodra de wezel den grond bereikte, sprong zij weg
en verdween, terwijl het levenlooze lichaam van den vogel bleef
liggen. Hieruit blijkt, dat de list van een oogenschijnlijk zwak
schepsel dikwijls meer kwaad doet dan de kracht van den sterke.