OP 'T KANTJE AF.

Er zijn weinig vogels die tot zoo veel bijgeloof en vrees aanleiding

hebben gegeven als de uil, en die tevens zoo geheel zonder reden

verafschuwd worden. In vroegere tijden beschouwde men het krijschen

van dezen nachtvogel als een teeken van onheil, vooral als men het

in de nabijheid van eene woning hoorde; en toch is er zekerlijk geen

schepsel dat minder kwaad doet. Gelukkig verdwijnt het bijgeloof reeds

bij velen, en wordt de uil met recht gewaardeerd als een weldoende

vernieler van vele insekten en krengen.

Er zijn vele soorten van uilen, waaronder de groote ooruil, en de

kleine uil die nauwelijks grooter is dan een musch. Sommige uilen

gaan op roof uit als de zon hoog aan den hemel staat, hetgeen geheel

in tegenstelling is met de gewone gebruiken van de andere soorten,

zoodat er dus twee soorten van uilen zijn: dag- en nachtuilen. In de

noordpoolstreken is de uil even wit als het ijs en de sneeuw die de

geheele oppervlakte van het land bedekt, zoodat hij zich gemakkelijk

voor zijne vijanden kan verbergen, en ongemerkt een dier kan naderen,

dat hij voor zijn prooi heeft uitgezocht. De natuur plaatst altijd

hare schepselen in zulke omstandigheden als het beste met hun gestel

en uiterlijk overeenkomen, en verzuimt nooit iets wat tot hun gemak,

geluk en bescherming bij kan dragen.

De groote uilen van meer zuidelijke landen hebben gespikkelde vederen,

en sommige hebben groote kuiven boven de ooren, die den vogel een zeer

grappig aanzien geven, als hij die vederbosjes in de hoogte steekt. De

uil vertoeft bij dag gaarne in het dichte geboomte, op sparren en

andere boomen, en ook wel in een hollen boom, waarin hij zich schuil

houdt zoolang de zon schijnt, of in stomme verbazing zit te kijken naar

alles wat dicht bij zijne schuilplaats komt. Menig dartel eekhoorntje

dat over de takken huppelt of over een boomstam springt, houdt een

oogenblik stil, en ziet naar den bezadigden en ernstigen vogel. Niet

tevreden over de koele ontvangst van den uil, geeft het eekhoorntje

zijn ongenoegen te kennen door telkens met zijn dikken staart heen en

weer te slaan, en scheldt den uil uit door een geluid te maken als de

ratel van een nachtwacht. Kort daarop huppelt hij maar weer verder,

om een meer gastvrijen vriend op te zoeken, want hij ziet toch wel

dat hij, volstrekt geen indruk op zijn droomerigen buurman maakt.

De groote ooruil van Amerika valt des nachts de kalkoenen

aan. Die aanval wordt door deze vogels echter op de volgende wijze

verijdeld. Ofschoon de uil altijd zachtjes nadert, wordt de kalkoen

toch zelden onverhoeds aangevallen, want zoodra hij den nachtvogel

bespeurt, uit hij een waarschuwenden kreet voor zijne metgezellen,

en de kalkoen die door den uil aangevallen wordt, buigt zijn kop

en spreidt zijn staart over zijn rug uit. Zoo kan de uil dus niets

anders machtig worden als een of twee staartpennen, en zoodra de uil

weg gevlogen is, zoeken de kalkoenen eene andere plaats op om den

slaap te vervolgen.

Over 't algemeen verwijderen de uilen zich nooit ver van die plaatsen

waar zij geboren zijn, omdat zij daar altijd overvloed van voedsel

hebben. Van de koude hebben zij niets te lijden, want hunne dikke

vederen zijn eene genoegzame bescherming tegen de stormen en rukwinden

van het ruwe jaargetijde. Ofschoon zij over dag zeer rustig en traag

zijn, beginnen zij, zoodra de nacht invalt, zich ijverig op hunne

nachtelijke tochten voor te bereiden. Door de donsachtige vederen

van hunne vleugels kunnen zij zonder gedruisch vliegen, en zijn zij

voorbij gevlogen eer men bespeurt dat zij komen.

De oogen van den uil die over dag half blind in 't rond staren,

zijn des nachts helder en flikkerend, zoodat hij elk voorwerp in de

duisternis kan onderscheiden. Niets ontgaat zijn blik wanneer hij door

de bladerrijke wouden zwerft, en bij tusschenpoozen zijn onwelluidend

gekrijsch laat hooren, dat vele menschen een hevigen schrik aanjaagt,

en waardoor dikwijls de geheele bevolking van een dorp uit den slaap

gewekt wordt, want zijn gekrijsch klinkt als de gesmoorde kreet van

een mensch die stikt of geworgd wordt. Tusschenbeide verlaat hij het

geboomte, en zweeft over de opene vlakten. Met den vos vecht hij om

zijn prooi, maar als de vos hem meester kan worden, is er ook voor

hem geen genade. Door alle vogels, van de kleinsten tot de groote

roofvogels, wordt de uil gehaat en verafschuwd. Niet tevreden met

kikvorschen en torren, rooft hij konijnen, korhoenders, eekhoorntjes,

fazanten, eenden en, zooals wij reeds gezegd hebben, kalkoenen. De

vederen, haren en beenderen worden mede doorgeslikt, en verteren niet,

maar voor vischgraten is hij bang en vermijdt die zorgvuldig. Hij houdt

er zeer veel van om het gedoode dier uit het vel te halen, en in de

gevangenschap weigert hij gesnedene stukken vleesch, want dan beneemt

men hem de gelegenheid om het zelf aan stukken te scheuren. De ooruil

vliegt niet zeer snel, maar gelijkmatig en zacht. Als hij gewond

wordt, is hij woedend; hij zoekt zijn vijand op, en vecht met een

volharding en moed, waarin hij zelfs den arend overtreft. Hierdoor

hebben de inboorlingen van Noord-Amerika een bijgeloovige vrees voor

dezen vogel, en de priesters dragen altijd een opgezetten uil met

glazen oogen bij zich, als een zinnebeeld van hun macht en beroep.

In het begin van April broedt de uil 2--3 kegelronde, witte eieren uit,

die even groot zijn als kippeneieren en eene ruwe schaal hebben. Het

wijfje is altijd een weinig kleiner en slanker, en heeft een dikkeren

kop en langere vederbosjes dan het mannetje.

De kleur van den ooruil is op den rug gewoonlijk grijs, met zeer

fijne zwarte en witte stippen, de vleugels zijn geelachtig wit met

zwart, zijn borst is wit met roestgele vlekken en grijsgele golvende

dwarsstrepen, om de oogen heeft hij zwarte ringen, de snavel en de

klauwen zijn zwart, de pooten dicht met gele vederen bedekt, en zijn

staart is aan de onderzijde wit met zwart gestreept.

Eenige konijnen spelen op de glinsterende sneeuw die door hunne

sprongen in de lucht stuift. Geen enkele vijand bedreigt hen, en

vrijpostig komen zij uit hunne holen kijken. Maar zachtjes zweeft de

groote nachtuil over de witte velden om zijn avondmaal te zoeken. Hij

bukt en buigt zich om te onderzoeken of er iets is wat hij kan meester

worden. Over de bevroren planten ligt een laag sneeuw; de uil komt,

en staart naar de speelplaats van de kleine viervoetige dieren, die

onbekend zijn met het gevaar dat hen dreigt. Eensklaps valt de uil op

hen aan, en de verschrikte konijnen vluchten naar hunne holen; maar

hoe hard zij ook loopen, hun vervolger vliegt nog harder, en grijpt

een van de konijnen met zijn klauwen in het vel. Doch het konijn biedt

tegenstand zooveel het kan, het loopt naar zijn hol: gelukkig ligt

er een boomtak voor de opening, en terwijl zijn verschrikte metgezel

over zijn lichaam heen springt, om het gewenschte toevluchtsoord te

bereiken, trekt het ontstelde kleine dier den poot van den vogel tegen

den tak, ontworstelt zich uit de scherpe klauwen, en verdwijnt in de

opening van het hol. En een loerende vos die, voordat de vogel zich

vertoonde, geduldig gewacht had op de gelegenheid om een sprong te

doen naar de konijnen, kijkt verwonderd op als hij de doordringende

kreet van dit diertje hoort, en is getuige van eene ontsnapping die

nog juist op het kantje af is.

Schetsen uit de Dierenwereld · 第 9 / 24 题