In een van de meren van de schotsche Hooglanden staat eene eenzame
rots, het toevluchtsoord van de vogels die wij op de plaat zien
afgebeeld. Een van deze vogels keert juist naar zijn nest terug,
en houdt het voedsel voor zijne hongerige jongen tusschen zijne
klauwen. Reeds jaren lang wordt die ongenaakbare klip door deze vogels
bewoond; zij broeden en verzorgen er hunne jongen, en de oppervlakte
van den top der rots is bijna geheel bedekt door het nest, dat met
elk jaar grooter wordt. Nog nooit heeft een menschelijke voet die rots
betreden, en nog nooit heeft een hartstochtelijke eieren-verzamelaar
naar de gespikkelde eieren gezocht, die er op dat eiland liggen.
Het is een prachtig gezicht als een visch-arend zijn prooi
vervolgt. Met welk een bevalligheid en gemakkelijkheid zweeft hij
met zijne breede vlerken door de lucht! Als hij weet dat alles in
zijn nest in orde is, vliegt hij naar den oever van het meer, want
dáár is het water minder diep, en kan hij dus beter de visschen zien,
waar op hij aast. Als hij dáár is, vliegt bij langzaam heen en weder,
en ziet aandachtig naar hetgeen er beneden hem voorvalt; eensklaps
houdt hij een oogenblik stil, schiet als een pijl uit den boog in het
water, en verdwijnt in de bruischende golven. Spoedig komt hij weer te
voorschijn, en nu heeft hij een grooten visch tusschen zijne klauwen;
hij schudt de glinsterende waterdroppels uit zijne vederen, even als
een hond die in 't water geweest is, vliegt naar zijn nest terug, en
verkondigt zijn geluk door het uiten van schrille kreten. De jongen
hooren het welkome geluid, en geven door aanhoudend gepiep hunne
dankbaarheid te kennen; zij komen boven het nest uitkijken, en met
uitgerekte halzen en uitgespreide vleugelen wachten zij ongeduldig op
hun verzorger. Vóór dat de vogel in het nest gaat, vliegt hij er in
een halven cirkel om heen, dan strijkt hij neer met den visch, die
spoedig door de scherpe bekken van de hongerige jongen aan stukken
wordt gescheurd.
Ofschoon de visch-arend zeer veel kracht in zijne klauwen heeft, en er
zware wonden mee kan toebrengen, is hij toch een van de vreedzaamste
en onschadelijkste dieren. Hij leeft bijna in elk werelddeel; men
vindt hem vooral langs de kusten van Noord-Amerika, en nu en dan op
een van de binnenlandsche meren. Groenland wordt ook somtijds door den
visch-arend bezocht, en in den herfst van het jaar 1872 ving de heer
Edward Whymper op zijne tochten in dat bijna onbekende land, een zeer
schoon exemplaar van een visch-arend; maar het gebeurt toch zelden
dat deze vogel zoo ver naar het noorden trekt, want het exemplaar van
den heer Whymper is tot heden het eenige 't welk in dat gedeelte der
aarde gedrongen is. Zoodra de winter begint, bezoekt de visch-arend
ook dikwijls de Antillen. Men vindt hem ook in Groot-Brittanje,
ofschoon tegenwoordig niet zoo veel als vroeger. Hij is ook zeer
algemeen in Australië, op de eilanden van den Indischen Archipel,
en in Indië. Ongeveer vijf of zes soorten van deze vogels zijn bij
de natuurkundigen bekend.
Ofschoon de rivieren en meren bij de komst van den visch-arend
dikwijls bevroren zijn, en hij daardoor genoodzaakt is langen tijd
te vasten, zal hij toch nooit kleinere vogels of zoogdieren tot zijn
prooi maken, hetgeen hij door zijn snelle vlucht en sterke klauwen
gemakkelijk zou kunnen doen. Voor de amerikaansche visschers is hij
een welkome verschijning, want hij is altijd de voorbode van eene
groote hoeveelheid haringen en makrelen, die in dichte massa's aan den
oever komen zwemmen. De visschers laten den visch-arend dan ook altijd
ongemoeid, want zijne verschijning voorspelt hun een overvloedig en
voordeelig jaar, en zij moeten dan ook niet zien dat een jager het
waagt in hunne tegenwoordigheid op een visch-arend te schieten, want
dan zou hij er niet goed afkomen. De zwemvogels hebben niets van den
visch-arend te vreezen, want hij valt hen nooit aan; in Amerika ziet
men zelfs insekten-etende vogels een plaats op zijn nest innemen, en
er hun eigen nesten op maken, evenals vasallen die rondom de burcht
van hun machtigen heer en meester hutten bouwen.
De visch-arend is over 't algemeen van boven donker-bruin gekleurd,
van onderen wit, en de kop wit met bruine vlekken; de vederen aan
den nek en hals zijn lichtgeel met bruine strepen; van de oogen
tot den opperarm loopt een breede, donkerbruine streep, aan de
borst heeft hij enkele pijlvormige vlekken, en de washuid en pooten
zijn lichtblauw. De jongen zijn van boven bruin-grijs, van onderen
zuiver wit; de volwassene wijfjes zijn moeielijk van de mannetjes
te onderscheiden. Onder de teenen heeft de visch-arend zeer scherpe
knobbeltjes, waardoor hij met gemak de gladde visschen kan grijpen
en vasthouden.
In Amerika heeft de visch-arend een gevreesden vijand in den zee-arend,
die hem dikwijls zijn prooi ontsteelt. De wijze waarop hij dit doet,
is aardig om te zien. Als de visch-arend naar een visch zoekt,
gaat de zee-arend in een boom zitten, volgt den visch-arend met
gretige blikken, en verliest zijn slachtoffer geen oogenblik uit het
oog. Zoodra de visch-arend uit het water komt en zijn zegekreet laat
hooren, buigt de zee-arend zijn lichaam, en zit op de takken heen en
weer te wiegelen. Als nu de visch-arend zekere hoogte bereikt heeft,
vliegt de zee-arend met een schrillen kreet op, om hem te vervolgen. De
ongelukkige visch-arend weet maar al te wel van waar die kreet komt,
en plotseling begint hij in wijde cirkels te vliegen; de zee-arend doet
het zelfde, en nu trachten zij beiden boven elkander te blijven. Hoe
bevallig en gemakkelijk zijn hunne bewegingen als zij zoo in kringen
naar boven vliegen! Maar nu begint de visch-arend het gewicht van den
visch te voelen, en nu kan hij niet meer zoo vlug als zijne krachtige
tegenpartij vliegen. Zoodra de zee-arend het overwicht verkrijgt,
en boven den visch-arend is gekomen, houdt hij een oogenblik stil,
en valt op den visch-arend neer, die, nu hij zich moet verdedigen,
den visch laat vallen, waarvoor hij zooveel moeite gedaan heeft. Nu
vliegt de vrijpostige roover bliksemsnel naar beneden, vangt den
visch voor dat deze in het water valt, en onder zegekreten draagt
de zee-arend zijn gestolen buit naar den dichtst bijzijnden boom, om
den visch op zijn gemak op te peuzelen; en de ongelukkige visch-arend
vliegt weer verder om een anderen visch te zoeken. Op het rustige meer,
dat op onze plaat afgebeeld is, ziet men geen gevleugelde roovers die
heerschappij voeren over de vreedzame visch-arenden. Jaar in, jaar
uit, leven zij veilig op de rots, zoo veilig als in de middeneeuwen
een ridder op zijn rooversburcht.