HET GEVECHT.

In de bosschen van Azië leven ontelbare verscheidenheden van

zoogdieren, vogels en insekten, terwijl de moerassen en rivieren

bewoond worden door allerlei kruipend gedierte, dat, in het water

verborgen of bedekt door de overhangende bladeren der boomen, geduldig

aan den oever op den loer ligt naar een schepsel, dat zijn dorst aan

den verkoelenden stroom komt lesschen.

Van alle verscheurende dieren is zonder tegenspraak de gestreepte

tijger, een bloedverwant van den jagoear van Zuid-Amerika, het

gevaarlijkst en meest te vreezen. Evenals deze laatste heeft hij een

prachtige huid, maar zijn karakter stemt met dat schoone uiterlijk

niet overeen, want hij is listig, wreed, verraderlijk en roofgierig,

en als hij door honger geplaagd wordt of op wraak bedacht is, bestaat

er zeker geen dier dat meer te duchten is. En toch is de olifant

niet bang voor hem, want in een gevecht zal de tijger bijna altijd

het onderspit delven; als de olifant hem niet terstond met zijne

groote slagtanden doorboort, neemt hij den tijger met zijn slurf op

om hem onder zijne pooten te vertrappen, en dan helpen de scherpe

tanden en klauwen den tijger niets, want zij glijden af op de taaie,

dikke huid van zijn grooten tegenstander.

Er zijn vele voorbeelden van het tam maken van tijgers en van

hun onderworpenheid aan hunne verzorgers; maar ofschoon zij aan de

gevangenschap gewend raken, en zich laten liefkozen, verraadt hun wilde

natuur zich toch op het een of ander oogenblik, en met de snelheid

van den bliksem valt de tijger den persoon aan, wiens liefkozingen hij

nog eenige oogenblikken te voren, onder luid gespin, heeft toegestaan.

Een heer in Indië had een tijger groot gebracht, die eenige weken oud

was toen hij hem kreeg. De tijger volgde hem als een hond, speelde

met hem, en verraadde nooit een trek van de wreedheid die den tijger

eigen is. Eens op een dag zat de heer onder zijn veranda te lezen,

en, zooals gewoonlijk, lag de tijger naast zijn stoel. Eensklaps

werd hij in zijne lectuur gestoord; hij voelde dat de tijger zijn

hand likte, die over de leuning van den stoel hing, en daarbij luid

spinde. Naar beneden ziende, bespeurde hij dat zijn hand bebloed

was, waardoor de wreedheid van het dier opgewekt werd. Zonder van

houding te veranderen, riep hij een bediende om een geweer te halen,

dat gelukkig geladen en dicht bij was, en beval hem het dier op de

plaats dood te schieten. Dit geschiedde, en zoo ontsnapte die heer

aan een groot gevaar, want de flikkerende oogen van den tijger en

het slaan met zijn staart toonden duidelijk aan, dat de natuurlijke

hartstochten bij het dier boven waren gekomen.

De tijger is bijna over geheel Azië verspreid. Men vindt

slechts enkelen in Turksch Georgia, maar zij zijn talrijk in het

Elboerz-gebergte ten zuiden van de Kaspische zee. In Bokhara, aan den

oever van den Irtisj, en ook in de Altai-streken en aan den Amoer zijn

zij niet ongemeen; ook in China en natuurlijk in Indië ten zuiden van

het Himalaya-gebergte vindt men hen; maar niet op Ceylon, ofschoon

hij een inwoner is van het maleische schiereiland en van sommige

groote eilanden van den Archipel. De tijgers van noordelijke landen

zijn grooter en hebben dikker haar dan die van zuidelijker streken.

Het voedsel van den tijger in Indië bestaat uit runderen, herten

en wilde zwijnen. Somtijds bieden de laatsten zulk een heftigen

tegenstand, dat de tijger overwonnen en verslagen wordt; men heeft

tijgers gevonden welker lichaam geheel open gereten was, waarschijnlijk

door de scherpe slagtanden van het zwijn. Het is bekend dat dit dier,

tot het uiterste gedreven, zijn slagtanden weet te gebruiken, handiger

dan een man met een mes kan omgaan.

De tijger is ook zeer belust op pauwen, en een groote vlucht van deze

vogels verraadt meestal de aanwezigheid van een tijger.

Van nature is de tijger lafhartig en ontwijkt hij den aanval, zelfs

al is hij bezig met zijn prooi te verslinden.

Men verhaalt hoe een herdersjongen in Indië door een van deze dieren

aangevallen, maar door de buffels die hij hoedde gered werd. Zij vielen

den tijger zoo krachtig op het lijf, dat zij hem tot een onteerenden

aftocht dwongen, terwijl de knaap te midden van zijne hardkoppige

beschermers ongedeerd bleef.

Als de tijger honger heeft, eet hij zelfs kikvorschen en alles

wat hij slechts van dierlijk voedsel kan vinden. Sir Walter Elliot

verhaalt van een tijger die door hem gedood werd en die zeer mager

was, wat veroorzaakt was door den stekel van een stekelvarken die in

zijn keel was blijven zitten en hem het slikken belette. Een beroemd

jager verhaalt dat, toen hij eens een tijgerin gedood had, hij, in

zijn tent terug gekomen zijnde, een man met een olifant zond om de

tijgerin te halen. De man kwam terug en zei, dat hij de tijgerin nog

levend gevonden had. Zij gingen dus den volgenden morgen op ontdekking

uit en zagen, dat de tijgerin in een bergspleet was gevallen en

vervolgens door een anderen tijger half opgegeten. Dezen laatsten

doodden zij niet ver van daar. Het schijnt dus dat kannibalisme ook

tot de eigenschappen van dit schoone dier gerekend kan worden.

De tijgerjacht behoort in Indië tot de meest geliefkoosde

uitspanningen, waaraan evenwel vele gevaren verbonden zijn; er zijn

weinig paarden die men zoo kan africhten, dat zij den jager in de

nabijheid van een tijger brengen, zoodat de tijgerjacht dus meestal

op olifanten plaats heeft. Men drijft den tijger uit zijn leger, en

dringt van alle kanten op hem aan. Als de tijger nu tot het uiterste

gedreven wordt en geen uitkomst ziet, springt hij soms op den rug

van den olifant en grijpt den jager. Zulke jachten hebben dikwijls

een treurigen afloop. Er zijn ook vele gevallen bekend van reizigers

die eensklaps door tijgers aangevallen werden. Om des nachts op reis

veilig te kunnen slapen, is het genoeg dat men een groot vuur aanlegt,

want de tijgers zijn bang voor vuur, ofschoon het niet altijd een

voldoend middel is om leeuwen op een afstand te houden.

Ofschoon de tijger hardnekkig vervolgd wordt, schijnt zijn getal toch

niet te verminderen: in de provincie Kandeisth alleen werden er in

de jaren 1825-1829 duizend twee en dertig tijgers gedood. Op Sumatra

zijn geheele dorpen door de aanvallen der tijgers onbewoond geraakt;

het volk durft hen uit een godsdienstig vooroordeel niet dooden, want

zij gelooven dat doode menschen in de gedaante van tijgers terug komen.

De huid van den tijger is roodachtig geel, aan de zijden met zwarte

dwarsstrepen geteekend, aan den buik zwart gestreept, zwarte ringen

op den staart, witte onderkin en lippen. Als de tijger verzadigd is

brult hij, en als hij van plan is een aanval te doen laat hij een kort

en scherp gehuil hooren; een eigenaardig blazen door de neusgaten,

dat veel van niezen heeft, geeft tevredenheid en eene vriendelijke

stemming te kennen.

Ofschoon de tijger zeer veel kracht bezit, en door het kreupelbosch

schuifelt, zooals alle katten doen die hun prooi onverwachts aanvallen,

wordt hij toch dikwijls het slachtoffer van een ander, even wreed en

verscheurend dier.

De rivieren en meren in de heete landen worden bewoond door

verschillende soorten van krokodillen. In den Nijl leeft de echte

krokodil, in Suriname de kaaiman of alligator, en in den Ganges de

gaviaal: het is over deze laatste soort dat wij hier spreken. Deze

groote en afschuwelijke dieren liggen òf in de stralen der middagzon op

een zandbank te slapen, òf geheel in het water verscholen, behalve de

oogen en neusgaten die boven de oppervlakte van het water uitkomen;

zóó blijven zij bewegingloos liggen wachten op een of ander dier

dat bij de rivier komt. Als de gavialen op een zandbank liggen,

kan men hen nauwelijks onderscheiden, want dan gelijken zij veel op

doode boomstammen.

De gaviaal valt op tweeërlei wijze aan. Is zijn prooi dicht bij, dan

grijpt hij het dier in zijne verschrikkelijke kaken, en sleept het

naar den bodem der rivier. Of wel hij blijft op de zandbank liggen,

en zoodra een dier het water nadert, slaat hij het met zijn staart in

het water, met meer behendigheid dan een koetsier met zijn zweep. Als

hij op die manier het dier tusschen zijne kaken heeft gekregen,

verscheurt hij het onder water.

De gaviaal is geheel ingericht voor het leven, waartoe hij bestemd

is. Hij is bedekt met schubben die samengesteld zijn uit platen

van verschillende grootte, en samengevoegd worden door vleezige

scharnieren. Als wapen om aan te vallen of om zich te verdedigen,

bezit hij lange rijen scherpe tanden, en den langen buigzamen staart,

waarmede hij een dier kan vermorselen; in één woord de gaviaal is het

schrikwekkendste en vreesselijkste dier dat in het water leeft. Zijne

kleine, groene, glazige oogen, zonder eenige uitdrukking, steken boven

het hoogste gedeelte van den kop uit, zoodat het dier in staat is zijn

geheele lichaam onder water te dompelen, en toch alles te zien wat

er boven het water voorvalt. Ofschoon zijne bewegingen gewoonlijk

traag zijn, kan hij toch zeer vlug op het land vooruit komen, en

men heeft hem dikwijls zoo haastig uit het water zien schieten, dat

men hem moeielijk met het oog kon volgen. De gaviaal is de grootste

van alle hagedisachtige dieren, hij wordt dikwijls van 5 tot 6 meter

lang. Evenals hij op buffels en andere zoogdieren loert, richt hij

ook onder de visschen groote verwoestingen aan, en alle lijken die in

den Ganges geworpen worden, worden zijn prooi. De geloovige Hindoes

laten zich, als zij op sterven liggen, naar de heilige rivier brengen,

en worden ook somtijds door den gaviaal aangevallen en verscheurd.

Wat de kleuren betreft, gelijkt de gaviaal op den krokodil, en heeft,

evenals deze, klauwen aan de drie binnenste teenen. Zijne achterpooten

gelijken op die van den krokodil, maar de nekschilden op die van

den alligator. De eerste en vierde tand aan beide zijden van de

onderkaak, steken boven de anderen uit, en vallen in een holte van

de bovenkaak. Aan het eind van de kaak vormen de met kleppen bedekte

neusgaten een kraakbeenig, vooruitstekend kussen. In het weefsel van

het ooglid ligt een klein beenplaatje, en onder de benedenkaak liggen

een paar klieren, die een naar muskus riekende stof afscheiden.

Nu wij een kort overzicht hebben gegeven van de beide dieren die

op de plaat zijn afgebeeld, zullen wij zien op welke wijze zij met

elkander vechten; een gevecht, waarbij altijd een van beiden het

leven verliest. De zon is zoo even opgekomen, en wekt de gevederde

boschbewoners uit hun slaap. Zij schudden de dauwdroppels van hunne

vederen, en hun morgengezang klinkt door het woud, terwijl de tijger,

vergezeld van zijn wijfje, naar den stroom gaat om zijn dorst te

lesschen, voordat hij zijn leger opzoekt waarin hij den dag zal

doorbrengen. Zachtjes doorkruisen zij het welbekende kreupelbosch,

onverschillig voor de vroolijkheid die hen omgeeft. De speelsche aap

slingert zijn buigzaam lichaam door de takken, en op het zien van

zijn meest gevreesden vijand, grijnst hij van woede en vrees.

De beide dieren bereiken den stroom, maar de tijgerin die voorzichtiger

is dan de tijger, blijft in het dichte kreupelbosch staan; de tijger

stapt in het water, en begint te drinken. De gaviaal heeft misschien

uren lang op die gelegenheid aan den oever liggen te wachten. Met een

nauw merkbare beweging trekt hij zijne schubbige pooten tegen zijn

lichaam, en zoodra de tijger begint te drinken, grijpt de krachtige

gaviaal den kop van het ongelukkige dier tusschen zijne kaken. Met een

half gesmoorden kreet van woede en schrik beproeft de tijger zich van

den wreeden vijand te ontslaan, maar deze doet wat hij kan om hem in

de rivier te trekken. Niettegenstaande de hevige pijn grijpt de tijger

hem met zijne pooten, maar zijne scherpe klauwen glijden af op den

schubbigen kop van den gaviaal. Stap voor stap wordt de tijger van

den oever gesleurd, ofschoon hij wanhopig tegen zijn verschrikkelijk

noodlot strijdt; maar als hij dieper in het water komt, wordt zijn

tegenstand allengs zwakker, terwijl de gaviaal, die nu in zijn element

is, alle krachten inspant om den kop van den tijger onder water te

duwen. Na eenige krachtige pogingen verdwijnt hij met zijn prooi in

de diepte, en duikt naar den bodem der rivier. Enkele cirkels aan de

oppervlakte van het water en een paar onheilspellende roode strepen

zijn de eenige teekenen van het verschrikkelijke en bloedige gevecht

dat hier heeft plaats gehad.

Schetsen uit de Dierenwereld · 第 10 / 24 题