Bijna ondoordringbaar zijn de bosschen van Afrika. De boomen staan daar
zoo dicht op een, dat zij hunne takken bijna niet kunnen uitspreiden,
terwijl slinger- en klimplanten van allerlei aard van stam tot stam en
van tak tot tak gaan, en het geheele bosch tot een netwerk van hout en
blad en bloem maken. Slechts met moeite kan de mensch zulke beletselen
op zijn tocht overwinnen, en zelfs de dieren die in deze bosschen
wonen, kunnen er nauwelijks in doordringen. Maar in de donkerste
gedeelten, slechts hier en daar door een straal der tropische zon
verlicht, te midden van doodelijke miasma's, zoo noodlottig voor den
Europeaan, heeft de gorilla zijn woning gevestigd. Verschrikkelijk
is het uitzicht van dezen grootsten aller bekende apen. Het groote
hoofd, de korte dikke hals, het dikke lijf, de lange armen en de dunne
kromme beenen, gevoegd bij een voorkomen waaruit de laagste dierlijke
driften spreken, vormen een wezen waarvoor men bang wordt. Tot heden
weten wij slechts weinig van de gewoonten en levenswijs van dit dier;
doch, ofschoon er vele verhalen in omloop zijn van zijn wildheid en
ontembaarheid en men zegt dat de inboorlingen bevreesd zijn om in een
bosch te gaan waarin gorilla's huizen--wij meenen toch dat hij niet
woester van aard zal zijn dan de andere groote apen. Hij leeft van
wortels en vruchten die hij in menigte in het bosch kan vinden. Als
hij verontrust wordt, tracht hij zijn heil in de vlucht te zoeken, en
slechts als hij gewond wordt of als hij niet kan ontkomen, verdedigt
hij zich. Maar in die omstandigheden, of als hij zijn jong verdedigt,
maakt zijn groote kracht den gorilla zeker tot een verschrikkelijken
vijand.
De gorilla is veel grooter dan zijn bloedverwant, de sjimpansee, en,
voor zoo ver wij kunnen oordeelen, bezit hij bij lange na zooveel
verstand niet als de laatste. De sjimpansee is een zeer gezellig dier,
dat zich met groote genegenheid aan zijn oppasser hecht, en teekenen
van droefheid geeft als hij van zijn vriend wordt gescheiden.
De groote apen leven bijna nooit in troepen; men vindt gewoonlijk
slechts eenigen bijeen. De oude mannetjes zijn wilder dan de wijfjes,
en als men hen wil vangen, bijten zij en slaan met hunne geweldige
vuisten. Op den grond loopen zij snel, maar ongemakkelijk, op de vier
pooten, namelijk op de knokkels van de vingers der handen, maar op
de voetzolen van de achterste ledematen. De wijfjes dragen haar jong
op den rug, of het hangt aan haar borst: de kleine houdt zich vast
aan het lange haar van de huid der moeder, zoodat het, zelfs als de
moeder gedood is, moeielijk valt het jong er af te trekken.
Op de boomen vertoonen de apen zich het voordeeligst. Hunne lange
krachtige armen stellen hen in staat ver te reiken, en zij slingeren
zich van tak tot tak, zoo gemakkelijk en zoo vlug dat het voor een
mensch onbegrijpelijk is. Zij brengen den nacht op de boomen door, en
verscheidene soorten zijn gewoon een dikken tak die vorksgewijs uit
den stam voortkomt, uit te zoeken, en vervolgens dunne takken af te
breken, en daarvan een dak te vormen, een soort van nest waarin zij
zitten blijven totdat de dag aanbreekt. Gewoonlijk maken zij elken
avond een nieuw verblijf, en keeren zij niet altijd naar hunne woning
van den vorigen nacht terug, maar brengen den nacht door ter plaatse
waar zij zich bevinden als de zon onder gaat.
Men vindt de groote apen slechts op plaatsen waar uitgestrekte bosschen
zijn, want daar deze dieren ingericht zijn om als over de toppen der
boomen te loopen, en van tak tot tak, door middel van hunne lange armen
verder te gaan, zouden zij niet op opene vlakten of waar de boomen ver
van elkander staan, kunnen leven. Als zij over een dikken tak loopen,
gaan zij in eene half opgerichte houding, en steunen met de knokkels
van de vingers op den tak. Heeft de aap de takken van een anderen boom
bereikt, dan grijpt hij die met beide handen, en trekt er uit al zijn
kracht aan, om te beproeven of hij er zich wel op kan vertrouwen;
is hij hierover voldaan, dan slingert hij zich naar den overkant,
en op deze wijze doorkruist hij spoedig eene groote uitgestrektheid
van het bosch. De grimassen van deze dieren, en de manier waarop
zij tevredenheid of tegenzin te kennen geven, zijn, vooral als zij
jong zijn, zeer grappig en kluchtig. Wallace had een jonge gorilla,
en als dat dier iets kreeg dat hem beviel, dan likte hij zich de
lippen af, trok zijne wangen samen, en sloeg zijne oogen naar boven
met eene uitdrukking van de grootste tevredenheid. Smaakte de spijs
hem niet, dan proefde hij er even van, en spuwde het overige uit, en
als men hem toch weer de zelfde spijs voorzette, begon hij te huilen
en te schoppen als een stout kind. Als hij boos of onrustig was,
sloeg hij met zijne handen in de lucht alsof hij iets wilde grijpen,
maar hij was bijzonder in zijn schik als hij den baard van Wallace
machtig kon worden, dien hij dan zoo stevig vasthield dat men hem
zonder hulp niet weder los kon maken. Om zijn aap genoegen te doen,
maakte Wallace een pop van een rol of bundel van buffelhuid, en hing
die ongeveer een voet hoog boven den grond op. De aap scheen daarmede
zeer in zijn schik te zijn: om dien rol kon hij zijne armen en beenen
slaan, en naar hartelust in het haar wroeten. Dit geluk duurde echter
slechts zoo lang tot hij plotseling aan zijne moeder dacht, want hij
deed eene poging om te zuigen. Maar niets vindende als haar of wol,
werd hij boos, en begon hard te gillen, zoodat de nagemaakte moeder
weder weg genomen moest worden.
De apen, vooral de groote soorten, hebben niet vele vijanden. Op
Borneo, waar een van de grootste apen thuis behoort, namelijk de
orang-oetan, beweren de inboorlingen dat hij in het bosch nooit door
eenig ander dier wordt aangevallen behoudens twee uitzonderingen, door
den krokodil en den python; wat trouwens toch zelden gebeurt. Als er
geen vruchten meer in het bosch te vinden zijn, zoekt de orang-oetan
zijn voedsel aan den oever der rivier, waar hij vele jonge loten
vindt, en vruchten die aan den waterkant groeien. Dan tracht de
krokodil hem soms te grijpen; maar de orang-oetan springt op hem,
slaat hem met handen en voeten, verscheurt en doodt hem. Als een
python of boa-constrictor den aap aanvalt, grijpt de mias, zooals
men hem op Borneo noemt, de slang met beide handen, en bijt haar dood.
De gorilla is tot heden de grootste van alle bekende soorten. Men
heeft hem nog nooit in volwassen staat levend naar Europa over kunnen
brengen, want als deze aap de vruchten mist waaraan hij in 't wild
gewend is, of blootgesteld wordt aan de koudere luchtstreek van
noordelijker landen, begint hij te kwijnen en sterft hij weldra aan
de tering. Maar mocht er iemand zijn, die lust heeft om dit woeste
schepsel in vrijheid te zien, dan moet hij naar de binnenlanden
van Afrika gaan, naar die streken waar geene beschaving heerscht,
en waarin slechts enkele Europeanen zijn doorgedrongen. Dáár woont
de gorilla met zijn familie, in gezelschap van de overige wilde
boschbewoners. Dáár leven zij ongestoord, en eten de vele vruchten
die aan trossen aan de boom en hangen, en schenken slechts weinig
aandacht aan hetgeen beneden hen gebeurt. Maar als een ongewoon geluid
de stilte van het bosch komt storen, of als zij iets vreemds zien,
dan vluchten de wijfjes met de jongen die zij vast omklemd houden nog
dieper in het bosch, terwijl de vader en beschermer zich snel van den
eenen boom naar den anderen slingert, het voorwerp van zijne vrees
tracht op te sporen voor dat hij de anderen op de vlucht volgt, en
rond ziet of er gevaar is; en dan schijnt hij met een toornig gelaat
en een heesch geluid knorrig te vragen: Wat is er?