MISGEREKEND.

Onder de zooltreders, dat wil zeggen de viervoetige dieren die

op de voetzool en niet op hun teenen loopen, is de beer een van de

sterksten. Als hij niet geplaagd wordt, is hij onschadelijk, en brengt

zijn tijd door met in het bosch naar bessen en vruchten te zoeken, die

hij gaarne lust. Ofschoon hij zeer sterk en taai van leven is, schuwt

hij alle onaangename ontmoetingen, en als hij menschen ziet, vlucht hij

liever, ten minste als 't mogelijk is, dan staan te blijven, en zich

te verdedigen. In den zomer wordt hij zeer vet, zoodat hij op zijn vet

teerende den gestrengen winter zonder voedsel kan doorbrengen. Zoodra

de eerste sneeuwvlokken vallen, ziet hij om naar een geschikt leger,

liefst in een grooten, hollen boom of in een rotsspleet. Dáár slaat

hij dan zijne woning op, om er de treurige wintermaanden in door te

slapen. Als hij zoo in een hollen boom overwintert, rolt hij zich

op als een kluwen, en als hij niet gestoord wordt, ontwaakt hij niet

eerder dan wanneer alles weer begint te bloeien.

In alle noordelijke landen vindt men beren. In de koude

noordpoolstreken zwerft de groote ijsbeer over de ijsvelden en de

met sneeuw bedekte vlakten van het ruwe en onherbergzame land, en

twist met de arme Eskimo's om zijn buit. In het noordelijke gedeelte

van Amerika woont de grijze beer, de wreedste van alle soorten, en

de zwarte beer. Ook in Azië, Afrika, Japan, op de eilanden van den

Indischen Archipel, en in Zuid-Amerika vindt men beren, zoodat deze

dieren bijna over de geheele aarde verspreid zijn.

Van de buitengewone kracht van den grijzen beer verhaalt Sir

John Richardson het volgende. Er zat een gezelschap jagers aan de

Saskatchewan-rivier bij een vuur hun eten te kooken, toen plotseling

een groote grijze beer over het schuitje sprong, dat bij hen lag,

een man bij zijn schouder pakte en meêsleepte. De anderen vluchtten,

een uitgezonderd, die zijn geweer greep en het dier volgde. Hij riep

zijn kameraad toe dat hij bang was vuur te geven, omdat hij ook hem

kon treffen; maar de ander smeekte hem het evenwel te doen, omdat

hij toch ter dood veroordeeld was. Hij vuurde daarop op den beer, die

onmiddellijk den man dien hij vasthield losliet, en op zijn nieuwen

aanvaller toeschoot. Maar deze ontsnapte hem, en de beer verdween

in het kreupelbosch, waar men onderstelt dat hij gestorven is, want

niemand had den moed om er naar te gaan zien. De arm van den geredden

man was gebroken en hevig gekwetst, maar herstelde later.

Somtijds is de beer zeer nieuwsgierig, en snuffelt dan vooral met

aandacht als er iets is dat zijne reukorganen gestreeld heeft. Als hij

op zulk een ontdekkingstocht is, geraakt hij dikwijls in moeielijkheden

die hij op een ander tijdstip zekerlijk zou hebben vermeden. Ik

herinner mij een voorval, waarin zijne begeerte naar een stuk vleesch

zeer lastig was voor de personen die er bij tegenwoordig waren, zoodat

zij den beer slechts met veel moeite uit hun nabijheid konden houden.

Eenige jagers hadden een eland gedood; zij lieten het dier liggen,

gingen naar huis om te eten, en keerden vervolgens terug om het

dier aan stukken te snijden; zij lieten hunne geweren achter, niet

denkende dat zij er behoefte aan zouden hebben. De bodem waarop de

eland lag, was eenigzins heuvelachtig en bedekt met een dikke laag

losse steenen. Toen zij hun taak half geëindigd hadden, ontdekten

zij eensklaps den grijzen neus van een zwarten beer boven een heuvel,

die dicht bij hen was. Het duurde nu niet lang, of zij zagen den beer

in zijn geheel; hij was zeer groot, en waarschijnlijk een aartsvader

onder zijne gelijken, want hij werd gevolgd door niet minder dan vier

andere beren van verschillende grootte, die ook op den heuvel kwamen

aanwaggelen. Zij kwamen nu allen wat dichter bij, gingen zitten, en

gaven door snuiven te kennen, dat zij op verkenning uit waren. Hunne

neuzen zeiden hun stellig dat er iets lekkers te vinden was, maar de

onwelkome tweevoetigers schenen de ruige groep niet te bevallen. Om

beter te kunnen zien, kwam de patriarch, vergezeld van de anderen,

nog een weinig dichter bij. Zeer betreurde het gezelschap nu het

gemis van hunne wapens, want hunne geweren lagen ongebruikt in het

veld. Zij begonnen hard te schreeuwen, hopende de beren daardoor

verschrikt te maken. Maar dit hielp niets, en zij dachten niet

anders of de naderende beren zouden den dooden eland wegnemen. Nu

begonnen zij met steenen te werpen, waardoor een paar van de beren

ernstig gekwetst werden, zoodat de ruige dieren ten laatste maar

heengingen. Zij keken telkens eens om, en zoolang de eland nog in

't gezicht was, hield de grijsneuzige patriarch tusschenbeide eens

stil, alsof hij nadacht waarom hij toch zoo'n heerlijk maal moest

missen. Toen de onverwachte bezoekers verdwenen waren, werd de eland

spoedig aan kant gemaakt, en liet men de beenderen en ingewanden voor

de beren liggen, die zekerlijk later daaraan gesmuld hebben.

De beer loopt langzaam, en heeft een waggelenden gang; hij zet

de beide pooten van den zelfden kant te gelijkertijd neer, en

draaft nooit hard. Maar als hij er toe genoodzaakt wordt, kan hij

toch snel loopen, want op de vlucht of als hij honger heeft en een

prooi vervolgt, kan een goed paard hem voor een korten tijd niet in

vlugheid overtreffen. Gewoonlijk vreedzaam van aard, doet de beer

niet dikwijls andere dieren leed, en bemoeit zich ook niet veel met

wat hem omringt. Uit het volgende voorval blijkt dat hij somtijds

zich zelven in groote moeielijkheden brengt.

Een jager, die het grootste gedeelte van den dag in een ongebaand

bosch van Noord-Amerika op de jacht was geweest, en daardoor vermoeid

was, ging aan den oever van een meertje op den grond liggen om wat

uit te rusten. Niet langen tijd had hij daar gelegen, toen de stilte

van het bosch eensklaps door een vreesselijk gehuil verbroken werd,

dat hoe langer hoe harder werd, alsof er eenige woedende dieren aan

't vechten waren. Op eens kwam een beer uit het bosch schieten,

naderde den oever, en zag ontsteld naar een geschikter schuilplaats

rond dan het diepe meer voor hem kon zijn. Eenige oogenblikken daarna

verscheen er een groote koegoear, die onder vreesselijk gehuil en

met uitgestrekte klauwen op den rug van zijn vijand sprong. Hierop

volgde een hevig gevecht. Het was als of men slechts één dier zag,

zoo vlug draaiden zij om elkander heen. Zij vochten te midden van een

dwarrelenden hoop haar en wol, en onder een verschrikkelijk gebrom en

gebrul. Spoedig verflauwde het gevecht, want de beer viel dood neder,

door zijn woesten vijand bijna geheel aan stukken gereten. Nadat de

koegoear aan het meer zijn dorst gelescht had, wilde hij weer in het

bosch verdwijnen, maar nu doodde de jager hem door een goed gelukt

schot. Hij zag dat het een wijfje was, en de eenige verklaring die

men kan geven van het vechten van twee dieren, die zoo volkomen van

elkander verschillen en beiden zoo krachtig zijn, is dat de koegoear,

die klaarblijkelijk moeder was, door den beer van haar jong beroofd

was, en nu door haar moederlijk gevoel gedreven werd om het kwaad te

wreken, dat hij haar had aangedaan.

De plaat die bij dit hoofdstuk behoort, stelt eene gebeurtenis voor,

die aan een heer in Noorwegen is overkomen. Op een wintermorgen

ging hij met eenige vrienden op de berejacht, vergezeld van eene

menigte honden van allerlei ras. Het duurde niet lang, of zij zagen

het winterverblijf van een grooten beer. Na herhaalde pogingen werd

het dier uit zijn warm hol gedreven en gewond. Nu de beer gedwongen

werd om zich te verdedigen, sprong hij op den jager los, wierp hem ter

aarde, en ging boven op hem liggen. Gelukkig lag er zeer veel sneeuw,

en daar de heer wist dat zijn eenige kans op levensbehoud was, zich

niet te bewegen, kroop hij zooveel mogelijk onder de sneeuw, en hield

zich alsof hij dood was. De beer was zeer oud, en zijne tanden waren

tot op het tandvleesch afgesleten, zoodat zij telkens afglipten, en

geen kwaad deden toen de beer het hoofd van den jager in zijn muil

nam. Ondertusschen vielen de honden den beer aan, en beletten hem

al zijn aandacht te schenken aan den man die onder hem lag. Weldra

kwamen de andere jagers aanloopen, en maakten het dier spoedig af; zij

bevrijdden hun metgezel uit zijn onaangenamen en gevaarlijken toestand,

zoodat men met recht mocht zeggen dat de beer in dezen had misgerekend.

Schetsen uit de Dierenwereld · 第 6 / 24 题