DE SIESTA.

Hoe prachtig is de plantengroei in de tropische gewesten! Boomen van

allerlei grootte en vorm staan daar in elkander gegroeid en verward;

bevallige klim- en slingerplanten groeien in slingers tusschen en

rondom de gekronkelde boomstammen en takken, en bovendien vindt men

er tallooze planten die de diepe bosschen met duizende bloemen van

allerlei kleur vervroolijken.

Ofschoon het zeer stil is onder deze bladerrijke gewelven, en men

geen ander geluid hoort als misschien het ritselen der bladeren

of het gekraak van de takken door den wind, leven er toch eene

menigte dieren in die oogenschijnlijk eenzame bosschen. Het wemelt

er van allerlei insekten, en vooral van prachtige vogels, van den

luidruchtigen papegaai tot het schitterende kolibrietje; zij vliegen

rond, en zoeken de vruchten die in trossen aan de takken hangen,

of zuigen de honig uit de bloemen. In de moerassen leven slangen met

prachtig gekleurde fluweelen huid, of afschuwelijke krokodillen met

schubbige wapenrusting, die met den kop alleen boven de oppervlakte

van het water liggen. Ook menig viervoetig dier zwerft door de koele

bladerrijke bosschen; zij schuwen de groote hitte van de middagzon,

en liggen languit op den grond te sluimeren; als de zon ondergaat,

staan zij verfrischt op en beginnen hunne nachtelijke rooftochten.

Onder de dieren die in de tropische bosschen leven, is de jagoear, ook

de luipaard van Zuid-Amerika genaamd, het meest te vreezen. Diefachtig,

listig, sterk en verraderlijk, is hij de schrik van alles wat hem

omringt; als hij honger heeft, vreest hij zelfs den mensch niet,

maar bespringt hem, en draagt hem in het dichte kreupelbosch waarin

men onmogelijk door kan dringen. Daar houdt hij zijn afschuwelijken

maaltijd.

Men verwart den jagoear dikwijls met den luipaard en den panter,

want deze drie dieren gelijken zeer veel op elkander. De jagoear is

niet altijd gelijk geteekend, en de beide zijden van zijn lichaam

verschillen wel eens. De grondkleur van zijn kort haar is bruinachtig

geel en aan den buik wit; aan de zijden heeft hij van drie tot zes

lange rijen zwarte oogvlekken, welker ringen nooit gesloten zijn;

langs de wervelkolom een rij groote en onregelmatige zwarte vlekken,

en aan de binnenzijde van de pooten zwartachtige dwarsstrepen.

De jagoear vertoeft het liefst in de nabijheid van groote stroomen;

hij zwemt zeer gemakkelijk, en vangt zijn buit even goed in het

water als op het land. Terwijl hij in het water staat, werpt hij met

een slag van zijn poot de visschen op den oever, hetgeen door velen,

echter geheel ten onrechte, betwijfeld wordt, want er zijn zelfs vele

huiskatten die visschen vangen. Des nachts zwerft de jagoear langs

de rivieren rond, valt de schildpadden aan die aan land komen, haalt

haar vleesch voorzichtig uit de schaal, zonder deze te breken, graaft

de eieren van de schildpad uit den grond op, en loert op de jongen.

De Indianen dooden den jagoear met kleine zwaar vergiftigde pijltjes

die zij uit rietjes blazen; de jagoear blijft er zeer onverschillig

voor, want deze pijltjes veroorzaken slechts weinig pijn, maar na

verloop van een kwartier valt hij dood neder. Het is zeer gevaarlijk om

met een vuurwapen op den jagoear te schieten, want als de kogel niet

doodelijk treft, werpt de jagoear zich, woedend van pijn en schrik,

op den jager.

De jagoear is buitengewoon sterk, zooals uit het volgende voorval

blijkt. Een jagoear had een paard gedood, maar werd door eenige

reizigers in zijn maaltijd gestoord, en ontvluchtte; kort daarna

kwam hij echter terug, sleepte zijn buit naar eene breede en diepe

rivier, die ongeveer zestig schreden afstands verwijderd was, sloeg de

tanden in het lichaam van het paard, zwom er mede naar den overkant,

en bracht het in een nabijgelegen bosch.

Het verschrikkelijke gebrul van den jagoear, vermengd met het diepe,

dreunende geluid van den krokodil en de vreesselijke onweders der

tropische gewesten, maken op de reizigers een ontzachelijken indruk,

en vervullen hen met angst en schrik.

De jagoear is alleen des nachts bezig, even als alle bewoners van

de tropische gewesten, zoowel menschen als dieren. Als de zon is

opgegaan, gaat hij op een lagen tak liggen, en slaapt het grootste

gedeelte van den dag. Even als alle katten kan hij zeer goed klimmen,

want met zijne scherpe klauwen klimt hij gemakkelijk bij de boomen op:

menige ongelukkige aap, die veilig op zijn tak denkt te zitten en tegen

de wereld beneden hem grijnst en gezichten trekt, wordt eensklaps door

den jagoear aangevallen, en in triomf weg gedragen. De jagoear valt

geen menschen aan, tenzij hij honger heeft of in 't nauw gebracht

wordt. Hoe verschrikkelijk hij dan is, kan uit het volgende voorval

blijken. Een leekebroeder uit het klooster van den H. Franciscus

te Santa Fé had juist zijn belijdenis gedaan, en wilde de sakristie

binnentreden. Toen hij de deur opende, zag hij eensklaps tegenover

zich een buitengewoon grooten jagoear. Het dier sprong op hem los,

greep hem, en droeg hem in een hoek om hem daar te verscheuren. De

wachter van het klooster, die de angstkreten van den man hoorde, liep

er heen; maar nauwelijks had hij gezien wat er voorviel, of de tijger

sprong op hem los, en doodde hem even als den ander. Daarna ging een

derde man in de sakristie; ook deze onderging het zelfde lot. Een

senator trachtte nu in de sakristie te komen, door een achterkamer

die met een klein deurtje er in uitkwam. Maar ter zelfder tijd dat

de senator in de achterkamer ging, verliet de jagoear de sakristie,

en voordat de senator met een klein gevolg binnen was gekomen, hoorde

hij de kreten: hier is hij! hier gaat hij! help! help! Ter zelfder

tijd hoorde men het gebrul van den jagoear en de laatste kreten van

een vierde slachtoffer. Ieder vluchtte in de kerk, en de jagoear

keerde naar de sakristie terug. Nu naderde de senator, en grendelde

zachtjes de deur. Hij boorde er een gat in, en op deze wijze gelukte

het hem het monster dood te schieten. Deze verschrikkelijke gebeurtenis

is te verklaren doordat het klooster op de oevers van den Rio Bravo

ligt, die bij stormen de eilanden overstroomt, die dicht bij de stad

liggen. Gedurende zulk een overstrooming waren alle dieren van de

eilanden verdreven, waaronder ook de bovengenoemde jagoear, die in

de tuinen van het klooster sloop. Daar zag hij een deur die toevallig

open stond, en zoo kwam hij in de sakristie. Toen hij daar was, begreep

hij dat zijn schuilplaats door den vloed was afgesloten, zoodat hij

als in een val zat. Hij meende dus genoodzaakt te zijn een wanhopigen

aanval op de menschen te doen, en herhaalde dien verscheidene malen.

Het is gelukkig voor de bewoners van Amerika dat de jagoear nooit in

troepen leeft, want zoodra hij oud genoeg is om voor zich zelven te

zorgen en een prooi te dooden, verlaat hij zijne familie, en leidt

een eenzaam leven. Ware hij gewoon in troepen te leven, evenals de

wolven, dan zou hij spoedig elk levend dier verscheuren; want door zijn

scherpen reuk, kracht en list, en het gemak waarmede hij in de boomen

klimt, overtreft hij bijna elk levend schepsel. Het zou verschrikkelijk

zijn als de jagoears in troepen op hunne prooi aanvielen: in dit geval

zou niets tegen hen bestand zijn. Maar daar zorgt de goede natuur

voor, want zulk een dier wordt als het ware in toom gehouden door de

hem ingeschapene zucht naar eenzaamheid. Als men de plaat beziet,

zou men niet denken dat de jagoear zulk een wreed dier is; het is

alsof men hem hoort spinnen van tevredenheid, nu hij daar boven den

koelen stroom ligt te sluimeren en hij zijne gewone siësta houdt.

Schetsen uit de Dierenwereld · 第 5 / 24 题