gaan zien. De indruk, dien het bezoek bij mij achterliet, was verwant
aan dien, welken de schilderijen van een' negentiende-eeuwschen ter Burg
zouden maken. Het behangsel der kamer, waarin ze mij ontvingen, wedijverde
in helderheid van kleur met de rosetten van het plafond;--het lichtbruine
mahonyhout der huisraden schitterde mij tegen,--de fijngeslepen kerken
kaatsten den fonkelenden morgenwijn in het kristallen blad weder;--Louise
droeg een zijden kleed. Maar de glans der vreugde, die mij uit hare
oogen had moeten toeblinken; maar de blijdschap, welke Pieter had moeten
gevoelen, dús gevestigd, zóó gelukkig te zijn; maar de geestigheid, die
kruiderij des gespreks; maar de lach, dat zout der zamenleving, ik zag
er te hunnen huize even vergeefs naar om, ik hoorde er die even weinig,
ik smaakte ze er zoo min, als gij het op de stukken van onzen eersten
satijnschilder doet. De overeenkomst ging verder; Louise was niet minder
statelijk dan zijne slanke jonkvrouwen; maar gij hadt dat deftige
evenzeer bewonderd, zoo gij slechts haren rug, en niet haar gelaat, hadt
gezien. Pieter staarde in den wijnkelk, met denzelfden ernst, dien zijne
gemusqueerde allonge-paruiken onderscheidt, en van welken ge toch, hoe
lang gij naar de meening gist achter zulke oogen verscholen, niet meer
begrijpt, niet wijzer wordt, dan dat zij den wijn bekijken.
"De mensch en sal by broodt alleen niet leven," zegt de Schrift. Hoe mij
die woorden invielen bij de leêgte van al de pracht, voor welker
verzoeking Pieter was bezweken!
Er waren maanden verloopen, zes, acht maanden welligt: daar verraste mij
eene heugelijke tijding, daar volgde eene uitnoodiging,--ik trad
andermaal de woning van het paar in. Hoe was alles verkeerd! Louise zat
in eene weelderige _chaise longue_; een Dou onzer dagen zou zich vermeid
hebben in de schildering der niet al te breede kant, welke haar bleek
kopje en hare bleeker handen, welke haar mutsje en haar kleed omgolfde;
hij zou regt hebben gedaan aan de stille weelde, waarin hare oogen
dreven, zwommen, zoo gij wilt. Voor het eerst was zij bezield; behoef ik
te zeggen, dat zij voor het eerst schoon was? En ook Pieter leverde eene
figuur op, het penseel van den schilder der _Kraamkamer_ waardig. Er was
niets uitgelatens in zijne verrukking; de zon der vreugde had meer
gedooid dan gezengd--ook de groote Gerard hield van eene waardigheid,
die de grenzen van het stijve naderde. Onder het roeren van den
kandeelstok werd de eerstgeborene binnengebragt; het mogt mij niet van
het hart er voor uit te komen, hoe dikwijls ik den dollen wensch voedde,
dat kinderen zóó ontwikkeld geboren werden, of zij drie jaren oud waren.
Hoe gelukkig was Louise met haren zoon--hoe hechtte zijne hulpeloosheid
haar aan het wicht! Wijze natuur! Ik zag beide trots en schroom in de
zijdelingsche ontblooting haars boezems, toen zij het kind de borst gaf;
hare oogen gingen heen en weder tusschen Pieter en de kleine--en haar
gade knikte haar toe--zij hadden nog kans op geluk.
Ik weet niet, of het u als mij in het scheppingsverhaal van Mozes heeft
getroffen; maar ik las nooit zonder aandoening, hoe de oudervreugde de
uitdrijving uit het paradijs verzoette. Ik dacht er dat uur aan!
Helaas, was het voor hun kind, dat de graauwtjes aan de overzijde stil
stonden?
Den volgenden morgen was ik er zeker van;--het jongsken scheen, sedert
zijne spening, geloof ik, in eene kwijning te vervallen, tegen welke de
arts het gebruik van ezelinnemelk had aanbevolen.
Maar, zoo mijn blik den volgenden avond, en dagen daarna en weken lang
op ongeveer hetzelfde uur getrouw het venster uitzwierf, om den drijver
met zijn zes- of zevental langs te zien komen, getrouwer nog ligtte
Louise in hare zijkamer het gordijntje op, de graauwtjes nu eens
ongeduldig te gemoet starende, dan weder door hunne niet zoo vroeg
gehoopte komst verrast. Hoe wettigde, helaas, de voortdurende
onzekerheid over den toestand haars kinds dien angst en die hoop!
En zie hier de gedachten, door de komst dier ezelinnen opgewekt; de
mijmering, waartoe zij uitlokten:
Een kind!--is er iets ter wereld, waarin meer poëzy schuilt dan in het
van allerlei zorg afhankelijke schepseltje in den wieg,--dat welligt
bestemd is de luister van ons geslacht te worden? Het weet naauwelijks
zijne handjes te gebruiken,--handen, die later misschien het zwaard des
krijgs of de veder des vredes zullen zwaaijen of stieren, met tijdgenoot
en nakomeling verbazende kracht.--Het invallend zonnelicht doet zijne
oogjes zeer;--oogen, die ontwikkeld den afgrond zullen peilen of den
sterrenhemel meten; oogen, die de duisternis noch de schittering van de
wonderen der natuur zal verbijsteren of verblinden. Het eenvoudigst
begrip schijnt te hoog voor die trage hersenen, het instinkt des diers
leidt sneller en wisser dan de zoo hoog geroemde rede; maar wacht, en de
wetenschap zal haren stralenkrans werpen en de kunst haren lauwer vlechten
om dien nu nog naakten, schier nog weeken schedel. Een kind!--het begin
van een leven, door vreugde en smarte bont geschakeerd,--dat beurtelings
zoo groot en zoo klein schijnt,--dat der laagste togten en der edelste
driften om strijd ter prooi zal wezen,--maar dat niet eindigt in het
graf, waaraan de onsterfelijkheid is gewaarborgd, liever nog het eeuwige
leven; opdat onze zwakheid door de negatieve uitdrukking niet heen
schemere waar het onze zoetste hope geldt. Een kind!--laat ons dalen, of
rijzen misschien, want de moeder buigt zich over het wiegje heen, en er
is niets verheveners in de gedachten, welke ons de toekomst van den
jeugdigen mensch straks inboezemde, dan wat wij in deze groep aanschouwen:
liefde, liefde, het uitgedrukte beeld Gods! Zie, er was zelfzucht in de
bekommering, waarmede Louise dat schrale aangezigtje gadesloeg, de
kleine handjes drukte, haar trager dan vroeger te gemoet gestoken;--de
lipjes kuste, bleeker dan weleer;--zij gevoelde, dat met dien band,--als
hij scheuren moest--de éénige, die haar innig aan Pieter hechtte, zou
los springen. Zij had hem nooit bemind, zoo als dat vleesch van haar
vleesch, zoo als dat leven van haar leven. Maar--wordt die opmerking
voor eene mijner lezeressen wel vereischt?--hoe die zelfzucht vergoed
werd en opgewogen door de toewijding van den dag en den nacht, van de
vreugde der openbare vermaken en der gezellige geneugten; door de
volslagen ontzegging van rust zelfs na weken lange oppassing! Hoe
verloochende zij die zelfzucht geheel door de verzuchting, eindelijk aan
haren boezem ontglipt:
"Heere, neem mijn leven in plaats van het zijne!"
Op eenen schoonen herfstmiddag--het heugt mij nog of ik 't straks had
gezien--was het gordijntje ter zijde geschoven--de kleine lijder zat in
zijn' stoel vóór het raam. Daar kwamen de graauwtjes--hoe hij gierde en
sprong, of hij hen te gemoet wou! Eene der ezelinnen, die er met hare
bleekzilverige huid en fijne ooren,--zij stak die op,--waarlijk niet
uitzag of wij regt hadden den naam der dierensoort tot een schimpwoord
te verlagen,--eene der ezelinnen werd een zonnig plekje op de straat
gewaar, wierp er zich neder, rolde er zich om en nog eens om,--het
plaveisel was pas gemaakt, en het zand nog droog. Het jongsken zag van
achter de spiegelruit de speelsche groep, want een veulen had zich bij
het moederdier gevoegd; de kleine werd rusteloos; naar buiten reikten
zijne armpjes, en Louise gaf dien wensch gehoor. Op de stoep verschenen,
daalde zij met haar kind de weinige trappen af, en liet hem zijn' wil in
het streelen der vaalbruine haren van het beest, dat voor hem gemolken
werd, en plaatste hem voor een oogenblik op den rug des diers. O, dat ik
de weelde schilderen kon, waarmede zij hem aan haar harte sloot, toen
hij, een omzien aan zich zelve overgelaten, weder in de beschermende
armen wipte, die boven en beneden hem hadden gewaakt; de weelde, zeide
ik, de huivering had ik moeten zeggen, die haar rank lijf trillen deed!
Of waren hare oogen niet afgedwaald naar de schalke vreugde van ezelinne
en veulen, die zich nog altijd omkantelden in het warme zand; die, aan
hunne weide, aan hun distelveld ontrukt, dien zweem van natuur smaakten
in de steedsche ballingschap, gezond als zij waren?
De moeder benijdde, in den schoot der weelde, het graauwtje, dat eene
wolk van stof deed opgaan. Toen deze was weggewaaid, zag ik vergeefs
naar de overzijde: Louise en haar kind waren verdwenen. Zij was met hare
smarte haar prachtig huis weder ingetreden.
De ezelinnen kwamen den volgenden, kwamen nog menigen avond terug; maar
eer de winter inviel, hadden de plagerijen tusschen den drijver en het
dienstmeisje uit,--want de gordijnen der zijkamer waren opgehaald, de
luiken gesloten. Pieter en Louise beweenden hun éénig kind.
Verg mij niet, dat ik schetse, hoe het paar me bij het rouwbeklag
ontving--Louise, die luttel maanden het leven des harten had gekend,
scheen versteend; slechts van tijd tot tijd gaf zij teeken van
bewustzijn--door op te zien!
En Pieter? Het geviel dit voorjaar, dat hij mij van eene reize naar
Zwitserland sprak; de toestand zijner gade, verzekerde hij mij, eischte
die.
"Ook ik zelf, jongen," zeide hij, "ben niet gelukkig--de hemel heeft mij
gestraft in mijn kind!"
Ik zou hier uitweiden in alles, wat zich tot zulk een' verslagene zeggen
laat,--hoe het mij heugde uit den mond eener waardige oude vrouw te
hebben gehoord: "Toen ik mijn' man nam, had ik hem niet lief, maar dat
kwam later door zijn gedrag,"--met andere woorden, dat Pieter de liefde
van Louise, welke hij had leeren achten, die hij thans schier beminde,
nog verdienen kon;--ik zou er bijvoegen, dat het voor niemand te laat is
zijn levensgeluk te zoeken en te vinden in de betrachting van zijnen
pligt; dat ieder, die wil, een degelijk mensch kan worden, degelijk als
de vaderen het waren in onzen roemrijksten tijd,--ik zou dit alles doen,
als mij plotseling geene vreeze bekroop, welke mij letterlijk doet
aarzelen voort te gaan.
Welke?
Dat gij mij een' onheusch vriend zult noemen, die vroegere innige
betrekking,--later aangehouden kennis,--eindelijk weder toegehaalde
banden prijs geeft, die.... Vaar niet voort met uwe beschuldiging, bid
ik. Ge zoudt gelijk hebben, ware het zoo. Doch als ik u gul uit bekenne,
dat ezelinnen, Pieter, Louise, het kind, nergens zóó bestonden als ik
die schetste, dat ik zelfs geene overburen heb: o, beweer dan toch op uw
beurt niet, dat de gebreken in onzen maatschappelijken en huiselijken
toestand door mij gegispt, dat de verspreide trekken, welke ik zocht te
vereenigen, dat deze niets anders zijn dan _boosheden in de lucht_,
waarvan niemand te onzent hinder heeft!
1842.
* * * * *
HANNA
(EEN STUDIE-BEELD UIT HET VOLKSLEVEN)
Het was zaterdagavond vóór Kersttijd, en in eene kleine woning op
Katten-, Oosten- of Wittenburg, te Amsterdam, lag, in een spaarzaam
verlicht slaapvertrek; het woord Gods opgeslagen op de tafel. Eene jonge
vrouw, die er in hare eenzaamheid opbeuring, troost, licht in zocht,
staakte onwillekeurig de lezing, toen haar blik op de woorden rustte:
"Als sy nu de sterre sagen, verheugden sy haar met seer groote vreugde."
Waarom schemerde het der peinzende?
Zie, het was niet, dewijl eene door smaak noch studie bestierde
verbeelding wieken aanschoot, en zich de Oostersche Monarchen voorstelde,
in al de pracht, waarmede de Italiaansche schilderschool hen heeft
uitgedost, verbaasd, dat het schitterend luchtverschijnsel stille
bleef staan boven eene nederige woning. En echter, verre, zeer verre van
haar, èn de zin voor het gemoedelijke, waarmede Bendemann ons met de
Wijzen uit het Oosten in vast vertrouwen voort doet trekken, én de zin
voor het verhevene, waarmede Vondel deze, in zijn bekend meesterstuk,
het goddelijk Kind laat aanbidden. We zijn noodeloos hoog gesteigerd.
Het was iets eenvoudigers, iets vrouwelijks, iets kinderlijks schier,
dat haar schreijen deed; iets, dat u en mij,--laat ons het bekennen--ook
is weêrvaren, wanneer wij, in verslagenheid des harten, der Heilige
Schrift het oor leenden, en een zweem van gelijkenis, eene flaauwe
analogie tusschen beide toestanden, de voorstelling vergeten deed,
dewijl indruk of schok ons onwillekeurig in het tegenwoordige overbragt.
We zagen op, of wij zuchtten,--een oogenblikkelijk gevoel, dat vele
woorden zou hebben vereischt, indien wij het aan een' derde hadden
willen verklaren,--een wensch, dien God verhoorde of vergaf. Om tot onze
lezeres terug te keeren, de verrassing der vreugde, in de aangehaalde
woorden zoo aandoenlijk uitgedrukt, trof haar diep: eensklaps werd zij
te moede, als zag zij, tegen de graauwe winterlucht van den oostelijken
hemel des IJstrooms, een wit zeil opdoemen, en eene diepe ademhaling
vertolkte de bede:
"O, hoe blijde zou ik zijn!"
Moge mijn aanhef u niet allen lust tot verdere kennismaking hebben
benomen! Immers, ik voorzie, dat ik zoo voorhoofdfronsing als
schouderophaling te tarten heb, wanneer ik u die jonge vrouw, wanneer ik
u Hanna vóór twaalf of vijftien jaren voorstelle, Aalmoezeniersweeze als
zij was,--vondelinge, die in haar kleed het bewijs omdroeg, dat hare
moeder haar van zich had gestooten, zoodra zij het licht zag; dat haar
vader er zich welligt nooit over had bekreund, of zij bestond. Waarom
zou ik het uwer kieschheid euvel duiden, dat zij zich aan de figuur
ergert, schoon mij de proefneming aanlacht, u te overtuigen, hoe weinig
wat gij het gemeenste leven heet, het goede, het schoone zelfs buiten
sluit? Slechts nog één trek, welke der afzigtelijke wereld toebehoort,
die mij niet minder walgt dan u; slechts nog één trek, en ik zal uwer
verfijnde zenuwen geen geweld meer aandoen: Hanna was in het Huis
gelukkig, schier bij uitzondering gelukkig te prijzen, daar de onnoozele
ten minste in geen ziekelijk ligchaam de onverdiende straffe droeg der
uitspattingen, der losbandigheid van hen, wier lust, niet wier liefde,
haar in het leven riep. Schoonheid was haar deel. Stellig hebt gij in
dichterlijke droomen dikwijls van de onwederstaanbare heerschappij
gelezen, welke deze uitoefent, maar er in de werkelijke wereld schaars
treffender blijk van gezien, dan dat, waardoor hare lieve heldere
kijkers, haar goêlijk-mooi gezigtje soms voorbijgangers of toeschouwers
verraste. Dáár stoven zij aan, op gracht of plein, de knapen uit het
Diaconie-huis, de knapen, onwillekeurig nog vermetel op hunne betrekking
tot de weleer heerschende kerk;--dáár ontmoetten zij haar, de
burgerweezen, de jongens, die zich thans op hunne broederschap met van
Speyk te goed doen, en wèl mogen zij het;--dáár omringden beiden haar,
de eersten in hunne geestelijke, de laatsten in hunne stedelijke
liverei, en deze als gene, verwaten op dien dos, zoo als alle
onderscheidende kleederdragt het maakt--dáár zagen de wilden de gesmade
Aalmoezeniersweeze vóór zich. Een gejoel ging op, het schimpwoord kwam
op de lippen--maar wat was het? _Hoerenkind! hoerenkind!_--waarom
bestierf het, eer het werd geuit? Geene bedenking, hoe leelijk het hun
zou staan, vader- en moederloozen als zij waren, eene nog ongelukkiger,
verlatener weeze dan zij, te smalen, geene bedenking van dien aard,
welke hen weêrhield. Wat zich ook in onze weeshuizen ontwikkelt, de
kweekelingen uit dezen blijven meestal vreemd aan die teederheid des
harten, den kinderen in de nieuwjaarsversjes onzer poëten toegedicht
--ook valt zij naauwelijks te vergen, waar het lot in de prilste jeugd
zelfstandigheid tot voorwaarde van bestaan maakt. Het was dat echt-
hollandsch-mooije, die blanke wangen, waaraan de roos hare schoonste
tinten schijnt te hebben geleend, die liefelijke oogjes, wier blaauwe
helderheid vrede en vreugde verkondigt, het was de schoonheid, die overwon.
"Eene knappe meid!" zei de oudste.
"Het arme kind!" zei de jongste.
En zij gingen verder,--want ge treft naauwelijks één' schalk aan onder
tien schreeuwers.
En echter, niet minder dan of zij haar wreed hadden uitgescholden en ruw
hadden bejegend, niet minder betrok bij zulke tooneelen dat gezigtje, 't
welk slechts behoefde te zijn gezien om te worden gespaard: die kinders
hadden hunne ouders gekend,--zij wisten ten minste wie zij geweest
waren,--zij konden hunner in liefde gedenken. Zij, daarentegen!...
En waarom ook zij niet?--Voortreffelijke Hanna!--eer de jaren der
huwbaarheid aanbraken, waren de geheimen der kunnen haar ontsluijerd;
maar niet door overprikkelde nieuwsgierigheid, niet door dartelen lust,
niet door wulpschen zin. Smartende distels en weedoende doorns hadden
haar die kennis ingescherpt. Onder de schepselen welke onze beschaving,
onze zedelijkheid, ons christendom op de hoeken onzer straten en stegen
duldt, onder die schepselen kon hare moeder schuilen,--en wie weet, welk
voorbijganger haar vader was?--Voortreffelijke Hanna! herhaal ik. Vraag
mij niet, hoe zij tot die waarlijk menschelijke, tot die echt
kinderlijke, tot die vrome beschouwing van haren toestand en dien harer
moeder gekomen was; maar in het Huis werd de bijbel gelezen, en het
woord van Hem, wiens uitspraken licht en liefje zijn. Het woord: "Wie
van u zonder zonde is, werpe den eersten steen op haar!" was balsem
geweest voor haar gekrenkt gemoed; het bragt verzoening te weeg. En,
zonderlinge zegen in strafheid, in miskenning, in onregtvaardigheid
bedeeld!--de verwijten, bij welke zij de onschuld harer gedachten had
ingeboet, maar door wie zij tevens in de kennis met wapenen was
toegerust--zij behielden haar in de ure der verzoeking, toen zij
dienstbare geworden was in eene aanzienlijke woning, en de verleiding
haar aanlokte, niet slechts in den glans van goud, maar ook in den bloei
der jeugd. Hare moeder stond haar voor den geest;--hare moeder, die eens
onbevlekt was geweest als zij;--hare moeder, die misschien viel, dewijl
ze niet gewaarschuwd was;--hare moeder, die mogelijk op dat oogenblik
een leven van zonde op een leger van smarte boette. Herinnerde deze zich
harer, wenschte zij haar bij zich? O, de tranen, welke er langs Hanna's
wangen vloten, dewijl ze haar in dien jammer niet bij konde staan,
dewijl zij het kussen van de stervende niet zacht mogt schudden, dewijl
ze haar niet zeggen mogt, hoe van harte zij vergaf, dat wieg en kreb, en
bete en dronk, haar zoo hard, haar zoo karig gegund, haar zoo bitter
waren geweest, dewijl ze haar niet goeden nacht mogt kussen en vergeving
afsmeeken van Hem, wiens vergeving wij allen behoeven--die tranen, dat
haar vader ze hadde gezien! Handwerksman--winkelier--ambtenaar--beursganger
--weledelgeborene--of wat hij zij of was--God slechts kent hem--God slechts
weet het--hij had zich voor zijne onechte dochter geschaamd, en hare knieën
aangegrepen, zoo als de schuldige het die des monarchs doet, wiens woord
genade verleent. Ook ik zou wenschen, dat er voor den onmensch geen leven
nà dit leven ware!
Ziedaar, wat er soms onder een kornetje schuilt.
Willen wij Hanna voort laten mijmeren, voort laten lezen? Harer is een
smarte, welke het toch niet in onze magt staat te verzachten. Ook heb ik
haar u als jonge vrouw voorgesteld; ook ben ik u nog de vertelling harer
vrijerij schuldig.
Welaan dan!
Dikwijls ben ik er getuige van geweest, dat menschen van hoogeren stand
er zich over verbaasden, hoe geringe lieden zoo spoedig kennis maken,
en in eenige oogenblikken onder elkander niet slechts gemeenzaam, maar
zelfs vertrouwelijk worden. Eilieve, wat vreemds steekt er in? Verre van
mij ditmaal uit te varen tegen het weinig toeschietelijke der zeden van
onzen fatsoenlijken kring. Het is de schaduwzijde onzer huiselijkheid,
wier zachte glans minder zou uitkomen zonder deze, al gaat het ons soms
bij haar als bij Rembrandt's schilderijen: jammer, dat die groep niet
even mooi zou zijn, zonder dat donker. Stil, geene heiligschennis!
En ten einde wij niet afdwalen, wat wagen dienstbaren met hunne
openhartigheid? armoede is aller lot. Verblijdt er u over, zoo dikwijls
u een trek uit het volksleven verrast, met een blijk, dat wederzijdsche,
belangelooze welwillendheid, onder onze mindere standen, ondanks hunne
behoeften, groot, zeer groot is,--zoo dikwijls hunne onderlinge
hulpvaardigheid mij en u beschaamt--ik heb er de Hollandsche, de
Amsterdamsche gemeente te liever om.
Geen half jaar had Hanna nog op een der grachten van de hoofdstad
gediend, of niet alleen haar groet werd beantwoord, maar hare toespraak
uitgelokt; maar hare geschiedenis, droevig en kort als die was,
meêlijdend aangehoord door eene oudere dienstmaagd, wier portret gij
zelve teekenen moogt.
"Kind," zeî Machteld, "als ge wilt, ik zal de hand aan je houden, of ik
je moeder was."
Dat was een hartelijk woord in haren toestand; Hanna sprongen de tranen
in de oogen. Zoo was er dan iemand, die haar lief had, haar, de
verlatene! Want al was zij de sombere vlagen te boven, in welke zij al
haar godsdienst behoefde, om het lot, haar door den Hemelschen Vader
beschikt, niet hard te vinden, er kwamen oogenblikken, waarin zij
slechts al te zeer gevoelde, wat zij er in miste, "niet van eerlijk
volk" te zijn. Geene jeugd, geen vrouwelijk gemoed, geene edele ziel, of
zij voorgevoelt het geluk bemind te worden, de weelde lief te hebben!
"Als er geene smet op die meid rustte," zeî Jan, de koetsier, "dan zou
zij al lang een' flinken vrijer hebben gehad."
"Ik zal krijgen wat mij opgelegd is," antwoordde Hanna, die de opmerking
hoorde. Maar de predestinatie was kranke troost.
Het is waar, oude Machteld beweerde; "Hanna, ik ben nooit gehijlikt
geweest, en ik heb er nooit over gekniesd; met Mei zal ik op het Hofje
een kippetjes leven leiden, kind! wie wèl doet, wèl ontmoet," maar onze
kennis, zij weêrlegde, noch zij beaamde die woorden. Zij beloofde
slechts hare moederlijke vriendin trouw te zullen bezoeken, als deze op
hare muiltjes zoude gaan.
En woord hield zij, toen de tijd gekomen was, woord, iederen
uitgaansdag. Het was lief te zien, hoe langzaam zij met de vrouw, die
krukte, toen zij uit de drukte was, de binnenplaats van het gesticht om,
en nog eens omwandelde, en stoel en stoof buiten in het zonnetje zette,
den rug naar het licht, en het kussen haalde, en de steken in het
breiwerk opnam, en de luimen vierde, welke de best zoo goed had, als wij
allen die met hare jaren en kwalen hebben zouden.--Hoe wist Hanna zich,
uren lang, in de stille wereld te voegen, die wereld te onzent voor den
ouden dag geschapen: eene lieve, zindelijke woning, een bleekveld en een
tuintje,--geenerlei onbevredigde behoeften, en het genot dier weldaden
verhoogd door storelooze rust--of zoo deze wordt afgewisseld, dan
slechts door die soort van gezelligheid, welke den grijze het liefste
is, een praatje over het verledene, een praatje met een dankbare
betuiging besloten.
Het was avond in den vóórwinter, acht of negen jaren geleden; de kat
bakerde zich bij den kleinen haard, en het bestje mogt zoo zeggen, Hanna
was bij haar:
"Kom, kind, lees mij eens wat goeds voor. Of het aan de letters, of aan
mijn' bril, of aan mijne oogen schort, ik weet het niet, maar als ik het
zelve doe, het gaat niet meer."
En Hanna knikte de zilveren krappen open, en las ...
Maar wie trok daar zoo hevig de klink van de voordeur des gestichts
op?--maar wie stapte daar zoo driftig over de gele klinkers van den
binnenhof?--maar wie ... ja, hij moest aan het huisje van oude Machteld
zijn, zij zelve hoorde het duidelijk, 't was als kende zij die stem!
"Moeije! Moeije!" riep de borst, die al binnen was, eer Machteld haar
vermoeden aan Hanna had medegedeeld, en de armen van zijn kabaaitje om
de smalle schouders der oude sloeg. Poes, die verschrikt onder de
bedstede vlugtte, Poes, die hij zwaaijende langs was gestoven, Poes werd
vergeten: er schoten waterlanders van onder Machteld's grijze wimpers,
bij de tehuiskomst van den zoon eener veel jongere, vroeg verscheidene
zuster. Het bestje--ik zeide het reeds vroeger--het bestje was nooit
getrouwd geweest; zij had, zoo als zij Hanna diets wou maken, zelfs
nooit gevrijd; maar des ondanks had Machteld, zoo als Beets fraai heeft
gezegd, "de melk toch in het bloed," en haar gevoel had hare groene
jeugd overleefd.
"Dag, mooije meid!" voer de pikbroek voort, want dat was hij, en hield
Hanna om haar middel gevat, en gaf haar een' kus, die klonk als eene
klok, eer zij het hoofdje kon alwenden. De Hollandsche jongen had zoo
lang zwarte nikkertjes gezien, dat hij gaarne ieder blank meisje zou
hebben gekust.
"Bart! Bart!" riep Machteld. Het werd eene predicatie, als had zij geen'
zeerob maar een' wever tot neef gehad, Janmaat zou er zich geene zier om
hebben bekreund, was Hanna niet zoo spoedig opgestapt, had Hanna maar
van tehuisbrengen willen hooren!
"Toch niet," zei ze, vrij streng; en toen hij alevel opsprong, oef! toen
had dat mooije gezigtje eene waardigheid--die Bart overtuigde, dat de
gelegenheid voor dolle grappen met de zwarte nikkers vervlogen was.