En echter, lief meisje, dat zulke manieren onbeschaamd vindt, al ergert

gij er u aan tot kleurens toe, echter ging Bart--geen ligt matroos, maar

iemand, die na nog eene reize uitkijk had derde stuurman te worden--echter

ging Bart niet weder naar het zeeregt ter monstering, of, zonder dat

Hanna er een woord van gerept had tegen oude Machteld, werd zij op een'

Zondag avond te huis gebragt door iemand, wiens gang verkondigde, dat

het dek zijn vloer was geweest, wiens hoed op één haartje stond, wiens

halsdoek fladderde.

"Schel nog niet aan!" bad hij; maar het handje was aan den knop, en de

schreeuwleelijkert ging over.

"God zij met je!" snikte Hanna.

Daar deed de kameraad haar open.

"Wel, meid, wat is je muts verfomfaaid en wat zien je oogen rood--waait

het zoo?" vroeg de schalke deern, als had zij niemand gehoord, niemand

gezien, als wendde Hanna niet nog eens het hoofd naar die donkere

gestalte aan de waterzij, als knikte zij niet.

En toch, lief meisje, dat mij leest, toch zoudt gij Hanna ik zeg niet de

zwakheid jegens Bart, maar de onopregtheid tegenover Machteld hebben

vergeven, als ge veertien dagen later haar door de oude de les hadt

hooren lezen over hare geheimhouding. "Waar het hart vol van is, loopt

de mond van over, kind!" zei Machteld; "het was Bart niet mogelijk te

zwijgen, dat je beloofd hebt je vóór zijne terugkomst niet te zullen

verzeggen." En misschien hadt gij Machteld lief gekregen, toen zij Hanna

dochter noemde, bij de verontschuldiging van deze:

"Wist ik dan of gij er niets tegen zoudt hebben? Machteld,--moederlief!

Bart, zeidet gij altoos, Bart had geen matroos behoeven te worden, als

een mensch zijn zin niet een mensch zijn leven was; en ik ben maar--"

Inderdaad, ik had mijn opstel wel _het lezende vrouwtje_ mogen

betitelen, zoo weinig gang is er in--nog altijd brandt de lamp, nog

altijd staart zij voort--maar wees gerust, wij naderen het sombere heden

toch. Een woord slechts over den jongsten Sint Nicolaas, en we zijn er.

O mijne broeders van den gilde, die, op den avond van dat feest, welligt

naar iets piquants, iets nieuws, iets schoons hoop ik gezocht hebt,

hetzij in het gewoel van de Kalverstraat, waar het weder, veroorlooft

mij de uitdrukking, _à pure perte_ een grijnend gezigt zette,--hetzij

in de woning eens vriends, wiens aanvallige kinderen door Ter Haar

verdienden te worden geschetst,--gij die luisterdet en toezaagt, maar

geen treffend onderwerp vondt, neen, alle toestanden behandeld,

versleten, afgezaagd scholdt,--het is mij dikwijls als u gegaan. Dat gij

Hanna hadt ontmoet, dat gij in hare ziel hadt kunnen lezen! Welligt zijt

gij haar roer langs het lijf gesneld, welligt merktet gij haar niet eens

op,--bovendien, wien onzer is de gave bedeeld, onder zoo armelijke

plunje den schat van waarachtig gevoel te zien, welken zij dikwijls

verheelt? Het vrouwtje--gij vermoedt reeds dat zij met Bart trouwde,

_cela va sans dire_,--het vrouwtje zocht haren weg door den mist,

terwijl hare verbeelding de weergalooze helderheid van eenen

keerkringsnacht om zich zag.

De tegenstelling luidt sterk; maar, wat mooijer is, zij is waar ook.

Hoe had Bart haar den luister dier gezegende luchtstreek beschreven,

toen hij, van een' derden togt naar Indië teruggekeerd, haar verraste,

een kind, een knaap aan de borst!

Zie, ik mag haar in dien toestand niet voorbij zien, al ben ik u de

verklaring schuldig, wat hem bewoog van een' nacht onder dien

schitterenden hemel op te halen; waarom zij juist toen dat tooneel

gedacht.--Hoe beminnelijk zag zij er uit, Hanna met lot en leven

verzoend, Hanna de vrouw, Hanna de moeder, Hanna, die nu niet langer

geloofde, dat de hare heur wichtje, haar zelve van zich had gestooten!

Het te vondeling leggen was een gruwel der baker geweest, die de moeder

zeker had diets gemaakt, dat haar kind dood geboren was. En nu Bart, die

schreide, zoo als een man schreijen mag, van weelde, van verrukking, van

zaligheid, bij het zien van zijn evenbeeld, van zijn kind, dat niet bang

scheen voor zijne ruwe handen, dat niet wegkroop voor zijn' harigen kus,

die hem de armpjes toestak!

Hanna's gemoed, zeide ik, was vol van den keerkringsnacht. Of had Bart

haar dien, in zijne kunstelooze, maar waarachtige poëzij des harten,

niet beschreven, zoo als lucht en zee er uitzagen, toen hij met een'

braven ouden matroos aan den steven stond te praten? Deze had afgezien

naar de stille zee, en opgezien naar den stillen hemel, "die zoo wèl bij

elkander pasten," zei Bart, in zijnen eenvoud, "licht beneden, licht

boven, licht rondom ons."

"Stuurman," had Jaap, de oude matroos, gezegd, "is het geen afschaduwing

des hemels? Ik zou niet vreemd opzien, als mijn Guurtje mij in de

eeuwigheid in zulk een licht te gemoet kwam."--

Guurtje was 's mans mooije dochter, aan de tering gestorven.

En Bart--woeste, wilde natuur als hij was, had den oude willen afschepen

met een: "Wat schort je, paai?" maar zijne stem was in zijne keel

blijven steken. Dien ganschen dag, had hij Hanna verzekerd, was hij

reeds angstig te moede geweest, al wist hij niet waarom; immers het

schip liep als een pijl uit een' boog, en aan zijn werk haperde geen

zier. Maar bij die woorden van den oude was hem het hart week in het

lijf geworden; hij had Hanna voor zich meenen te zien, stervende ...

En het eene woord van den ouden matroos had het andere uitgelokt; maar

laat ons Bart zelven laten spreken.

"En ik vertelde hem hoe goed wij het hadden--hoe lief ik jou heb; dat

behoefde ik hem niet te zeggen, hij had het wel gehoord, toen ik zoo

angstig uitriep: "Jaap, als haar uurtje eens geslagen is!"--want ik

maakte er voor hem geen geheim van, dat je mij, vóór ik heenging, zei,

dat je geloofde ... Weet je nog, Hanna, dat de tranen jou in de oogen

kwamen, toen ik bij jou haperen een' voet van den grond sprong, en hoe

je mij zeî, dat ik altijd zou mogen denken, dat ik je gelukkig had

gemaakt, als ik je eens niet weêr zag? Toen wou ik er niet van hooren,

dat je sterven zoudt; toen beloofde ik jou, dat ik je hoornen en

schelpen meê zou brengen voor den kleinen Bart,--den kleinen Bart! daar

is hij waarachtig!--o wat een jongen! hij grijnt niet, als zijn vader

hem zoent! Hier, Hanna! ik moet jou ook eens kussen: het was "man!" toen

ik weg ging, nu is het: "vaêrtje!"--Maar in den nacht, waarvan ik sprak,

toen was die man een kind; zie, de datum heugt mij nog, het was de

vierentwintigste September--"

"Toen ben ik bevallen, Bart!"

"Dach ik het niet al," zei oude Jaap, "dat het bijgeloof was?"

"Stuurman," zei hij, "ik ben geen fijmelaar; maar was ik jou, ik ging

naar mijne kooi, en ik deed een gebed, dat zal je lucht geven." En,

Hanna--gelooven moet jij het, want je weet, ik geef me niet beter dan ik

ben--al kon ik in de kerk den Dominé meestal in het bidden niet volgen,

ook al jookten mij geene wilde haren onder den neus, wijl die mannen

zulk een' schat van mooije woorden hebben, in dat gebed liepen mijne

gedachten mijnen woorden vooruit. "Onze Lieve Heer zal er wel wijs uit

worden," zei ik, toen ik snikkende "Amen!" sprak, "en er voor haar wel

bij zorgen," want ik had Machteld-moei in mijn gebed vergeten, de sloof,

die mij bidden heeft geleerd--ik vergat haar om jou."

Stel u eens voor, hoe Hanna Bart bij die woorden aanzag!

"En de Heer heeft mijn gebed verhoord; dat doet Hij altijd, als wij maar

vurig bidden," voegde de gelukkige echtgenoot en vader er bij; doch hier

ook braken Hanna's herinneringen op dien Sint-Nicolaas-avond af. De

woorden van ouden Jaap, welke Bart er, in den overmoed zijns geluks, zoo

achteloos op had laten volgen: "Tenzij het beter voor ons is, dat Hij

ons de bede weigere,--zoo als Hij mij het sterfbed van mijn Guurtje

deed, die ik niet weêr zal zien, vóór in de eeuwigheid--" die woorden

gingen te loor in een' zucht.

En waarom?

Helaas! door den mist heen zag zij in het dok hier en daar licht op de

schepen,--maar zijn schip, waar was het? Had zij dan niet vurig gebeden?

Foei, dier verbijsterende gedachten mogt zij niet toegeven. Hare

kindertjes,--hun was sedert ook een dochtertje geboren,--hare kindertjes

verbeidden haar te huis; de bloeden moesten toch eene kleinigheid

hebben, al was haar hart meer voor rouw dan voor pret gestemd. Voort

dan, voort! Daar was zij aan het winkeltje, waarin die weeûw Sint

Nicolaasgoed verkocht. Bij wie anders zou zij het halen dan bij die

vrouw, welke zoo sober rondkwam, die weeûw ...

Het schip was al twee maanden over den tijd uitgebleven!

En van Sint-Nicolaas-avond tot den avond vóór Kerstijd zijn negentien

dagen, negentien nachten, wier lengte _zij_ kent, die wacht.

Lees voort, Hanna, lees voort! Wat zoudt gij beter doen?

Een Oost-Indievaarder op de kust is een belangrijk nieuws; want aan

honderd derzulken hangt het lot van duizenden en tienduizenden, hangt

schier het lot van ons volk. Als hij Texel is binnengeloodsd, dan stort

hij zijn' hoorn des overvloeds in den schoot van het dankbare Vaderland

leêg. Welligt brengt hij de laatste vurig verbeide tijdingen uit het

gewest, waarin schier elk tegenwoordig betrekkingen of bloedverwanten

heeft, en zijne lading onderhoudt onze gemeenschap met alle deelen der

wereld. Wees geprezen, eiland der eilanden, dat rijken beschaamt! Of

verdringt niet de Java-koffij alle andere?--de tallooze soorten der

West-lndiën in Europa,--de Mocka bij Tartaar en Turk?--Of kruiden, van

het eene schiereiland tot het andere, kruiden, beide Spanje en Zweden,

hunne geregten niet met onzen nageloogst? Of is er _negus_ voor den

Yankee zonder den geur onzer Molukken?--Laat Duitschland stoffen op

zijne bietekroten, èn Oost-Zee èn Zwarte Zee begroeten om strijd koffen

en brikken met de gelouterde suiker van Java belaân. Willen wij

voortvaren op dien toon? Het tin onzer bezittingen ziedt in al de

smeltkroezen van het vaste land, en de Java-indigo leent zoowel het

gewaad der blanke dochteren van het Noorden als dat der bruine schoonen

van het Zuiden zijne frissche kleur. Doch voltooi zelf de aangelegde

schets: voorzeker, een Oost-Indievaarder, die te huis komt, is een

verheugend, een verheffend schouwspel, door den voorspoed des lands, de

welvaart des volks er aan verknocht!

Helaas, dat ik u de keerzijde van den penning moet laten zien; een schip

van Java verbeid, doch dat uitblijft,--langer dan andere, te gelijk

afgezeilde,--weken, maanden langer dan eenige later vertrokkene en toch

reeds aangekomene bodems,--welke geheel verschillende gewaarwordingen

wekt het op,--welk leed berokkent het! Het onthoudt,--zie eens, hoe

aller belangen zaamgeschakeld zijn in ons burgerlijk landje!--het

onthoudt zoo vele handen der smalle gemeente dagen lang werk, aan zoo

vele monden dagen lang brood! Het schijnt eene streep te zullen maken

door de rekening van de werf, waarop net zou zijn gekalefaterd,--het

dreigt eene winstderving te worden voor makelaars en kooplieden, die de

carga reeds opsomden, ieder voor zich een zóóveelste. Het jaagt de

vreeze voor een aanzienlijk verlies in het hart der verzekeraars, onder

welke er zijn wier evenaar wankel genoeg staat zonder dit gewigt in de

kwade schaal,--en het is een doorn in het vleesch der directeuren van de

Nederlandsche Handel-Maatschappij, wier raming er door gestoord, wier

schikking er door belemmerd wordt. We zijn er nog niet! Het ontrust tot

de ministers van koloniën en van financiën, tot de hoogste ambtenaren

der kroon toe; want wie hunner mag onverschillig zijn voor iets dat op

de kaai, in het dok, aan de beurs, schrik en angst verspreidt? Den

koning der Nederlanden, zou ik schier durven zeggen, gaat het lot van

zulk een' bodem ter harte! Want de wortels der eeuwenheugende eiken,

waaruit hij is opgebouwd, schaduwden, door hun omgrijpen en uitschieten,

in de wouden en op het gebergte, slechts flaauwelijk de duizende

slagaderen des maatschappelijken levens af, waarmeê het in aanraking

kwam, waarin het greep, toen het op het Y vlagge en wimpels zwierde,

--luister onzer handelsvloot, als het was!--die het zal kwetsen en

stremmen, wanneer het nooit uit den schoot der wateren weêr opdaagt,

--beladen als het werd met de weelde van het Oost!

En sla nu dat blad vol onheilspellende cijfers eens digt, en waag een'

blik op het lot van hen, die, droomende van vaderland, vrienden, vrouw

welligt, op dien bodem, onder stormen-zwangeren hemel, in stik donkeren

nacht, misschien eensklaps den dood voor oogen zien,--of uren, dagen

lang, beurtelings door hoop en vrees gefolterd, op eenen oceaan

ronddrijven, slechts verlicht, ten einde ze zijne onmetelijkheid zouden

erkennen, en het wanhopig makende ijdele gevoelen der hersenschim van

redding, waarmede een enkele hunner zich nog vleit. O, de rust in den

schoot der wateren is verkieslijk boven de verlenging van zulken

angst!--en "de barmhartigheden des Heeren gaan over alle Zijne werken!"

op het vuur en in den vloed, voor altijd en eeuwigheid,--dat staat tot

onze vertroosting geschreven. Vertroosting? Ach, hunne betrekkingen,

--ach, mijne Hanna!

Hooger lof heb ik voor onzen volksaard, voor de ontwikkeling der weeze,

voor hare vroomheid niet, dan de betrekkelijke kalmte, waarin ik u haar

schilderen mogt. Hoe verheven schijnt ze mij! Een beeld uit den vreemde

zou de diepte des gevoels aanduiden, door den waanzin, waarin het

onderging,--en echter, hoe hoog Hanna boven die hartstogtelijkheid sta,

het ware der waarheid geweld aandoen, zoo ik het menschelijke verzweeg.

Opgerezen uit haren stoel, heeft zij den Bijbel digtgeslagen, en ging

zij naar het wiegje in gindschen hoek, en ligtte het kleed behoedzaam

ter zijde,--haar dochtertje sliep gerust. "God zal deernis hebben met

hare onschuld!" zeide zij.

En nu, daar leunt zij tegen de kribbe van haren eerstgeborene, van haren

Bart,--wat aarzelt gij?--Eer zij het hoofd op haar slapeloos kussen neêr

kan vleijen, moet zij hem toch even zien, hem, zijn vaders evenbeeld.

Verduisterd door tranen, als ze zijn, laat zij hare oogen lang op hem

rusten. Wraak het, zoo gij durft, dat de wensch haar op de lippen komt:

"Och, dat hij klopte!"

Hoe zij luistert!

Vergeefs!

"Ik zal morgen opgaan,--of God mijn geduld, mijn geloof versterken wil!"

Doe het, Hanna! Martelaresse als ge waart in uwe geboorte, martelaresse

als gij dreigt te worden in den echt, doe het! En welke hoofden er zich

buigen mogen,--aanzienlijken en armen, gevierden en geringen--allen, die

u kennen, zullen bidden, dat op het uwe het eerst het licht dale, dat

van boven is. Want wien onzer zal het zoo zwaar vallen, zich zelven te

verloochenen, als gij het u zult doen in het berustende:

"Uw wille geschiede!"

1843.

* * * * *

INHOUD

LIEDEKENS VAN BONTEKOE

I 't Passeren der Linie

II Roeltjen uit de Bontekoe

III Louw en de Waarzegster

IV De Zeilwagen van Prince Mouringh

V Machteld

VI Papegaaijen-deuntjen

VII Wijs Klaertjen op 't ijs

VIII Inkeer

IX Jan Compagnie

X Dieuwertjen

VERHALEN:

Blaauw Bes, Blaauw Bes!

't Is maar een Pennelikker!

Marie

De Ezelinnen

Hanna

* * * * *

Liedekens van Bontekoe en vijf novellen Blaauw bes, blauw bes!—'T is maar een pennelikker!—Marie—De ezelinnen—Hanna · 第 12 / 12 段