niet, die ingenomen ouders en ongezeggelijk kroost haar drie maal van

de vier berokkenen. Laat zij vertrouwen winnen zoo als zij verdient,

wanneer zij met hare leerlinge de bovenkamer verlaat, waar een armstoel

haar ten troon strekt; als zij zonder gedruisch--zij gevoelt hoe weinig

zij geldt--de eetzaal inglijdt, dan vindt zij, ja, eene plaats aan den

disch, maar beneden het zout, en de dienstboden verwonderen zich, dat

zij haar moeten bedienen, haar, die eerst na de mannelijke gasten wordt

bediend. Ei, wie is zij toch, dat men haar dus ongestraft honen durft?

Wat misdeed zij, dat de vrouw des huizes, die in haar de sekse, waartoe

zij behoort, moest doen eerbiedigen, dien gruwel ziet en duldt? Welke

uitzigten werden haar geopend, om wier wille zij zich getroost eene zoo

twijfelachtige betrekking te bekleeden? Zij is arm, buiten hare schuld.

Zij bood hare diensten, ter opvoeding aan, dewijl ze slechts te kiezen

had tusschen deze taak en de schande. Zij ontvangt een loon, een-,

twee-, driehonderd gulden 's jaars, boven de gastvrijheid van den huize,

indien hare bete, haar dronk, haar leger dien naam verdienen;--de vossen

die de koets trekken, kostten meer dan twaalf honderd gulden, en hoe

worden zij verpleegd! Te loor gesteld in al hare verwachtingen, telt

zij hare dagen bij hare krenkingen, is een verlaten ouderdom haar

verschiet.... Arme misdeelden! niet u wijt ik den wrevel, die u

kenschetst,--den nijd, die u verteert,--den menschenhaat, waarvan gij

blaakt; de roos der min geurt u niet: wie durft eíschen, dat gij lief,

vrolijk, goedhartig zoudt zijn?

"_Sad melancholy mark'd you for her own!_"

Ik sloeg Marie eene kleine wandeling voor.

"_Si mademoiselle veut me permettre?_"

"_Oui, ma chère_."

Terwijl het lieve kind mantille en hoed en parasol haalde, maakte de

gade van den onbekenden Staatsraad _mademoiselle_ een compliment over

hare opvoeding: "_elle avait si bien apprivoisée Marie_ ..."

Ik heb een lastig zwak voor een Hollander onzer dagen: onverdiend

toegezwaaide lof maakt mij kregel.

"_Jusqu'à lui faire briser les ailes dans sa cage_," viel ik in, en

voegde er, berouw gevoelende over mijne scherpheid, bij: "_la faute en

est au système et non à vous, mademoiselle!_"

De moeder van den wakkeren zeeman knikte mij goedkeurend toe; haar wilde

jongen was een knap officier geworden.

_Mademoiselle_ had zich zeker met de verdediging van het stelsel belast,

een stelsel, waardoor onze jonge meisjes worden opgevoed, als moesten

zij alle onnoozele nonnekens blijven; maar Marie verscheen. Zij zag er

allerliefst uit; ik bood haar mijnen arm.

"Dadelijk mijnheer!" zeide zij, en wipte naar hare mama, en kuste de

bleeke. Het was hare eerste onwillekeurige beweging, sedert ik haar

weêrzag. "Welk een aanleg gaat hier te loor," dacht ik.

En haar handje gleed over mijnen arm; het rustte naauwelijks.

"Diane heeft u verwacht, Marie," begon ik, toen wij eenige schreden

waren voortgewandeld.

"_Mademoiselle_ vond, dat het niet voegde, mijnheer."

"Lieve Marie, mijnheer me zoo niet!"

Eene pauze.

"Gij hadt vrolijker gouvernante kunnen treffen."

"O, zij is zeer goed!"

"Maar dat is geen Hollandsch, beste meid! O, _elle est très bonne_. Doch

gij spreekt dagelijks Fransch met haar; wat leest gij?"

"Wij lezen veel Engelsch, mijnhe ..."

"Wat, mejufvr ..."

"_Miss_ Hannah More."

"Oef!" dacht ik, en zuchtte; want bij het verderfelijke beginsel der

britsche opvoeding: "_what would people say?_" het gekwezel eener oude

vrijster, de lectuur van een meisje van zestien,--hoe hield het kind het

uit?

"En als gij in de stad zijt, gaat gij zeker bij _the Reverend_ ... ter

kerk?"

"Altijd, mijnheer."

Zie, het past mij niet een vonnis te vellen over het ritueel der

episcopale eeredienst; Walter Scott heeft, met den tact die hem

onderscheid, er al het schoone van doen uitkomen, in de huiselijke

avondbede van _sir_ Henry Lee en zijne beminnelijke dochter; maar woon

eens zeven zondagen achter elkander de voorlezing van dezelfde litaniën

bij, een leer hoe veel uw gevoel aan innigheid verliest, hoe zinledig

vormen zijn!

Er volgde weder eene pauze.

"Welk een oord!" borst ik uit.

Ik waag mij niet aan eene beschrijving; het landschap duldt er geene,

schoon, de stoffaadje niets zeldzaams heeft. Er zijn menschen, die u

zeggen, dat er slechts een vloed door eene weide kronkelt, terwijl er

aan uw eene zijde duinen oprijzen, en aan de andere twee oude boomen

staan. Maar Marie schetste de plek vóór jaren, met een woord.

Mijn rijdpaard was schichtig geworden; het steigerde, en wilde het pad,

dat derwaarts voert, inslaan.

"Niet regts!" riep ze mij van het hare toe: "niet regts! dáár woont de

stilte."

En ik vergat mijn ros te bestraffen, om den gelukkige uitdrukking harer

phantasie te bewonderen.

"Dáár woont de stilte!"

Aarde en hemel was er weder in harmonie, geen wolkje zwierf langs het

zuiver blaauwe luchtruim; de breede stroom deed niets dan dat gewelf

weerkaatsen; de kroonen van het monarchenpaar schenen dubbel statelijk

door hunne roerlooze rust.

Ik zag Marie aan; hare vingeren speelden met een medaillon.

En mijn blik rustte op het verschiet, waar de hellende heesters zoo vele

waaijers schijnen, om het blinkend duinzand uit het oor te keeren. Ik

verbeeldde mij, dat de veldnimfen waren ingesluimerd; immers geene

wuifde; alle blanke armen waren op de mollige heup of op het frissche

gras afgegleden; de zoelte had haar bevangen: ik hoorde de stilte.

Daar ging de veêr van het medaillon; er was een lok blond haar in; Marie

bloosde.

"Van Willem," zeide zij openhartig; "weet gij, of hij al kadet is?"

En zij bloosde sterker.

"Ha! eene eerste liefde," dacht ik.

"Spreek er toch _mademoiselle_ niet van!" ging zij verlegen voort.

O opvoeding!

Ik sloeg het verzoek af, noch stemde het verzoek toe; ik hoorde de

dorpsklok slaan, en wij keerden terug. Het ware u kwellen, zoo ik u alle

pauzes deed medemaken, die er tusschen mijne vraag, of Marie nog veel

naar de natuur schetste? en haar antwoord: "_Mademoiselle_ is niet sterk

in het teekenen," tusschen mijn ongeloovig: "En waarin munt zij dan

uit?" en haar vertrouwend: "O, zij leert mij geographie, mythologie,

historie en handwerken; zij heeft reeds vele educaties geacheveerd,"

verliepen.

Het luiden van den bengel riep ons in de eetzaal.

Marie zat naast _mademoiselle; c'est tout dire_.

En toch heb ik nog iets op het hart.

Ik ben gastronoom noch epicurist; maar ik had liever, dat ge mij voor

één van beide hieldt, dan voor een koud-waterdrinker of pannekoekeneter.

Wie ook naar buiten ga, om zich te behelpen,--wie ook op het land gaarne

het weinige voor lief neme,--ik ben zoo bescheiden niet. Zoo de oude

kloostertucht zich de versterving aller zinnen ter taak stelde, ik word

liefst op het eigen oogenblik overtuigd van de prikkelbaarheid mijner

vijf. Vele spiegels--lichtkleurige wanden,--een zuivere dampkring om mij

heen,--een zonnig landschap in het verschiet, waar het geopend vensterraam

en de half weggeschoven gordijn een koeltje binnenlaten,--overvloed van

schotels voor mij, wier verscheidenheid mij de weelde te kiezen

onbekrompen vergunt--geurige tintelende wijnen in kelken, het edele

vocht waardig,--vooral lieve, vrolijke, mooije aangezigtjes naast en

over mij,--en, wilt gij het geheel volmaken? de malsche, ruischende

toonen eener muzijk, die zich niet oorkwetsend opdringt, die tevreden

is, zoo gij slechts naar haar luistert, als de zoeter stem aan uwe zijde

zwijgt;--ik zie er niets zondigs in, ik acht er mijnen gastheer te

humaner om, naarmate hij voor dat alles opener zin toont. Doch zult ge

mij niet toeroepen:

"Ah! n'allez pas chercher midi

A quatorze heures!"

zoo ik u beken, dat ik nog iets meer verlang,--iets, dat niet op den

huize Duin en Dal alleen ontbreekt,--iets, dat in ons vaderland

zeldzamer is dan rijkdom, weelde, overvloed?--eene gastvrouw, die toon

geeft,--die het gesprek levendig houdt,--die ons, door de gaven van

haren geest, de gaven der fortuin vergeten doet.

Veroordeel mij niet, voordat ge mij gehoor hebt verleend.

Wij hebben huiselijke, wij stoffen op vrome, wij zijn mild bedeeld met

deftige vrouwen; ik heb eerbied voor de eerste, de tweede en de derde,

schoon ik wenschte, dat alle een weinig levendiger, beminnelijker,

gezelliger waren. Er is geen onfeilbaarder gids tot onafhankelijkheid,

dan eene spaarzame, overleggende, naauwtoeziende huismoeder; maar het

leven wordt ondragelijk vervelend, wanneer men ons zijne geriefelijkheden

beknibbelt; en zoo gierigheid de wortel van alle kwaad is, zij zie toe

wat zij kweekt, die haar gezin slechts onthaalt op de schrale geneugten

van uit te winnen. Eene ongeloovige vrouw is zelfs den ongeloovige een

gruwel. Ik laak het niet,

Dat zich door alle weêr en winden.

Eenvoudige welmeenendheid

Soms driemaal 's daags ter kerk doe vinden;

de waarlijk vrome is blijmoedig van aard; een heldere geest, een rein

hart looft den Heer in het dankbaar genot Zijner schoone wereld; slechts

zij, die zich in eene wolk van eigen heiligheid hullen, doen afstand van

het zoete voorregt vreugde te verspreiden, gebogenen op te rigten. O, de

mantel der waardigheid plooit zich statelijk om de kloeke gestalten

onzer aanzienlijke vrouwen; waar hij ruischt, deinst de ligtvaardigheid

terug, grijpt der onbedachte jeugd eene huivering van eerbied aan: ik

heb te veel zin voor decorum, om hare poses bij hoogtijden en rouwbeklag

niet te bewonderen. Doch het gaat der deftigheid als alles, wat niet in

de natuur, wat slechts het gevolg van overeenkomst is: in het gezellig

leven, in den dagelijkschen omgang lokt zij ons een "_cui bono?_" af;

wie beklaagt den echtgenoot eener altijd getabbaarde matrone niet?

Waarlijk, mijn eisch heeft minder onredelijks dan gij vermoeddet; in

iederen stand moesten de schoonen der bevalligheden ijveriger offeren.

En zoo ik het der burgerlijke huishoudelijke niet euvel duide, dat zij

_vrieg_ in plaats van _vroeg_ zegt,--dat zij van _profester_ spreekt,

--dat zij _eindelijk_ met _eigenlijk_ verwisselt,--zoo ik niet van haar

eische, dat zij het vervelende "_En toen zei ik_," het langdradige "_Om

kort te gaan_," het babbelzieke "_Onder ons_" afleere,--mits zij van

vliering en zolder naar keuken en kelder dribbele, overal het onordelijke

herstellende.

Denn ein geschäftiges Weib thut keine Schritte vergebens,

mits er welvaart en voorspoed in hare woning heersche,--ik durf

onbekrompener levensbeschouwing, veelzijdiger beschaving, gezelliger zin

wachten bij haar, die wekelijks onze redenaars hoort,--zij, wier smaak

voor alles, wat goed, edel en schoon is, de lezing van het boek der

boeken verfijnen moest. En indien ik ook deze om het vormelijke, dat

onze leerredenen aankleeft, om den ernst, die op het voorhoofd onzer

sprekers zetelt, om het stellige, dat hun oordeel kenschetst, iets

stijfs, iets ingetogens, iets wrangs ten goede houde,--zoo ik haar niet

verwijte, dat de lachjes vreemdelingen in hare woning zijn,--zoo ik het

haar niet toerekene, dat haar gade de uren, die hem van zijn beroep

overschieten, in het koffijhuis, aan de ombertafel, onder een glas en

eene pijp zoek brengt,--droef bewijs, dat Voss zich juister had kunnen

uitdrukken, dan in zijn hexameter:

Lieblich und schön seyn ist nichts; ein Gottesfürchtiges Ehweib

Bringet Lob und Segen!--

ik eisch bij vrouwen van hoogeren stand al de geneugten van hart en

geest, opdat de verveling niet tot _maitresses_ voere.

Hoe zoude ons leven, onze maatschappij, onze letterkunde er bij winnen,

indien vrouwen er eenen meer dan lijdelijken invloed op uitoefenden!

En zij zelve!

Arme Marie! die, in uwe vrijheid, eene duinroos gelijk, uwe geuren ieder

voorbijsuizend windje prijsgaaft, uwe knopjes voor iederen afzwervenden

zonnestraal ontsloot, waarom moest men u in eene broeikast verplaatsen,

uwe weelderigste loten afsnijden, uwen schilderachtigen groei

weêrstreven, uwe aantrekkelijkheid in een nevel van onbeduidende,

vervelende, zoogenaamde bescheidenheid hullen? Uit milde hand deelde

de natuur u drie gaven toe; zij pleegt ze zelden in hare grootste

gunstelingen dus te vereenigen. U schiep zij schoon; u schonk zij geest;

u ontzegde zij geen hart. Ach, hoe ligt kan het eerste en het laatste

geschenk u noodlottig worden, als uwe gouvernante er in slaagt, om u van

het schild, waarmede de welwillendste aller feeën u in het tweede

voorzag, te berooven! U had zij het groote geheim aller conversatie

ingefluisterd: gij luisterdet en gij vroegt; gij hernaamt en gij

verhaaldet; gij luisterdet en gij merktet op. Hadt gij dien krans voort

mogen vlechten, bloem bij bloem ware door uwe fijne vingertoppen

aangeraakt; onwillekeurig hadt gij de verwelkte van de frissche leeren

onderscheiden, de heelende van de vergiftige.

En nu?

Weldra zult gij in onze wereld optreden, bekoorlijk door uwe schoonheid,

moeders zien het hare dochters gaarne;--aanlokkende door uw gevoel, het

hart ligt buiten het bereik eener gouvernante;--begeerenswaard om uwen

rijkdom o, dat gij geen bruidschat hadt! Ik zie hen in het verschiet om

u heenwemelen, de hommels--neen, de gieren onzer zedelijke maatschappij:

den bedaagde, wiens hart lang verstorven is, maar die geen weêrstand kan

bieden aan de verzoeking, om drie winters lang van zich te doen spreken,

als van den gemaal der schoonste van iedere partij, ieder feest, ieder

bal;--den eerzuchtige, die weet, dat in onze dagen slechts vermogen tot

gezag voert, en, mits uw goud hem tot voetstuk strekke, u vergunnen wil

zijnen naam te dragen; elk ander beschermer zoude hem onder duurder

verpligtingen leggen dan gij;--den lichtmis, die zijn erfdeel, zijne

jonkheid, zijne geestkracht heeft verspild, en u ten echt vraagt, opdat

gij, schuldelooze, verkwijnen moogt als hij, die zijne dwaasheid boet.

En gij zult kiezen, zonder oordeel, uit ijdelheid, naar belangzieken

raad, en later zal uw vernuft uit de asch opvlammen, zullen uwe driften

ontwaken, en gij zult strijden of vallen: u toeft een levenslange kamp.

Weleer alleraardigste, nu beklagenswaardige Marie, hoe zou ik mij durven

vleijen, dat gij gelukkig zult zijn?

1839.

* * * * *

DE EZELINNEN

(EENE SCHETS UIT MIJN VENSTER)

Een korenveld, eene weide, een bosch leveren zeker streelender verschiet

op, dan eene straat of eene gracht in de stad; maar hoeveel afwisselender

en veelzijdiger poëzy schuilt er in de menigte welke ik binnen de muren

dagelijks mijn venster langs zie gaan, dan in het gelaat van hemel en

aarde, buiten!

Het was in den nazomer van het verleden jaar, dat mijne opmerkzaamheid,

uit het venster de straat op en afdolende, vóór het invallen der

schemering, geboeid werd door een schouwspel, dat mij dikwijls somber

stemde. En echter leverde de groep een vroolijk tooneel op, dat bij

wijlen zelfs dartel werd,--het waren vijf, zes, zeven ezelinnen met

haren drijver.

Vrees niet voor alweder eene beschrijving eener tering; onder de studie,

welke de krankte eischt, zou ik mij welligt verbeelden haar ter prooi

te zijn.--Integendeel, toen ik de graauwtjes vóór de deur van mijnen

overbuurman zag stilhouden,--òverburen, die ik wat meer kende, dan men

het gewoonlijk zijne nááste doet--toen kwam de gedachte: "Wie zou er

krank zijn, _hij_ of _zij_?" naauwelijks bij mij op, of ik zeide in mij

zelven:

"Geen van beide."

Oordeel, of gij een' dier jeugdige echtelingen zoo erg zoudt hebben

geacht, dat zij reeds tot ezelinnemelk hunne toetvlugt moesten nemen;

beslis, dit zeg ik, als gij de volgende bijzonderheden zult hebben

gelezen.

Hij? hm!--Wie, als ik, de drie kruisen achter den rug heeft, smaakt de

twijfelachtige vreugde, allengs de kennissen zijner jeugd gevestigd te

zien. Twijfelachtige vreugde, voorwaar! Want bij die herschepping

verkeeren velen, helaas, van vrienden, dat men hen waande, in kennissen,

als ik ze noemde. Een andere familiekring--hoe vervreemdt die!--Een

vertrek naar elders--hoe kwijnt weldra de briefwissel, welke na verloop

van het eerste jaar geheel ophoudt!--En toch behooren deze nog tot de

minst smartelijke wijzen, waarop men de begoochelingen zijner jonkheid

ziet vervliegen. Sommige banden worden niet langzaam door den tijd los

gestrikt, gebrek aan sympathie in de beschouwing van het werkelijk leven

breekt die wel eens plotseling en voor altijd af, schoon men elkander

blijft zien, schoon men de kennis aanhoudt. Welk eene andere toekomst

achtte ik mijn' overbuurman, achtte ik Pieter beschoren, toen ik,

verscheidene jaren geleden, met hem de duinen opwandelde, en wij, op den

top van dezen of genen blinkert, het dubbele lied hoorden, dat nog

wedergalm vindt in mijn hart,--welk eene andere toekomst, dan zich voor

hem verwezenlijkte? Toen luisterden wij, opgewonden jongeluî als we

waren, beurtelings naar het landschap aan onze slinke, dat ons _ijver_

toesuisde, en naar de zee aan onze regte, die _glorie_ zong--toen

spraken wij van het verleden, van degelijkheid,--toen beloofden wij,

--ja, wat niet al!

Vóór drie, drie en een half jaar misschien, kwam Pieter mijne woning

binnen, stoof zou het woord zijn geweest, als hij mij geruimen tijd

vroeger iets dergelijks had mogen mededeelen, als hij mij op _dat_

oogenblik wilde aankondigen. Lot en leven hadden hem, voor een half

_lustrum_, het is waar, op eene zware proef gesteld. Hij had hopeloos,

hij had vergeefs bemind. Maar de jongeling, die, na eene teleurstelling

van dien aard, niet strenger vasthoudt aan al wat hij vroeger hoog en

heilig achtte, heeft hij waarachtig lief gehad?

"Ik wou je toch eens komen vertellen, dat ik geëngageerd ben," zei hij,

dood bedaard.

En wij waren elkaâr reeds zoo vreemd geworden, dat ik verpligt was te

vragen:

"En met--?"

"De dochter van ----" en eenige kwaliteiten volgden.

Ik was niet genoeg vriend meer,--vergun mij te zeggen: ik heb te strenge

begrippen van vriendschap, om in te houden, wat inij uit het hart op de

tong kwam:

"Dat is anders dan met Elise--"

"Och--wat--ja!" hernam hij, eene phraséologie, waartoe hij reeds

dikwijls zijne toevlugt had genomen, als ik hem sedert zijn blaauwtje,

zijn wankelen, zijn hinken op twee gedachten verweet. Hij was nog niet

zóó ver gekomen, om te beweren: "dat men transigeren moet, om in het

practische leven nuttig te zijn;" enz., enz. Hij begreep, dat hij toch

iets ter gunste van zijn meisje zeggen moest, en liet er zich

verstandiger over uit, dan hij gedaan zou hebben,--ware hij verliefd

geweest.

En voor Pieter, die, een half jaar na zijn engagement getrouwd, mijn

overbuurman was geworden; voor hem zou de drijver daar het balsturigst

paar ezelinnen uit den hoop, ongezeggelijk en zaämgekoppeld als het was,

aan die ijzeren leuning vastbinden? Hij zou krank zijn, hij, wien de

aanstaande schoonpapa eene geschikte partij had gevonden, al dreef hij

een beetje oppositie, "oppositie was immers tegenwoordig de weg om er te

komen?" Pieter, wiens grieven tegen onzen tijd de valkenblik van den

oude teregt niet zoo zwaar had geacht, dat een lucratieve betrekking die

niet zou kunnen genezen; Pieter de tering? bah!

Was _zij_ dan welligt lijdende? wie het geloofde, niet ik. Het toeval,

--waarom het verheeld?--het toeval, dat door mijne nieuwsgierigheid niet

zoo heel toevallig was, had mij spoedig zijne Louise leeren kennen.

Alles wat zijne vroegere en latere geliefde gemeens hadden, was de

uitgang van den naam _en_ ise. Twee meer verscheiden meisjes zijn

naauwelijks denkbaar. Of het onderscheid louter dáárin had bestaan, dat

de eerste eene brunette, de laatste eene blondine was! Maar Elise,

levenslust, plaagzieke dartelheid,--liefde--innige, vurige liefde; maar

Louise, onberispelijke vormen bij volslagen vrijheid van hart, om niet

te zeggen afwezigheid van gevoel! Ik zag haar bij het stilstaan der

graauwtjes vóór mij, zoo als ik haar had gezien den dag, waarop hun

huwelijk werd voltrokken,--den dag, sedert welken ik weinig meer van

haar hield. Pieter had mij verzocht zijn getuige te willen zijn,--zóó

iets weigert men niet.

Er was echter veel, dat haar verontschuldigde, bij de plegtigheid niet

over aangedaan te zijn geweest.--Het ware onbillijk van mij, zoo ik het

verzweeg.

Vóór alles, zij was moederloos: de weeze had de zoetste betrekking

weinig of niet gekend. Op een paar vermaarde pensionnats was zij door

haar koel temperament beveiligd voor--het woord _besmetting_ is wat

hard; en toch geve God, dat wij nooit een zachter leeren gebruiken voor

die ontreiniging der gedachten, welke het gevolg is van overprikkelde,

onmaagdelijke nieuwsgierigheid. Arm kind, dat zij voor die strenge

kuischheid van zin, welke haar van de geheimen harer gespelen afkeerig

maakte, niet in een ander opzigt, niet door de verzuimde ontwikkeling

van haar hart had geboet! Wien konde zij lief hebben, wien leerde zij

beminnen? Een' vader, dien zij zelden zag; die haar, toen zij de school

had verlaten, verzocht bij zijne gastmalen als vrouw des huizes te

ontvangen, en die haar uithuwelijkte--om zelf weêr te trouwen?

En de ceremonie!

Het was eene dubbele, zoo als er bij alle fatsoenlijke huwelijks-

voltrekkingen te onzent plaats grijpen, sedert de invoering van den

burgerlijken stand,--die eene voortreffelijke inrigting zoude zijn,

als wij haar niet zoo _mir nichts, dir nichts_ met huid en haar hadden

geslikt; als wij haar gewijzigd hadden naar onze zeden. Een huwelijk is

in Holland nog niet louter _un contrat civil_, de hemel zij er voor

geloofd! "Dan sukkele de kerk den staat achterna!" schijnt het stelsel;

maar hoe die verdeeling den indruk verzwakt: God, in Christus onze

Vader, volgende op dat heidensche opperwezen, 't welk eigenlijk niemands

God is!

Het formulier naar de wet had echter op Louise, op ons eenigen indruk

kunnen maken, ware het voorgelezen, zoo als onze moedertaal hoogtijden

spreekt, kernig, met nadruk, uit het gemoed. Maar al had een

afstammeling van Oud-Hollandschen huize de voordragt op zich genomen,

het was geen Hollandsch wat wij hoorden. Spreek mij niet van

Gallicismen; de Gallomanie deed de toppen der vingers tintelen van

ergernis; het was of zij ons trok bij de haren.

En de griffier raffelde de acte over--als wenschte hij dat niemand meer

trouwen mogt,--om hem de moeite te besparen.

De inzegening had in de Wale-kerk plaats;--daar bruidegom noch bruid

nazaten van _réfugiés_ waren, vergoedden geene familieherinneringen het

onhartelijke der vreemde taal. Noem dit niet bekrompen, bid ik u. De

mindere innigheid van het Fransch komt doorslaande uit, als gij de

huwelijksformulieren der hervormde gemeenten in beide talen vergelijkt.

Zie, ik vergaf het Louise, dat er ook dáár geene tranen in hare oogen

kwamen. Maar dat zij, na den afloop van het feest, zóó hartstogteloos,

zóó kalm, in het reisrijtuig stapte, als ware zij nogmaals naar het

_pensionnat_ gereden, hadt gij het haar ten goede gehouden? Ik wil uwe

beslissing niet vooruitloopen; maar ik vermoed, dat gij het er met mij

voor hadt gehouden, dat niet ten haren behoeve het graauwtje haren uijer

aan de vingers des drijvers prijs gaf; het graauwtje, welks veulen

intusschen zijn' ruigharigen kop achteloos op haren schouder

neêrvlijdde.

En toch bleef ik met ongeveinsde belangstelling voortstaren; en toch

wenschte ik het glas melk, dat de dienstbode weldra naar binnen bragt,

al de heilzame, al de genezende kracht toe, welke het bleeke vocht der

ezelinnen ooit op een' kranke uitoefende. Want, nog altijd uit het

venster ziende, greep mij eene vrees aan, welke mij huiveren deed.

Ik had Pieter en Louise, sedert zij mijne buren waren geworden, tweemaal

bezocht. Hoe anders had ik hen de eerste dan de laatste maal aangetroffen!

Liedekens van Bontekoe en vijf novellen Blaauw bes, blauw bes!—'T is maar een pennelikker!—Marie—De ezelinnen—Hanna · 第 10 / 12 段