zaken te onzent, leert den vreemde kennen, vergelijkt, spoort op, wat
belet u? Lokken oude en nieuwe wereld niet om strijd uwe blikken aan?
--het uitstapje, de togt zal u goed doen. Er ligt nog zoo menig veld
braak, er schuilt nog zoo menige mijn onder den grond, er vloeit nog zoo
menige bron vergeefs. Ontdekt ze, en honderdvoudige rente zullen uw loon
zijn. Ge wilt u niet alleen in den vreemde vestigen? welaan, uws gelijken
in aanleg, maar niet in vermogen, vloeijen over in het moederland,
verstikken en kwijnen weg in de bedompte kantoorlucht; waarom zoudt gij
hun aan uwe zijde het spoor niet ontsluiten? Hoeveel edeler zou het
zijn, zoo ge, dus strevende voor Holland nieuwe betrekkingen aan te
knoopen, den overvloed van levensgeesten, der jeugd eigen, ten nutte van
u zelve en anderen besteeddet, dan die te wijden aan dubbelzinnig genot,
aan spel en aan min,--hoeveel edeler dus een flink burger te worden, dan
een vroeg-oude couponnenknipper! Of beschamen Hamburg en Bremen ons niet
reeds in het uitbreiden harer betrekkingen met veel geringer middelen?
--Hoe ons volkskarakter winnen zoude bij dergelijke pogingen, alle
sluimerende krachten op te wekken, vroegere degelijkheid te doen herleven,
nieuwe bronnen van welvaart en glorie te openen voor tijdgenoot en voor
nageslacht! Hoort gij de stemme niet, die er u toe aanmaant, zoo dikwijls
gij u, op de hofsteden uwer ouderen, in het schoon der natuur hebt
verlustigd, en, de duinen opgestegen, de zee vóór u ziet, de zee, waaraan
ons voorgeslacht alles verschuldigd was, zijne vrijheid, zijn' voorspoed,
zijne vroomheid misschien,--want niet te onregt zegt een oud spreekwoord:
Wie wil leeren bidden, die vare ter zee!
Het is in den handel als in alle standen, wie zich de kunst te bevelen
eigen wil maken, die oefene zich eerst in het gehoorzamen! Zoo rampzalig
als het is, altijd op de laagste trap te blijven staan, zoo goed is het
van de eerste sport op te klimmen. Het vormt--het prikkelt--het brengt
alle gaven aan het licht.--Maar de leerjaren moeten eens een einde
nemen; hij moet het vooruitzigt hebben meester te kunnen worden, die
zich deze ten nutte zal maken. Altijd de oude knecht te blijven is een
ondragelijke vloek.--Aldus begrepen het onze vaderen, die hunne jonge
lieden uitzonden in oost en west en in noord en zuid, maar hun na
volbragten togt ook de behulpzame hand boden om zich te vestigen, ten
einde van de verkregen kennis partij te trekken. Aldus begrijpen het nog
de degelijksten onder ons. Waarom mag ik hier geen loffelijk voorbeeld
aanhalen, dat allen, die in de hoofdstad beurs en raad kennen, voor den
geest komt; waarom den man niet noemen, die op zee voor zijn beroep
gevormd, thans een hooger roer heeft aanvaard?
Laat Hooft uitdrukken hoe ik wenschte, dat al onze aanzienlijken ons
vóórgingen, zoo als hij:--de dichter ziet zijne vaderstad ten top van
voorspoed gestegen, ter prooi aan de duizeling, der weelde eigen, en
waarschuwt haar: ach! dat zijne poëzij geene profetie ware geweest:
Want nergens is zoo veil
De niet verwachte val, als op de toppen steil:
Zoo slibbrigh staan, als op de kruin; zoo te bedinken
Het gypen, als voor wind, en zoo gereed het zinken.
Gelijk ik zie, uit wenst tot weelde, te gemoet
Al wat verbastering der oude zeeden goedt;
En, om het snood gewin, in last de goede wetten.
Doch zullen daar de best' hun voorgang tegens zetten.
Uitblinkendt als in goudt het heldere gesteent.
1842.
* * * * *
MARIE
"Marie is alleraardigst," plagt ik uit te roepen, zoo dikwijls ik in den
verleden zomer op den huize Duin en Dal gast was geweest; maar gister
bewaarde ze mij wel voor de verzoeking het nog eens te doen. En echter
ben ik, in den jongsten winter, zoo min een fat als een pruik geworden;
een der beide herscheppingen zou genoeg geweest zijn, om het der lieve
te doen vergeven, zoo ze mij geschuwd had als de pest. _Ik_ bleef
dezelfde;--een jaar meer in de gulden twintig ontwikkelt slechts te
ruimer ieder zin voor genoegen,--maar hoe was _zij_ veranderd! Uit haar
vijftiende trad zij in haar zestiende. Laat mij u waarschuwen voor de
onheilsstar, die
_En des jours ténébreux a changé ces beaux jours_.
Ik vermoedde geenszins de teleurstelling die mij beidde, toen ik, de
hofstede genaderd, mijn paard liet stappen, en, zoo als ik gewoon was,
ten lommerrijken heuvel opzag, naar de plek, van waar ze mij zoo vaak
begroette. Het was ditmaal echter vergeefs; geen witte doek wuifde mij
er tegen. Traag reed ik onder haar prieel van bloeijende meidoornen
langs, en staarde weder op; doch de slanke leest van het meisje boog
zich niet over hunne twijgen. Ik zag eindelijk nog eens naar omhoog,
half ongerust over haren welstand; neen, geen lief handje repte zich
door het gebladert. Maar de wielen van mijne tilbury rolden stroever
over het zand van eenen bijweg, en Diane stak de ooren op, als hoorde
zij den bekenden vogelvluggen tred over het grasperk, dat er het spoor
omzoomt.
En ik verbeidde.
Dáár plagt Marie mij te gemoet te snellen, naast mij op het rijtuig te
wippen, schier altijd regts, gij zult zien waarom, en, lieve wilde meid
als zij was, de leidsels uit mijne hand te nemen, ja, hare vingeren om
de zweep te slaan, die ik, wanneer Diane mij buiten bragt, slechts
zelden uit den koker nam. "Straks, Marie!" zeide ik dan, en hare donkere
kijkers tintelden van vreugde; ijlings gingen mijne groote handschoenen
aan de blanke dunne vingertjes mijner lievelinge over. Even als had
Diane geweten wie meesteresse was geworden, stapten wij niet langer.
Maar als wij het hek der plaats in het verschiet zagen, en de heerlijke
oprijlaan, die van de huizinge tot den straatweg voert, instoven, dan
werd de dreumis van den tuinman of de deerne des koetsiers, die achter
de traliestijlers in schaduw der oude linde speelden, moedwillig met een
tikje bedreigd, dan kreeg het ros er een, en wij renden! Het vleijend
woord, de belofte eener versnapering, waarmede de beminnelijke
ondeugende den schrik wilde goedmaken, gingen te loor, want Diane
verslond het spoor der laan; wij waren haar reeds ter vierde, wij waren
haar halverwege doorgevlogen. En het gebriesch van mijn paard, of de
wolk van stof, bijwijle ook Marie's luide lach, was het sein tot het
openen der zonneblinden, of het ophalen eener gordijn voor menigen
_logé_. Hoe het lieve kind genoot, als deze zich verbaasde, gene haar
toejuichte, Diane zelve behagen scheen te scheppen in het wilde spel!
Dan gierde Marie hare blijdschap uit,--hief zich van het kussen
op,--stond in de tilbury,--vuurde aan met hand en voet, maar meest met
de oogen. Ik moet bij een dier toertjes onwillekeurig eens een bitter
bang gezigt hebben gezet; immers een beroemd schilder, gast van den
huize, verraste ons een uur later met een _croquis_ van den echt van
statelijken ernst met dartele schalkheid. Behoef ik te zeggen, dat ik,
op het blad, den eersten vertegenwoordigde,--ik, die in pijnlijken angst
den strooijen hoed van Marie onder het afvliegen trachtte te grijpen,
--den strooijen hoed, welks smal, geel lint zich, als een krans van
korenairen, door haar kastanjebruin haar slingerde?
Diane had de ooren gespitst, en ik had gebeid. Maar niet mijne gunstelinge,
slechts een jagthond was te voorschijn gesprongen; en toen ik aan de
trappen der huizinge stilhield, werden bediende noch stalknecht opgeschrikt
door een ongeduldig stampend ros; ik was bedaard doorgereden.
"De familie is op het terras," verzekerde Hendrik mij. Ik wenschte dat
gij hem niet voorbijzaagt, zoo als gij geneigd zijt te doen; er valt in
onzen tijd meer, dikwijls iets anders uit de liverei op te maken, dan
de kleuren van des heeren wapenbord. Wij leven in eene eeuw, die den
eersten rijke den beste vergunt er zijne dienstboden in uit te dossen.
Ik heb er niets tegen. Het spijt mij slechts, dat zij het niet met meer
smaak doen. Of ergert u dat onwaarschijnlijk aantal velden, leeuwen, of
wat het zijn mogen, van _keel_ niet, die door het algemeene rood der
vesten worden verkondigd? Dat men het groen ten minste den jagers
overliet! Ik heb opgemerkt, hoe zich, in omgekeerden zin van den
cameleon, het karakter der bedienden van den nieuwelings aanzienlijke
naar den bonten tooi, met welken zij pralen, wijzigt. Ook valt er nog
iets uit te leeren. "Zoo heer, zoo knecht!" luidt het spreekwoord; maar
als ik, in de voorportalen onzer geld-aristocratie, het gejoel der
jonge, winderige, over-welgedane livereiknechts hoor, verwaand op den
opschik, die hunne lompen van gisteren verving:
_Beaux parvenus, honteux de leur famille_;
baldadig door den overvloed, waarin zij zich mogen baden, na jaren lang
gebrek te hebben geleden:
Als nu Jeschurum vet wert, zoo sloeg hy achter uyt;
als ik hen onbescheiden, aanmatigend, onuitstaanbaar vinde, dan zeg ik
in mij zelven: "Zoo knecht, zoo heer!"
Op Duin en Dal--ik verlies inderdaad op mijne beurt onzen gedienstigen
geest uit het oog--op Duin en Dal zou uw blik met welgevallen hebben
gerust op den liverei-bediende van goeden huize. Hendrik is een der
_patterns of fidelity_, die mij minder een aandoenlijk belang inboezemen,
als de laatste, bleeke afschaduwing der leenknechten, welke naar knods
of bijl grepen, wanneer de ridder zich harnaste
Van top tot teen,
dan als een dagelijks zeldzamer overblijfsel uit den tijd, toen de
betrekking tusschen meester en dienaar door iets hartelijks, iets
vertrouwelijks, iets humaans werd geadeld. Het is bij hem niet louter:
"wiens brood men eet, wiens woord men spreekt;" zijne stemming is eer
gemoedelijk dan wijsgeerig; hij benijdt zijnen heer niet, hij heeft hem
lief. Al glinsterden er geen tranen in zijne oogen, toen de vrouw van
Duin en Dal verleden winter doodelijk krank was, waar baldadige
straatjongens het zand van de steenen hadden gewoeld, overstrooide
Hendrik die zorgvuldig weder, voordat iemand het hem had geboden. En
hoe Marie hem ter harte ging--het is eene lofspraak op den meester,
als zijne dienstbare de kinderen des huizes bemint--dat getuigde zijne
verzekering van haren welstand. Daar stond hij voor mij, gedienstig,
oplettend, eerbiedig, een waarborg van den goeden toon, die op de
hofstede heerschte, der rustige orde, waarmede er de genoegens van het
leven werden aangeboden en gesmaakt; daar stond hij voor mij, in azuur
en zilver, blaauw met wit, als men zegt.
Lach mij uit om de dwaasheid, zoo het u lust; maar het zijn mijne
lievelingskleuren. Ik verbeeldde mij, dat hij, die deze tot wapen durfde
kiezen, zeggen mogt: "Zie, hier ben ik, standvastig en onschuldig!"
Zilver op azuur, leliën en starren op een hemelsblaauw veld, wat is
smaakvoller, wat dichterlijker? Uwe gissing, of deze op het wapen van
mijnen gastheer prijkten, vergunt ge mij gissing te laten; maar
verzekeren mag ik u, dat hij waardig is die te voeren, vertegenwoordiger
van een onzer oudste patricische geslachten. Wilt gij den man kennen?
"Liever eerste der graven, dan laatste der hertogen," zal hij u
antwoorden, zoo gij hem aanraadt, zich in den adelstand te doen
verheffen. Het is een woord uit mijn hart; zulk eene verloochening onzer
historie is mij een gruwel. De baronnen en de ridders, de Wassenaers en
de Brederodes, de Arkels en de Egmonds behooren onzer grafelijke
geschiedenis toe; in het handeldrijvend gemeenebest wiessen, als in een
ander Venetië, nieuwe geslachten met den staat op, welker nakomelingen
geen jonkheerstitel behoeven, om te worden geëerbiedigd, nadat hunne
voorvaderen, twee eeuwen lang aan de beurs als in den raad, over het lot
van werelden beslisten.
Mijne welkomst had zoo min iets opmerkelijks als mijne buiging: de
vrouwe van Duin en Dal was _even lief_ als vroeger, schoon zwak en stil.
Slechts vlugtig merkte ik onder hare gasten de echtgenoote van een
onbekenden staatsraad en de moeder van een wakkeren zeeman op, en zag de
heeren voorbij, om den wil mijner lievelinge. Daar zat zij, in schaduw
van een bonten esch, mijne Marie, die anders rondhuppelde als een
ree;--daar rees zij op en neeg statelijk, mijne Marie, die mij vroeger
hare frissche lippen ten kus aanbood;--daar zeide zij zacht, toonloos,
schroomvallig, ik wist niet wat er van mijne Marie geworden was:
"Mijnheer!"
Ik reikte haar de hand.
Was er eene klove tusschen ons?
Schichtig stak ze mij de toppen harer vingeren toe.
"Het zal u geen zeer doen," schertste de moeder van den wakkeren zeeman.
Het kind zag op, het kind zag rond, het kind zag om; ik bemerkte dat er
digt bij haar een stoeltje ledig stond, 't welk hare aandacht trok.
"Mijnheer!" zeide zij nog eens.
"Wat is zij gracieus!" hoorde ik de gade van den onbekenden staatsraad
zeggen.
De vrouwe van Duin en Dal knikte tevreden.
Er komen oogenblikken in het leven voor, waarin wij naar den indruk
eener bij ons oprijzende gedachte handelen, eer wij de juistheid van
deze hebben overwogen. De mijne deed mij Marie met een vorschenden blik
aanzien. Zij was veranderd. Zij had plaats genomen in den cirkel van
Mama. Waarlijk, zij maakte aanspraak op taille. Zie, de vuile ijzers van
den kapper hadden haar het eerst begrip gegeven van het onderscheid
tusschen de vrijheid der jeugd en den dwang der beschaving. Er viel niet
aan te twijfelen, zij was jonge jufvrouw geworden. En
Zei mama
Staring vergeve mij de mishandeling zijner verzen!
Dit met de kamenier den spiegel vlijtig na?
Waarschijnlijk; want Marie bloosde bij mijn aanstaren; die blos mishaagde
mij,--Marie werd links; als kind was zij het nooit.
Eensklaps sprong de jagthond die mij herkend had, vertrouwelijk tegen
mij op, en raakte met de voorpooten haar kleed aan.
"_Fi donc, Amy!_" riep zij.
"Heeft het beest Fransch geleerd?" vroeg ik.
"Mijnheer!" zeide Marie voor de derde maal, en zag Mama aan.
Ik had deernis met het arme schepsel, en wendde mij tot de dames over
het weder, het uitzigt, het nieuws van den dag. De vrouwe van Duin en
Dal sprak niet dan juist; een recept voor eene kwijnende conversatie.
De echtgenoote van den onbekenden staatsraad weêrhield door de stijve
houding, waarmede zij de _gants à jour_ voor een oogenblik uittrok, om
een beschuitje in een glas maderawijn te doopen, en die, na volbragte
operatie, weder langzaam, voorzigtig, doods bedaard aan de vingeren te
schuiven, de moeder van den wakkeren zeeman in het kouten over hem, die
haar, ondanks dat hij zich op Java bevond, zoo na aan het harte lag. Een
paar lieve gezigtjes waren figuranten; welk een gesprek! En Marie, die
in vroegere jaren, bij iets zoo vervelends, op den rug van Amy het
heuveltje zou zijn afgeschommeld,--of, door het zand ademloos
opgeklouterd, ons verrast had met een paar frambozen, minder lieflijk
gloeijende dan hare wangen,--Marie zag nu naauwelijks van haren arbeid
op, _et ne fit que tapisserie_. Of zoo zij van tijd tot tijd een woord
mede in de schaal legde, het was zoo onbeduidend, dat het den evenaar
noch ter regter noch ter slinker deed overhellen. Zag ik inderdaad het
meisje voor mij, dat me "gaauw, gaauw, maar heel gaauw," ter hulp plagt
te roepen, om een vlinder te vangen, "mooijer" dan zij er ooit had
gezien? Hoe was de kleine veranderd, die zoo driftig haar vingertje op
den mond legde, om mij te gebieden, het kraken mijner laarzen te smoren,
waar zij de woudduiven op het mos voederde! Waar was de tijd, waarin
hare vragen, onverwachte bewijzen voor de ontwikkeling van haren geest,
mij deden aarzelen, hoe die te beantwoorden? wie er in de zee woonde?
waarom zij niet vliegen kon? wat de wind aan de boomen vertelde? En dan
die lieve vertrouwelijkheid, waarmede zij mij in later dagen influisterde,
pa of ma over te halen, om haar een rijpaard te koopen, omdat zij zoo
gaarne zulk een moedig dier zoude bevelen,--of haar piano aan de boerderij
te doen brengen, opdat zij Arend en Geert de horlepijp mogt leeren dansen!
Al wat zij thans op mijne vragen antwoordde,--zij hield zich, als behoefde
zij zulk eene aanleiding om zich in het gesprek te mengen,--miste beide:
karakter en kleur;--haar geest dartelde niet langer,--hare stem had niets
welluidends meer.
O gemaaktheid!
Vermoedt gij hare oorzaak niet?
Ik weet wel, dat ik slechts eene garstige waarheid verkondig, zoo ik u
zeg, dat er een leelijk Hollandsch is, 't welk wij verpligt zijn soms
aan te hooren, ja, te prijzen; het Hollandsch dat ons te dikwijls wordt
toegegalmd, zoo van den predikstoel als van het tooneel; het eentoonig
Hollandsch onzer dreunende verhandelaars. Vergun mij echter er mijn hart
lucht over te geven, eer ik het ter vergelijking bezig. Het schijnt, dat
velen onzer sprekers de opmerkingsgave ontzegd is, hoe in het openbare
leven, zelfs in gezelligen, beschaafden omgang, de driften heerschappij
uitoefenen over de menschelijke stem. Zij eentoonig? de schaal der
muzijk is bekrompen bij de hare. Verheft zij zich niet bij het geven van
een bevel, als was zij zich van hare koninklijke magt bewust? Zij werpt
zich, onder het voordragen eener bede, als eene slavin die genade
smeekt, in het stof; zoo het vuur der gramschap ons blaakt, gelijkt zij
eene verschroeiende vlam, die zich zelve verteerd; als wij in den
weelderigen schoot der liefde rusten, kwijnt zij weg in zoet gefluister
en verteederend gezucht. Hoe zijn wij dan toch aan bulderende troosters
en galmende verliefden gekomen? Holland en de zee, het is of men van
moeder en dochter spreekt ... maar het voorbeeld van den Griekschen
redenaar, die de wateren beluisterde, schijnt voor de onzen te loor
gegaan. Eilieve, hoe velen kent gij er, die van deze leerden hunnen toon
in harmonie te brengen met het gevoel, dat de toestand eischt of het
onderwerp wekt;--die, als de golven, den God des dags in melodische
klanken eene hymne weten toe te zingen, of, als de zee, uit de kolken
harer diepte, tegen den orkaan een grimmig antwoord durven opdonderen?
Helaas! vreugde, droefheid, wanhoop, verrukking, liefde, haat, alles
wordt te onzent uitgegalmd, uitgeschreeuwd, gedeclameerd, zoo als men
zegt. O, het is een leelijk Hollandsch! En toch is er een nog leelijker:
het is onze moedertaal in den mond van een meisje, dat eene
buitenlandsche gouvernante heeft.
"_Merci, ma chère!_"
Gij ziet _mademoiselle_ bij dat woord voor u, schraal, tenger, scherp,
als allen; zij plaatste zich op het stoeltje dat naast Marie ledig
stond; _arrangeant les plis de sa robe_, viel haar _lorgnon_ in het
zand; Marie raapte het op.
"_Bien obligé, monsieur!_" voegde zij er stijf bij, ook ik had er mij om
gebogen.
En ik leunde half over het stoeltje van Marie, en was plaagziek genoeg,
haar te verzoeken, om mij aan hare gouvernante voor te stellen.
"Hoe, mijnheer?"
"Foei, Marie!" antwoordde ik: "als een oud vriend, zoo gij wilt."
"_Monsieur_ ----, _un vieil ami_," zeide het kind.
"_Vous voulez dire, un de vos anciens, ma chère_," hernam mademoiselle.
Ik vond dat zij mijne gunstelinge wel op liefderijker toon had kunnen te
regt wijzen.
"_Je suis charmée, monsieur_," voer zij tot mij voort.
Maar ik was _à mille lieues de Paris_, ondanks de vleijende verzekering;
want den woorden ontbrak het lachje, waarmede eene _française_ u
betoovert.
En _mademoiselle_ zweeg als Marie; ik waagde eene opmerking over het
eigenaardig schoon der duinlandschappen, dat nergens elders wedergade
heeft.
"_Non, Monsieur_."
"Dus geen gevoel voor natuurschoon," dacht ik.
"_Il est vrai_," zette ik mijne proeve voort; "_il est vrai que notre
paysage n'est que joli, tandis que les Alpes sont sublimes_."
"_Si, monsieur_."
"Dus ook _à sec_ voor het vaderland," zeide ik bij mij zelven.
Er kweelde een vogel in den lommer; ik zag dat Marie luisterde; ik vroeg
haar, of zij de liedjes van Mad. Albert had bestudeerd.
"_Ma grand'mère_," begon ik.
"_Monsieur!_" viel _mademoiselle_ in, met al het hooge-priesterlijke
eener bekrompene zedelijkheid; ik spaar u de diatribe.
Ik begreep alles; de zwakte der vrouwe van Duin en Dal, het levendig
karakter harer dochter, de keuze eener stemmige, overstemmige _Suisse_,
om dat te temperen, hoe logisch! Ik zou slechts voor temperen
"uitdooven" willen zeggen. Eene _Suisse_, zonderling verschijnsel! De
wereld is vol van den lof van Tell, de vrijheid heet te huis op de
bergen, en door geheel Europa ontmoeten wij zijne nakomelingen, die een
geest van knechtsche onderwerping inscherpen, met het zwaard of met de
gard. Doch waartoe de armen hard gevallen? Er is geen verlicht vorst,
die de Zwitsers in onze eeuw niet als eene anomalie afdankt.
Gouvernantes uit alle natiën zijn beklagelijke schepselen; indien één
toestand, de hare is valsch.
Vrees daarom voor geene onvoorwaardelijke lofrede op ons onderwijs. Het
is waar, er waait u uit de scholen onzer dagen eene ongezonde lucht te
gemoet:
Eerzucht kiest in onschulds dreven
Vroeg hare arglooze offers uit!
Ik heb kennissen, die op hun drieëntwintigste jaar, in den schoot der
weelde, door ziekelijke wereldbeschouwing, mij, u, zichzelven, alles
moede zijn; maar toch--leve de schoolmeester, de instituteur, de
_professeur de langues_, de taalkunstenaar des noods!--spreek _mij_ van
de matres, niet van de gouvernante. Som alles op, wat gij tegen de
school kunt inbrengen, het gevaarlijke van den omgang, het verleidelijke
van het voorbeeld, het besmettelijke van den geest van wederstand; maar
wat beoogt uwe opvoeding, ontwikkeling of uitdomping--heele of halve
kennis? Een blik op het lot der beide meesters zal u in mijn gevoelen
over de leerlingen doen deelen.
Het monarchale heeft uitgebloeid; het constitutioneele knopt, ontluikt,
tiert overal. Wij hebben elken meester, tot den dorpsdionys toe, van de
teekenen zijner koninklijke waardigheid, de roede en de plak, beroofd.
Wij eischen hem zoozeer doordrongen van den geest zijner grondwet, dat
geene drift hem meer in verzoeking mag brengen, ezelachtige domheid met
een oorvijg te kastijden. Zoo de voorganger van onzen schoolvos zeggen
mogt: "_l'Etat c'est moi_," uw onderwijzer is slechts de eerste dienaar
des staats. Hij, de volwassene, moet omgaan met hen, die tusschen mal en
vroed zijn, en zich redelijk toonen jegens onredelijken, en onwilligen
leiden, en dommen beschaven, stuggen overreden door louter verstand.
"De ongelukkige!" roept gij uit. Ik bid u, doe het niet te voorbarig.
Er komen uren, dagen, weken in zijne jaren voor, die hij _vrije_ mag
noemen; _vrije_, zeg ik, waarin hij den last der verantwoordelijkheid
van zijne schouderen schudt, _vrije_, waarin hij de gulden cijfers van
zijn eigendom, van tien tot honderd, tot duizendtallen aangewassen,
overtelt, en in ieder van deze eenen borg te meer voor de
onafhankelijkheid zijns ouderdoms ziet. Feestdagen af te kondigen en
volksspelen aan te rigten, schijnt mij een der benijdenswaardigste
voorregten, der kroon toegekend; maar welk autocraat geniet den vierdag,
zijnen onderdanen geschonken, als de schoolmeester de uren, waarin zijn
verlof het kleine volkje de wijde wereld inzendt. Dan ziet gij hem
buiten--schaarsche, maar daarom te zoeter weelde--het schoon der natuur
smaken. Dan treft gij hem onder de lieve kennissen zijner jeugd aan,
voor de eerste maal zijns levens verlegen, hoe hij het werkwoord
_beminnen_ vervoegen zal,--de meester door zijne schalke scholiere
beschaamd. Dan verrast gij hem, die zijnen eerstgeborene uit de wieg
neemt, en den Heere voor zijn lot zegent. "De ongelukkige!" zeidet gij.
Het bestier eener gouvernante zweemt naar eene alleenheersching; dienst
der vreeze geldt bij hare kweekelingen: te hooren is te gehoorzamen.
Zie, zij komt, en het kind zit regt; zie, zij wenkt, en het kind buigt;
zie, zij lacht, en het kind waagt het te glimlagchen. Geene oosterse
hulde is zoo vleijend en slaafsch, als die, welke haar wordt toegebragt;
zoo gij hare schaduw tegen den wand onderscheidt, is die harer dienaresse
haar op de hielen, en ijlt en zwenkt en wijlt met haar, als was het hare
eigene. Bittere spot! Hebt gij nooit van de onbeduidende _Durchlauchten_
der kleine duitsche staten gehoord? Zoodra zij hun gebied van slechts
drie of zes of twaalf vierkante mijlen overschrijden, worden zij pijnlijk
gegriefd; ze zijn slechts vorsten voor hunne onderdanen; de beleefdste
postillon ter wereld lacht hen uit, zoodra hij de fooi van den onbekenden
Wij over zijne eeltige hand heeft voelen glijden. Helaas, de arme
gouvernante doet geen tien schreden, zonder dat zij de landpalen van haar
rijk achter zich laat, en ruw, wreed, onbarmhartig uit den droom harer
heerschappij wordt opgewekt! Ik bedoel
den Ilias van plagen