welke ons uitmergelt; doch schoon de jongste wet op de pensioenen werd
verworpen, hoe luttel leden der Tweede Kamer loochenden de billijkheid
van het beginsel, dat dertig of veertig jaren trouwe dienst aanspraak
geven op een onbezorgden ouden dag! Eere den minister, die menschen-
kennis genoeg had, den staat noch eerlijke, noch ijverige dienaren te
durven beloven, als alle uitzigt op pensioen, den ziekelijken of bedaagden
werd ontnomen. Maar wie waarborgt dit den kantoorbediende, den klerk, die
meer van zijnen patroon inschikt, dan de ambtenaar van zijnen superieur;
den pennelikker, die niet, als de geëmploijeerde, gegronde hoop
koesteren mogt op bevordering? Waarlijk, de laatste valt naauwelijks
onder de automaten te betrekken; want er was een prikkel, die hem
aanvuurde; want, vergelijkender wijze gesproken, had hij veel vrijen
tijd; want er blijft voor hem eene rust over, als de Heer zijne dagen
rekt. In den toestand, dien wij beschouwen, schemert geenerlei licht den
donkeren nacht door, dan de bleeke toorts des medelijdens van een jonger
geslacht; bouw daar uwe hoop eens op! Het is hartverscheurend, dat ik er
bij moet voegen, dat eene kleinigheid, "te veel om van te sterven, te
weinig om van te leven," slechts zelden wordt toegestaan, zeldzamer nog
met die genegenheid, waarop de dienst van een gansch leven regt geeft.
Er is iets verschoonlijks in de aarzeling, waarmede men er toe komt,
eenen ouden klerk van zijne werkzaamheden op het kantoor te ontslaan,
schoon men hem zijne bezoldiging blijft uitbetalen. "Wie weet hoe lang
het met den ouden man nog duren zal?" heet het soms, "in de laatste
jaren hadden wij toch reeds zoo weinig dienst van hem." En echter, och,
dat ge liever bedacht, dat zijne beenen verstramd zijn, door het
opklimmen van uwe trappen,--dat zijne oogen verglaasd zijn, bij het
licht van uwe lamp,--dat zijn hoofd suf is geworden, door het optellen
van uw vermogen--uw vermogen!--Hij heeft stellig dat uws vaders,
misschien dat van uwen grootvader gekend--hij heeft geweten, hoe deze
begon--overlegde--groote winsten had. Al die jaren bleef hij de oude
knecht; of was uw voorganger milder dan gij, zijne kleine douceurs
werden wel vereischt, om zes of zeven kinderen groot te brengen. Hij
heeft meer voor u gedaan, dan al die dagen en maanden en jaren der zaken
uws vaders te wijden--niet meer dan hij schuldig was, als ge wilt, maar
dat u niet minder aan hem verpligt:--hij heeft gezwegen, gezwegen met
voorbeeldige trouw, toen eene onderneming van uwen grootvader faalde,
toen zijn crediet hem staande hield, terwijl de schaal van zijn vermogen
wankelde. Als gij die toen welligt nog in de wieg laagt, of zorgeloos
speeldet en stoeidet, getroeteld kind als gij waart, rijke jongeheer als
gij heettet, wanneer gij er toen begrip van hadt kunnen hebben, hoe uwe
toekomst, hoe de middelen van herstel afhingen van de stilzwijgendheid
van dien eenvoudigen, burgerlijken man, dan hadt gij hem gaarne een'
onbekommerden ouden dag beloofd, ten prijs zijner geheimhouding. Die
oude getrouwe! Als hij voor zich en de zijnen bad, dan bad hij ook voor
u, want het huis uws vaders was schier zijne Voorzienigheid, en hij
wiens naam gij draagt, wiens vermogen gij erfdet, wien gij uwen rang in
de maatschappij verschuldigd zijt, hij had dien eenvoudigen,
burgerlijken man lief!
"Waar blijft Loman toch?" vraagt de nog jeugdige patroon, eene plaats
aan den lessenaar ledig ziende.
En het antwoord is niet: "Loman is ongesteld," want het is ongeveer eene
halve eeuw geleden, dat de man in den leeftijd was, waarin deze of gene
uitspatting op kermis of partij met een' dag te huisblijvens wordt
geboet,--ook is het hem tusschen de twintig en dertig misschien geene
drie malen gebeurd. En het antwoord is nog minder: "Loman heeft verlof
gevraagd, om naar buiten te gaan," want noch zijne betrekking, noch zijn
salaris, hebben hem ooit vergund boven Utrecht te komen, en sedert hij
getrouwd is, heeft hij, even als de aartsvaders naar het paradijs,
dikwijls maar vergeefs, naar Haarlem uitgezien; de slatuintjes en de
Amstelveensche weg,--ziedaar al de schoone natuur, welke hij in twintig
jaren genoot. Sloten of Ouderkerk is zijn _Ultima Thule_ geworden. En
het antwoord is allerminst: "Loman viert de bruiloft van een zijner
kinders," want dat feest zou de man op zondag hebben geschikt, als er
van zijne vier dochters meer dan ééne enkele gehuwd was. Stel u gerust,
de overigen winnen zelve den kost, door mutsen opmaken, door kleedjes
verstellen, enz, enz.--de middelen waardoor eene oude vrijster er ten
minste voor bewaard wordt, van honger om te komen.
Het antwoord is: "Loman heeft de jicht!"
De jicht! Vreeselijke kwaal voor een' geest, die nooit had geleerd in
lectuur afleiding te vinden, door nadenken;--die, in het huiselijk
tooneel om hem heen, niets opbeurends aanschouwde,--die maar wenschte,
dat hij zich op het kantoor weêr van zijn' pligt kwijten kon,--die de
ziekte verergerde door het ongeduld.
"Het is lastig," zegt de patroon. De man meent voor hem, aan den zieke
denkt hij niet.
Er verloopt eene week, en de chef herhaalt de vraag, en het antwoord is
hetzelfde. Jan (de knecht) is in het voorbijgaan bij den oude aangeweest,
--de boodschap blijft "_pijnlijk!_"--Voor twintig, voor tien jaren nog,
toen de man, zoo al niet meer in zijn' fleur, echter nog vrij kras mogt
heeten, zou de patroon zelfs eens hebben gaan zien, hoe hij het maakte,
deels uit belangstelling, deels uit belang. Maar nu! de oude zaak, die
Loman zou napluizen, moet dan maar weêr een veertien dagen rusten;--de
jicht, wat is daartegen te doen? Weleer--ja, toen zond mevrouw eene
flesch wijn voor den herstellende, nadat zij een potje gelei had gestuurd,
om op de bittere medicijnen toe te nemen,--doch thans, er is voor den
ouderdom geen kruid gewassen, het einde is toch de dood.
Duid het menschen van jaren eens ten kwade, dat zij gierig zijn, als ge
zoo vaak ziet, wat grijsheid is zonder geld!
Het eindje was bij Loman niet de dood; op een' maandagmorgen, later dan
anders, maar toch niet over kwartier over tien, kwam Loman, vermagerd en
aêmechtig, zijne plaats achter den lessenaar hernemen, eene schaduw van
hetgeen hij nog voor een jaar was geweest. De jicht heette geweken voor
het zoele weder, voor het roode flanel, dat de knie nog omzwachtelde,
voor--waarom het verzwegen?--voor den ijzeren dwang der behoefte; de man
steende bij iedere beweging, en zijne borst "was niet vrij." Als gij er
aan getwijfeld hadt, dan had zijn kuch er u van overtuigd.
Het werk ging drie dagen lang zoo als het kon.
Den vierden ontmoette mevrouw hem toevallig bij den trap--hij zou haar
voorgaan--ik spaar u het overige.
Den vijfden zei de patroon:
"Je kunt in 't vervolg wel t'huisblijven, Loman, we hebben toch weinig
meer an je."
Het ging mij door de ziel--want de chef liet een paar minuten verloopen,
eer hij er bijvoegde:
"Je salaris blijf je trekken."
O die oogenblikken, eer dat woord het afscheid verzoette, wie schetst
ze? De oude voelt niet vlug meer; het trage bloed sluipt slechts door de
aderen; de verdroogde, gerimpelde huid schijnt aan te kondigen, dat het
tijdvak der gewaarwordingen met dat der driften voorbij is;--maar
wegzinking van oogen en waggeling van knieën, maar beving der handen en
trilling der lippen; vergete haar wie het kan, mij heugt de ergernis of
ze mij heden eerst tegen de borst stiet. De ergernis, zeide ik, het
ergerlijkste volgde eerst. Naauwelijks was de toezegging gegeven, of de
stumper drukte de handen van den patroon, die zich dezer gemeenzaamheid
schaamde. Het was een tooneel, om aan de woorden van Pius VII te denken,
toen ligtzinnige jeugd de handenoplegging weigerde van den naar Parijs
gevoerden vorst der kerke, toen smaad en spot hem ballingschap en kerker
verzwaarde. "Jonkman!" zeide de paus, dat oogenblik grooter dan zijne
voorgangers het mij schijnen, toen keizers hunne muilen kusten,
"jonkman, de zegen eens grijsaards heeft nog niemand geschaad!"
Loman niet aldus; hij bemerkte ter nood den gruwel, hij ging heen,
schreijende heen van het kantoor, waarop hij jeugd, middelbaren
leeftijd, bedaagde jaren en ouderdom ten offer had gebragt voor weinig
loons en veel ondanks.
Welk een leven!
Welligt zal ik, die u in deze schets den ruwen omtrek van het laatste
bedrijf des treurspels leverde, de beschuldiging niet ontgaan, dat
ik eene satyre op den handel heb geschreven, dat ik de klerken
idealiseerde, ten koste der kooplui. Het eene was zoo verre van mijn
doel als het andere,--ik haast mij dien verkeerden indruk vóór te komen.
Ik zou mij kunnen beroepen op de voorgaande bladen; ik heb het regt te
vragen, of ik éénigen patroon met eene zwarte kool heb geteekend, dan
dien van Aagje's echtgenoot. Liever breng ik uit mijne weinige
ondervinding eenige voorbeelden bij, hoe onbillijk de voorstelling zou
zijn, _allen_ in zulk een donker daglicht te stellen. Ik ken huizen--het
zijn meest oud-hollandsche--waarin alles nog iets burgerlijks ademt;
waaruit de vroomheid der vaderen--eene praktikale--nog niet geweken
is;--in welke een band van vertrouwelijkheid den meester en de
leerlingen omsluit. Er wordt den laatsten in deze nog deel gegund aan
een huiselijk feest des patroons. De verjaring van een' der chefs blijft
er geen geheim, dat zij slechts uit den toestel voor een' maaltijd--uit
den geur der spijzen in den hoogen en langen gang--uit de komst der
gasten, gissen. En hetzij gij al of niet gelooft, dat een glas water,
aan een dorstige gereikt, de prijs van het eeuwige leven kan zijn, ik
ben er zeker van, dat ge u als ik zoudt verlustigen, wanneer ge bij
dezen of genen eene verrassende versnapering op het bord van het
twaalfuurtje zaagt, wanneer gij de koffij ietwat sterker rookt dan
gewoonlijk! Het zijn kleine teekenen van groote deugden. Die
aanvullingen slechten de maatschappelijke klove niet, het is waar; doch
wie eischt dit? er heersche onderscheid, afstand, zoo ge wilt, mits men
elkander, mits vooral de mindere den meerdere kunne beroepen, als hij
in nood is! Welnu, die onbeduidendheden waren schier overal zoo vele
waarborgen eener echt menschelijke betrekking. Het was of het hoofd des
huizes, dat zóó zijn' feestdag vierde, de jongeluî van het kantoor tot
zijn gezin betrok, niet alleen als zijne hand de beker der vreugde
ophief, maar ook en vooral wanneer zij den kelk der smarte ledigden.
Er waren onder deze, die toezagen, die voorkwamen, die bijstonden, als
de jongheid van het pad afdwaalde, als de middelbare leeftijd onder
onverwachte slagen schier bezweek, als de ouderdom den last des gezins
verdubbelde. Wie het mij euvel duiden, dat ik er goedrond voor uitkwam,
dat het niet algemeen zoo is, dat te dikwijls louter de band des belangs
partijen verbindt, dat geen inmengsel van heuschheid het straffe der
bevelen tempert,--zeker doen zij het niet. Alleen op hun oordeel stel ik
prijs.
Het verwijt, dat ik af wilde keeren, was tweeledig. "Idealisatie der
klerken!" hoorde ik mij van verre toeroepen. Eilieve, welke dan de
natuurlijkste en meest alledaagsche wenschen heb ik hun toegekend,--eene
niet al te drukkende afhankelijkheid--een huiselijk geluk, zoo matig in
zijne eischen, dat het ten prijs van de eerste behoeften des levens te
smaken valt--een' ouden dag, door geen schrikbeeld van hofje of gebrek
bedreigd? Wat wilt ge redelijkers? Wie is er onder de zes of zeven
klerken, welke ik opvoerde, die geblaakt werd door een' overgrooten zin
voor eenige wetenschap of kunst? Heb ik één hunner een zweem van aanleg
bedeeld, waardoor hun toestand--de bekrompene, de gesmade, de vergetene
--dubbel pijnlijk werd? Schetste ik eene liefde voor natuurschoon, sterk
genoeg om iemand achter den lessenaar en _vis à vis_ brievendekkers en
loketkasjes te verteren, iets gelijkende naar de foltering van een'
landschapschilder in den dop, achter de toonbank of bij de ijzeren kist?
Zaagt gij een' der zeven ter prooi aan kennisdorst, die, door geene studie
beurtelings te leur gesteld en geprikkeld, in den blinde om zich grijpt
naar boeken, en slechts te feller martelt, hoe duidelijker het den arme
wordt, dat al zijne lectuur tijdverlies is, tijdverlies, dewijl hem
opleiding ontbreekt? Ten derde en ten laatste: schilderde ik u een'
Tollens, verzen schrijvende in het hatelijke boek, dwars door de
dwarrelende cijfers heen--een' Vondel eindelijk in de bank van leening?
Het zou onedelmoedig ten opzigte der koopluî, het zou onwaar jegens de
maatschappij zijn geweest. Genie komt aan het licht--òf schitterende als
de zon,--òf kwijnende als de maan,--òf schemerende als eene ster,--òf
--wanneer lot, leven, omstandigheden, gebeurtenissen, wanneer alles zich
vereenigt om het te omhullen, te verbergen, te verstikken,--onverwacht en
bij vlagen als de bliksem uit de zwangere wolk. Dat het in den laatsten
toestand even voorbijgaande, even vlugtig is als deze, behoort thans niet
tot mijn onderwerp,--genoeg,--het was er, en het blonk. Zie, ik ben
slechts bij gewone menschen gebleven, wier bete te vaak bitter, wier dronk
te dikwijls wrang is--of behoeft men tot de milder bedeelden te behooren,
om als knaap uitdooving, om als man vernedering, om als grijze gebrek hard
te vinden, om een leven ondragelijk te achten, doorgebragt onder de dubbele
bedreiging van donkere wolken, een: "ik kan niet helpen dat je op straat
staat!" bij de bankbreuk van het huis;--een: "ga henen en wordt warm!"
als de patroon er zijne zaken aan geeft.
Gij zoudt ondanks deze verdediging regt hebben, u te verbazen, dat ik u
zoolang bij den heloot der handelswereld liet stilstaan, als ik ten
slotte niet anders had te doen, dan voor hem een weinig menschelijkheid
in te roepen. Al geef ik me er door bloot aan den schijn, als twijfelde
ik aan den indruk, dien mijne schetsen en groepen op u hebben gemaakt,
ik doe het en van harte (waarom het verheeld?) voor hen, die zich in
deze betrekking gelukkig zouden achten, als zij allengs een weinig
wierden opgebeurd in de schatting des publieks. Daar zijn menschen,
door de natuur tot bedienden bestemd, bekrompen hoofden, koele harten,
"medeklinkers, niet allen kunnen vokalen zijn," beweert een mijner goede
vrienden. Het zij zoo!--men gebruike er zoovele men behoeft, "slechts
neme men liever de italiaansche dan de russische spelling tot voorbeeld,"
is mijn antwoord. En waar ik vooral op zou willen aandringen,--men
sluite toch niet onbarmhartig in eene kooi, wie in staat zou zijn eigen
wieken te kleppen. Ik moet oppassen of de eene leenspreuk volgt de
andere op, zooals Isaäc Abraham en Jacob Isaäc; en mijn onderwerp eischt
alles behalve oostersche weelderigheid; het geldt eene handelskwestie,
eene geldzaak. "Voedsel en deksel--huis en hof--vrouw en kroost--genoegen
en geneugten voor allen--" zou ik Jan willen toeroepen, "maar voor wie
in staat zouden zijn, zich zelven meer te verschaffen, wanneer allerlei
kleingeestige belemmeringen hen niet verpligtten t'huis te blijven en
stil te zitten, voor hen gelegenheid ter ontwikkeling van wat er goeds
en groots in hen schuilt!--Immers ons volk is er niet te beter aan toe,
dewijl we er thans onder ons zoo velen hebben, die geduldig den schimp:
"'t Is maar een pennelikker!" verduwen--die zich hun leven lang
bekrimpen, omdat men geen: "oude sloffen mag weggooijen eer men nieuwe
schoenen heeft,"--uithoofde dat een groot gedeelte onzer vermogende
lieden zweert bij het woord: "Ver van je goed, digt bij je schade!"
--louter dewijl wij, eer wij ooit den neus buiten de deur staken, al
leerden napraten: "oost west, t'huis best!"
Eén voorbeeld schildert treffender dan tien vertoogen. We hebben op met
den vermogenden handelaar, die voor een vijftiental jaren al zijne
bedienden met de tijding verraste: "Ik schei er uit met mijne zaken;
maar jullie, jonge luî, blijft je jaarwedde behouden tot je dood."
Een _rara avis_ in onze streken;--het zij in het voorbijgaan opgemerkt
--waar een jaar vooruit opzeggens, gepaard aan de waarschuwing: iets
anders te zoeken, in zulk een geval al eene zeldzaamheid is--de man
leeft nog! Welligt heeft hij van al zijne schatten--al zijne weelde--al
zijnen glans, nooit weêr zóó groote voldoening gesmaakt, als op dat
oogenblik, in den zoeten waan, dat hij gelukkigen maakte.
Ik vermeet mij niet te beslissen, of wij regt hebben er ons zóó
onvoorwaardelijk op te goed te doen, dat afkeer van zaken, uit
overdreven mededinging geboren, te onzent meer aan de orde van den dag
is dan halsbrekerij ten gevolge van gewaagde ondernemingen--het is eene
keuze tusschen tweeërlei kwaad, welke eene prijsvraag onzer geleerde
of geletterde maatschappijën verdient uit te lokken: "wat is beter,
_lusteloosheid_ of _overmoed?_"--Maar het acht-of tiental klerken, dat
zich, volgens de overlevering, boog, en verblijdde en heenging, zonder
een' patroon, die zoo groote welwillendheid aan den dag legde, te
verzoeken, hun de behulpzame hand te bieden tot het beginnen van een
eerlijk beroep, liever dan hen door dit genadeblijk te verpligten,
die jongeluî zijn verre van mij levendige sympathie in te boezemen.
Waarschijnlijk waren er eenige bedaagden onder;--maar zij, wier
schouders zich nog niet kromden, wier knieën nog niet knikten, maar
de overigen, die zulk eene gelegenheid niet aangrepen om zich zelve
onafhankelijk te maken, hoe duidelijk bewezen zij het verval van den
volksgeest, die Jan weleer van zijne naburen onderscheidde!
Wij zijn met eene plaats uit een' der dichters van de gulden eeuw onzer
letterkunde begonnen: eene vraag, die ons reeds bij den aanvang van dit
opstel voor den geest zweefde, besluite dit opstel. Onze voorouders
schiepen hunnen handel onder veel ongunstiger omstandigheden, dan die,
waarin wij verkeeren; waarom blijven wij met onze meerdere middelen zoo
verre onder hen? Terwijl het krijgsvuur binnenslands nog niet had
uitgeblaakt, terwijl men den vijand met moeite van de grenzen des jongen
staats keerde, ontwierpen de broeders en de zonen der verdedigers van
het vaderland het plan voor togten door de noordelijke zeeën; in spijt
der natuur, bereidden zij de verovering van een ander werelddeel voor
en voerden die uit. Niemand heeft minder lust dan ik, de gruwelen te
verdedigen, ter oprigting eener factory,--ter aanlegging eener stad,
--ter verwerving van een gebied, onder de mildst bedeelde hemelstreken,
door onze voorzaten gepleegd. Maar wien het voegt, uit dien hoofde den
staf over hen te breken, ons, hunne erfgenamen, wel het minst van allen;
gezwegen, wat er ter verschooning dier onmenschelijkheid zou zijn in te
brengen, de begrippen der eeuw, de gewoonten hunner mededingers in
aanmerking genomen. Wij willen het niet; wij gewagen er slechts van, ten
einde, na dit blijk, dat wij niet blind zijn voor de schaduwzijde van het
tafereel, ons in het licht, dat er ons van toestraalt, te verlustigen,
meent ge, te schamen, zeggen wij.
Wat is er geworden van de zucht tot reizen, die weleer een eigenaardig
hollandsche karaktertrek plagt te zijn? Lust ter koopvaardij te varen,
bij den minderen stand,--lust, ontdekkingstochten te ondernemen, bij
onze rijke kooplieden,--lust, het land der zon te bezoeken, bij de zonen
der kunst,--lust, eenigen tijd aan de beroemdste hoogescholen in den
vreemde te verwijlen, bij onze geleerden,--lust, tusschen de bouwvallen
van oud-Rome rond te dolen, bij onze patriciërs--lust in één woord,
andere landen te zien, andere volken te leeren kennen, anderen tongval
te hooren, andere zeden gade te slaan,--lust den kring zijner
denkbeelden te verruimen, de som zijner kennis te vermeerderen, het
gevoel te verfijnen, den smaak te vormen,--lust, door wrijving te
streven naar licht, hoe is die uitgedoofd en verflaauwd! Roem zoo hoog
gij wilt, de versnelde gemeenschap tusschen, de vlug verbreide berigten
van de afgelegenste deelen der aarde;--"met eigen oogen zien," zeiden
onze vaderen, "gaat voor alles,"--en beweerden het te regt. Wat hebben
wij bij het stilzitten van lateren tijd gewonnen, dan eenzijdige
lofspraken op ons volk, onze instellingen, onze deugden,--zonderling
afstekende bij de onpartijdigheid, waarmede men in de zeventiende eeuw
in Nederland de verdiensten van vreemdelingen erkende en huldigde.
Beweer, dat de algemeene studie van talen, dat de onvermoeibare
drukpers, alles, wat wetenschap of kunst, bij de afgelegenste volken
merkwaardigs opleveren, tot u brengt, zoodra het in het oosten of westen
het licht ziet: "Vreemde oogen maken menschen," zeiden onze vaderen, en
de uitslag bewees, hoe juist zij hadden gezien. Het is of men schroomt,
onze jongelieden den toets te doen doorstaan, waarop het verkeer met
verre vreemden hunne zeden stellen zoude. Waarlijk, de moed van het
voorgeslacht, de jeugd aan die vuur- en waterproef te onderwerpen, pleit
voor de beginselen, welke zij deze inscherpte.
Eene uitweiding over de levensbeschouwing die het vroede en het kloeke
in haar karakter zoo vroeg had ontwikkeld, dat men geene teleurstellingen
duchtte, het gevolg van eigenliefde of zelfbewondering--eene uitweiding
van dien aard zoude hier misplaatst zijn--tot den handel terug, als ge
wilt. Wie er voor vreeze, ik ducht geen oogenblik, dat onze jeugd
ontaard zoude blijken, als haar de middelen ter ontwikkelling niet
faalden, zonder hare schuld en tegen haren wensch. Waardoor ontbreken
deze? Welligt zal eene wedervraag het kortst tot beantwoording leiden:
Wat geeft Engelands handel het overwigt op dien van alle overige
volken?--Koloniën?--we hebben even rijke, zoo niet in evenredigheid nog
rijkere dan _Albion_.--Industrie?--de gevaarlijke boom droeg te onzent
reeds meer vruchten dan wij behoeven.--Landbouw, veeteelt?--wie weigert
hollandsch zuivel den wel verdienden lof?--Vermogen?--we zijn houders
van schuldbrieven van schier alle natiën, en van die der onze niet het
minst.--Hoofden en handen?--we zouden niet klagen, als wij er geene te
over hadden.--Een kreet gaat op tegen de Nederlandsche Handelmaatschappij,
dewijl zij schier de éénige groote zeehandelaar mag heeten onzer beide
koopsteden; doch bedenk, eer gij er mede instemt, wat er van Java zou
geworden zijn, bij de slaperigheid van vóór het jaar 1830, als koning
Willem I den interest der actiën bij de oprichting niet had gegarandeerd,
en jaren lang voorgeschoten. Ik huiver te beslissen, maar ge zult mij
vergunnen de vreeze te opperen, dat het effectenspel den goederenhandel
verstikt, even als de schuldenlast der nieuwere staten het krijgszwaard
der koningen onzer dagen in de scheede houdt: zoo gaan goed en kwaad in
deze wereld hand aan hand. Sir Robert Peel's _Income-Tax_ bedreigt,
treft alreeds de bezittingen en portefeuille;--de hooggeroemde papieren,
welke rente geven, al sluimerende en al nederliggende, die uitvinding
van den nieuweren tijd, welke staatsschuld synoniem acht met volksrijkdom,
--Sir Robert Peel's _Income-Tax_ zal navolging vinden op het vaste land,
en wij zullen zien--doch ik mag niet weêr afdwalen, ik herhaal liever
mijne vraag: wat geeft Engelands handel het overwigt op dien aller volken,
wat heeft hij zigtbaar boven den onzen vooruit?--Wijs mij eene koopstad
in de vijf werelddeelen, zou ik u willen antwoorden, waarin geene Engelsche
huizen gevestigd zijn, jonger zonen, die den vreemde bestudeerden en
doorsnuffelden, en zich de dubbele kennis ten nutte maken!
Er is nog iets.
Engelands handel heeft een tooverwoord, dat al zijne betrekkingen
regelt. _Fair_ heet het. Vertaal het met "billijk" of met "gepast", met
"eerlijk" of met "teregt", het drukt al die gedachten uit; het is eene
lofspraak, het is eene wet. Waar men haar toepast, waar men haar nakomt,
waar zij beginsel is geworden, dáár heerscht verband tusschen het werk,
dat men doet, en het loon, dat men geniet, bij inkoop en verkoop, in
commissie en courtage, in handel en wandel; tusschen de kennis, welke
men zich verwierf en de onderscheiding, waarop zij aanspraak geeft, het
vertrouwen, dat men bewijst waardig te zijn, en de aangelegenheden, wier
behartiging men ons opdraagt. Ik wil Jan niet in de school brengen bij
John Bull; maar hij heeft eenige reminicentiën van de dagen, toen hij
monopolist was,--factors aan de graanmarkt, overdreven makelaars-loon in
aantal van artikelen, refactiemeesters in de tabak b.v.--die hij wèl zou
doen te vergeten; want als men een' mededinger heeft gekregen, is het
wijsheid toe te zien eer het te laat is.