"Er was een tijd dat ge mij lief hadt!" O grootheid der vrouw die alles

geduldig had gedragen, bekrimping, ontbering, vernedering,--behoefte,

armoede, gebrek,--zoo lang zij aan zijne liefde gelooven mogt,--die ook

thans nog niet bezweek, al kon zij zich naauwelijks langer diets maken,

dat er nog een' vonk van het heilig vuur in de asch gloeide.--"Toen

waart ge nooit beschonken!" Er werd zedelijk verval, verstomping,

versteening toe vereischt, om op zijnen leeftijd de gezochte makker te

worden van een hoop losse jonge lieden, om genoegen te vinden in het

zwelgen met deze, terwijl vrouw en kinderen te huis zaten, en treurden

en teerden op de herinnering van blijder dagen.--"Moeten wij nog

ongelukkiger worden?" Kaatje voorzag slechts te duidelijk, hoe weinig

er in eene stemming, als die van dezen avond, na tooneelen als het

geschetste, toe vereischt zou worden, om hem mede te slepen naar die

plaatsen, waarop ter beschaming onzer hooggeroemde zeden, niet enkel de

weelderige wulpschheid der jeugd hare gezondheid, en in deze haar geluk:

de kracht des ligchaams en de krachten der ziel aan den wellust offert!

Helaas, versteening des harten is zoo naauw verwant met verdierlijking

in genot.

Het werkte, zeide ik; maar of het op den duur zou hebben gebaat, als

Doorne denzelfden slentergang was blijven gaan, aan een kantoor waarop

hij automaat was geworden, naar een te huis, waarin hem slechts

toenemende ellende verbeidde, wie weet het? Welligt ware hij, "om zich

wat op te beuren," al dieper gezonken; doch grooter onheil, dan hij zich

ooit had voorgesteld, trof hem: de Firma, in wier dienst hij arbeidde,

failleerde! Verslagen kwam hij op zekeren ochtend bij Kaatje, vroeger

dan gewoonlijk, te huis, en deelde haar mede, dat het met hem gedaan

was! Op zijnen leeftijd scheen hem het vinden eener andere betrekking

iets onmogelijks; hij was letterlijk wanhopig!

"Een christenmensch wanhoopt nooit," hernam zijne vrouw, in haren

aandoenlijken eenvoud; "en allerminst onder rampen, die ons buiten onze

schuld overkomen."

"Wacht maar tot de raven het u brengen!"

"Foei Doorne! er valt geen muschje op aarde, zonder den wil van onzen

Hemelschen Vader,--als wij de handen aan den ploeg slaan ..."

"Maar ik ben te oud voor de expeditie; maar ik schrijf niet mooi genoeg

voor de boeken; maar--"

"Ik zal toch doen, wat mijne hand vindt om te doen,--niet waar, man?"

vroeg Kaatje.

"Zou het mijn pligt niet zijn?"

"Daar hoor ik mijn ouden Doorne weer," begon zijne vrouw, bemoedigd;

ijlings viel hij haar in de rede:

"Maar het kwartaal is al eenige dagen verstreken--de patroons betaalden

nooit, tenzij men er om vroeg--wie weet hoe lang het duren zal eer wij

het krijgen? Daarbij, in deze kleêren zie ik er zoo schooijerig uit, dat

niemand me nemen zal; en een' hoed en een vest te koopen--crediet heb ik

niet, vrienden die leenen nog minder,--neen met mij is het afgedaan.--Ik

kan bakker noch slager betalen ...

"Als het dáár slechts aan hapert," hernam Kaatje, "dan weet ik raad,

geld zult ge hebben," en zij riep Bram, die op de achterkamer zijn zusje

schrijven leerde. "Jongen!" sprak zij, en met bevende handen sloot zij

eene latafel open, waarin een bijbeltje lag, in vloei gewikkeld--dat

vloei had dertien jaren dienst gedaan, het was een bijbel met een gouden

slot! O! de traan, die er op viel toen zij het nog eens bezag eer zij

het haar zoontje overreikte! "Brammetje?" zei zij, "op de ----gracht,

--het huis van de ----straat, is eene _Bank van Leening_.--"

Zij had die toevlugt zeker menigmaal van verre en in het voorbijgaan

aangestaard, daar zij zoo juist de ligging, daar zij schier het nommer

van het huis wist,--en was er echter tot op dezen dag altoos nog

gekomen, zonder haren bijbel te verpanden.

"Het zal niet gebeuren, Kaatje!" viel Doorne in, "het is het laatste

aandenken aan uwe moeder.--"

"Dank voor het woord," zeide ze en reikte hem hare magere hand; "maar ze

zou me niet anders geleerd hebben, als zij er man en kinderen mee had

kunnen redden. Ge hebt eene ordentelijke plunje noodig en wij allen

moeten _eten!_ Bram! die groene deur ga je in--en--dan zal iemand je

vragen, wat je hebt--"

Kaatje, die van buiten was, zoo als de Amsterdammers zeggen; Kaatje, die

in het hoofdstadje van eene onzer landprovinciën was geboren en opgevoed;

Kaatje wist niet, hoe alles daar stil toegaat, het handuitsteken naar het

voorwerp,--het overreiken van het pand,--het beschouwen--het waardeeren

--heet het, geloof ik, stil, als ware de bank van leening het graf der

bedrogen hoop. Slechts de som, die men eischt, slechts de naam van den

verpander, wordt gefluisterd, of het eene misdaad was.

"Dan vraag je zeventig gulden op het slot, het heeft honderd en vijf

gekost; doch als ze maar zestig of vijftig geven willen, dan neem jij ze

ook.--"

Doorne hield de hand voor het gezigt. Beschaamde hem de moed zijner

vrouw,--kwam hij tot inkeer? Het knaapje zag zijne moeder aan, of het

zijne ooren niet geloofde.

"En als ze vragen van wie je komt, dan zeg je van eene oude jufvrouw

..."

"Een leugen, Maatje?"

"Om best-wil, kind! Van jufvrouw Effen.--"

"Toe jongen, ga dan toch," voer zij voort. Het kind was blijven staan,

vader en moeder beurtelings verbaasd aanziende.

Bram ging met looden schoenen--niet dewijl het kind al wist, welk eene

droevige ervaring er in het woord der behoeftigen schuilt: "het gaat er

heen als eene veêr, het komt weêrom als een steen." neen, dewijl ook hij

een' instinktmatigen afkeer had van de schuine deur, die men niet binnen

gaat, maar insluipt.

"O Doorne!" zei Kaatje, toen de borst de trappen af was,--zoo lang ze

zijne voetjes hoorden, hadden beide gezwegen,--"o Doorne al kwam het ook

nooit weer in mijn handen, zoo noode als ik het zou missen, zoo graag

heb ik het veil, als gij weêr de oude wierdt, als ge mij liefhadt als

weleer, als ge begreept, dat ik maar zuinig was om bestwil!--"

Doorne ware een onmensch geweest, als hij het niet had beloofd;--hij

deed meer, hij hield woord. Zoodra het jongske was teruggekeerd--met

geld;--zoodra de angst voor dadelijk gebrek, tot welken prijs dan

ook--geweken was, zoodra hij zich de vereischte kleinigheden had

aangeschaft, om als sollicitant uit te kunnen gaan--de kleederen maken

ook van den smeekende den man--trok hij de stoute schoenen aan. Hij

beriep zich op zijn ongeluk,--hij sprak van de familie zijner vrouw,

de familie, waarop hij gesmaald had, die schoon geen rijke, echter

fatsoenlijke, eerlijke brave luî waren geweest,--en hij slaagde. Eer

eene halve maand verstreken was, zag hij zich weder geplaatst, en wel

beter dan te voren, bij den echtgenoot eener vroegere, jongere vriendin

van Kaatje. Als deze haar bij wijlen des zondags uit de kerk een bezoek

brengt,--de vriendschapsbetrekking is door de heusche rijker gehuwde

weder aangeknoopt,--als Kaatje te harent komt, het geloste bijbeltje in

de hand, en Amalia dan het slot beziet, waarop zij weleer aan de knie

van Kaatje staande _Mozes_ en _Aäron_ leerde kennen, en haar verzekert,

hoe haar dat alles nog heugt, dan denkt de vrouw van Doorne, en wel mag

zij:

"Als gij eens wist, wat er sedert met dat boek gebeurd is, en hoe veel

ik er aan ben verpligt!"

Gelukkig loopt het geen gevaar, andermaal in den Lombard te komen. De

betere mensch, de mensch, die hoopt, die verwacht, die uitzigt heeft,

en, daardoor geprikkeld, werkt, streeft en zich beijvert, is in Doorne

weder ontwaakt.--

Wat Brammetje in zijn volgend leven vergete, nooit doet hij het de

jufvrouw met mooije linten op de muts, die binnen chocolade zat te

drinken, en hem geene zeventig gulden op het bijbeltje van zijne moeder

wou geven:--"maar vijftig, het is zoo dun!--"

Wie is er die eischt, dat ik nog dieper afdale, dan ik het in het

schetsen van Doorne deed, eer de val van het huis, waaraan hij zijn lot

verbonden waande, het middel tot zijn oprigting werd? Een verwaarloosd

huishouden,--een schot kinderen--als de term is--voor wier

verstandelijke vorming even weinig zorg wordt gedragen als voor hunne

zedelijke;--eene ellende, die overgaat van geslacht op geslacht? Men zou

mij beschuldigen van overdrijving, van zware toetsen naar willekeur

aangebragt. Ik zal er mij voor hoeden, hoe dikwijls dat alles ook het

lot is der ongelukkigen, van welke ik vermogende lieden, die aanspraak

maakten op humaniteit, en wie het in andere opzichten niet ontbrak aan

menschenkennis heb hooren beweren: "Zulke luî zijn er aan gewend, zich

te behelpen,--zij weten niet anders of het hoort zoo." Jammer voor deze

wijsgeeren, dat zij van tijd tot tijd uit hunnen zoeten waan worden

wakker geschrikt door het nieuws, dat een kantoorbediende zich aan het

goed zijns meesters heeft vergrepen, dat een kashouder op de vlugt is

gegaan, dat de verzoeking dezen of genen klerk te zwaar is geweest.

Dagelijks zagen zij weelde, en dagelijks leden zij ellende; geene

heuschheid beurde hen op, geen uitzigt bevredigde hen--en zij vielen!

--Veroordeel,--de maatschappij eischt het, de wet geeft er u het

regt toe,--maar beklaag tevens. Gelukkig zoo gij u zelven bevredigend

kunt antwoorden, als ge u gemoedelijk afvraagt: "Schoot ik niet te kort

in belangstelling in het lot van dien huisvader?--heb ik door het

vertrouwen dat ik in dien _arme_ schonk, hem niet op te zware proef

gesteld, zijne omstandigheden in aanmerking genomen?"

Wie het er op waagde, dat hij in zijn heer en meester zulk een witte

raaf schieten zoude, Hammink wachtte zich wel voor een onberaden

huwelijk, Hammink, de vertegenwoordiger van een talrijke soort

kantoorbedienden, oud vrijër per systema, en egoïst bij gevolg. Maar de

mensch moge eene bijdrage tot de natuurlijke historie leveren, zelfs een

klerkenslag laat zich niet generaliseeren als eene vogelensoort b.v.,

laat zich niet afschepen met enkele trekken, zoo als: zulk een kop,

zulke veêren, zulke pooten en zulk eene vlugt. Hammink behoorde, om

dadelijk een bewijs te leveren, in hoe vele _species_ ook dit _genus_

moet worden verdeeld, Hammink behoorde even weinig tot de overgroote

klasse van hen, die in hunne vrijheid--vergeef mij het woord, het feit

verdient geen beter--verliederlijken, als tot de zeer kleintallige,

welke in hun eentje vergierigaarden--ik vind de uitdrukking eer juist

dan mooi. Ook was hij geen _sentimental bachelor_, in onze tijden meer

in de wereld der verdichting, dan in die der wezenlijkheid aan de orde

van den dag, maar waarvan toch enkele voorbeelden zijn op te duiken. Ge

hadt jaren lang groot gevaar geloopen, hem evenzeer voor den gelukkigste,

als voor den welgedaanste van den gilde te houden. Hij was rond als eene

ton, want hij hield veel van een goed maal en een gullen dronk. Alle

_table-d'hôte_-houders wisten, dat hij geene lijst voor een' maaltijd,

ter viering van wat het zijn mogt, ongeteekend terugzond. Hij wilde voor

eene geboorte, voor een' veldslag, voor een vijfentwintigjarigje; hij

woû voor alles meê eten, al had hij geen plan ooit te trouwen--geen

plan, voor zijn vaderland ooit eene vin te verroeren,--geen plan voor

eenige maatschappij ooit een' driegulden af te schuiven. Ge stemt mij

toe, dat de man in geen' gelukkiger leeftijd dan in den uwen en den

mijnen kon zijn geboren; wat het aantal _diners_ betreft, meen ik.

Behoef ik er bij te voegen, dat hij _habitué_ van elk koffijhuis was, en

nergens minder te huis dan op zijne kamer? Het was er dan ook eene kamer

naar. Doch wat maakte het uit? Vrienden zag hij niet, om de

doodeenvoudige reden, dat "een jonge heer zich met al dat gesnor niet

kan ophouden." En bovendien, man! hij was het zoo veel beter gewend, dan

zijne meeste gehuwde kennissen opdischten. Welk een poespas! Dan at hij

anders in de ---- en bij ---- en aan ----; allemaal middelmatige

logementen, op mijn woord!

Laat mij voorzigtig zijn--ik ga den man in een scheef licht voorstellen;

hij was niet ontbloot van gevoel; hij had eene plaats in den bak van den

(toenmaligen) Stads-schouwburg te Amsterdam.

Vijf en twintig jaren lang was hij er elken Zaterdagavond, zóó trouw met

den klokslag, als de _souffleur_ in zijn hok; vijf en twintig jaren, in

de eerste tien van welke het parterre-publiek, geregeld ééns in de

week,--en wel op zijn' avond--in tranen zwom, bij de vertooning van een

treurspel. Al zijne meêwarigheid, al het vrouwelijke in zijn gemoed, al

de verteedering, waarvoor hij vatbaar was, plagt zich dáár des winters

lucht te geven; het was eene soort van veiligheidspijp voor

aandoeningen, welke hem anders duurder zouden zijn te staan gekomen,

Dries, Jans of Trui--(de heer Snoek en mevrouwen Wattier-Ziesenis en

Grevelink)--ontlokten hem tranen: waarachtig, iets dat naar tranen

zweemde;--hij had er de gansche week geen' last meer van. Vooral wanneer

hij in de pauze een stevig glas punch had gedronken bij Casje, en daarna

een ballet gezien, dan waren alle sporen van verweekeling weer glad

uitgewischt.

_Probatum est!_

Als een arme drommel van een' confrater, met een zwaar huishouden

belast, hem in de volgende week tien gulden ter leen vroeg, dan

antwoordde hij: "Jongen, je weet, dat ik het nooit doe;" en herinnerde

zich te gelijk, hoe het hem, eergisteravond, bij het tooneel tusschen

Ninus en Semiramis, op nieuw gebleken was, dat zijn hart wel op de regte

plaats zat. Zoo iemand, hij trok partij van zijne liefhebberij voor de

kunst!--Als hij in den zomer, op zijn gewoon zondagstogtje naar Haarlem,

eens bij toeval van Piepenbrink was afgedwaald,--hij zag er het bekende

_uitstapje_ zoo gaarne _in natura_--en hem eene arme vrouw in de

Spanjaardslaan verraste, dan zou hij misschien in den zak hebben

gegrepen, als hij er niet juist aan gedacht had, hoe Phedra wenschte in

de lommer van het bosch te zitten, om een' wagen na te oogen, in wolken

stofs gehuld! "Loop naar den drommel!" riep hij der vrouw toe, zij

stoorde zijne illusie.--Eén bewijs nog, en gij schenkt mij de overigen.

Wanneer zijn patroon hem eens wat hard viel--het moest erg zijn eer hij

het voelde,--dan troostte hij er zich mede, hoe diep de man, trots al

zijne schatten, toch nog beneden Augustus stond; Augustus die tot Cinna

zeide:--wie weet niet wat?--Verwondert het u nog, dat het klassieke

treurspel op zoo vele ongeroepen aansprekers bogen mogt?

Ik heb de éénige poëtische zijde van zijn karakter in het licht gesteld,

men vergunne mij te zeggen, de éénige plek aangewezen, waarop eenige

soort van poëzij vat op hem had--behalve het epicurisch genot der tafel.

Ge begrijpt wat hij leed, toen het treurspel uit de mode raakte. Houd

het er echter voor, dat hij het zou zijn overgekomen, als hij niet,

langzamerhand, een dagje ouder geworden, eene kwaal had gekregen, die

hem van tijd tot tijd hulp, toespraak, gezelschap, onontbeerlijk maakte.

_O obstructies! o hemorrhoïdes!_ Hammink--het motief was het vreemdste,

het ongehoordste niet--Hammink dacht inderdaad aan een huwelijk, hij zat

zoo alleen--hij was zoo vlug niet meer--ter been altoos.--Vrienden? hij

had er geene.--Kennissen? die komen naar geen' grommert omzien.--Een

huwelijk dus. Maar wie zoude hij vragen? wie kende hij?

Deze--die--dat--vul al de fraaije benamingen, waarmede een oud vrijer

vrouwen en meisjes bestempelt, zelf in,--neen, het ging niet. De dagen

om er eene speculatie van te maken waren voorbij. Voorbij? had hij er

dan ooit plan op gehad? Kwade tongen relden wel, dat hij in zijne

jeugd--vroeg--heel vroeg--naar een weêuw had gevrijd, die rijk, zeer

rijk was,--maar dat hij er met een blaauwe scheen af was gekomen. Hoe

konden de menschen het zeggen? O logen! Had hij dan niet op hare

bruiloft gedanst, ik meen, gegeten, voor zes? En dan te verspreiden, dat

hij verliefd was geweest,--verliefd--de kwaal, waarvan men bleek ziet,

al is men zwart als Orosman;--verliefd--dat ding waarvan de helden den

mond vol hadden, tot Titus, den zoon van Brutus toe, maar waarvan hij,

ondanks al hunne tirades, nooit het verhevene had begrepen. Het was

laster; schandelijke, zwarte laster. Doch, dat mogt zijn zoo het wilde,

hij had nu behoefte aan oppassing. Hoe dit den kring beperkte, waaruit

hij kiezen kon! Van eischer was hij er waarlijk toe gebragt te

overleggen, welk voordeel een huwelijk met hem, zelfs een burger-, zelfs

een minder meisje aanbood. Een meisje?--ja!--want wat hij over 't hoofd

mogt zien, op twee voorwaarden moest hij aandringen, slechts om deze

huwde hij: zij moest jong, zij moest vlug wezen. Het was ligter die

beide vereischten te vinden dan den steen der wijzen; maar hij had toch

in geen zijner treurspelen ooit iets gezien, ooit iets gehoord, dat naar

een' echt zweemde, als dien, welken hij zat te beramen. Het was iets

ongehoords in de zoogenaamde klassiek, en ook de romantiek leverde er

maar weinig voorbeelden van op. Zelfs de historie van "het Spaansche

Heidinnetje" maakte beter figuur dan de zijne zou doen.

Goden en menschen!--hij trouwde de meid van zijne commensales.

Arme stakker! Op zijn vijfenvijftigste jaar heeft hij het pleizier aan

het wiegetouw te trekken,--en bitter weinig oppassing op den koop

toe;--zelfs de meid vindt niet dat zij fortuin heeft gemaakt met een'

kantoorbediende.

Het valt moeijelijk ernstig te blijven bij eene figuur, bespottelijk als

deze;--en echter was het mijn doel niet, uwen lachlust op te wekken;

echter zijn Hammink's gelijken beklagenswaardiger dan gij gelooft. Van

alle gewaagde echtverbintenissen schijnt mij die van ongelijke

standen--een jammer, waartoe meer klerken vervallen dan onze

tooneelkijker--de meeste kwade kansen te opleveren. Het strijdige der

begrippen van beide echtgenooten over allerlei menschen en allerlei

dingen kweekt een eindeloos verschil van meening. Wat vertrouwelijks,

wat innigs is denkbaar, waar sympathie in wijze van zien faalt? Stel u

een paar voor, bij hetwelk zoo min verstand als gevoel ongeveer in

dezelfde mate zijn ontwikkeld en beschaafd, en zeg mij, of de band niet

los zal springen, zoodra verzadiging op genot volgt? Hebt ge ooit

huiselijk heil benijd of bewonderd, waar de echtgenoot in eene geheel

andere wereld van gedachten en gevoelens leefde, dan de gade, of

omgekeerd? Het is veel, als het bij louter koelheid, louter vervreemding

blijft; als de ongelijkheid geene walging, geen' weêrzin opwekt.

Verscheidenheid moge tot éénheid voeren, van elkander afkeerige

elementen kampen tot het sterkste overwint. Enkele malen, het is waar,

trekt de man zijne vrouw tot zich op, of haalt de vrouw haren man tot

zich neêr; maar gewoonte, die ons van kindsbeen af bootseerde, is eene

onhandige herschepster; zij doet het volwassenen slechts pijnlijk,

stuksgewijze, en niet zonder herhaalde wederinstorting. Liefde is

almagtig;--doch is de liefde van een' klerk voor eene meid, is dat de

hartstogt, die, veredeld, het onmogelijke mogelijk maakt? Helaas, neen,

hoe weinig is zij in harmonie met zijne jeugd, zijne opvoeding, zijne

herinneringen,--hoe wreken deze zich, als hij zijn kroost aanziet!

Kinderen uit zulk eenen echt zijn geene strikken, welke het paar naauwer

aan een sluiten, het zijn struikelblokken, die den dagelijkschen omgang

verzwaren. Hoe verscheiden is het oordeel van zulke ouders over hunne

vorming niet? Wie schetst de ergernis eens vaders, die in zijne dochters

dezelfde onbehouwen stukken vleesch ziet opgroeijen, als waaraan hij

zich verslingerde; wie het leed eener moeder, die zoo gaarne uit hare

jongens iets aêrs zag opwassen, dan het evenbeeld des timmermans, wien

zij in een zwak oogenblik hare hand gaf? Ziedaar de wroeging naar het

ligchamelijke; dat het naar den geest beter ginge! Maar hetzij de man of

de vrouw ophebbe met een weinig meer beschaving, met ietwat opener zin

voor het welvoegelijke, het bevallige, het edelaardige, het verhevene

--het zijn allen zusters van het schoone--hoe dikwijls grieft het hem of

haar, bij melieve, of bij mijnlief, in plaats van eene ijverige hulpe in

de ontwikkeling, onverschilligheid of wederstand aan te treffen! Men

begrijpt elkander niet,--men voelt verschillend,--men doet zeer zonder

het op te merken,--men kwetst eer men het weet,--men ergert elkander,--men

kwijnt weg,--men geeft het op;--arme kinderen, wat wordt er van u?

Vernedering in de jeugd, als bij Rivers; verloochening in de

jongelingsjaren, als bij Vreese; afhankelijkheid in den middelbaren

leeftijd, als bij Gerrit en Aagje; verval naar ligchaam en geest in den

vóórherfst, als bij Doorne; vervreemding van den kring waarin men

geboren, voor wien men gevormd werd, als bij de beteren uit de klasse

van Hammink,--of de avond van het leven van een' kantoorbediende, de

ellende van ochtend en middag opwoog! Vlei er u niet mede, tenzij de

klerk reeds vroeger getracht hebbe boekhouder te worden,--bij een'

komenijsman, bij een' winkelier, bij een tweedehands huis, bij wie hem

nemen wil, in één woord,--de wijssten doen dit het vroegst. Het geeft

aanleiding, met meer menschen in betrekking te komen; het bewaart voor

den vloek, van een' enkele af te hangen. Ik ken er, die zes, zeven pezen

van die soort op hunnen boog hebben, en er hun wit meê beschoten: eenige

huisjes, een effect of wat, en kroost, des noods in minderen, maar toch

degelijken stand geplaatst. Zóó behoort het--genadebrood is altijd hard,

maar hardst uit de handen van jongeren van dagen. Waan daarom niet, dat

allen zóó gelukkig zijn. Al ziet gij zeldzaam een man, die al grootvader

is--en toch nog kantoorbediende--des middags naar de beurs strompelen,

om dezen of genen jongen mensch in een' anderen hoek dan dien van het

huis op te sporen, en hem te verzoeken, eens bij den patroon te komen,

--daar zijn er, voor wie de schaduwen zich verlengen, zonder dat zij hun

ruste aankondigen. Daar zij er, die 's ochtends naar het kantoor sukkelen,

traag van voet en stijf van leden,--die binnenkomen, met het hoedje in

de hand, schoon kaal of grijs van schedel,--die den rok aan den kapstok

hangen, schoon de hand hem naauwelijks meer beuren kan,--die de pen

versnijden met bevende vingers. Aan uwe taak, oude stumper, of gij en uw

besje hebt gebrek! O, hooggeroemde vrijheid onzer instellingen! wat wist

de oude vassal van zulke ellende? Plagt hij niet voor de deur zijner

hut, in de lommer der eiken gezeten, rustig toe te zien, hoe zijne

kinderen en kleinkinderen feest vierden op het groene gras; had hij

geene bete broods en geen glas melk over voor den moeden pelgrim, dien

zijne oogen in het verschiet niet meer konden onderscheiden, maar die

den grijze met een: "de heilige maagd zegene u!" genaderd, door dezen

"welkom!" werd geheeten, onbekommerd welkom? Het is waar, als de trompet

werd gestoken, als het strijdros op het vóórplein van den burg trappelde,

als de ridder, de heer, zich het harnas om de leden gespte, dan moest

zijn zoon, zijn kleinzoon, den ploeg den ploeg laten, om de morgenster

of den strijdakst op te nemen, om te velde te trekken voor, neen! met

zijnen meester; want voor wat anders vochten deze, dan voor het stuk

gronds, dat hunnen oogst droeg, dan voor de kleine woning, wier dak de

grijsheid en de jeugd, het verledene en de toekomst, hunne ouders en

hunne telgen herbergde? De dagen der grafelijkheid leverden geene

wedergade op van het jammer onzer handels-eeuw.

Eene vergelijking uit onzen tijd!

Liedekens van Bontekoe en vijf novellen Blaauw bes, blauw bes!—'T is maar een pennelikker!—Marie—De ezelinnen—Hanna · 第 7 / 12 段