Makelaarsklerken--de tegenwerping verpligt ons, eenige jaren terug te

gaan--makelaarsklerken zijn doorgaans vrijwilligers, zonen, neven,

vrienden, en dus jongeluî, die vermogen genoeg hebben, om uit eigen

beurs niet alleen de leerjaren goed te maken, maar ook de teleurstellingen

te bestrijden, aan het beginnen van elk beroep verknocht. Of wanneer "de

vijanden van het liegen," zoo als Nieuwland de makelaars aardig noemde,

"dewijl het in geen duizend jaren gebeurt, dat zij iemand willens en

wetens bij den neus nemen," wanneer zij salariëren, dan kiezen zij

jongeluî, arm genoeg om afhankelijk te blijven. De eersten nemen zij

slechts, wanneer zij ter uitbreiding hunner zaken, om het klimmen hunner

jaren, of uit welken hoofde dan ook, een' hulp verlangen, of naar een

opvolger omzien;--de laatsten moeten jonge menschen zijn, die hun nooit

in de wielen kunnen rijden; die tot altoosdurende slavernij zijn

gedoemd. Ik wil niet beweren, dat de kring der aspiranten, ten gevolge

dier inlichting, voor uwen blik bekrimpt; maar ge zult mij toestemmen,

dat het getal dergenen, die kans hebben, zich zonder vermogen in deze

loopbaan eene eervolle onafhankelijkheid te verwerven, klein, bitter

klein wordt. Bovendien,--er is in de onderstelling, van welke wij

uitgingen, "dat een makelaar geen fonds behoeft," iets zoo overonnoozels,

dat de broeders van den gilde ons zouden uitlagchen, als wij haar één

oogenblik voor goede munt aannamen. Wie niet durft, wie niet wil, wie

niet kan inkoopen "voor zijn' meester," dat is, eer hij een kooper

heeft,--wie niet "lipt," luidt de technieke term--wat heeft de sukkel

te doen? Hij verliest zijn eerstehandshuizen, die heden aan hunne

buitenlandsche vrienden berigt willen zenden, dat de partij afgedaan

is;--hij moge wroeten en slooven, van den ochtend tot den avond, hij

krijgt geene patroons;--want wat kan hij der tweede hand, den

commissionair aanbieden, dat ieder zijner mededingers niet evenzeer en

met hetzelfde regt veilt? De verbastering der zeden ging in Rome soms

zóó verre, dat de wijsste wetten krachteloos werden, dewijl men door

hare toepassing allen schuldig zou hebben verklaard; ik vrees, dat, met

luttele (doch eervolle) uitzonderingen, de algemeenheid des kwaads de

makelaars onzer dagen zal moeten vrijpleiten van transigeren met hunnen

eed. Het zij verre van mij, het daarom te willen vergoêlijken;

integendeel, het sticht, als alles wat den standaard der zedelijkheid

verlaagt, onberekenbaar veel jammers, en brengt, zoowel voor den handel

in het algemeen, als voor kooplieden en makelaars in het bijzonder,

dikwijls, ik zou schier durven zeggen altijd, zijne straf met zich. De

voorbeelden zouden ligt zijn bij te brengen.

De tweede bedenking heeft meer schijns, en wie zal ontkennen, dat

enkelen hare juistheid door den gelukkigen uitslag hunner pogingen

hebben gestaafd; maar heeft een mijner lezers de verantwoordelijkheid

gewogen, welke de jonkman op zich neemt, die de kans trotseert verliezen

te ondergaan, welke voor hem in persoonlijke schulden aan zijn'

deelgenoot verkeeren? Het is last genoeg om van terug te deinzen, eer

men zich dien op de schouders laadt, zelfs om den wil van een huwelijk.

Ik heb straks van de poëzij van den handel gewaagd, en zeker, het is

streelend, door eigen vlijt, door eigen kracht, een' onbekenden naam bij

zijne medeburgers in aanzien te brengen,--door zijne kennis van zaken en

menschen, het vertrouwen van stad- en landgenooten te verwerven en te

verdienen,--aan zijne allengs uitgebreider betrekking een te huis te

hebben dank te weten, dat voor de zorgen, welke van zaken onafscheidelijk

zijn, schadeloos stelt!--Een te huis lief en waard, dewijl die woning,

ten gevolge van overleg en werkzaamheid, van eene gehuurde in eene

eigene is verkeerd,--een te huis liever en waarder nog, dewijl de

telkens in grooter mate genoten geriefelijkheden des levens de blosjes

lang op de wangen der gade doen wijlen, en er dikwijls in den lach der

vreugde een' zweem van jeugdige aanvalligheid op terugroepen--een te

huis, liefst en waardst bovenal, om het gekeuvel der kleinen, voor welke

zich, hoe rap zij ook opgroeijen, nog sneller uitzigten openen, daar

tien, vijftien, twintig jaren stipte eerlijkheid, in allengs toegenomen

zaken, honderdvoude belooning met zich brengen. Immers, de tijd is

zoowel een woekeraar ten goede als ten kwade! Aan de achting van het

algemeen, aan het vertrouwen, dat de naam des handelaars van beurs tot

beurs wint, paart zich het bewustzijn van een welbesteed leven; het

besef, in zijnen kring geluk te hebben verspreid, in zijnen stand bij

te hebben gedragen tot den vooruitgang van zijn Volk, van zijne Eeuw

misschien! Want, wie onzer acht het mogelijk, dat men het zóó verre zou

brengen, zonder degelijkheid van hart en hoofd, zonder zin voor

wetenschap of kunst, zonder liefde voor alles wat goed en groot is? Of

wat is natuurlijker, dan dat de man, ten gevolge van de inspanning der

helft zijns levens, met een groot vermogen gezegend, naar eene

burgerlijke waardigheid staat--geen ridderlint, bid ik u!--maar eene

plaats in den Raad der stad, tot wier welvaart hij bijdroeg--die hij

lief heeft gekregen, als de getuige van zijnen voorspoed--die hem aan

het harte ligt als de bakermat van zijn kroost?

Er is veel uitlokkends in,--maar de penning heeft toch ook zijne

keerzijde.

Een jaar twee, drie, waren Becker en Haeften geassociëerd geweest,--de

eerste bragt de kennis, de laatste bragt het geld aan, en, zoo er

compagnons zijn, die broederlijke vrienden mogen heeten, deze waren het.

Overmoed en overzorg, de gewone vloek van vennootschappen, uit zoo

ongelijke bestanddeelen zaamgesteld, bleven hun vreemd. Als gij hun

karakter hadt gadegeslagen, dan zoudt gij hebben opgemerkt, dat Becker

de vreesachtigste, Haeften de onbezorgste was, in het geven van crediet.

Beide gehuwd, moet ik mij zelven geweld aandoen, in geene schets van hun

gezellig verkeer uit te weiden. Het was een schoone droom van geluk.

Want, verre van den waan, dat de goede verstandhouding tusschen

compagnons het langst duurt als zij elkander nergens elders zien dan op

het kantoor,--er heerschte tusschen hen noch die ongelijkheid van stand,

noch die ongelijkheid van jaren, welke het opzettelijk vreemd blijven

van de gezinnen van associé's, van beider vrouwen vooral, soms raadzaam

maken--waren zij, zoo als ik zeide, van vennooten vrienden geworden;

geen huisselijk lief of leed van den een', dat den ander niet ter harte

ging. Het was eene dier zeldzame betrekkingen, waarin het bevorderen van

ons eigen belang veredeld wordt, dewijl wij er tevens tot het geluk van

vrienden door bijdragen.--De avonden na het afsluiten eener voordeelige

balance, beurtelings in den schoot van het een of ander gezin

doorgebragt, verkeerden in huiselijke feesten, op welke de vrouw van

Becker zich niet had geërgerd aan de meerdere pracht in de woning van

Haeften, en die van de laatste er zich in verlustigde, dat alles bij den

eersten van welvaart getuigde, schoon zij er, en te regt, niet tot

weelde oversloeg.

Het was in het derde jaar hunner associatie, en de looper reikte op een'

Vrijdagmorgen den patroons de brieven over. Haeften opende er eenen, die

hun eene aanzienlijke order opdroeg. Becker liep een' anderen door, het

schrift danste hem voor het gezigt. O, als de bankbreukige wist, welk

leed hij aanrigt; als hij het bedacht, eer hij, den achteruitgang zijner

zaken onder telkens uitgebreider ondernemingen bemantelende, vermetel de

rust van een tien- of twintigtal huisgezinnen meer op het spel zet,--hij

zou van alle gevoel vervreemd moeten zijn, eer hij _quitte ou double_

waagde, eer hij zichzelven diets maakte, dat het hem _onder nul_ nog

vrij stond te beproeven, of de fortuin voor hem keeren wilde! Het was de

aankondiging van het faillissement van een' hunner grootste debiteuren.

Een huis, dat langer dan eene halve eeuw bestond--een huis, dat, tot op

den dag dat het zijne betalingen schorste, algemeen vertrouwen genoot

--een huis, dat, reeds sedert jaren, zijn crediet in den vreemde

allerhandigst exploiteerde. Wie begrijpt niet, waarom Becker, de

aankondiging inziende, verbleekte? Wie vermoedt niet te gelijk, dat in

het volgende oogenblik _groot houden_, des ondanks, zijne leuze was?

De klerken zaten om hem heen, en er waren onder deze, die zijne

ontsteltenis al hadden opgemerkt.

"Het had erger kunnen zijn," zei Haeften, toen hij op zijne beurt de

jobsmare had doorgeloopen.

--Het had erger kunnen zijn--voor iemand van Becker's gestel, van

Becker's geweten? oordeel zelf! Er kwamen geprotesteerde traittes voor,

door hen op het buitenlandsche huis getrokken, die natuurlijk dadelijk

gerembourseerd werden,--maar wier bedrag Becker voor oogen stond, toen

hij zijne arme vrouw en kinderen aanzag, door wier pas verworven

vermogen eene streep was gehaald, die er nu erger aan toe waren dan het

gezin van menig kantoorbediende--hij was Haeften schuldig!--Er moest

naar de beurs worden gegaan, en het gerucht had hun verlies reeds

verbreid, vergroot, vertienvoud; want de nijd had lang naar eene

gelegenheid uitgezien, het opkomend huis te benadeelen; want de laster

had vrij spel, dewijl zij er inderdaad eene aanzienlijke som bij

verloren. Becker las wantrouwen in de blikken van wie hen groetten, in

de deelneming van wie hen beklaagden. Hij bespeurde het in de opmerking,

welke hun kassier aarzelend maakte, dat hij geloofde, voor hen in

voorschot te zijn,--in de traagheid, waarmede hunne makelaars inkoopen

voor hunne firma schenen te behartigen, eene traagheid, die week, zoodra

zij 1 pCt. contant aanboden,--in de klagte der wisseljoden, dat er

schier geene nemers waren voor papier, zoo min voor kort als op tijd.

--Er school, ondanks zijn ziekelijke kwetsbaarheid, het gevolg van

zijnen toestand, van zijne hoogere vlugt dan zijne vlerken reikten,

waarheid genoeg in zijn vermoeden, om tot dubbele voorzigtigheid te

verpligten in de keuze der maatregelen, om de belemmering te doen

ophouden. Becker bragt nachten door, welke slechts de eerzuchtige, neen,

de gemoedelijke zich voor kan stellen; want zijn gezin had heiliger

regten op hem, op ons mogen toekennen.--Er volgde stilte op den storm.

Toen zij menige proef, welke de zaakkennis van oudere huizen nam,

zegevierend hadden doorgestaan, toen keerde het vertrouwen terug, en

vergat men het verlies, dat zij hadden geleden, ja, veranderde het

schier te hunner gunste, in een blijk, "dat zij toch goed moesten

staan." Maar wie het vergat, Becker niet--wie het voor een bewijs hunner

soliditeit liet gelden, Becker wist dat er slechts vijf ten honderd van

hunne aanzienlijke vordering te wachten viel; werken--werken--werken--werd

zijn pligt. Er bood zich eene gelegenheid aan, hun verlies te herstellen;

--het leed geen' twijfel, dat er nieuwe, voordeelige betrekkingen vielen

aan te knoopen, als men anderen vooruit wist te zijn in ijver, in

schikken naar den geest des tijds, in groote omzettingen voor geringe

winsten misschien. Eene verre reize moest met groote spoed worden

ondernomen; als zij slagen zouden, dan diende een der chefs van het huis

die zelf te doen. Becker ontwierp het plan, Becker ondernam haar, Becker

voerde haar uit,--hij was terug eer het algemeen wist, dat hij weg was

geweest;--hij had orders, groote, solide orders, zij wonnen veel gelds,

zij waren het verlies bijna te boven.--

"Het had erger kunnen zijn," zei Haeften.

En de vrouw van Becker zeide het hem na, maar eens,--het was in den

nawinter, ontwaakte zij midden in den nacht: "Wie kucht daar? Becker!

Becker!"--Hij schonk een glas water in, en leegde het in een paar

teugen. "Wat scheelt er aan?" en, daar zij geen antwoord kreeg, werd zij

eensklaps wakker of het uchtend was; "waarom frommelt gij dien zakdoek

weg?" Helaas, niemand dan hij wist, dat hij reeds meermalen bloed had

opgegeven ten gevolge van de vermoeijenissen der reize, dacht hij,--ten

gevolge van den angst, dien hij maanden lang leed, van de onrust over

het lot van vrouw en kinderen, die hij nog niet te boven was. "Het had

erger kunnen zijn," zeî de arts, die des morgens voor zijne legerstede

stond, en rust aanbeval, en veel van de naderende lente en van eenige

weken verblijfs op het land hoopte; Becker moest zich aan alle

beslommeringen onttrekken; Becker moest de zaken uit het hoofd zetten.

Och, die goede artsen, hoe redelijk eischen zij soms het onredelijke!

Maar waarlijk, het scheen dat het inderdaad erger had kunnen zijn. Eer

de lente kwam, werkte Becker reeds weder in zijne kamer, en toen hij

veertien dagen buiten was geweest, en zich--"beter, o veel beter,"

--gevoelde, hijgde hij naar het kantoor, en de zomer zag hem tot tien

uren des avonds op zijne kruk voor den lessenaar zitten, want hunne

zaken stonden gunstiger dan ooit ...

Echter liep de herfst niet ten einde, of zijne vrouw lag bij zijn

hoofdkussen op de knieën, en hij kuste zijne kinderen goeden nacht.

Haeften beloofde hem, voor deze te zullen zorgen,--en eene diepe stilte

verkondigde, dat het zijne laatste woorden waren geweest.

"Suze ik had u zoo gaarne rijk achtergelaten!"

Was het niet erg genoeg?

Ik heb de voorkeur gegeven aan eene schets naar het leven, boven eene

schepping der fantasie, maar geloof niet dat ik tot de verdichting mijne

toevlugt zou behoeven te nemen, om u somberder tafereel op te hangen,

hoe menig klerk de vermetelheid koopman te spelen heeft geboet. Waarom

zoude ik het verzwijgen, dat de figuur van Haeften mij, om het

harmonische, dat zij den indruk des geheels geeft, beviel? Er is, in de

bescherming, welke hij den kinderen toezegt, iets, dat ons met het lot

des vaders verzoent. En echter, hoe zeldzaam is de afloop van

verbintenissen van dien aard zoo weemoedig-bevredigend! Hoe vele heb ik

er niet gekend, die mij het oude spreekwoord: "alle compagnieschappen

beginnen in den naam des Heeren, maar eindigen in den naam des duivels,"

voor den geest herriepen? Het was altijd de vennoot, die luttel had

ingebragt, aan wien de kwade afloop geweten werd, hij was _te dit of te

dat_; genoeg, een man, die geen geld heeft, en wat dan ook _te_ is, wat

is hij anders dan een verloren man? _Le succes justifie tout_, zegt de

wereld; maar ik beschuldig den armen kantoorbediende niet van gebrek aan

moed, als hij zich laat terughouden van eigen zaken, door een grijnzend

gebouw, dat het verschiet verdonkert, door de _gijzeling_!

Voor haar huivert de klerk van middelbaren leeftijd, wanneer de gedachte

aan een etablissement bij hem opkomt, zoo dikwerf hij zich ergert aan

het vrolijke leven der buitenlandsche volontairs, welke zijn

chef,--commissionair--zeehandelaar--bankier--bijna als zijns gelijken,

als zonen van den huize behandelt. Inderdaad, uitheemsche vrijwilligers

hebben zich slechts fatsoenlijk te gedragen, om in de gezelschapszaal

des patroons als gasten te worden ontvangen; noch in het fransch, noch

in het duitsch, noch in het engelsch, heeten de jonge lieden, die op het

kantoor werkzaam zijn, _bedienden_. Onze patenten zijn in dit opzicht

waar, tot krenkens toe.--Als er iets aardigs of geestigs in die

vreempjes schuilt, zijn zij overal welkom,--als ze vlugge beenen hebben,

introduceert men hen alom, tot op het Casino toe,--en waarom zou men

niet? Eens zullen zij zelve een huis van negotie oprigten, en de

herinneringen uit de jeugd geven aan de handelsbetrekkingen, ten gevolge

van deze aangeknoopt, iets duurzaams, dat latere mededinging tart. Voor

de _gijzeling_, voor den kerker, waarin hij misschien zijnen

ondernemingslust boeten zou, huivert de gesalariëerde kantoorbediende

terug, als hij de uitspanningen zijner kinderen vergelijkt met het geld

stuk slaan der onbezorgde trekvogels. O, geloof niet, dat de schaal

effen hangt, wanneer hij hen voor "een bok op een' ezel" uitscheldt, als

zij hem te paard voorbij rijden en hem noode groeten;--geloof het niet,

als hij u verzekert, dat zij er in hun nieuwe kleêren uitzien "als apen

dat ze zijn," terwijl hij zijn kaalgeschuijerden jas humoristisch digt

heeft geknoopt, om zijn vuil linnen te verbergen. Hoe pijnlijk gaan hem

zijn aardigheden tegen fransche comedie en italiaansche opera af,--als

hij niet te zeer verstompt is om eenigerlei malligheden te bedenken, om

zijn' nijd achter schimp te verbergen, om spijtig te zijn. Immers

uitvallen van dien aard onderstellen nog een besef van vatbaarheid voor

genot,--hoe dikwijls gevoelen de ongelukkigen niets dan het wigt des

juks, dat hunne schouders neerkromt!

"Zoo ik nog vrij man ware!" zeiden wij, "wanneer ik nog alleen in de

wereld stond!" Inderdaad, wie zou dan de afhankelijkheid willen dulden,

in een' leeftijd, die zoo weinig plooibaars meer heeft; wie zou zich op

veertigjarigen ouderdom willen voegen naar de begrippen van nieuw

aankomende chefs, naar de grillen van jongere patroons! En echter--het

gezin, dat zich reeds zoo armelijk behelpen moet, het zou tot den

bedelstaf vervallen--zoo de plaats werd opgezegd. Verwondert het u, dat

de bedaagde bediende slaafscher kruipt dan een dienstbode, dat het

jammer met elk jaar ergerlijker wordt? O graauwende hairen, gebogen om

den wille van een karig loon! De meiden van het huis voeren hooger toon

dan hij. Op het bekende: "er is geene hand vol, maar een land vol," die

naïve verklaring van het beginsel, waarop de wisselzin der vrouwen

steunt, antwoorden de deernen luchtig weg: "Er zijn meer diensten dan

kerken!" Hoe anders ontrust zich de bejaarde klerk over een

onwillekeurig verzuim, over eene vergeeflijke vergissing, dan zij het

zich over het grofste vergrijp doen. Het heugt mij, een' vijftigjarigen

Correspondent te hebben zien beven van verkropte gramschap, toen een

lafbek van een' Associé de pen haalde door een' vier zijdjes langen

brief,--en echter ging de man naar zijnen lessenaar terug en schreef

eenen anderen. Nooit zal ik de dankbaarheid vergeten, waarmede een

Kashouder den eerlijken borst de hand drukte, die hem het geld weêrom

bragt, dat de laatste te veel had ontvangen, dat de eerste hem te veel

had betaald. De tranen stonden den grijskop in de oogen, en toch waren

het maar--vijf en twintig gulden. De volgende morgen zag beide, zoowel

na het eene voorval als na het andere, weder op het kantoor, weder aan

den arbeid, briefschrijvende en geldtellende; maar wat moet er in die

harten zijn omgegaan, toen zij, den avond te voren, in den schoot der

hunnen, ieder het zijne, hun gezin gadesloegen! "Dat leed ik om u,"

dacht de Correspondent; en welligt relde zijne vrouw hem aan de ooren

over een' uitgang voor de kinderen, om het zien van een spel op de

Botermarkt, de bloeden waren nog nergens geweest! "Wanneer er dat eens

bij was gekomen," zei de andere, terwijl hij misschien zuchtende, de

rekening van den schoolmeester wegborg. Verg hem niet, dat hij zijn

kroost op die der armen zende: zijn buurman, de blikslager doet het niet

eens!

"Als de armoede de deur inkomt, dan vliegt de liefde het venster uit,"

zeiden onze vaderen, maar men went niet aan den ruwer toon, dien zij

voert. Maar men komt niet tot de onverschilligheid, die haar dragelijk

maakt; maar men leert het leven niet dulden, ondanks dat het lijden is

geworden, dan door ongevoeligheid, door versteening. Dirk, de kashouder,

of Daan, de correspondent, zijn zoo min dezelfde Daan of Dirk meer,

welke zij vóór twintig jaren zijn geweest, welke zij, behoudens de

natuurlijke overgangen van den leeftijd, beloofden te zullen blijven,

als het paard, dat altoos een paard wordt geheeten, hetzelfde dier is,

wanneer het in jeugdigen overmoed de lucht van gehinnik doet daveren en

heiningen overspringt en stroomen klieft, en als het in een tuig

gespannen, dat het voor jaren zou hebben gescheurd als rag, den molen

rondstrompelt, blind en lam, met den vilder in het verschiet. Het is

even zeldzaam voor een van beide, deernis aan te treffen; maar hoe

verdienstelijk het zijn mag dierenapostel te wezen, menschen hebben

hooger aanspraak op ons mededoogen. En zoo lang ik niet geloof, dat

iemand tot dergelijke bestemming geboren wordt, zoo lang ik niet wankel

in de overtuiging, dat de wijsheid des Scheppers, welke in de Natuur

aller behoeften bevrediging waarborgt, zich af moest spiegelen in onze

beschaafde maatschappij, zoo lang zal ik de ziekelijke verschijnselen

van dezen aard bewijzen eener krankte achten, die genezing eischt.

"Gierige feeks!" mompelde Doorne, in zich zelven, terwijl hij, op een'

zondag-avond in de laten herfst, den trap van zijn bovenhuis

opstommelde, "gierige feeks! het is hier zoo donker, dat men hals en

beenen breken kan!"

Deze liefelijke toespraak gold niemand anders dan zijne vrouw, die toch

eens de liefste zijner jeugd, zijn mooi Kaatje was geweest,--die met

hare drie kinderen had zitten voortschemeren, terwijl hij door een'

zijner confraters van het kantoor--den expediteur--was vrijgehouden op

een heeren-diner;--de man was zoo aardig--buiten 's huis. Ik geloof

niet, dat het zijn doel was haar het verwijt toe te duwen, en echter

hoorde zij het. Op het portaal staande, had zij zelve, door een' ruk aan

het smerige touw, de deur opengetrokken, en zag, trots het duister,

waarover hij zich beklaagde, aan zijn struikelend klimmen slechts te

duidelijk, dat hij meer dan ontnuchterd was. Verwacht dus niet, dat zij

hem verbeidde, dat er eene ontmoeting plaats greep, zoo als

herderszangers er schilderen, bij de tehuiskomst van eenen daglooner,

een vriendelijk welkom, een kus als eene klok. In stilte hare smart

verkroppende, dat wrevel, louter wrevel in zijn gemoed alle vroegere,

zachtere, edelaardige aandoeningen had vervangen, trad zij de kamer

binnen en had licht ontstoken, eer hij over den drempel was gezwaaid.

"Al weêr roode oogen," gromde hij, haar opgewonden aanziende, "al weêr

roode oogen; als je meent dat het grienen je mooi maakt, Kaatje, dan heb

jij het mis, danig mis, kind!"

De vrouw antwoordde niet op den uitval; de beide meisjes, en hun

zoontje, zagen vader vreemd aan.

"Huilen en pruilen," voer hij voort, "men zou waarachtig voor zijn

pleizier t'huis komen. Was ik maar met de jongens meêgegaan--maar me

dacht, dat gaf voor een' getrouwd man geen pas! Hm, een getrouwd man!

Wie een fatsoenlijk meisje neemt, is er toch maar ongelukkig aan toe,

dat moet ik zeggen. Als het hem niet meeloopt in de wereld, als ze een

beetje de handen uit de mouw moet steken, dan zucht zij, dan steent

ze--"

Het verwijt was onbillijk, want het gansche vertrek getuigde, hoe veel

netheid vermag om behoefte te verbergen; en Kaatje--brave vrouw als zij

was--beproefde te verhelen, hoe diep de smadelijke woorden haar

griefden. Zij deed het om der kinderen wil.

"Maar, het is waar," voer hij voort, als tergde hem haar stilzwijgen,

--en toch zou het haar onmogelijk zijn geweest iets uit te brengen, al

had haar leven er aan gehangen,--"het is waar, je was het anders gewend.

Als jonge jufvrouw, hadt je een meid om je aan te kleeden, en schoon er

zie dàt niet bij je oude lui is overgebleven, toch was het Mijnheer en

Mevrouw, ja wel!--"

Hij moest veel gedronken--hij moest, zoo als het gemeen zegt, een'

kwaden dronk hebben, om dien toon aan te slaan; om Kaatje in hare

omstandigheden, in zulk een' oogenblik, aan hare jonkheid te herinneren,

toen betrekkelijke weelde haar deel was geweest, toen zij de poëzij des

levens genoot:--achting, vriendschap, liefde--zij, die nu tot zulk een

laag proza was gedaald:--vergetelheid, armoede, smaad.--

"Gaat naar bed, kinderen!" sprak zij tot de kleinen, zoo bedaard ze zijn

konde,--zij had de oogen een wijle ten hemel geslagen.

"Nacht paatje," mogten de meisjes zeggen; "paatje!" grinnikte hij, "wel

zeker, paatje! het was immers ook grootpapa _von Habernichts!_" Kaatjes

lippen sloten zich krampig;--de jongen was aan de beurt, een borst van

een jaar of tien.

--"Goeden nacht--"

"Haal me eerst mijn pijp, Bram!"

"Ze is stuk, pa!" zei de knaap.

"Stuk!" was het antwoord, "mijn meerschuimen pijp stuk! haal me mijn

pijp, zeg ik, of ik sla je de ribben stuk."

"Doorne!"--viel de moeder in--"de kinderen hebben van middag achter

gespeeld, en het roer gebroken."

"Dat komt er van; dewijl jij ze altoos t'huis houdt;--mijn pijp, jongen!

zeg ik."

"Als wij het ruimer hadden, als we ze konden kleeden--" het was olie in

het vuur,--die laatste hoogmoed van Kaatje, de hoogmoed van eene moeder

op haar kroost!

"Wat ruimer! andere vrouwen kunnen er meer van doen dan jij, maar die

zijn groot gebragt om den pot te koken, om--"

Bram was van de achterkamer weêr gekomen, met het _corpus delicti_ in de

hand: het viel den jongen aan te zien, dat niet hij zich aan den afgod

had vergrepen. De drift, waarmede Doorne de zenuwachtig trillende hand

naar het gebroken roer uitstrekte, onttrok Kaatje aan zijne

opmerkzaamheid; het laatste verwijt was haar te zwaar gevallen.

"O God!" zuchtte zij, terwijl hij bulderde:

"En wie heeft dat gedaan?"

Bram zweeg.

"Spreek op jongen!"

Bram bleef zwijgen.

"Als je niet antwoord, dan houd ik het er voor, dat jij de deugniet

bent.--"

"Houd het er voor, pa!"

Het was zóó ver gekomen in het huiselijk verkeer, dat het kind den vader

trotseerde,--schoon de knaap het uit een edel beginsel deed, dat

vergoêlijkt het niet.

"Doorne!" borst Kaatje uit, terwijl zij hem de hand zag opheffen, om

zijn kind te slaan, "Doorne! ge zijt u zelven niet,--straf Mietje, die

ze gebroken heeft,--maar doe het morgen, niet nu!--"

De laatste woorden voegde ze er bij, dewijl Doorne opwaggelde, om naar

de achterkamer te gaan.

"Er is nog een Goudsche pijp in den bak," zei Bram, instinktmatig naar

een' afleider toekende.

Toen het kind andermaal uit de kamer was, sprak Kaatje, met tranen in de

oogen, en smeekend zaamgevouwen handen: "Doorne! er was een tijd dat ge

mij lief hadt--toen waart ge nooit beschonken,--moeten wij nog

ongelukkiger worden?"

Het werkte.

Liedekens van Bontekoe en vijf novellen Blaauw bes, blauw bes!—'T is maar een pennelikker!—Marie—De ezelinnen—Hanna · 第 6 / 12 段