zeggen wil," vaart Braeuwtje voort, "dat ik een prettig leven heb
geleid; dat zit er achter den houten bak niet op. "Poot an speulen," zei
Schnack, "dat ist Hollandsch!"--het was al wat hij in dertig jaren hier
had geleerd; maar wien hij er toe kreeg, mij niet. Als ik er langer
gebleven was, dan zou het tusschen mij en den grompot tot
_daadwerkelijkheid_ zijn gekomen, _bei meiner Seele_, dat zou
het--_fameux!_ Maar ik kreeg de reizigersplaats te Rotterdam in 't oog,
in Verfwaren weet je;--in Creveld pakte ik de Linten beet;--nu heb ik
eene heele Galanteriekraam hij me. Kom eens kijken, als je lust hebt; in
de Star, No. 15, _à votre service_, mits ge mij niet alleen laat
babbelen. Adieu, Vreese, _au plaisir!_"
Vreese oogt hem half verbaasd, half verontwaardigd na--en wèl mag hij
het doen! Verbastering van taal en verbastering van zeden, niets
degelijks, niets hollandsch meer!--"Alleen babbelen!"--, wat zou hij hem
hebben toe te vertrouwen? Hoe arm aan gebeurtenissen, aan geneugten
vooral, is zijn leven in die jaren geweest! Wat heugt er hem van dan
ellende? tweeërlei jaloezij! De eene is hij te boven, maar de andere?
Opdat ik niet langer in raadsels spreke, hij heeft bij Effens en Zoon
een' confrater gehad, die het veel verder in de wereld zal brengen dan
hij--het was ook een Oost-Fries. Als gij rondziet, hoe velen van die
natie, neen, van die inboorlingen van Embden, Leer, en meer stadjes van
smokkelige vermaardheid, hier wortel hebben geschoten, dan zult ge het
met mij eens zijn, dat òf ons volk een predilectie voor hen heeft, òf
dat zij met het genie der intrigue zijn begaafd. Gaarne vergun ik u
eenigen van dit dilemma uit te zonderen; ook ik ken er heusche menschen
onder, enkele zelfs reken ik onder mijne vrienden. Maar de
lessenaarmakker van Vreese vertegenwoordigde al de gebreken welke de
soort kenschetsen; hij wist "ieder schoenen naar de voeten te geven,"
dat wil zeggen, beurtelings onbeschaamd en laagzielig, was het hem om
het even, of hij trapte, of dat hij getrapt werd--mits hij maar vooruit
kon komen, vooruitkruipen is het ware woord. Effens en Zoon--brave
kooplui in granen--waren in het eerst zeer met hem gediend;--niets
natuurlijker. Zij eischten slechts het redelijke van hem, maar hij zou
zich zelfs het onredelijke hebben getroost;--het was zijn belang hunne
relatiën zoo spoedig mogelijk te leeren kennen,--en het scheen, dat
hunne zaak hem ter harte ging, als ware ze zijne eigene geweest. Hoe
verschilde het oordeel, over hem uitgebragt, naar het doel dat men hem
toeschreef: Vreese sprak van afneuzen en flikflooijen, terwijl de
patroons hem voorkomend en ijverig prezen. Weldra walgde de eerste van
den gluiper, en werd onaardig, norsch, bar tegen hem; de Oost-Fries
trachtte den steen, dien hij niet uit den weg konde schoppen, op zijde
te schuiven. Hij lasterde Vreese, maar de in het duister afgeschoten
pijl stiet op den schutter terug, en--hij kreeg zijn afscheid. Hoe
Effens en Zoon er voor boetten, dat hun open aard hun niet had vergund,
hem te verhelen, hoezeer zijn karakter hen tegen de borst stiet!
Naauwelijks was hij bij een' hunner niet overkiesche concurrenten
geplaatst, of deze schoten met het kruit, hun door den Oost-Fries
verstrekt, onder hunne duiven. Hij had een hoog salaris bedongen--want
hij kon relatiën aanbrengen van zijn vorige patroons. "Dat gaat zoo,"
zeide deze en gene; maar wie het zeide, Vreese niet. Trots al het geld,
dat zijn voormalige confrater nu verdient, zou hij niet in zijne plaats
willen zijn. Vier of vijf soorten van beroepen in zich vereenigende, en
partij trekkende van elk, bij wie het hem gelukt zich in te dringen, zal
het niet bij den _tilbury_ blijven, waarin hij straks Vreese voorbij
reed, een leelijk gedrogtje, maar dat geld heeft, aan zijne zijde.
Vreese, die zich niet weêrhouden kon haar op te nemen, beantwoordde het
knikje niet, waarmee hij hem groette--zulke Oost-Friezen worden nooit
kwaad, weet ge.
Welligt zou Braeuwtje, ondanks zijne wilde haren "amen!" zeggen op de
voorkeur, die Vreese aan "een' goeden naam boven olie" geeft; maar zijne
tweede confidentie, neen, het viel dezen niet te vergen _hem_ die te
doen. Stel u voor, welke oogen de losbol op zou zetten, bij het verhaal
eener hopelooze liefde!--"_Peut-on être si bête!_" zou hij uitroepen,
"voor deze eene andere!"--Maar Vreese heeft Betsy al drie jaren gekend,
en nog is the _awful question_ niet over zijne lippen gekomen, al is hij
zeker, dat zij hem geen "neen!" zal geven. Hij zou haar vragen--als hij
maar geen kantoorbediende was.
Eenige weken vóór zijn bezoek van het Park zaten zij zamen aan de piano;
hij speelde, zij zong. Ik weet niet, welk teeder liedeke van Heije haar
deed haperen--genoeg, schroom beving haar, zij aarzelde;--o hoe gaarne
had Vreese haar door een' kus gezegd wat zij niet durfde uitbrengen!
Onwillekeurig hief zijne hand zich van de toetsen op, de verzoeking was
hem te sterk,--hij wilde zijnen arm om haar midden slaan.
Helaas!
Betsy begreep en verijdelde het gevaar, waarin zij verkeerde; ze zong
den tekst, smeltend als hij was. "Maar een kantoorbediende!" zuchtte
Vreese, op wien hare zelfoverwinning den invloed uitoefende van een koud
bad. En een derde kwam binnen en de piano ging digt,--Betsy ontving hem
sedert niet weêr alleen.
Ongaarne zou zij hem bedroeven, en echter een blaauwtje moest zijn lot
zijn; want wat zou zij, als ze hem nam, harer kennissen, harer
vriendinnen antwoorden, als zij haar vroegen: "En wat doet Mijnheer?"
Ge zult als ik met Vreese ophebben, wanneer ik u verzeker, dat het hem
nog nooit was ingevallen te wenschen:--"dat Betsy rijk ware!"--dat de
gedachte aan een' _mariage de raison_ hem nog een gruwel was. Het is
waar, hij telde naauwelijks zeven en twintig jaren, maar: "liever naar
de Oost, dan door eene rijke vrouw de man te worden!" Hoe zich de zeden
afspiegelen in de onderscheidene beteekenis in verschillende eeuwen aan
de woorden gehecht! "De man": dat was weleer in hoogen en lagen kring,
de verpersoonlijking van moed en van kracht; dat was hij, bij
uitnemendheid, die de lans het rapste velde, die de bijl het zwaarste
neer deed vallen,--dat is in onze dagen hij vooral, neen, hij alleen,
die het hoogste woord mag voeren, dewijl hij geld heeft. En echter, gij
zult als ik Vreese beklagen, wanneer ik er bijvoeg, dat hij--er zijn
jaren verloopen sedert het oogenblik, 't welk ik schetste,--na vaak,
maar altijd vergeefs naar eene betere betrekking te hebben gestaan, zich
thans te oud acht om naar Nederland's Indië te vertrekken, en die
meening voedsel geeft door de theorie te onzent aan de orde van den dag;
"Eén vogel in de hand is beter dan drie in de lucht!" Van den bedompten
kantoor-dampkring schier geheel doortrokken, is hij allengs meer der
onderdanigheid gewoon geworden, verbaast hij er zich zelfs niet langer
over, dat hij dag aan dag mede aan de beurs figureert: de nul, die de
eenheid vertienvoudt, maar op zich zelve slechts een nul is.
Conservatief _quand-même_ gruwt hij van alle nieuwigheid-zoekers in alle
vakken; zoo de veranderingen, welke die "afbrekers" wenschen, tot stand
kwamen, ze konden hem zijne betrekking kosten; zijne betrekking die zijn
alles is,--sedert Betsy huwde!--Hij leeft immers nu _tevreden_--behalve
wanneer hij haar ontmoet, een jongske van een jaar drie vier, aan de
hand?--
Het deert mij, dat mijn onderwerp er me toe verpligt zoo veel geloof van
u te eischen, en toch zult gij weder op mijn woord moeten aannemen, dat
het nergens moeijelijker valt met een klein fonds zaken te beginnen, dan
in eene der koopsteden van ons vaderland,--dat men aan geen beurs, om
een' technieken term te bezigen, "meer op de tand wordt gevoeld," dan
aan de Amsterdamsche. Ware dit zoo niet, welligt had ik nooit uw geduld
door dit opstel op de proef gesteld; welligt kende onze taal den
smadelijken uitroep niet, aan het hoofd dezer bladen geplaatst. "'t Is
maar een pennelikker!" geldt minder dan veertien-, vijftienjarigen borst
die zich te goed doet op de zaken van zijn patroon, dan den
kantoorbediende van dertig of vijf en dertig jaren, die, trots zijn'
rooden hoed en kalen jas, aanspraak maakt door de heffe des volks
"mijnheer" te worden genoemd. "Foei, van den ziekelijken trots!" wilt ge
uitroepen; of ik u bewegen kon te zeggen: "De arme afhankelijke!" Vergun
mij den toestand andermaal in beelden te brengen, het zal de scherpste
toets van de billijkheid mijns verlangens zijn. Mogt die schets mijner
voorstelling tevens vrijwaren voor al te eenzijdige opvatting! Vreese en
de Braeuw kunnen misduid worden tot een beweren, dat kantoorbedienden
zelden trouwen, dat reizen in den vreemde onze jongeluî bederft. Behoef
ik te verzekeren, dat ik noch het eene, noch het andere bedoelde? dat ik
slechts wilde afschaduwen, hoe de verloochening van zelfgevoel, waarvan
wij in Rivers eene proeve zagen, maar de eerste stap is tot nog zwaarder
ontberingen--Vreese--tenzij de natuur zich door uitspattingen wreke, als
in den verbasterden de Braeuw.
Onze schilders bezitten een eigenaardig talent voor het huiselijke. Ik
heb het hun zelden zoo zeer benijd als in dit oogenblik; want ik moet u
een klein vertrek binnen leiden, zoo klein, dat gij het met een' enkelen
oogopslag kunt overzien. Gelukkig dat het avond is, dat er een tinnen
kapje werd gezet op de kleine lamp die in het midden der kamer op tafel
staat--anders gaf ik dadelijk den wedstrijd met hen op. Maar schort het
geheel aan mijn gebrek aan talent? Staar eens een oogenblik in die
graauwe schemering, buiten den kring des lichts, rond, en ge zult
begrijpen, waarom de heeren van het penseel zoo ongaarne hedendaagsche
binnenhuizen schilderen, waarom zij bij voorkeur de stoffaadje der
zeventiende eeuw kiezen. Of zou het u invallen den weerzin, welken hun
dit vertrek zeker inboezemde, toe te schrijven aan de menigte der
voorwerpen, welke gij allengs ontdekt? Neen, er is geen enkel onder
deze, dat zich opdringt, dat uitsteekt, dat schreeuwt. Er heerscht zelfs
meer orde in hunne plaatsing--lof zij der huisvrouw!--dan een schilder
verlangen, dulden zoude. Maar de lijnen dier meubelen, maar de
vermenging van allerlei stijl, in den vorm dier sieraden; maar het
volslagen ontbreken van een' harmonischen indruk des geheels, ziedaar
zwarigheden, welke moeijelijker zijn te boven te komen, dan dat de kamer
tevens tot huizen en tot slapen dient. Nog eenmaal zij de moeder des
gezins geprezen, er komt desondanks in het vertrek niets aan het licht,
dat der keurigste kieschheid ergeren kan. Doch orde in de schikking, en
zindelijkheid in het gebruik, het zijn wel voorwaarden van schoonheid,
maar zij volstaan voor haar wezen niet, dat eischt meer. Ik zou dan ook
geen woord reppen van dien vierkanten klomp houts, eene _chiffonnière_
geheeten--zijn beslag is nog glanzig of het pas uit den winkel kwam--als
er naast de kleine, heel kleine pendule, op deze geplaatst, niet een
paar jannen van kastanjevazen hadden gestaan. Ik zou mij bij gebreke der
golvende lijnen van een ouderwetsch spiegelkabinet wel wachten, u een
aanregtje, alias _trumeau_, te wijzen, dat ons leelijk schoeisel aan het
licht brengt, als zich daarop niet een hooge pijpenstandaard had
verheven, wiens krullende koperen slang verwaten neerzag op een paar
herders en herderinnetjes van porselein. Ik zou--maar ge schenkt mij de
verdere beschrijving, dewijl ik niet als de schilders stoffeeren mag, _à
fantasie_, en ik maak dankbaar van uw verlof gebruik, na der vrouw des
huizes met een enkel woord te hebben verontschuldigd over de plaatsing
dier kastanjevazen, over die liefhebberij in gebakken beeldjes, na u
tevens te hebben verduidelijkt, waarom ik er van ophaalde. Beide waren
_cadeaux_, het jonge paar bij zijn huwelijk vereerd. De eerste werden
hun te huis gezonden door een' Oom, die het hart te hoog droeg om iets
nuttigs te geven; en de jeugdige echtgenoote, welke hem ontzag, wist
hare dankbaarheid niet beter te bewijzen, dan door een geschenk, waarvan
zij wel nooit gebruik zou maken--te pronk te zetten. De tweede zijn haar
vereerd door eene oude Nicht, "die eindelijk iets had gevonden, waarbij
men haar dagelijks gedenken kon,"--en of men het deed, bij de
porseleinen _sta in den weg's!_
Te over willigt, om u eene burgerlijke bovenvoorkamer voor den geest te
roepen, nu binnen het schijnsel der lamp gezien. Welk eene groep! Eene
moeder met twee kinderen: een jongetje van vijf, een meisje van drie
jaren,--het laatste zit stil op haren schoot, terwijl het eerste aan
hare knieën zijne avondbede opzegt.
"Amen!" fluistert de moeder haar zoontje na.
Maar hoe lief is die kleine in haar wolkje van wit nachtgoed; hoe koost
en streelt ze met hare mollige armpjes de wangen der moeder: zóó iets
laat zich niet beschrijven, het is te zeer natuur.
Geloof mij, dat ik het verder zou brengen in het schetsen van het
jongske, dat niet afgunstig, maar toch benijdend aan hare knie staat,
en--
Dáár legt zij de hand op zijn krullebol.
"Ge zult woord houden, Wim?" vraagt zij.
"Het eene versje kan ik nu al, moederlief!" en waarlijk, daar rolt een
dier gedichtjes van zijn lippen, welke van Alphen een' onsterfelijken
roem waarborgen--die hem bij de zaligen streelen mag!--
"Braaf, Wim!" zegt de moeder, "morgen het andere," en zij brengt Chrisje
naar hare wieg; doch eer zij ter tafel terugkeert, loopt het jongske
haar half ontkleed te gemoet.
"Nu nog een zoentje voor vader,--komt hij haast weer?"
Het knaapje vermoedde weinig, hoe zeer het de wensch zijner bekommerde
moeder ried--haar man was voor het kantoor zijner patroons reeds eenige
weken op reis. Zie, zij zit weder in haren leuningstoel; de weinige
toestel, voor het avondmaal der kinderen vereischt, is al weggeborgen.
IJverig vat zij de naald op, en echter, het is of het werk niet vlotten
wil. "Dat hij weêrom ware!" denkt zij. En ze haalt een klein beursje uit
den zak, en zij telt de weinige guldens, welke er nog zijn, over; en zij
werpt een' blik op de pendule: al digt bij half negen ure? Wis zou zij
nog eenmaal in den almanak kijken, de hoeveelste van de maand het is,
als ze niet reeds lang November had te gemoet gezien, als ze er niet
zeker van was, dat het eergister al de eerste is geweest. "O, als hij
t'huis ware!" dan zou ze reeds toen het vierendeeljarig salaris hebben
ontvangen, en echter, hij had haar zoo stellig verzekerd, dat de heeren
het zenden zouden.
De heeren!--
Honderde gedachten gingen haar door het hoofd; maar geene enkele, die
krenkend was voor haren man--honderde gedachten, in haren toestand, zij
zou eerlang weder moeder worden, dubbel pijnlijk. Wat was waarschijnlijker,
dan dat het op het kantoor vergeten was het haar te brengen; maar, zou
zij dan morgen, overmorgen, in de volgende week--zóó lang zouden hare
guldens niet strekken!--er om gaan vragen?--Slechts met looden schoenen
zou zij den trap opklimmen. Het wijf van een' daglooner eischt, bij
ontstentenis van dezen, zonder omweg, de penningen, die haren man
toekomen; maar zij, die juffrouw heet, die----En echter, de kinderen
hadden kleine behoeften voor den winter, in welke zij nog vóór hare
bevalling voorzien moest, maar niet voorzien kon, als zij geen geld had
... O, indien zij zich dat alles had voorgesteld! indien zij had
begrepen, hoe zij toch altoos niets anders zou zijn, dan te groot voor
een servet en te klein voor een tafellaken, indien zij dat geweten had,
eer zij trouwde--foei! Zij had haren Gerrit immers nog lief, als toen
zij hem nam? En hare kinderen! Zie, al verzwaarde de ongeborene reeds nu
hare zorgen, als zij aan het derde zoo veel genoegen zou mogen beleven
als aan de beide eersten, dan had zij er dit, dan had zij er alles voor
over. Maar--als het Gerrit gegaan ware, zoo als hij zich vleide dat het
hem gaan zou, toen zij huwden, zoo hij een aandeel had gekregen, neen,
dan zou er nu geene glinstering van angstzweet op die fijne, vermagerde
slapen zijn geweest.
Negen ure!
O rijkdom van poëzij die er in het hart eener moeder schuilt! Wat zij
haar zoontje ook zou laten worden, zeî zij in zich zelve, geen
kantoorbediende! en toen dat afgepraat was, liep ze eene reeks van
beroepen door, en hare verbeelding schoot wieken aan, als hij eens een
man in _bonis_ wierd, als oom! Ja, die zou in staat zijn, als hij wilde,
het jongske voort te helpen: was hij niet een oud vrijer, was Wim niet
zijn petekind? Doch, als het hem dan eens goed ging in de wereld, heel
goed, zou hij haar dan nog liefhebben als nu, haar, Chrisje, den
ongeborene, zou hij dan ook smadelijk neerzien op zijnen vader, den
kantoorbediende! God beware hem voor zulk een' rijkdom. Maar neen, Wim
stond haar voor den geest. Wim, wiens oogjes--het waren sprekend die van
haren Gerrit--de verdenking logenstraften; Wim, die zoo veel van zijn
zusje, zooveel van haar hield. Eer zij het wist waren hare handen
gevouwen,--zij bad voor haar gezin, zij bad tot voor het ongeboren kind
toe.
Het sloeg half tien ure!
Helaas, de vraag: "wie weet waarom het geld uitblijft?" kwam weder bij
haar op. Gerrits laatste brief moest uit de plooijen van haar huiskleed
te voorschijn gehaald worden. Rijkdom bewaart ter nood minnebrieven,
--armoede draagt dien van den echtgenoot op het hart. Wat had zij hem
dikwijls gelezen, en telkens met dezelfde belangstelling! Liefde is de
ware lezeres. Dáár stond het immers, dat zijne patroons reden hadden
over zijne reize tevreden te zijn, dáár stond het: "Wijfjelief, het valt
mij hoe langer hoe zuurder van huis te zijn," dat was geluk! Al hadden
zij geen geld--de vrouw zegevierde op de huishoudster.
Maar de moeder zag weder naar de klok.
Bij tienen!
Daar werd gescheld.
Het was een jongman van het kantoor, en hij bragt geld; maar met welk
eene boodschap! Zij blijke uit den volgenden brief, dien Gerrit's vrouw
hem nog denzelfden avond schreef, met tranen in de oogen:
Lieve man!
"Schrik niet, dewijl ge dezen van mij krijgt en wel buiten het kantoor
om. De kinderen zijn wèl, en ik, Goddank! ook, alles gaat zooverre goed.
Maar straks is Wolf hier geweest, met een' kwade tijding. In plaats van
_fl_250, lieten de heeren weten, zoudt gij in het vervolg maar _fl_200
krijgen; de zaken gingen zoo slecht. En Wolf zeî: dat er gemakkelijk
eerste bedienden voor _fl_800 waren te krijgen. Ook liet hij zich
ontvallen, dat de heeren al eens gedacht hadden over een' volontair. Als
het niet anders kan, dan zullen wij de tering naar de nering moeten
zetten; maar het is hard met twee kinderen, en het derde voor de deur.
Ik zeg het niet om het je te verwijten, Gerrit! Lief en leed heb ik
beloofd met je te deelen, en ik zou het nog doen! Minder wonen, dat zal
niet gaan, het is nu al zoo eng; maar een geringer baker, ik zal er
morgen naar hooren. Ook kan ik het zijden kleedje, dat ge mij na mijne
eerste kraam hebt gegeven, wel weer vermaken,--jongens, wat waren we
toen rijkelijk! Maar, Wim zal toch naar school moeten,--het is een slag,
en dat zoo onverwacht! Als gij iets anders vinden kondt, al was het
buiten de stad,--ik zou er wel niet graag uit willen,--wat zouden onze
kennissen zeggen?--maar rondkomen is de eerste pligt. En het overige
laat ik aan God over. Ik had geen rust, Gerrit, vóor ik het je had
geschreven,--het is mij nu of er een pak van mijn hart is. Want ik weet,
manlief, dat gij zelfs in nood en dood, alles voor mij en de kinderen
doen zult. En daarmeê, goeden nacht! Nog eens, Wim en Chrisje zijn wèl,
en ik zal mij opbeuren, tot je weer komt, wees daar gerust op. Het zal
immers niet lang meer duren?
"Uwe liefhebbende vrouw
Aagje.--"
P.S. "Wie weet hoe rijk we nog eens worden--want nicht Saartje heeft ons
zeker goed bedacht. Maar foei, ik doe doodslag in mijn hart,--o, dat
leelijke geld!"
Het lijdt geen' twijfel dat het den heeren--vrijstond, het salaris van
hunnen bediende te verminderen; maar dit zijner vrouw, zijner zwangere
vrouw te doen aankondigen, op het oogenblik, dat zij van zijne
afwezigheid bewust waren, is eene wreedheid, welke ik zelf niet gelooven
zou, indien ik haar verdicht had, indien het geen feit was!--Het lijdt
geen' twijfel, dat het niet enkel inhumaniteit, maar ook onverstand in
de heeren--verried; want waartoe zou ik het zedelijk gevoel mijner
lezers op de pijnbank brengen, door hun te verhelen, dat Gerrit op den
brief van Aagje ijlings te huis kwam, en een betere betrekking vond bij
lieden, die zijn' ijver en zijne kennis wisten te schatten? O hoe
wenschte ik er bij te mogen voegen, dat het ook geen twijfel lijdt, dat
allen, die op deze of dergelijke wijze den zwaren strijd tusschen
verdiensten en behoeften zagen beginnen, gered werden zoo als hij!
Hebt gij er geene onder uwe kennissen, die wegkwijnen in den bloei des
mannelijken levens,--bij wie het uiterlijke verarmelijking verraadt,
bij wie het verstandelijke den kreeftengang schijnt te gaan,--eene
vereeniging van moedeloosheid des harten met verstomping des hoofds?
kantoorbedienden, welke beginnen in te zien, dat het hun leven lang
sukkelen zal blijven? Het schort niet aan den aard hunner bezigheden,
al zijn deze waarachtig geen prettige. De eene zou er zich over heen
zetten, dat hij het gansche jaar niets anders te doen heeft, dan een'
onaangenamen briefwissel te voeren:--een correspondent wordt
onwillekeurig een casuïst, of hij bezwijkt onder de chicanes der
Duitschers. De andere zou het zich getroosten dat hij van primo Januarij
tot ultimo December, van den ochtend tot den avond, geen ander werk
heeft, dan te ontvangen en te betalen,--bij een' kashouder ontwikkelt
zich zucht voor numismatiek; immers, hoe houdt men het anders uit, geld
te tellen, dat ons niet behoort? Maar liefhebberij in het stellen van
vinnige brieven; maar liefhebberij in het nazien van allerlei
speciën,--hoe verflauwen zij wanneer men het hoofd vol heeft van de
ellenden van een berooid gezin! Om ernstig te spreken, hoe zwaar wordt
de taak en hoe hard valt de pligt voor de zijnen te zorgen, als het
vooruitzigt op eene verbetering van ons lot met de droomen der jeugd
verdwenen is, als zelfs de flaauwste hoop ons niet meer prikkelt,
schraagt, troost! Het is of de geneugten van den echt, de weelden van
het vaderschap in banden en boeijen verkeeren. Wanneer men niet dus
gekluisterd ware! "Wanneer ik nog alleen in de wereld stond!"
Eer ik u den toestand veraanschouwelijke, moet ik eene dubbele bedenking
weêrleggen, die stellig bij u opkomt, al heb ik u straks met een woord
verzekerd, dat het allermoeijelijkst is te onzent met een klein fonds
zaken te beginnen, en ondoenlijk zonder. "Waarom," hoor ik vragen, nu
wij genaderd zijn tot den leeftijd, waarin dit beroep, waarin dat te
huis om strijd stuiten, "waarom klerk geworden op een koopmans-kantoor,
en niet op dat van een makelaar? die kan zonder fonds vooruitkomen!"
--en--: "Als kennis in handel nog iets waard is: waarom dan geen _associé_
gezocht, die geld heeft? wanneer de eene hand de andere wascht, dan worden
beide schoon."
Dat zij juist ware!