om op een koopmanskantoor te worden geplaatst, niets geschikter was, dan
eenige jaren op dat van een' practizijn door te brengen, des noods bij
een' Advocaat, maar liefst bij een' Notaris. Soms verdwijnen kleine
eigenaardigheden van het volksleven slechts ten gevolge van groote
omwentelingen. Welligt zoude men, als het de moeite van het onderzoek
beloonde, doorgaans tot dezelfde uitkomst komen, waartoe de navorsching
dezer bijzonderheid leidt, namelijk: dat elk begrip, iedere gewoonte
eene schakel is in de groote keten, en dat de schijnbaar onbeduidendste
niet wijken, niet te verwrikken zijn, dan door een volslagen omsmeding,
die het verroeste herblaakt, en louterende vernieuwt. "Bij een'
practizijn leert men stellen," heette het, O genius van ons Proza!
waartoe was het met u gekomen? De protocollen van Jan Borliut, de school
voor de eenvoudigste uitdrukking der wereld, de school ter afsluiting
eener rekening, de school voor koopmans-briefstijl;--Hollandsche Taal!
wie het kernige en korte scheen aangeboren, hoe hieldt gij het uit?
Hooft had ons proza de toga der Romeinen omgehangen, en statig en
sierlijk bewoog het zich in de breede plooijen; maar als hij had kunnen
voorzien, dat men, het spoor bijster geworden in de bewondering van het
Latijn, alle eigenaardigheid zou doen verstikken in het stof van
processtukken en inventarissen, hoe zou hij den ongebonden stijl van de
schoolsche banden hebben bevrijd! Had hij het proza niet vergund langs
straat te slenteren, even als hij zijner schalker muze in het Gooi bij
wijle vrij spel liet? Helaas! zijn aandringen op de ontwikkeling aller
inheemsche gaven en krachten was _vergeefsch_ geweest,--hij voorzag
slechts te juist, dat er een tijdperk van weelde, van traagheid, van
stilzitten, op het woelige, krachtvolle, roemrijke, dat hij beleefde,
volgen zou. Al waarschuwde hij er tegen, wat baatte het? Maar een
verslapping, die onze gedachten, onze letterkunde, onze volksbeschaving
prijs gaf aan het voortdommelen in de éénige slavernij, uit welke onze
vaderen zich niet wisten vrij te maken, de kwalijk begrepen navolging
der ouden;--maar eene verslapping, die eerst alles wat naar het
Latijnsche zweemde, fraai vond, en, weldra in aperij ontaardende, aan
iedere windvlaag, die ons uit den vreemde bastaardklanken overwoei, het
oor leende,--wie zou deze hebben durven voorspellen? Het was of de
woorden allengs hun gehalte verloren. Vervalschte, vermengde munt,
werden er drie geldstukken vereischt, waar weleer één had kunnen
volstaan,--en woog het bekende: "_puur_ zuiver en _innocent_", nog het
goed oud-Hollandsche _onschuldig_ niet op! Wat wonder, dat van Effen,
die den Genius van ons proza als portier van Jan Borliut aantrof, hem
onhandelbaar en onhebbelijk vond; stroef van toon als hij heusch van
geest wilde zijn, verlamd van tong en vereelt van oor, hem, die
geschapen scheen, om voor alles wat kloek en groot, wat lief en schoon
is, uitdrukkingen te smeden, louter nabootsenden klank, louter beeld!
Slechts één schuilhoek was den stakker overgebleven, waarin hij de armen
vrij mogt hebben; slechts één publiek, waartoe het hem vergund was te
spreken, in den schilderijen tongval onzer oude kluchtspelen: zoo "de
Spectator" nog leeft, hij wijt het dank aan het beluisteren van de
lippen des volks. Het volk, het gemeene volk, dat zijne taal niet met
Latijnsche en Fransche bastaardklanken had doorspekt, dat Hollandsch was
blijven praten, kernig als het merg van zijn gebeente,--ruig als zijn
breede borst,--waar als zijn aard. Lees de _Angenietjes_, en verbaas er
u met mij over, dat men de burgervrijaadje zoo lang las en prees, zonder
te beproeven, in schrift en stijl der natuur meer op zijde te streven.
Of werd er een minder geweldige schok dan die der Fransche omwenteling
vereischt, om onze geleerden uit de overpeinzing hunner Ciceroniaansche
phrases wakker te schudden? te schrikken ware juister woord geweest.
Immers, het was deze, welke hen dwong het oor te leenen aan raauwe
kreten, ja, maar die ondanks hun volslagen gebrek aan _numerus_ en
_cadans_ ter harte gingen, die hen verpligtte dragelijk Hollandsch te
leeren schrijven, als zij tot Hollanders het woord wilden rigten!
Dragelijk Hollandsch? Eere twee vrouwen, eere Agatha Deken en Elisabeth
Bekker, die de behoeften des tijds begrepen en bevredigden, toen
hooggeleerden nog een poespas zamenflansten, welks spelling huiveren
doet. Eere den kansel, wiens leeraars eindelijk oor hadden voor den
eisch der beschaving, die invloed zochten door het éénige middel, dat
dien op den duur en eervol verzekert, een' natuurlijken, een levendigen
stijl, welke het ware verzusterd acht met het schoone. Eere aan van der
Palm, die bij ons proza iederen zin, maar vooral dien voor het
eenvoudige, ontwikkelde.
Als er ketterij in deze onwillekeurige uitwijding steekt, zoo wijt haar
aan het boeksken van professor Geel, over: "_Het proza_" en vlei u met
mij, dat hij de gedachten, er in aangegeven, uitvoeriger ontwikkelen
zal. Ik loop, tot dien prijs, gaarne de kans zijner heusche
teregtwijzing.
Jan Borliut--het wordt tijd tot ons onderwerp terug te keeren--Jan
Borliut houdt geene kweekschool van kantoorbedienden meer; hij heeft,
in den geest des tijds, een' knecht om de deur open te doen, of een'
jongen, die aspireert tot eene klerksplaats. De knecht, het spreekt van
zelf, blijft knecht--en de aspirant-klerk ziet met blijdschap den
Nieuwjaarsdag te gemoet, waarop een weêr jonger knaap hem zal vervangen,
en hij bevrijd zijn van het verdrietelijk baantje, kagchelstokken,
boodschappen doen, uitlaten, enz. Hij beklimt op zijne beurt eindelijk
de lang gewenschte kruk, hij schrijft concepten uit het klad in het net,
en dat duurt zóó eenige jaren, in welker loop hij van kruk tot kruk, van
die het digtst bij de deur tot die het digtst bij het venster wordt
bevorderd. "Het is een schrale climax," zegt gij; een oogenblik geduld,
bid ik u! Hij heeft intusschen allengs grooter aandeel in de fooitjes,
alias _cadeaux_ gekregen, die soms aanzienlijk zijn, wanneer de fraai
geschreven acte de opmerkzaamheid van den een' of anderen cliënt tot
zich trekt,--als het onverwachte eener testamentaire dispositie de
mildheid van verraste erfgenamen uitlokt, om de arme drommels te
bedenken,--als het kantoor weken lang geheim heeft gehouden, dat er een
nieuwe naamlooze vennootschap zou worden opgerigt,--die kostbare
liefhebberij onzer dagen.--Waar zijn intusschen de klerken gebleven,
welke vóór hem op die krukjes zaten, en die niet allen jonge heeren
waren, rijk genoeg aan geld en geduld, om eene benoeming tot notaris te
huis af te wachten,--nadat zij ongeveer alles van de praktijk hadden
geleerd, uitgezonderd de beste praktijk, van alle, die--om met menschen
om te gaan. Waar ze gebleven zijn? Jan Borliut heeft voor hen gezorgd.
Hij onderscheidt weldra, wie hunner het lot eersten bediende, wie tot
notaris op een dorp het al dan niet brengen kan,--en wat zou hij er
tegen hebben, dat de stakkers, welke dit niet kunnen, dat zij vrijen en
trouwen, mits men hem maar niet met de zorg voor hun onderhoud en dat
hunner kinderen belaste? Door zijne velerlei relatiën valt er ligt een
baantje op te sporen; niet heel voordeelig, niet weêrgaloos vet, maar
toch mooi genoeg voor een' jongen, die al heel blij was, dat hij op eene
kruk zat. Hoe dan ook, hij plaatst ze. En, schoone evenredigheid
tusschen middel en doel! de burgerknaap, die aan hem verpligt is, dat
hij zijn Maartje of zijn Grietje heeft kunnen huwen, dat hij een klein
ambtje, een' post bij den gouverneur of op het stadhuis heeft gekregen,
hij is hem zijn leven lang dankbaar en vereert hem niet zelden als een'
vader. We kennen een' notaris, die niet weet hoe dikwijls hij gezegend
wordt, door menig' "sukkel van een vent," dien zijn invloed aan de
Nederlandsche Bank of aan het Grootboek der Nationale Schuld heeft
geholpen. Hij is schalk genoeg, om "wanneer er weer een geborgen is,"
zoo dikwijls hij een' der directeuren of ambtenaren dier inrigtingen
ontmoet, deze te plagen met de klagt; "dat zij hem ook al zijne ezels
afnemen!" Waarom zouden wij hem die scherts niet gunnen, gepaard als zij
gaat met waarachtige humaniteit des harten, die bovendien voorkomt, dat
uit zijne school de bent der zaakwaarnemers gerecruteerd wordt?
Stil,--we zijn reeds te uitvoerig geweest over eene wereld zoo wèl
afgerond als deze, en welke ons onderwerp eigenlijk vreemd is, sedert
het proza ontslagen is van den boei van Jan Borliut.
Tot onze eigenlijke kantoorbedienden, als gij wilt. Ziet ge dat paar in
de binnenkamer, van den tweedehands koopman? Staaf, de jongste, is een
burgermanskind, in de hedendaagsche beteekenis van het woord, nu
fruitvrouwen en schoorsteenvegers ook al burgerluî zijn, och ja!
Rivers--de tweede--is een ordentelijke jongen, wiens ouders "aangeziene
menschen" zouden zijn,--hoe waar is die uitdrukking!--wanneer het niet
zoo moeijelijk viel, zijn fatsoen op te houden met eene schrale beurs.
Rivers is eenige jaren ouder dan Staaf, die pas van het Nut van 't
Algemeen komt, en _siegenbeekt_ dat het een' aard heeft, als Rivers zich
aan twijfelaarsgeslachten bezondigt, of _kassa_ met eene c schrijft, of
de tweede lettergreep van _ontvangst_ met eene f begint. En Rivers zou
der menschelijke natuur niet deelachtig moeten zijn, als hij den jongen
voor "al die malligheden" niet strafte, zoo dikwijls het in zijne magt
staat. Of hij het kan!--"Overschrijven,"--"overrekenen,"--heet het om
een haverklap. Zie ik zou de partij van Staaf kiezen, daar mij geen spel
zóó ergert, als dat van dwingelandje, indien Rivers niet beklagelijker
ware dan Staafje,--hij is op zijn beurt het slagtoffer van de luimen
zijns patroons. Een tweedehands-koopman,--geloof het op mijn woord! want
er zou geen einde aan mijne schets zijn, als ik u al de waaroms moest
verklaren--een tweedehands koopman is, bij de rigting, die de handel in
onze dagen neemt, in meer dan de helft aller vakken, een schipper, die
tegen wind en stroom roeit.--"Als het getij verloopen is, moeten de
bakens worden verzet,"--En zoo dikwijls deze overtuiging zich den man
zijns ondanks opdringt, wordt hij boos, en het eerste voorwerp het
beste, dat hem in het oog valt, moet het ontgelden. Het is doorgaans de
arme Rivers, die tegen mijn' koffijkooper overzit. Heden waait de storm
uit dat onnoozel stukje papier, waarop gij een binnenlandsch postmerk
onderscheidt.
"Die verduivelde makelaars-knoeierijen! Eene kwart ceel,--en dat koopt
ook al in de veiling!--Rivers, het is toch alleronpleizierigst, dat--"
Hetzelfde wat, de jongen heeft den graauw beet. Het is hard, want kan
hij het helpen, dat de tijdgeest er naar streeft, alles zoo spoedig
mogelijk van den producent tot den consument te voeren?--Het is hard,
voor drie honderd gulden 's jaars--met het uitzigt het tot vier, vijf,
en mogelijk zes, na nog eenige jaren verduwens, te zullen brengen.
Toch zwijgt Rivers, toch verkropt hij den onbillijken uitval, te
onbarmhartiger, dewijl hij weêrloos is,--maar o, hoe hij Staafje
benijdt, die met wissels wordt uitgezonden, en er een vrij half uur van
nemen zal! Neen, hoe hij den jongen duivel haat, die hem in zijn vuistje
uitlacht!
--Eene verdrietige pauze.
"Manlief!" breekt eensklaps eene vrouwenstem de stilte af, "manlief!"
eene ochtendmuts gluurt even om de deur, "als er nu een handje kon
worden geholpen?" En de aarzeling waarmede de patroon,--nadat hij, op
het verzoek zijner beminnelijke wederhelft, "ja!! ja!" heeft geantwoord
--de twee overgebleven kantoorbedienden aanziet, verraadt--verpligt mij,
eer ik verder ga, te bekennen, dat ik tot nog toe verzuimd heb, den
vierden persoon, op te voeren. Waarom? Hij is _volontair_,--in rang, op
het kantoor altoos, tusschen Staafje en Rivers in. Hij zal hoogstens nog
een paar jaren "bij den baas" blijven, om er de kennis dier artikelen op
te doen, in welke hij later handel denkt te drijven. En nu tot den
patroon terug, wiens schroom verried, hoe zeer hij met de zaak verlegen
was, en die toch eindelijk een besluit neemt, dat weinig tweedehands
kooplieden zouden genomen hebben zoo als hij.
"Hm!--hm!--" zegt hij, "och van den Bergh ge moest eens even een handje
helpen."
En van den Bergh--ik gebruik dien naam, dewijl ik geen' tijd heb, om in
van Leeuwen's "Batavia Illustrata" een uitgestorven familie op te
zoeken,--van den Bergh staat op, of hij oorlog voerde, met zijn
stoeltje, dat bonkt tegen de snipperbak, maar slaat de deur van het
kantoor niet ruw achter zich digt. "Dat doen de dienstbaren," zou hij
zeggen.
Ik bid u, gis nu, waaraan hij verzocht werd een handje te helpen. Wat
kan Mevrouw te doen hebben, waartoe zijn bijstand wordt vereischt? Welke
dienst--maar ge zoudt u vruchteloos het hoofd breken. Het kantoor is aan
eene binnenplaats, heb ik gezegd. Naar Amsterdamsche huisverdeeling hebt
ge dus tegenover het raam, waardoor de kamer haar lieflijk muurlicht
ontvangt, twee vensters, die van de onontbeerlijke zaal, daar boven eene
opkamer, dáár weêr boven een' zolder, en beneden, diep in de diepte, de
keuken; en nu, zie, of liever luister toe.
Roetsch!--daar vliegt een mand met turf het zolderraam uit, opkamer en
zaal langs, snel als een pijl omlaag.
Piep--piep--piep--en de leêge mand is weêr boven; maar zou van den
Bergh--zou hij waarachtig--turf aflaten?...
Kling, kling, er is geen twijfel aan, kling, kling, kling, de tweede
mand, blijkbaar opzettelijk heen en weer geschommeld, levert den ruiten
van de zaal slag, die achteruit deinzen als hazen, terwijl de turven de
bres instormen, of het de verovering eener belegerde stad gold.
"Mijn God!" roept de patroon, "die rakker van een' jongen!"
En Rivers?
Ach, houdt het hem ten goede, dat het hem, spijt de gebroken glazen,
spijt de drift van mijnheer, spijt den angst van mevrouw, spijt de
Babylonische verwarring in het gansche huishouden, te weeg gebragt door
eenige schreeuwende kinders en de meid, die, bleek als een doek, de trap
opvliegt, dat hij, spijt dit alles, zich niet weêrhouden kan te denken:
"Jongens! die zich kon doen gelden als van den Bergh, die mony had als
hij!"
De wraak is hem al op de hielen.
"Rivers! in het vervolg laat jij turf af, je bent bedaarder," zegt de
patroon, die van den Bergh nauwelijks heeft durven bestraffen; hij zou
hem geantwoord hebben, dat het _knechts werk_ was. En Staaf, Staafje die
met de overigen weêr binnen is gekomen, Staafje hoort het, Staafje die
"er vinger en duim naar zou likken" om drie honderd gulden 's jaars te
trekken,--de mededinger in den dop!
Als Rivers weigerde,--er loopen andere Staafs in menigte langs de
straat!--Maar het komt niet bij hem op--hij lachte straks niet bij het
rumoer der gebroken vensterschijven,--hij verkropt nu.
Gelukkige van den Berghs, gelukkige volontairs! had ik moeten zeggen,
die u zelve niet om den wille eener kleine toelage behoeft te
verloochenen, die den handel als eene wetenschap bestudeert, wat zijn
voor u _copij-boek, rekening-courant, journaal, grootboek_, wat zijn ze
voor u andere voorwerpen, dan voor den eigenlijk gezegden bediende! Of
verkeeren in uwe oogen de cijfers niet in zoo vele tooverteekenen, welke
gij magtig moet zijn, om den staf te zwaaijen, die alle geneugten des
levens, alle weelden van den geest ter beschikking van zijnen gelukkigen
eigenaar stelt! "Phoe!" hoor ik uitroepen, "alsof er poëzij in den
handel school, alsof hij iets van philosofie wist!" En men is zeer
beleefd als men het daarbij laat; want het spook der slinksche streken,
der knevelarijen, der volslagene oneerlijkheid, het staat aan de deur
en het klopt. Laat binnen, mijne heeren! er zijn schelmen onder de
kooplieden;--maar eilieve, vergun mij een enkele vraag: is in uwe
kringen, in die der wetenschap en in die der kunst--voor de balie, bij
het ziekbed, op den kansel,--in den raad en aan het hof, is daar alles
goud wat blinkt? Ik eisch niet, dat ge mij de gruwelen biecht, welke
allerlei ijverzucht, van lage broodnijd af, tot geniale jaloezij toe,
ook onder u aanrigt; ik wenschte slechts, dat gij erkendet, dat menschen
menschen blijven, waar gij die ook aantreft. Ik vleide mij dat uwe
studie u ten minste tot de overtuiging zou hebben geleid, dat een gezin,
eene maatschappij, een staat, dat onze handeldrijvende burgerij, zoo zij
door geene andere dan onedele; oneerlijke, onzedelijke beginselen werd
bezield, niet zoo lang zou hebben bestaan, in de orde der dingen niet
denkbaar is.--Poëzij, philosophie, het ligt gelukkig in den aard der
menschelijke natuur, die overal meê te dragen, die onder allerlei
omstandigheden aan te kweeken: wie oogen heeft om te zien, merkt beide
alom op.
Volontairs vallen eigenaardig in twee klassen te verdeelen, _inheemsche_
en _uitheemsche_. De kantoorbediende haat beide met een' fellen haat.
"Het zijn heertjes, die voor een' beenen knoop werken!" Wat wonder, dat
hij de binnenlandsche nog minder kan uitstaan dan de buitenlandsche? Om
de laatste van de hoogte, waarop zij zich boven hem plaatsen, neêr te
trekken, geeft onze volkstrots hem honderd middelen aan de hand. Ten
eerste "zijn het meestal maar moffen"--ten tweede "vreemde vogels,
vreemde veren; wie weet, hoe het er in hun nest uitziet?"--ten derde ...
maar er is geene aardigheid aan de teekening dier magtelooze woede en
even magtelooze wraak. Ook treffen wij bij den tweedehands koopman
slechts den inboorling, slechts een' vrijwilliger van goeden
Hollandschen huize aan. Grooter kwelling dan de trekvogels, die hier
hunnen zomer doorbrengen, en in het volgend saizoen naar Havre of naar
Liverpool, naar Hamburg of naar Londen vliegen, blijft de inheemsche
vrijwilliger onzen klerk eene rots der ergernis, die geenszins uit den
weg wordt geruimd, al stoot hij er telkens morgen op het kantoor zijne
scheenen niet meer aan. Immers, ofschoon de heuschheid des chefs veelal
tegenstellingen als die, welke wij straks omtrokken, voorkomt--de
turfhistorie is exceptioneel, maar schildert er niet minder om!--toch
vallen er op de grenzen gedurig schermutselingen voor. Neem eens beider
uitspanning! Wat de openbare betreft, het verschil is gering, dewijl we
er schier geene hebben: dank zij de ligging onzer koopsteden, dank zij
onzen huiselijken aard! Immers,--wandelingen? geniet de natuur als gij
kunt in den omtrek van Amsterdam of Rotterdam! Gezellige genoegens in
den winter, in ruimeren kring dan die van vertrouwde vrienden? de
laatste stad biedt er weinig aan, tenzij ge het koffijhuis, het biljart,
enz. daaronder betrekt. Concerten? ze zijn in de hoofdstad wat duur voor
kantoorbedienden; maar deze heeft schouwburgen, het is waar, in het
gebouw op het Leijdsche plein--met acteurs, die om een longtering
wedijveren, zoo schreeuwen zij--voor de vrijwilligers; en voor de
anderen de Variétés in de Nes--de kunst en nog iets, eene pijp en een
glaasje.--En toch zult ge mij van geene overdreven kieskeurigheid
beschuldigen, als ik deze en andere plezieren, onzer jeugd uit den
middelstand aangeboden, maar overspring, om van het onderscheid tusschen
beider huiselijke geneugten te gewagen? Stel u van den Bergh voor, als
hij des zomers, 's zaterdagmiddags, na de beurs, in een' omnibus wipt,
om naar het buiten zijner ouders te sporen, of uit het portier eener
diligence, de gansche Kalverstraat door en de Utrechtsche op den koop
toe, op de t'huis blijvende sukkels, Rivers en consorten, nederziet,
hij, die naar de Vecht of naar Zeist moet! En de winter is niet
liefelijker voor den misdeelde dan het schoone saizoen zich jegens hem
betoonde; de vrijwilliger woont in die barre maanden allerlei partijtjes
bij, met wier beschrijving hij misschien den klerk kwelt--dewijl het
hem, in de prettige stemming, eener onbezorgde jeugd eigen, niet invalt
te vermoeden, hoe zeer het verhaal dier geneugten den ontberende ergert
en grieft. Van den Bergh spreekt van zich te vestigen, van den Bergh is
geëngageerd, als Rivers nog aan geen huwelijk, zelfs met een
allerburgerlijkst meisje denken durft. Welk een hatelijk buurman wordt
hij; wat al afgunst wekt hij op! Confraters achter den lessenaar,
herneemt de hoogere stand zijn regt, liever gaapt de maatschappelijke
klove op nieuw tusschen hen, zoodra zij de deur des kantoors achter zich
hebben digtgetrokken. De eene heeft eene toekomst; de ander geen verschiet
dan dezelfde dienstbaarheid. Als de balling van het maatschappelijk
leven er zich niet dood over zal kniezen, rest hem maar één middel om
gelukkig te zijn; het zich te wanen. Andere kapitein Jackson, die zich
in zijn armoede rijk dacht, moet hij zich verbeelden, dat hij er in
zijne bekrompenheid wonder wel aan toe is. Of het bij allen, als bij den
vriend van Lamb, ontstond uit eene speling der natuur, die de oogen des
mans, voor het weinigtje genot hem vergund, de eigenschap van
vergrootglazen bedeelde! Maar bij geen enkele van honderd heb ik de
opgeruimdheid van geest aangetroffen, welke dien sanguinen Brit
onderscheidde; het is meestal een ziekelijk zelfbedrog, dat kwalijk de
innerlijke ontevredenheid vermomt. Als men herwaarts en derwaarts heeft
uitgezien en van deze noch gene zijde hulp, licht, troost ziet opdagen,
dan zet men zich moedeloos ter zijde van den grooten weg neder, dan legt
men de handen in den schoot, en verzekert den eersten voorbijganger den
beste, die ons vraagt, waarom wij dáár blijven mokken: "Wel ik mok niet,
ik zit hier heel goed;" al is de glimlach waarmeê wij het zeggen, ook
zuur als edik.
De billijkheid eischt, dat wij er bijvoegen, dat de middelen, om uit
dien toestand te geraken, soms erger kwalen te weeg brengen.
Het is zomer--het zondag-ochtend--het is zeer vol in het Park (in de
Plantaadje te Amsterdam). Een gesprek over de groote voeten der
Hollandsche vrouwen, in een poespas van allerlei talen, aan een met zes
of zeven jongelui en even zooveel glaasjes bitter bezet tafeltje
luidruchtig gevoerd, ergert al wie in de buurt zit: den heeren, dewijl
zij het ongeveer verstaan; der dames, dewijl ze er meer van begrijpen
dan haar lief is. Eensklaps rijst de drokste babbelaar van allen op:
"_Himmelkreutz element_," roept hij, "een oude kennis!" en stuift naar
een jonkman, die, in een' hoek, tegen het logement aan, bij een kop
koffij zit te mijmeren.
"Wel Vreese, hoe maak jij het?--het is _opvallend_, zoo weinig als jij
veranderd bent, 't is _fameux!_"
De aangesprokene neemt den vreemden snoeshaan van het hoofd tot de
voeten op, "Ik weet waarlijk niet, wien ik de eer heb te zien," zegt
hij, schoon de eer gering is; want, trots de elegante kleeding, trots
den gouden horologieketting, trots den baard _à la jeune France_, en
een' _glacé-handschoen_, die om de lange linkervingers schijnt gegoten,
terwijl de Vreese toegestoken regterhand met een' ring, wat ben je me!
praalt, brengt de oude kennis noch den aanbevelingsbrief van een
fatsoenlijk voorkomen, noch het hooger te waarderen getuigenis van een
zedelijk gedrag mede.
"Hoe heb ik het met je? _Stupéfait_, Vreese, ken je dan waarachtig
Braeuwtje niet meer? De Braeuw, man!"
Vreese herinnert zich, ja. Het is zeven jaren geleden, en toch heugt het
hem, dat er, op een' mooijen Meidag, een flinke borst aan het kantoor
kwam, die er maar een half jaar bleef, en aan wien hij echter dikwijls
heeft gedacht; de jongen had raafzwart haar, en oogen als vuur. Het
eerste is er nog, maar de laatste! Als Vreese dichter was geweest,
hij had er uitgebrande vulkanen in gezien. Herkenning,--herinnering,
--herschepping,--de daad, de gedachte, de opmerking, was het werk van
een oogenblik; eenige onbeduidende vragen en antwoorden volgden,--de
Braeuw was al begonnen aan eene vertelling van zijne historie.
"En ben je nog altoos bij den Oude? Hij was mijne gading niet. Dat had
ik gaauw _gewaarmerkt_, en daarom poetste ik de plaat. Ik heb lang
gezocht, en zal blijven zoeken, tot ik vind wat mij lijkt. "_Toujours
content et sans souci, c'est l'ordre du grand Bamboury!_" als een oude
likkebroêr zei. Laat zien hoe dikwijls ik al _omzadelde. Fameux!_ Van
Effens en Zoon, waar ik je leerde kennen, naar Schnack & Co., maar dat
weet je, toen zagen wij ons nog!--Van Schnack & Co. naar Gebroeders Ter
Sol, te Rotterdam, van die, naar Auf Dem Acker Wittwe & Sn., in Crefeld
en uit dat aardig stadje naar Du Bois, la Riviere & Ce., te Parijs; ik
zou er eerst bij een grooter huis zijn gekomen, maar die _onderbraken_
hunne betalingen: _c'est jouer de malheur, ma foi!_"
"Maar me dunkt," zegt Vreese, om toch iets te zeggen, "ge hebt geene
reden van klagen,--zoo dikwijls buiten betrekking, en toch telkens weer
geplaatst ..."
"O dat is het minste, jongenlief, als men zich presenteert, zooals ik
... _fameux!_ En bovendien er zijn huizen genoeg in Parijs die zich
vleijen met de exploitatie van eene goudmijn, _dans le pays de canaux,
canards, canaille_, als ze maar een hollandschen reiziger hebben. Foei,
wat zie je zuur om die aardigheid van den Heilige van Ferney! Het is een
woord, waarin veel waars steekt, schoon het mij hier zelden _ontsnapt_.
Drommels, neen, men moet in dit land zeer voorzigtig wezen; en toch
knijpen ze hier de kat in den donker. Maar wie zijn leven genieten
wil--_fameux!_"--
"Die moet naar Parijs," valt Vreese, met veelbeteekenenden blik in.
"_J'ai longtemps parcouru le monde_."--neuriet de Braeuw "_Statt Reuter
bin ich nur noch Pferd_, dat is waar; maar toch heb ik andere dagen
beleefd, dan gij ooit bij den oude zien zult. Schnack's reiziger gaf mij
eens een kijkje op zijn leven, en schoon hij maar een apenkind was, en
zijn pret niet de geraffineerdste, dat moet ik van de _gesinnungen_ van
den man zeggen, hij was van de ware leer: _Le jour aux affaires, le soir
au plaisir_--_fameux!_ Er is overal goede wijn, en er zijn overal mooije
meiden--of ben je misschien getrouwd?"
"_Excuseer!_" zegt Vreese,--een mal antwoord op zulk eene vraag.
"_Pas d'offense_; aan een huwelijk valt in onze betrekking niet te denken,
en ook: _Que diable allait-il faire dans cette galère?_ Er zijn zoo weinig
vrouwen, die niet wel eens--_fameux!_ Maar je ziet al weêr zuur, heb je
zusters?"
"Wij hadden eene moeder, de Braeuw!"