Vrouw Hendriksz was aangediend, en vrouw Hendriksz was toegelaten; al

had de meesteresse der huizinge dien achtermiddag eenen kring van gasten

om haar gezien, zij zou zich, op de dringende bede van het moedertje,

een oogenblik bij haar gezelschap hebben verontschuldigd; het heugde

haar, dat zij Freule--was geweest. Gelukkig gehuwd, genoot zij in de

hoofdstad al de weelde, die de rijkdom haars echtgenoots te harer

beschikking stellen kon, wenschte zij naauwelijks meer weder op het land

te leven, thans des winters aan een uitgebreid gezellig verkeer, thans

des zomers aan telkens verscheidene uitstapjes gewend; en echter kon het

eensklaps gewaar worden van een Geldersch huismanswijf, kon het

onverwacht vernomen geroep van: "blaauw bes, blaauw bes!" het der

schoone vrouw voor de oogen doen schemeren, of er in die kleeding, in

dien kreet, eene tooverkracht school. Weder was zij,--want weder waande

zij te wezen, zou eene te flaauwe uitdrukking zijn,--weder was zij dan

op het landgoed in de buurt van Elburg, waarop zij als kind had

gespeeld, waarop zij als aankomend meisje had gedarteld, waarop zij als

"de freule" was gezegend geworden, waarop zij de lente van haar leven

besloten had met hare hand en haar hart te geven aan den man harer

keuze. Inderdaad, indien eenige herinneringen aan den geboortegrond zoet

mogen heeten, dan zijn het dezulke! en vrouw Hendriksz, opdat wij tot

haar terug keeren, vrouw Hendriksz behoorde tot de lievelingsbeeldjes

uit het landschap harer jeugd: wat had de freule op haren hit dikwijls

voor de woning des daglooners stilgehouden! wat had zij het vrouwtje in

weêrspoed of in winter vaak getroost en geholpen met al die

gemeenzaamheid, waarin de P----t's geen bezwaar zien, wetende, dat

niemand vergeten zal, dat hun naam tot de oudste in onze historie

behoort!

De beangste moeder had haar harte uitgestort; helaas! voor de eerste

maal scheen het Mevrouw Van ---- aan middelen ter hulpe, aan heelenden

balsem te falen! Eefje was ook daar in vele maanden niet geweest; en

geen der dienstboden, die beurtelings werden binnengeroepen, herinnerde

zich, het meisje te hebben ontmoet of gezien, geen hunner heugde het,

dat zij bij afwezigheid hunner meesteresse, vergeefs was gekomen. Stom

van smarte, maar niet minder verslagen, al kwam er geen klagte over hare

lippen, leunde het blaauwbessenvrouwtje over den rug van den stoel, dien

haar Mevrouw Van ---- dadelijk had doen zetten. Als ware zij niet in

staat het lijden, waarvoor zij in den eersten oogenblik geen troost wist

te geven, langer aan te zien, staarde de laatste den tuin in, wiens

deurramen, ik vergat het te zeggen, openstonden;--zag zij onwillekeurig

den jongen tuinier de rozenstruiken opbinden die wat weelderig van

loover waren geworden, door de gloeijende Augustuszon.

"Eefje, Eefje!" kreet de moeder. Want de natuur brak de banden der

onderwerping, waartoe zij getracht had haar gemoed te stemmen, en de

smart, die uit den toon der woorden sprak, drong der aanzienlijke vrouw

door merg en been.

En toch gaf zij er niet fluks antwoord op; toch bleef zij den tuin

instaren: de jongman bij de rozenstruiken had opgezien bij den kreet van

vrouw Hendriksz, opgezien met meer aandoening, dan louter het noemen van

eenen naam scheen te kunnen wekken.

"Ik zal naar het gasthuis gaan, en hooren of zij gestorven is," voer de

jammerende moeder voort.

"Wacht, vrouw Hendriksz, wacht!" fluisterde de vrouw des huizes, zonder

naar de verslagene om te zien: de jongman die het tweede woord even goed

had verstaan als het eerste, was van zins geweest binnen te komen, en

had zijns ondanks, naar het scheen, twee stappen naar de tuinkamer

gedaan. Immers toen had hij zich bedacht; thans scheen hij weêr louter

oog en hand voor de rozenstruiken. Mevrouw Van ---- aarzelde een omzien,

eer zij het ijlings genomen besluit gevolg gaf; een omzien vreesde zij,

zich de deelneming, zich de ontroering des jongmans daarbuiten maar te

hebben verbeeld; doch neen, beide waren te blijkbaar geweest, en wat was

er bij gewaagd de proef te nemen, of hij eenige inlichtingen geven kon?

"Wouter!" riep de meesteresse des huizes.

Een sprong bragt hem op het arduinen bordesje; maar even hartstogtelijk

als die beweging was geweest, even schoorvoetende kwam hij de weinige

trappen, die naar de tuinkamer voerden, op.

Mevrouw Van ---- zag hem zwijgend, maar uitvorschende aan.

"Och, Mevrouw! ik heb haar zoo lief gehad, dat ik luisteren moest, of ik

wilde of niet."

"Eefje!" riep de meesteresse des huizes, over het slagen harer opmerking

verbaasd.

"Eefje!" herhaalde vrouw Hendriksz, als in eenen droom, en werd

eensklaps den derde gewaar, die in het vertrek stond, en sprong op den

jongman toe, en viel hem om den hals. "Leeft zij?" vroeg de moeder,

"leeft mijn kind?" en staarde Wouter met hare bruine oogen in het

gezigt, of zij in zijne ziel lezen wilde.

"Zij leeft, maar--"

"Zij is verleid!" jammerde vrouw Hendriksz, en stiet den jongman van

zich, als ware hij de schuldige geweest.

"Dat heb ik niet aan je verdiend, moedertje! maar je radeloosheid weet

niet, wat ze doet. Ik had Eefje zoo lief, eerlijk lief; je zoudt zoo

droef niet gekreten hebben, als zij "ja" had gezegd, toen ik haar vroeg.

Mijn oog was hier op haar gevallen, Mevrouw! toen ik verleden' herfst

kwam tuinen; zij maakte een praatje met me; ze wist van boomen en

bloemen; zij wist ook, dat ze mooi was, maar het stond haar toen wèl.

Eer zij hare hielen uit den hof had geligt, moest ze mij zeggen, waar ze

woonde, en wanneer ze uitging. "Waratje, daar heb je Wouter!" zei ze den

volgenden Zondag, toen zij de stoep afstoof, en--maar wat heeft Mevrouw

eraan--"

"Ga voort, Wouter! ga voort!" en het was geen ijdele nieuwsgierigheid,

die der meesteresse des huizes het oor deed leenen aan de vrijerij;

Eefjes toestand kon haar slechts door dat verhaal duidelijk worden.

Vrouw Hendriksz zag voor zich heen, of zij er niet bij tegenwoordig was.

"Het leed niet lang, of ik dacht, dat zij me wel zien mogt. "Eefje! hoe

bevalt het je hier?" vroeg ik haar, toen we een keer of wat zamen uit

waren geweest, om eens hoogte te nemen hoe na bij land. "Opperbest!" zei

ze. "Gelderland moet toch mooijer wezen," begon ik weêr, "Veel stiller

ook," was haar woord. "Anders zou het mij wel loenen op het land te

wonen," polste ik alverder, "om Haarlem en bij den Haag" (ik ben nooit

in Gelderland geweest, Mevrouw!) "daar beleeft men plezier aan de

bloemisterij en aan de broeikassen; onze stadstuinen zijn maar

kerkhofjes," (het is de waarheid, Mevrouw!); "wat zeg je ervan, Eefje!

als ik eens bij een groot heerschap mijn eigen huisje had, zou je er met

mij in willen wonen?"--"Malligheid, Wouter!" mogt ze zoo zeggen, maar ik

gaf haar een zoen, die klonk als een klok ... doch ik vergat tot wie ik

spreke--"

Er school te veel poëzij in die schets, dan dat het hart eener vrouw

haar niet meê zou hebben gevoeld, "En evenwel," zei Mevrouw Van ----, "en

evenwel is zij verleid."--

"Omdat ze mooi was, meende ze zoowel mevrouw te kunnen worden, als

menige andere--och die opschik!--schoon ik soms tot mij zelve zegge, dat

zij nooit naar hem zou hebben geluisterd, als zij mij had liefgehad,

zooals ik haar. En dan weêr spijt het mij, spijt het mij, of ik er gek

van worden zal, dat ik mijne vuisten voor me hield, toen ik zag, dat hij

zijn' arm om hare middel had geslagen! Afranselen is alles, wat wij

kunnen, wat wij mogen, als zoo'n wulp zich aan onze zuster of ons meisje

vergrijpt! Waarom ik het niet deed? ik zal het u zeggen, in de

schemering was ik hun op zij eer zij het wisten. "Eefje! heeft hij je

aangerand?" vroeg ik, en hief mijne hand al op, "Neen, Wouter! neen,"

zei ze. "Wat meen je, maat?" vroeg de wulp. "Ik weet wat ik zag,

kwajongen!" gromde ik. Hij ging zijns weegs--dat ik hem liet gaan!--Doch

ik dacht meer aan Eefje, die naast me staan bleef, maar geen woord

sprak. "Eefje!" zei ik ten leste, "wat wou--?" "Hij vroeg me naar eene

jonge jufvrouw, die bij ons logeert." "Lieg niet, Eefje!" bad ik haar;

"mooije kleeren kan ik je niet geven, maar een goed man zou je aan

Wouter gehad hebben, en dat is meer dan die lichtmis me kan nazeggen."

--"Lichtmis! een jonge heer, die bij ons aan huis komt!" was al haar

antwoord, als achtte zij het niet waard, mijne verdenking verder te

weêrleggen,--ik geloofde, dat ik had misgezien."--

En Wouter hield een oogenblik op; de vrouw des huizes was aangedaan; zij

dacht niet aan het belagchelijke, dat men in bedrogen minnaars pleegt te

zien; zij dacht er slechts aan, welke een harte Eefje gekrenkt had, ten

prijs van haar eigen verderf.

"O, dat die oogen liegen konden!" besloot de jongman.

Een smartelijke gil, der oude vrouw ontsnapt, getuigde, dat zij het

gesprek maar al te wel had verstaan.

"Moedertje! ik zeg je, dat Eefje leeft!"

"Maar verleid!--och! dat ook dit nog over het hoofd van haren blinden

vader komen moest!"

En zij zeeg op den stoel neêr.

"Ik heb haar gebeden, ik heb haar gewaarschuwd, tot het leste toe;

"vervolg mij niet meer," zei ze, "want ik haat je wijsheid."--

"Toch blijft ze mijn kind," snikte de oude; "als je weet waar ze woont,

zoo doe een goed werk, en breng mij tot haar!"

Vrouw Hendriksz wilde opstaan; maar zij beefde als een blad, maar zij

viel andermaal in den stoel neêr. Mevrouw Van ---- schelde om spiritus.

"Wat zal het baten?" zeide de moeder, toen zij het glas aan hare bevende

lippen bragt, "de kroon is ons toch van het hoofd gevallen, onze eere is

weg!--Eefje! mijn kind!--waarom moest je dit over ons brengen?"

Een oogenblik stilzwijgens.

"Waarom?" herhaalde de oude vrouw, "waarom? o Heere! houd mij dat woord

ten goede; wat verdienen wij niet voor onze zonden?"

En het schuldbesef stelde het blaauwbessenvrouwtje in staat om te

bidden, ook onder die bittere beproeving.

"Jongman! het deert me, dat ik je verdacht;--wijs me nu den weg; Eefje

moet morgen meê!--God geve, dat hare ziel niet verloren ga als haar

ligchaam!"

Er waren den volgenden avond wandelaars in menigte, die op de hoogte van

den Schreijerstoren, te Amsterdam, een oogenblik stilstonden, om den

schoonen zomeravond ten volle te genieten, door beurtelings regts en

links, om en op te zien. Het goud der ondergaande zon flikkerde nog op

de spitsen van het mast-bosch in het Westerdok, terwijl de volle maan

over dat van het Ooster-vast haar vloeijend zilver stroomen deed. Doch

wie er zich ook verlustigde in het prachtig wolkenschouwspel, dat de

plek te ieder ure schier gelegenheid geeft te zien, maar zelden zoo

verscheiden, zoo rijk aan allerlei toonen en tinten, aanbiedt, als in

dat, 't welk de schemering voorafgaat, één jongman uit den drom had er

blijkbaar geene oogen voor. Zijn blik scheen aan een zeil te hangen, dat

op Pampus in het verschiet verdween,--het was Wouter, die den Elburger

nastaarde, met vrouw Hendriksz en Eefje aan boord.

Mevrouw Van ---- was hij de ontmoeting van moeder en kind, was bij de

verzoening tegenwoordig geweest, wie vraagt mij, of zij verder, ter

verzachting van beider ellende, iets onbeproefd liet?

Wouter--wij keeren nog eens tot hem terug--Wouter had der gevallene in

hare schande het wederzien gespaard; de eenige belooning, met welke hij

er zich voor vlijen mogt, ontging hem niet. Een jaar later bragt de

zomer weder zijne vruchten meê;--Amsterdam gij weet het, is nog niet,

zoo als Bilderdijk misschien zou hebben gewenscht, een ander Bremen

geworden, dat geene stoornis van de doodsche stilte zijner straten

duldt;--de kreet, aan het hoofd van dit stukje geplaatst, heeft Wouter

onlangs verrast. Hij sprong op toen hij dien hoorde; hij zag een bekend

gezigt, waaraan de rouw, dien de grijze droeg, niet misstond; het

blaauwbessenvrouwtje had eene boodschap voor hem:

"Eefje heeft, eer ze stierf, om je vergiffenis gebeden!"

1845.

* * * * *

'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!

Steets was hy op 't kantoor en met de neus in 't boeck;

Sijn mutsjen op sijn hooft, sijn mouwen an voor 't wrijven;

Want hy was besich staegh met dit of dat te schrijven;

Dan sloot hy syn ballans, dan sagh hij nae de kas,

Ja wel, hy had soo veel te doen dattet wonder was!

Wat het hy in sijn hooft winckeltjes, en kassen,

En hockels en laedjes, dosynen van Lyassen,

Vol Assignatie, vol Oblygatie, vol boomery,

Vol Wissel-brieven, vol Retour, en vol Factory,

Vol konnossementen, en vol Konvoy-biljetten,

En Kamers vol Journaels, Schuldt-boeken, Alphabetten,

En Riemen kladt papiers, van loopende uyt-gift,

En Tafels vol chijffers, en schalien vol schrift!

Te regt zou men er zich over beklagen, dat de geestige Breêro, welke ons

in deze weinige regelen de stoffaadje van een koopmanskantoor zijner

dagen heeft geschilderd, er geene tekening van de klerken zijns tijds

bijvoegde, als het minder waarschijnlijk was, dat men het beroep,

waarvoor thans een patent van kantoorbediende wordt vereischt, toen

naauwelijks kende. Immers, het valt ligt zich een' zeehandelaar der

zeventiende eeuw voor te stellen, die slechts een factotum voor het

loopende werk nahield, en misschien een' boekhouder bezoldigde welke

wekelijks eenige uren de zaken kwam bijschrijven,--tenzij de zucht voor

geheimhouding, onzen handel eigen, den man aanspoorde, geen derde toe te

vertrouwen, wat niemand behoefde te weten, dan hij en zijne vrouw. Er

zou harmonie zijn geweest tusschen dat vele zelfdoen en de overlevering,

die ons vertelt, dat Jan de Witt maar één' dienaar had.--Ik tart u

echter uit, u de paruik van den kleinzoon diens koopmans voor den geest

te brengen, zonder dat zich, in uwe verbeelding, rondom dat hoofdtooisel

met eene krulbatterij, een aantal jeugdige oude mannetjes groepeert, op

het kantoor te voorschijn geroepen door eene driedubbele behoefte:

de zeden waren weeldiger geworden--de gemeenschap had allerwegen

toegenomen,--de mededinging was bij de naburen ontwaakt. Men kwam er

niet, tenzij men alle zeilen bijzette. Weder valt mij eene historische

bijzonderheid in, welke deze wijze van zien staaft. In de dagen van

Willem IV plagt de handel op ieder slempmaal gedacht te worden, onder

den toast van: "De zieke Bruid!"--Voeg nu bij de eigenaardige

verschijnselen der negentiende eeuw: het verdwijnen van allen afstand,

dat wij aan den stoom te water en te land hebben dank te weten, en de

liefhebberij onzes tijds voor bespiegelingen en voorspellingen, op

statistische tafelen gegrond; voeg bij deze den uit beide geboren'

wedijver, wie den vreemde het eerst, het uitvoerigst, het drokst

berigten zal geven; en gij verbaast u er niet langer over dat de meeste

kantoren van drie tot zes, ja tot tien en twaalf klerken hebben. Alleen

de veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij veroorzaken iedereen

Duitschen Commissionair grooter uitgaven aan papier, drukloon en porto,

dan een zeehandelaar weleer in een geheel jaar betaalde, en eischen

handen in evenredigheid.

Waarom wordt men klerk? Gij hebt zeker wel eens eene school zien

uitgaan,--eene burgerschool, meen ik, eene armenschool zelfs, en u

vermeid in het weergaloos schouwspel, dat die jeugd aanbood? Welk eene

gelijkheid, en welk eene verscheidenheid tevens! Eene wereld in het

klein! Houd er oogen op, als gij kunt. Soldaatjespelen,--de eerste stok

de beste is een generaalsstaf, voor dien flinken borst;--paardenmennen,

--wie denkt gij dat het spoedigst moê zal zijn, de koetsier of de rossen!

--scheepje zeilen,--de klomp gaat te water, als zij maar een touwtje

vinden om hem aan te vieren,--wij hebben het naauwelijks opgemerkt of de

woeligsten zijn al uit ons gezigt: er schuilen matrozen, voerlieden,

krijgsluî in. Dáár plaagt een krullebol een aardig meisje,--maar dat

zullen zij eens allen doen, dat is het algemeen menschelijke,--ik wilde

u tot den bijzonderen aard, blijkbaar uit de keuze van het een of ander

beroep, bepalen.--Welnu, we zien arbeids-en handwerkslieden in menigte:

--toekomstige metselaars, die naar dat half voltooide gebouw kijken, of

zij de evenredigheid der zwaarte tusschen balken en muren berekenden;

--toekomstige hoveniers, die gadeslaan of de lentezon de knoppen van het

geboomte sedert gisteren verder heeft doen uitbotten;--toekomstige

kastenmakers, die een voorbijgedragen meubel begluren, of het open moest

springen voor hun nieuwsgierigen blik;--maar, er zou geen einde aan zijn,

zoo wij alles wilden bespieden, wat hier in den dop te zien valt.--En

echter, het is aardig naar het gindsche groepje te kijken: een der jongens

heeft een stuk krijt gevonden, en zie eens, hoe hij teekent, hoe hij

karikatureert! Hij hinkt aan het zelfde euvel, waaraan wij allen lijden:

hij overdrijft! Die neus van den meester steekt den draak met alle

proportie. Doch, geen nood, er zijn critici om hem heen, recensenten voor

ieder, die zijn werk der beschouwing van het algemeen prijs geeft; wat is

billijker?--Indien gij uw' aanstaanden timmerman vindt in de drie voet

hooge wijsheid, die dáár een stroowisch tot passer bezigt, vergun mij op

te hebben met den vluggert, welke een' weinig verder een vlinder naloopt:

hij zal blaken van lust om te ondernemen; hij zal koopman worden; hij zal

wagen en winnen. Winkeliers-geest, die te huis blijft zitten en verbeidt,

ik zie hem te over, bij dien knikkerenden hoop. "Valsch doen!" hoor ik

roepen. Arme jongen! die u zoo boos maakt over het gepleegde onregt; die

den kleinen bedrogene de hand boven het hoofd houdt; die, nu gij hem hebt

gewroken, zoo ernstig naar den blaauwen hemel opziet, toekomstige dichter!

wat deed ge bij het spel? Hij geeft geen antwoord, verloren als hij is in

de beschouwing eener bloem, die aan den weg groeit; liefde voor het schoone

bij zin voor het edele, ik mag dien jongen.--Toch verlies ik hem uit het

oog, om den wil van den gindschen manke; gebrekkige jeugd is zulk een

deerniswaardig schouwspel!--Maar ge hebt gelijk, hij kan kleêrenmaker of

schoeneflik worden, en als hij geld en geest heeft, zoo goed een' graad in

eene der drie faculteiten verwerven, als een van deze rechtsgeleerden,

geneesheeren of leeraars _in spe_.--Doch, zeg mij, hebt gij in die bonte

wemeling van standen, in die wereld in het klein, ergens een' toekomstigen

kantoorbediende gezien?

Helaas, neen! Er ligt te weinig poëzij in dien toestand, dan dat hij den

onbevangen blik der jeugd zou kunnen aanlokken. Stel u de jonkheid vóór,

zoo als ge wilt, onder den invloed van begrippen, aan den natuurstaat

verwant, of alreeds beheerscht door den zin, die onze beschaving

kenschetst. Het werktuigelijk beroep belooft zoo min geluk als genot;

het waarborgt even weinig vrijheid, als de schadeloosstellingen voor

deze: weelde, gezag, roem. Denk niet, dat ik der volksjeugd zoo groote

wijsbegeerte toeschrijft, dat zij zich van die oorzaak bewust is, dat

zij er zich reden van geeft. Verre van daar. Maar des ondanks moet gij

als ik dikwijls hebben opgemerkt, dat zij slechts sympathie over heeft

voor alles, waarin kracht schuilt, dat de populairste beelden tevens de

onafhankelijkste zijn. Het is of in den boezem des volks het bewustzijn

der oorspronkelijke bestemming van het mannelijk karakter wordt

omgedragen: ontwikkeling aller krachten, aller gaven.--Knecht--klerk

--hofmeester--hoveling--hebt gij ooit een jongen ontmoet, die u zeide,

dat hij één dier vier dingen worden wilde? Allen leeren spoedig genoeg

--in de laagste kringen het spoedigst,--dat er iets, dat er veel van de

vrijheid moet worden opgeofferd, om den wille van het geld--maar er geheel

afstand van te doen, maar zich zelfverloochening ter taak te stellen, en

dat wel een gansch leven lang, dit is eerst in lateren leeftijd het gevolg

òf van nooddwang, òf van dweeperij, òf, in exceptioneele toestanden, van

deugd.

Als de school echter voor ons niet te vergeefs zal zijn uitgegaan, dan

moet ge mij vergunnen, nog eens naar de jongens terug te keeren: er

waren toekomstige klerken in den hoop, tweeërlei soort zelfs, al was er

niets in hun uiterlijk dat het aanduidde, al wisten zij het zelve nog

niet. De tros des heers, de bedaarde naslenteraars, de bezadigde

jongelui, zullen die waarschijnlijk opleveren. Het zijn òf kinderen van

gemeene lieden, die zich de nering hunner ouders zullen schamen, en, ten

gevolge van het verbeterd onderwijs, ééne sport hooger zullen klimmen op

de ladder des maatschappelijken levens, die klerken zullen worden in

plaats van bazen;--òf het zijn zonen eener weduwe, van goeden, maar

armen huize, telgen, die voor de misslagen hunner ouderen boeten: een

onberaden huwelijk, de oorzaak van achteruitgang en armoede. Ik vrees,

dat het te fijn gesponnen zou zijn, de eersten op school te willen

herkennen aan hun uitmuntend gedrag, dat hen soms tot den

twijfelachtigen rang van kweekelingen verheft; maar ik ben er zeker van,

dat zij de bollen van de bent zijn, in fraai schrijven en vlug rekenen.

En wat de laatsten betreft, wij hebben geene verontschuldiging in te

brengen, dan dat er zóóveel te zien was; maar anders, wij hadden hunne

bestemming moeten gissen uit armen en beenen, die zegevierend door

mouwen en pijpen van hun oud, maar fijn pak staken; uit aangezigten, die

niets beloofden; waarop geene wolk van sluimerend talent rustte, waaruit

geenerlei zielskracht blonk. Het beginsel, dat de ouders van beiden dit

beroep voor hen zal doen kiezen, is hetzelfde: dolende eerzucht, die er

krampachtig naar streeft heer te blijven; dolende eerzucht, die er

krampachtig op uit is, heer te worden. Al het onderscheid tusschen dit

groene koren des kantoors bestaat dáárin, dat de eene soort het voor

een' meelmolen houdt, waarin het heel veel eer is fijn te worden

gemalen, terwijl de andere het niet hooger schat dan een' pelmolen,

waarin zij slechts van den bolster zal worden ontdaan. Eene

verschillende wijze van zien, welke niet belet, dat Piet, die, na een

jaar twee, drie sloovens, zijne eigen zaken dacht te beginnen, zijn

leven lang achter den lessenaar van zijn' patroon blijft zitten, terwijl

Claes, die al overtevreden zou zijn geweest, zoo het hem vergund ware

geworden voort te blijven kruipen, vliegt, vliegt, wat benje me! Geen

wonder--de geblinddoekte fortuin drijft in alle standen hetzelfde spel,

met voornemens en wenschen.

Liedekens van Bontekoe en vijf novellen Blaauw bes, blauw bes!—'T is maar een pennelikker!—Marie—De ezelinnen—Hanna · 第 3 / 12 段