"Wat lot onz' makkers is beschoren,

Helaas! wij zullen 't morgen zien!

En nu, ik kan niet meer, goê liên!

Slaapt wel! mijn keel is heesch van 't zingen."

Dat stiet hij, met een schor geluid,

In 't eind den moeden gorgel uit.

"Tot morgen!" zeide zij en gingen

Naar hunne loovertenten toe.

Een omtrek nog van Bontekoe:

Hij boog zich voor den Heere neder

Vóór dat de slaap zijne oogen look,

--Een vol gemoed is dubbel teeder--

En Guurtjens beeld verscheen hem weder,

En voor zijn Guurtjen bad hij ook!

1840.

Noot 3: Het is bekend dat Bontekoe eerst na lang omzwerven in 1625 in

het Vaderland terugkeerde; de stemming, waarin ik hem aan het einde

mijner vertelling doe verkeeren, schijnt mij gemotiveerd uit eene plaats

in zijn Journaal, bl. 43: "Ik van voornemen synde om mij met de eerste

gelegenheid na Holland te transporteren, bevindende dat het spreekwoord

waer, en uit de ervarentheid bekragtigd is, ieder vogel is gaern daar

hij uitgebroeid is: want wat schoone Landen, Kusten of Rijken dat men

beseild en besiet, wat konditiën, profijten en vermakelykheden dat men

geniet, 't souden ons maer pyn wesen, so die hope ons niet onderhiel,

van dat selfde eens na te vertellen in ons Vaderland, want om die hope

heeten onse Reisen, Reisen, anders souden tusschen de ballingschap, en

sulk hopeloos reisen, niet veel verschil zijn"--De gissing eener liefde

en die van een huwelijk, achtte ik waarschijnlijker, daar het zelfs der

welwillende nasporingen van mijnen oudheidkundigen vriend, den heer Mr.

W.J.C. van Hasselt, niet is mogen gelukken iets van zijn verder

wedervaren te vinden.

* * * * *

VERHALEN

Blaauw bes, Blaauw bes!--'t Is maar een pennelikker!--Marie--Ezelinnen

--Hanna

* * * * *

BLAAUW BES, BLAAUW BES!

(EEN STUDIEBEELD UIT ONS VOLKSLEVEN)

Bilderdijk wenschte, in een zijner veelvuldige verzuchtingen om den

dood, in het stille graf te liggen, ten einde voor den Haagschen

straatkreet doof te zijn. Ik ben te zeer van muzijkalen zin misdeeld, om

te durven beslissen, of de schreeuwers der hoofdstad het van die, welke

onze hofstad doorkrijschen, in welluidendheid winnen; maar ik mag de

Amsterdamsche keelklanken wel, en verbaas er mij over, hoe het gehoor

van onzen eersten dichter zijner verbeelding zoo zeer de wieken knotten

kon. Verrees er dan, als zijn trommelvlies de pijnlijke aandoening had

doorgestaan, verrees er dan, ten gevolge van dat met weêrzin opgevangen

woord, niet een geheel ander tooneel voor zijnen geest, dan zijn

studeercel aanbood? bragt het hem niet naar buiten, niet over in beemd

of bosch? Ik wil mij eerst op eenen der minst behagelijke kreten

beroepen, om later van diegene te gewagen, welke streelender gedachten

opwekken; Bilderdijk zelf, verbeelde ik mij, zou dien zin voor climax

hebben gewaardeerd. Daar klinkt het: "_Elft as zalm!_" bij voorbeeld,

waaruit de Jordaner in het middelwoord de l weglaat, om u die in de

beide andere zooveel te zwaarder toe te wegen. Het rijst raauw genoeg op

de lucht,--het is eene onwaarheid bovendien, want de eene soort van

visch evenaart de andere nooit,--en echter heb ik er nimmer het

voorhoofd om gefronsd, laat staan er om dood willen zijn; een geheel

ander verlangen wordt er bij mij levendig door. Wie heeft niet hooren

vertellen, dat die visch meest des nachts gevangen wordt, en wie, die

het zoomin als ik ooit zag, onthoudt zich, bij de plotseling opgewekte

gedachte, van den wensch, zulk een vangst bij te wonen? Het schuitje,

--de visschers,--het want, spaarzaam, grillig, afwisselend verlicht;

--om u heen de roerloosheid van den nacht, maar aan boord al de

behendigheid van de winzucht;--en, tegenstelling die boven en beneden

niet onaardig toetst, als gij neêrblikt, de rosse schijn eener lantaarn,

als gij opziet, eene enkele, tien, twintig, duizend, millioenen

sterren, die de duisternis des hemels zwichten doen;--wat dunkt u, zendt

gij den voorbijganger, aan wien gij die afwisseling van ideeën hebt dank

te weten, nog eene verwensching na? Waartoe echter zou ik het voorbeeld

verder uitspinnen, als viel er op uwe fantasie weinig te vertrouwen, als

hadde ik er niet voor het grijpen, waarbij schilderiger stoffaadje past?

Welaan--maar eerst een paar uitzonderingen, ten einde ik in geene

onbedingde lofspraak der straatkreten vervalle. Er zijn ergerlijke onder

die uitroepingen--en och! dat Bilderdijk deze van de Haagsche had

uitgemonsterd!--er zijn er bij de Amsterdamsche, die u de haren te berge

doen rijzen, niet enkel om den klank, maar ook, maar vooral om der

verbeelding wille: "_Beerzen binnen de garneelen!_" krijscht u niet

enkel door merg en been, en "_rapen as kinderhoofies!_" doet u niet

louter om den temerig gerekten uitgang pijnlijk aan; beide

overdrijvingen wekken zoo velerlei weêrzin op, dat ik dien onmogelijk in

éénen volzin uiten kan. Ichtyoloog of niet, u stuit dat dooreenhaspelen

van zout- en zoetwatervisch; het verbijstert schier iedere voorstelling

van het verblijf van den eenen en den anderen gevinde. Rapen zijn een

der oudste geregten ter wereld, en doen u ons bestuur onwillekeurig

mannen toewenschen, als de Romeinsche Republiek er in de dagen van haren

eenvoud en harer grootheid voortbragt, maar hoe vurig ge, bij vrijer

uitstellingen, meer onafhankelijkheid van geest wenscht, die voor minder

behoeften veil is, denk er eens aan, als die ongelukkige vergelijking u

van het kannibalen-maal gruwen doet! Het is wel, zoo gij, onder een van

beide jammeren, den lust overhoudt, om op te merken, dat de proeven,

die ons volk bijwijlen van Oostersche beeldspraak neemt, doorgaans

afgrijsselijk uitvallen. Gij ziet, ik ben billijk, al geldt het ook

mijne gunstelingen; want waarom zou ik schromen, thans dien naam te

geven aan de velerlei verrassingen, die in roep of kreet tot mij komen,

van den bitteren eersteling onzer velden, van het radijsje af, tot de

laatste, scherpe vrucht onzer hoven, de rammenas, toe? Er ligt een zomer

tusschenbeide, de keel des volks zou het u vertellen, zoo gij hem niet

zelf gezien, niet zelf genoten hadt! Naauwelijks mag het een meisjesstem

heeten, dat snerpende geluid, 't welk in 't vroege voorjaar des ochtends

aan het venster door de leden vaart en uit deernis, hoop ik, "een bosje

roode of witte" koopen doet, ware het ook maar om het kind te vergelden,

dat het u de komst der lente geboodschapt heeft. Mild, daarentegen,

schier melodisch, zou ik willen schrijven, klinkt de roep des mans, die,

bij invallenden avond, den herfstwind de a's van zijne _rammenas_ verre

dragen doet,--als de zonneschijn langer geduurd had, ze zouden tot zang

zijn verzacht! En zal ik ze nu optellen, de tallooze verkwikkingen,

welke de arme langs uwe deuren vent, zonder er zich zelfs over te

verbazen, dat gij die in overvloed genieten moogt, terwijl hij ze zoo

schaars smaakt, terwijl zoo vele van deze hem zijn ontzegd: de

welriekende aardbezie, de verfrisschende kers, de druiven, waarop de

dauw nog ligt, de china's-appelen, die het Zuiden ons zendt, de--maar

waar zou ik eindigen, als ik ook slechts een honderdste der tooneelen

voor uwen geest wilde roepen, waarop de gevleugelde verbeelding ons

verplaatst, bij het hooren van eenen der vele klanken op welke de breede

schaal van toonen boogt, die van behoefte tot weelde reikt? Mijne

inleiding zal haar doel hebben bereikt, als zij de ergernis voorkomt die

de titel van mijn opstel geven mogt--maar een straatkreet!

"Blaauw bes, Blaauw bes!"--klonk het langs de ----gracht onzer

hoofdstad, en het geluid, dat eene oude vrouw verried, mogt den jongen

heer van het eene venster niet van zijn duodecimootje op doen zien, en

de beziën, welke het wijfje door dien kreet ventte, der jonge jufvrouw

van het andere raam geenen blik waard zijn, een Rembrandt had hare

gansche mand leêg gekocht, als zij een uur voor hem had willen zitten.

Een sergierok, die de beenen verder blootgaf, dan hunne vormen

wenschelijk maakten, maar wiens kortheid haar in het voortstappen zeer

te stade kwam;--een sergiejak, dat de verbruinde, en van ouderdom vast

verstrammende armen onder geene mouwen in zijne hoede nam; beide

kleedingstukken vielen iederen ledeman om te werpen, en zouden onder de

hand des meesters stellig fraaijer hebben geplooid, dan zij om het lijf

van mijn moedertje deden; maar het zou ook niet om deze zijn geweest,

dat een schilder zich tegenover haar achter den ezel had gezet. Hagelwit

mogt het eenvoudige mutsje zijn, dat de grijze haren bedekte en de

tronie omsloot; hoog van kleur, "in den noode" de doek, die, over het

jak gespeld, de uitstekende schouders en ingevallene borst kwalijk

verborg; ook deze eigenaardige dragt van een geldersch huismanswijf,

zou, zonder haren persoon, binnen het bereik des kunstenaars zijn

geweest, hoezeer die kleeding, het zij in het voorbijgaan opgemerkt, tot

het karakteristieke van haren straatkreet behoort. Al het aantrekkelijke,

dat zij voor Rembrandt zou hebben gehad, school in haar gelaat; waarom is

met hem de kunst verloren gegaan, voor de beeldtenis eener oude vrouw den

blik des eerbieds, het knikje des welgevallens te verwerven? Als hij mijn

blaauwbessenwijfje op het doek had gebragt, hij zou de rimpels niet hebben

verheeld, die haar breed voorhoofd doorploegden; hij zou de jukbeenderen

niet hebben weggedast, die hare wangen zoo hoekig maakten; hij zou om mond

en kin zelfs den zweem van grijzen baard hebben geschilderd, dien hij in

de natuur aanschouwde. Maar zoo gij haar bij den eersten oogopslag hadt

aangezien, dat zij zestig, vijf en zestig lange jaren misschien had

geleefd en geleden, het ware u ook helder geworden, dat zij had liefgehad

en geloofd; het wintersch landschap ware opgeluisterd door van omhoog

invallend zonnelicht! En ge hadt het graauwe dons om kin en lippen

voorbijgezien, in uwe bewondering van de beraden-, van de bedachtzaamheid,

door dien mond geteekend: woorden der wijsheid zouden u van die lippen

niet hebben verbaasd, gij hadt er geene andere van verwacht. En het schier

stramme dier wangen, en het scherpe der beenderen, die er onder uitstaken,

zou opgehouden hebben, u weêrzin in te boezemen, want er had een lachje

over gezweefd, waarbij het u te moede ware geworden als had zij onder

allerlei leed den zin voor schuldelooze vreugde bewaard. En terwijl

iedere rimpel voor u in een teeken ware verkeerd der rampen, die haar

troffen, hadt gij u gebogen voor het geloof, dat u uit hare bruine oogen

toestraalde, hadt gij u verkwikt aan eene gemoedsrust, die het verlies

van jeugd, schoonheid en wereldsche uitzigten overleefde; van eene ziel

die genade had gevonden bij God!

_Une femme qui n'a plus d'âge_ is iets vreeselijk-leelijks, als

Beaumarchais haar ons schetst;--zou het geheim van het innemende, der

oude vrouwen van Rembrandt eigen (het genie des meesters voor het

overige in al zijnen omvang geëerbiedigd), ook aan het onderscheiden

volkskarakter, ook aan dier mannen verschillend begrip over de

bestemming van den mens, zijn toe te schrijven?

"Blaauw bes, blaauw bes!" klonk het, maar zonder den nadruk, dien het

vrouwtje den woorden in eene straat zou hebben bijgezet, maar meer uit

gewoonte, naar het scheen, dan uit hoop de aandacht van koopers te

zullen trekken--in die buurt scholen de liefhebbers harer onaanzienlijke,

harer de lippen blaauw verwende beziën niet. En echter was het blijkbaar,

dat haar des ondanks het voortstappen over de harde straatsteenen niet

verdroot; dat mismoedigheid over het vergeefsche van haren roep verre

van haar was. Vier of vijf jongens stoven haar voor, of sprongen haar

na, om bij beurten haar af te wachten of in te halen, en onder het

huppelen om haar heen eenige bessen uit de mand te grijpen, die door

geen deksel werd beschut; in eene andere stemming zou de baldadige

plagerij, zou het soms van alle kanten eensklaps opgaand: "blaauw bes,

blaauw bes!" haar hebben geërgerd; thans scheen zij even goedwillig de

oorvijgen te geven, als de Janraps zich die voor hunne vruchtelooze

pogingen lieten welgevallen. Intusschen was zij een halve gracht

voortgegaan, en zie, daar stond ze voor het huis, waar zij wezen moest.

Vlug, als een meisje van drie zesjes schier, vlug wipte ze de stoep op,

en de schel ging over, tot twee malen toe.

Een knecht, in geel linnen jas, deed open.

"Is Eefje thuis?" vroeg de blaauwbessen vrouw.

"Eefje?" hernam de borst; "er woont geen Eefje hier; mijne kameraads

heeten Sanne en Saar, en--"

"Eefje heeft toch hier gewoond," zei de vrouw, "of ik moest mij in het

huis hebben vergist,--maar ik ben hier immers bij Mijnheer ----?" (en de

knecht knikte: "jawel") "dan moet zij verhuisd zijn."

"En dat zou geen wonder wezen."--

Een paar kinderen sprongen aan het einde van den gang de deur eener

kamer uit, en eene vrouwenstem mogt de meisjes naroepen: "_Mais attendez

donc!_" zij deden of zij het niet hoorden; zij stonden al aan de deur de

blaauwbessenvrouw aan te zien, die bij den borst vergeefs hare

nasporingen voortzette.

"Jonge jufvrouw!" vroeg de knecht aan eene van de kleuters, die een jaar

of tien wezen kon, "heeft hier een meisje gewoond dat Eefje heette?"

"Ik weet wel, hoeveel jufvrouwen ik gehad heb, maar van de meiden neem

ik geene notitie," was het antwoord.

Ondanks al hare onrust, kon mijn moedertje zich niet weerhouden, de

veelbelovende nuf van het hoofd tot de voeten op te nemen.

"Foei, Emilie!" zeî haar jonge zusje, "heugt je Eefje niet meer? ze was

zoo'n vrolijke, vriendelijke meid."

Het blaauwbessenvrouwtje had het kind wel willen kussen.

"'t Is waar," viel Emilie in: "_je m'en souviens_, toen hadden wij die

nare, norsche jufvrouw, Numero Acht."

"En waar woont Eefje nu?" vroeg de teleurgestelde oude.

"Mama zou het wel weten," hernam het jongste kind goêlijk, "maar die is

buiten."

"_Mesdemoiselles!_" klonk het gebiedende achter uit den gang.

Waarschijnlijk was het jufvrouw Numero Negen, die de kinderen, hoe

schoorvoetende ook, verpligtte, met haar naar boven te gaan.

"Wil je in de keuken niet eens hooren, of eene van je kameraads het

weet?" vroeg de blaauwbessenvrouw aan den knecht.

"Het zal vergeefsche moeite wezen, vrouwtje! we zijn hier allemaal maar

trekvogels."

"Och! doe het," zei ze, "ik ben hare moeder, of je 't niet wist."

Het was een beroep op het harte, dat ijlings verhoord werd.

"Kom binnen, besje!" zei de knecht, "en ga zoo lang op de bank

zitten,"--er stond een geel geschilderde in den gang,--het medegedeelde

gesprek was met geopende deur half op de stoep gehouden. En mijn

blaauwbessenvrouwtje zette zich een omzien neêr; maar of de

oogenblikken, welke zij er verbeidende doorbragt, haar niet lang

duurden, vreesselijk lang, dat beslisse iedere mijner lezeressen--die

nog geene negen jufvrouwen bij haar tienjarig kind heeft gehad.

Eindelijk--daar sprong de knecht de trappen, die naar de keuken leidden,

weêr op--"moedertje!" zei hij, "de keukenmeid meent te weten, dat je

dochter naar de ----gracht is verhuisd--bij Mijnheer ----"

"Dank je, jongelief!--wil je een handvol blaauwbessen?"

Eene weigering ware onheusch geweest; ook kwam zij bij den borst niet

op, al vielen er voor de trekvogels andere kruimels van de tafel. "Het

ga je goed," zei het moedertje, toen de knecht de deur weder geopend

had.

"Van 's gelijke, en zoen Eefje voor me," lachte de schalk.

Eefje verhuisd!--geen wonder dat de tred der oude vrouw trager was bij

het afgaan der gracht, dan bij het opkomen; allerlei gedachten

onderdrukten het verlangen, dat hare voeten straks bevleugelde. Eefje

verhuisd!--het moest haar wel ondragelijk hard zijn gevallen in die

aanzienlijke woning, want zij was altijd een gezeggelijk kind geweest;

en had zij in hare buurt niet drie jaren lang op den Huize ---- tot

genoegen harer meesters gediend?--Eefje verhuisd--zij kon het thans

beter getroffen hebben; maar als het eens het begin van een zwerfziek

wisselen was? Het blaauwbessenvrouwtje stond stil, stond op straat stil,

en de voorbijganger, die haar uit den weg duwde, die haar ontwaken deed,

wist niet wat er omging in haar gemoed. Eefje had in de laatste maanden

niet geschreven; maar er waren haar en haren man toch van tijd tot tijd

groeten, er waren hun later zelfs kleine geschenken, geschenken in geld,

geworden, die slechts van Eefje komen konden. Haar man, haar blinde man,

had bij dat geld, het is waar, bedenkelijk het hoofd geschud, had zelfs

willen weigeren, het aan te nemen, als hij niet weten mogt, wie het

zond; maar de winter was zeer lang, en hare verdiensten waren zoo gering

geweest! O dikwijls had zij vader, wiens zuchten haar niet ontgaan

waren, hoe hard haar spinnewiel snorren mogt, dikwijls had zij hem

getroost, dat Eefje het zeker beter had dan zij in hunne armelijke hut!

Eefje verhuisd,--en dat zonder het hun te schrijven!

"Moedertje! moedertje!" hoorde zij roepen; maar het viel haar niet in,

om te zien, of die kreet ook haar gelden mogt; eerst toen de stem er

"blaauw bes, blaauw bes!" op volgen liet, zag zij waar zij was, en wie

haar wenkte.

"Vrouw Hendriksz! vergeet jij je oude vrienden zoo?" vroeg een aardig

wijfje, in haren winkel aan de deur staande, met een kind op den arm;

het jongsken bukte zich vast naar de mand, om een bezie te grijpen.

"Hoeveel Antje?" was het antwoord; de neering ging een oogenblik boven

de natuur.

"Drie maatjes, vrouw Hendriksz! dat weet je wel--bah Wim! je zult je

vingertjes blaauw verwen;--wat zeg je van mijn' jongen, vrouw Hendriksz?

mijn man is zoo gek met den guit!"--

Het viel der gelukkige moeder te vergeven, dat zij niet opmerkte, hoe

weinig vrouw Hendriksz op haar gemak was; hoe hortend de laatste woorden

van haar antwoord er uitkwamen.

"Je eerste was eene dochter, niet waar?"--In drie jaren een

rijkelui-wensch!--Komt Eefje nog weleens bij je?--Zij is verhuisd, hoor

ik."

"Zoo!" hernam Antje, "neen, ze is in lang niet hier geweest," en de

moeder doldijnde met den knaap: "hoe gaat het met je man, vrouw

Hendriksz?"

"Och, hij kan den lieven dag niet eens meer zien!--Ik geloof, dat je

twee en een' halven cent weêrom krijgt; daar zijn ze--groet den baas van

me, ik kom nog weleens weêr aan."

"Wim! jongen als eene wolk! kraai het blaauwbessenvrouwtje eens goeden

dag."--

Maar vrouw Hendriksz wachtte het niet af; vrouw Hendriksz ging

verder--nog minder opgeruimd, dewijl ze juist getuige was geweest van

dat tooneeltje van geluk. Het aardig wijfje uit den winkel had tot

Eefjes speelmakkertjes behoord; slechts een paar jaren vroeger naar de

hoofdstad vertrokken, had zij er kort gediend, was er gaauw en goed

getrouwd; waarom had Antje haar ook zien voorbijkomen, op het oogenblik,

dat haar die muizenesten over Eefje door het hoofd maalden? En wat was

Antje tevreden geweest, als had zij zich op haren trouwdag te goed

gedaan!--Vrouw Hendriksz werd onbillijk, en gevoelde het naauwelijks, of

had er berouw over; hoe de sloof zich den nijd schaamde! Het had niet

aan het aardige wijfje uit den winkel, het had aan haar gescheeld, dat

de oude mensch haar te sterk was geworden, en zij beloofde in zich zelve

boete en beterschap, zonder te weten hoe spoedig zij op den toets zou

worden gesteld, of dit haar ernst was geweest.

Wie ooit, bij gebrek van eene opgave der nommers, dese of gene gracht

der hoofdstad heeft langs gedwaald, om de woning eens vriends te zoeken,

die zijn' naam niet aan de deur had gezet, hij weet, hoe dikwijls hij in

verzoeking kwam, op goed geluk maar eens aan te schellen; hij houdt het

vrouw Hendriksz ten goede, dat zij het tot drie malen toe te vergeefs

deed; hij stelt zich voor, hoe haar twee keeren van deze op haar: "neem

niet kwalijk!" een graauw werd achterna gezonden; de vierde maal was zij

eindelijk waar zij wezen moest.

"Eefje heeft hier gewoond," zei de heer des huizes, die toevallig zelf

aan de deur verscheen, heuschelijk; "maar zij was niet wel geworden, zij

zou naar huis gaan, geloof ik."

"Ach God!"

En de man schelde aan zijne eigene deur, want vrouw Hendriksz dreigde de

Jobstijding te besterven; zij werd bleek als een lijk.

"Een glas water!" riep hij der dienstbode toe, die verbaasd opzag, dat

mijnheer een blaauwbessenvrouwtje binnenbragt.

Het glas water werd der oude toegereikt. "Ik dacht er niet aan dat gij

hare moeder kondt zijn," sprak de meêwarige man.

"Mijn kind! mijn kind!" snikte de grijze, en toen zij klappertandende

het glas water had leêggedronken, volgde vraag op vraag, maar bleef

ieder antwoord onbevredigend;--Eefje was wat wispelturig van humeur

geweest; Eefje was vertrokken, wegens ongesteldheid; dit was alles, wat

haar te laste werd gelegd; alles, wat men van haar wist. Het was

ongeveer drie maanden geleden!

Vergeleken met Parijs, met Londen zelfs, is Amsterdam, in de oogen van

den wereldburger, wel geene kleine stad; maar trots den vijfdubbelen

ring van grachten, om hare oude burgtwallen geslagen, toch geen doolhof,

waarin het hem onmogelijk zou zijn, den eersten den besten, dien hij

zocht, op het spoor te komen, hoe deze zich ook schuil houden mogt. En

echter, voor mijn arm blaauwbessenvrouwtje was de ruimte, welke zich bij

deze woorden voor haar ontsloot, was het velerlei verschiet, dat zij

beurtelings verpligt zoude zijn in te slaan, schier verbijsterend. Waar

was Eefje? hoe zoude zij haar kind weêrvinden? Slechts één gebouw

teekende zich op ieder tooneel, dat voor hare oogen dwarlde, scherp

tegen de lucht af; het was de huizing, waarin de armoede vergeten

wegsterft; het was de St. Pieterspoort, het was het _Gasthuis_.

Onwillekeurig had vrouw Hendriksz de handen, die in haren schoot lagen,

gevouwen, en zonder dat hare lippen prevelden, zagen de omstanders het

haar aan, dat zij God om sterkte bad; er was niemand onder hen die ze

der moeder niet toewenschte.

"Hebt gij hier geene kennissen, geene vrienden?" vroeg de heer des

huizes, bewogen.

"Onder de mindere menschen wèl; maar die zullen mij weinig kunnen

helpen, als--Ooh, Mijnheer! al ben ik hare moeder, zeg het mij maar

ronduit,--Eefje heeft zich hier immers goed gedragen?"

"Wat wispelturig, zooals ik u zeide ..."

"Maar--toch--eer--lijk?"

"Ja, vrouwtje! ja!"

"Goddank, Mijnheer!" er sprongen tranen uit de oogen der grijze

vrouw,--"en" voer zij voort; doch het woord wilde de keel niet

uit;--"daar valt mij een huis in; Mevrouw van ----," en zij noemde een

bekenden naam--die Mevrouw zal zeker wel weten, waar zij is; als Eefje

niet naar huis komen kon, heeft zij zeker bij haar hulp gezocht--die

Mevrouw is bij ons vandaan, moet u weten."

En zij stond op van den stoel, waarin de heer des huizes haar had

neêrgezet, en met de wellevendheid der natuur verzocht zij hem, haar den

last ten goede te houden, dien zij hem had aangedaan: "maar u heeft

misschien zelf kinders?"

Daarin zijn armen en rijken ten minste gelijk!

De heer des huizes knikte toestemmend,--"en daarom hoop ik, moedertje!

dat Mevrouw van ---- je goed berigt zal hebben te geven van je dochter;

--maar je vergeet je mandje--"

"Och, Mijnheer! Eefje is ons eenig kind!--"

Vrouw Hendriksz was weder op straat; weder op weg; de vraag, die haar op

de lippen lag, maar die zij weêrhield, de vraag, welke op het onderzoek

naar de eerlijkheid harer dochter had moeten volgen, kwam andermaal bij

haar op; zij verweet zichzelve, dat ze ook die niet had gedaan! Welk een

licht werpt het op den toestand onzer armen, dat eene verstandige, dat

eene vrome moeder onder hen, als zich bij de krankte van haar kind

eenige maanden stilzwijgens en eenige kleine geschenken voegen, deze

dadelijk aan diefstal of aan ontucht denkt! Doch ik beproeve maar eene

schets naar de natuur te leveren, en het u overlatende er de opmerkingen

bij te maken, waartoe de stof aanleiding geeft, breng ik u liever de

tuinkamer, waarin Mevrouw Van ---- gezeten was, binnen.

Liedekens van Bontekoe en vijf novellen Blaauw bes, blauw bes!—'T is maar een pennelikker!—Marie—De ezelinnen—Hanna · 第 2 / 12 段