Maria en Bianca verlangden de brieven te lezen.
„Naar gij wilt, mijne besten,” antwoordde Lodewijk; „schoon het
misschien beter ware, dat gij het niet deedt.”
„Neen,” riep Bernard, „het is beter, dat gij ze leest. Gij weet _wat_
er gebeurt, waarom zoudt gij het _hoe_ niet weten.”
Hij gaf haar de bladen over en zij lazen, beiden tegelijk, stom,
onder opwellende tranen. Bernard wandelde intusschen in hevige
gemoedsbeweging door het vertrek; eindelijk bleef hij voor Lodewijk
staan en sprak: „O, het snijdt mij door de ziel, broeder!” en de vriend
lag aan het hart van den vriend.
Maria en Bianca schreven elk een innigen liefdegroet onder de woorden
des broeders. Zoo werden de brieven afgezonden.
Er verliep eene week, eer men antwoord ontving. Eindelijk, op een
avond, verscheen het. Bernard, aan wien het opschrift luidde, opende
het niet, maar wachtte Lodewijks thuiskomst af.—Toen allen bijeen
waren, gaf hij het dezen over en zeide: „Lees gij ons voor.” Lodewijk
nam den brief, vloog hem vluchtig over en las met bevende stem:
„Mijne Vrienden!
„Ik heb uwe brieven ontvangen en wachtte ze reeds. Gij handelt,
zooals onvermijdelijke plicht het van u vordert; kon mijne liefde
nog voor u toenemen, zij zou het daardoor. Het altaar des vaderlands
is het heiligste, waarop de man zijne offers kan brengen. Bij zijne
geboorte reeds legt hij daaraan den stommen, maar onverbrekelijksten
eed van trouw af. Houdt dien; ook zal ik hem houden, want ik zwoer
hem als Hannibal reeds als knaap, schoon geen Hamilcar mij naar den
offerhaard geleidde. Steeds vereerde ik de verhevene deugd van Brutus,
die over zijne zonen het doodvonnis uitsprak, wijl zij hun vaderland
verrieden; ik zou het over u uitspreken, zoo gij als Brutus' zoon
misdeedt. En gelooft niet, dat een nieuwe dolksteek mijn hart treft.
Ik ben er aan gewoon, dat de ijzeren voet der wereldgebeurtenissen de
bloesems vertrapt, die ik voor mijn hart hoopte aan te kweeken. Het
zorgelooze geluk der jeugd, het schoonere der liefde, alles heb ik
aan den strengen God opgeofferd; ook den band der vriendschap wil hij
verscheuren, doch dat vermag hij niet.—Ja, mijne vrienden, ik heb
het lijden in eene ernstige school geleerd en ben gehard tegen zijne
pijlen. Een ondoordringelijk staal dekt mijne borst. De ruwe slagen
van het lot verpletteren ze niet meer, maar doordreunen haar enkel met
doffe verdooving. Wij moeten elkaar bestrijden, maar mogen elkander
toch beminnen. Den band die onze harten aaneenknoopt, zal zelfs het
scherpe slagzwaard van den oorlogsgod niet doorsnijden. Is het ons al
niet vergund, gelijk de helden van Homerus, het heiligste gastrecht
der vriendschap ook in den open kamp te eeren, zoo kunnen wij toch,
edeler dan zij, met liefde de hand drukken, waardoor wij vallen. Doch
dat uiterste zal de goede God verhoeden, aan wien wij onze dagen
toevertrouwen. Vrienden, broeders! Een wijze hand legde den blinddoek
voor het oog des menschen, die hem belet, in de toekomst te blikken;
vaak is het heilzaam, dat ook het heden voor hem omsluierd blijve. Laat
ons dien zegen als eene weldaad afsmeeken en dien niet roekeloos van
ons afstooten. Zoolang de worsteling duurt, die ons vijandelijk tegen
elkander overstelt, willen wij onze vriendschap zwijgend in ons hart
begraven. Geen onzer wete, geen onzer verneme iets van den ander. Niet
te vermetel toch steune de mensch op zijn kracht. Wist ik, waar gij
als vijanden tegenover mij stondt, wellicht ontzonk het zwaard mijne
hand, wellicht ware ik niet in staat, aan mijne heilige gelofte getrouw
te blijven. Derhalve breke deze strijd der volken, die zich als een
ijzeren scheidsmuur verheft, thans alle zachte banden van liefde en
mededeeling af, die vroeger tusschen ons en de onzen waren aangeknoopt.
Misschien komt eens de dag des vredes, waarop gij hoopt, Lodewijk,
en dan zullen wij elkander wedervinden. Valt het anders uit, het zij
zoo. Wij zullen het tijdig genoeg vernemen. Vaart dan wel, mijne
broeders!—En gij, vriendelijke gestalten, aan welke mijne ziel met
zachten weemoed blijft denken, Bianca, Maria! Vaarwel, Maria, wees
gelukkig, gij kunt het, want de jeugd lacht nog op uwe wang en nog
bloeit de lente, die nieuw gestrooide zaden tot gulden vruchten rijpt.
Wees en maak gelukkig!—Het is genoeg! Wij scheiden wellicht voor lang,
wellicht.... doch mijne hand wil den sluier aanraken, die het gelaat der
toekomst verhult, en de tijd alleen mag dien opheffen. Vaartwel tot aan
den dood.
Uw RASINSKI.”
Zoo was dan de laatste, zwaarste kamp der harten volstreden; alleen de
lichtere, die des zwaards, bleef nog overig.
* * * * *
Den volgenden morgen luidden de klokken van alle torens; de scharen der
krijgers verzamelden zich op de marktplaats, duizende burgers stroomden
toe, om de uittrekkende dapperen nog eenmaal vaarwel te zeggen.
Bernard en Lodewijk waren gewapend; hunne rossen trappelden onrustig
voor de deur. Bianca en Maria stonden, met beschreide oogen, maar
machtig gesterkt door de verhevenheid van het oogenblik, aan de
broeders geleund.
„God hoede u, lieve zuster,” brak Bernard eindelijk de stilte af;
„vaarwel. En gij, Maria? En gij?”
Zij wilde hem de hand reiken, hij trok haar nader, zij zonk, overwonnen
door zijne edele liefde, weenend aan zijn hart. Bernard drukte een
zachten kus op het voorhoofd en sprak vast: „Neen, gij engel, thans
eisch ik het beslissende woord niet van u, dat de bloesems van mijn
levensgeluk zacht zal openen of voor altijd doen verwelken. Niet
de overweldigende aandrang van het oogenblik zal het u ontwringen!
Gij moet weten, of uwe diepe wonden genezen kunnen. Maar de dag van
wederzien zal komen; die glansrijke zon, die daar de koepels bestraalt,
belooft het ons. Dan treed ik voor u, Maria, en vraag: Wil het
schoonste hart zich aan een getrouw hart wijden? Doch thans niet!”
Met deze woorden rukte hij zich los en snelde Lodewijk na. Maria zonk
snikkend bedwelmd aan Bianca's boezem.
Nu hoorden zij den hoefslag der paarden. De scharen zetten zich in
beweging. Lodewijk, Bernard, Arnheim waren onder de voorsten. Statig
klokgebrom, wuivende doeken, juichende jubelkreten vergezelden de
dapperen. Bruisend golfde de onstuimige zee der vreugde en droeg op
hare stoute deiningen het hart over de diepste afgronden van angst en
droefheid met zich voort. Want de tijd was vervuld en de oogst gerijpt,
en de maaiers des Heeren togen uit met flonkerende zeisen.