LAATSTE WOORDEN.

Zege luidde de voorspelling, zege de vervulling!—De storm van den

laatsten vrijheidsslag aan Frankrijks grenspalen had uitgewoed; ten

tweedenmale golfden de heilige banieren van de torentransen van Parijs.

In Ruslands sneeuwwoestijnen, onder den ruwen hemel van het barre

Noorden, had de boom der vrijheid zijne diepe wortels geschoten; in

den storm des heldentijds wies hij krachtig op; thans zou de zachte

zon des vredes zijne bloesemknoppen openen, zijne schaduwrijke kroon

ontwikkelen. Nog bewoog een angstig gevoel de harten bij de herinnering

aan het dof nadonderende, in de verte aftrekkende onweder; doch de

hemel welfde zich blauw en helder over de aarde en elke borst werd

verruimd door de schoonste verwachtingen.

Zelfs de droefheid om de duizende offers werd een weemoedig geluk; er

was immers slechts bloed der verlossing gevloten.

Alles, alles zoude deze tijd goed maken, elke wonde heelen, elke

brandende smart met verkoelende balsem lenigen—wee hun, die hem

vergiftigden!

* * * * *

Maria en Bianca hadden naar Lodewijks verlangen op het stille landgoed

bij Dresden, dat de zuster zijner moeder bewoonde en waar de liefde en

zorg der gespelen harer kindsheid haar beidde, een toevlucht gezocht.

Hier zagen de terugkeerende vrienden haar weder; hier werd aller geluk

door eene zoete, onverbreekbare verbintenis verzekerd. Ook Maria's

hart toch was door Bernards edele trouw en grootmoedigheid geheel het

zijne geworden; en de roos hunner liefde, waarin zoolang de zware

onweersdroppen van smartelijke tranen gestaan hadden, flonkerde thans

van sidderende dauwparelen der vreugde en ontvouwde den geurigen kelk

met nieuw ontluikende schoonheid.

Slechts ééne wolk hing drukkend op het voorhoofd der gelukkigen, die

hier vereenigd waren. De dag des vredes was gekomen; maar van den

edelen vriend, die zich, zijn voornemen getrouw, tot dezen oogenblik

elke gemeenschap met hen gestrengelijk ontzegd had, hadden zij niets

vernomen. Een brief aan de gravin, door Lodewijk reeds voor ettelijke

weken naar Warschau afgezonden, bleef onbeantwoord.—Zouden zij den

edele te betreuren hebben? Was hij, gelijk de mannelijke Arnheim, de

dichterlijke jongeling Benno, onder de offers gevallen, die de bloedige

krijg onverbiddelijk geëischt had? Deze nieuwe bekommeringen vervulden

de harten der anders zoo gelukkigen.

Op een avond, tegen het einde van Augustus, toen de schemering hare

sluiers langzaam over den glans der nederdalende zon begon uit te

spreiden, zat het viertal op het groene terras voor de tuinkamer aan

de theetafel. Zij ontdekten een reiswagen, die van den met kreupelhout

omkransten heuvel nederdaalde en langs den, op een kleinen afstand van

den tuin voorbijloopenden straatweg nader kwam. De wagen hield stil aan

het hek van het perk, een lakei opende het portier en eene rijzige,

vrouwelijke gestalte in rouwkleeding klom uit en sloeg de laan naar

huis in. „Die Juno heb ik meer gezien,” sprak Bernard, niet zonder een

gevoel van beklemdheid, toen zij reeds zoo nabij was gekomen, dat men

hare gelaatstrekken had kunnen onderscheiden, waren zij niet door een

sluier omhuld geweest.

„Het is de gravin!” riep eensklaps Maria, die haar het langst en

nauwkeurigst gekend had, en ijlde haar angstvol verrast te gemoet.

„Ja, ik ben het,” sprak de naderende stilstaande en sloeg den sluier

op; daarop opende zij de armen, om Maria te ontvangen, sloot deze

onstuimig aan het hart en drukte gloeiende kussen op hare lippen.

Ook Lodewijk, Bernard en Bianca waren toegeschoten en ontvingen een

zwijgende, smartelijk teederen groet van de waardige vrouw.

Zij was bleek; het lijden had diepe voren in hare edele trekken

geploegd; tranen vergoot zij niet, maar de glans van het oog was

uitgedoofd.

„Zoo moeten wij elkander wederzien,” sprak zij na lange worsteling met

zich zelve en bood Bernard en Lodewijk de hand. „Zoo! O, ik heb het

altijd gevreesd!”

De vraag naar Rasinski zweefde op aller lippen, doch niemand waagde

het, haar te uiten.

„En gij komt alleen, geheel alleen?” vroeg eindelijk Bianca met bevende

stem, „O, laat ons niet langer in kwellende onzekerheid aangaande het

lot der zoo dierbare wezens.”

De gravin zuchtte uit diepe borst en hief het oog ten hemel. „Ik kom

alleen. _Geheel alleen!_ Dat is mijn antwoord.”

„En Lodoiska?” vroeg Maria met bleeke lippen.

„Dacht gij, dat zij hare smart overleven zou? Sinds een jaar rust haar

gemarteld hart in vrede. _Zij_ is gelukkig!”

„En Rasinski?” riep Bernard, die zich niet langer kon bedwingen.

Een zware zielestrijd was op het gelaat der gravin te lezen. „Ook hij

heeft rust gevonden,” sprak zij eindelijk dof en langzaam. „Men zag

hem het laatst in den slag bij Leipzig, in de nabijheid van vorst

Poniatowski; verder weet ik niets van hem.”

Lang reeds had het beklemde hart dit vermoed; doch de bevestiging was

daarom niet minder verpletterend. Maria zonk snikkend aan Bernards

borst; hij klemde haar vast aan zich, zijn hoofd neigde zich tot het

hare en zijne tranen besproeiden hare wangen. Bianca bedekte zich het

schreiend oog en leunde de bleeke wang tegen den schouder van den

echtgenoot.

„Ik ween niet meer over hem,” sprak de gravin met eene stem, die, in

tegenspraak met hare woorden, eene zachte ontroering verried; „ik heb

ook weinig geweend. Wel hem dat zijn oog zich sloot, dat hij deze dagen

niet zien kan! Zou zijn edel hart onze schande verdragen?—Waarlijk,

zoo is het beter!”

Maria wankelde naar haar toe en wierp zich aan hare borst. „O mijne

moeder!” snikte zij, in tranen stikkende.

„Dochter, mijne dochter!” riep de gravin en thans ontsprong een heete

tranenvloed ook uit hare oogen. „Eene dochter aan mijne borst! O, ik

kan weder weenen!”

Ook Bianca naderde en sloeg haren arm om den hals der eerwaardige

vrouw. „Rust bij ons uit, gij diep gebukte,” bad zij vleiend, „wij

willen uwe dochters zijn!”

De gravin zag haar een oogenblik met vragende blikken aan; een hevige

tweestrijd woelde in hare borst; met zachte armen voelde zij zich

weder in het leven, in het schoone rijk der vreugde teruggetrokken.

Doch plotseling richtte zij zich op, onttrok zich aan de omarming der

weenenden, schudde weigerachtig het hoofd en zuchtte: „Neen, neen,

het is onmogelijk! Zou ik, een eeuwig versteend beeld der smart,

mij nederzetten in den kring van uw geluk en u elken vreugdebeker

vergallen? Neen, neen, dat nimmer!”

In houding en stem drukte zij de onverzettelijkheid van haar besluit

zoo krachtig uit, dat niemand de bede durfde herhalen. Inmiddels

huppelde het blonde dochtertje van Alisette, Nadine, uit de heesters te

voorschijn, bleef verwonderd voor de vreemde staan en zag haar met de

groote, onschuldige oogen vragend aan.

Eene zeldzame aandoening maakte zich van de gravin meester bij den

aanblik van het kind, dat zij dadelijk herkende. „Kent gij mij nog,

Nadine?” vroeg zij met nauw hoorbare stem.

In stede van te antwoorden zag het kind haar nog altijd aan en drong

zich met het blonde krulkopje vertrouwelijk tegen haar schoot.

Te hevig geschokt, weerde de gravin het zacht van zich af en keerde

zich om, om te gaan.

„Blijf bij ons, schoone dame,” riep Nadine haar vriendelijk na, toen

zij zich eenige schreden verwijderd had. Driftig wendde zij zich om,

hief het kind op, kuste het en vroeg het met aandoening: „Wilt gij

met mij gaan?—Dit kind zou mij een zoete troost in mijne eenzaamheid

zijn,” richtte zij zich tot Bianca en zag haar vragend aan.

„Wat gij verlangt, niets, niets kan ik u weigeren,” antwoordde

deze, hoe smartelijk de gedachte aan eene scheiding van het kleine,

liefgekregen wezen haar ook door de borst drong.

„Neen, ook dat niet!” sprak de gravin na eenige oogenblikken, van

innerlijken tweestrijd zacht maar vast en zette de kleine op het gras

neder. „Zou ik een zwart rouwfloers over hare vroolijke jeugd werpen?

Zou zij slechts onder cipressen wandelen en urnen om zich heen zien?

Neen, ik wil de dagen, die ik nog leven moet—en God, de Almachtige

geve, dat het weinige zijn!—niet met dat verwijt belasten. Verwijl

onder gelukkigen, onschuldig kind!”

Zij kuste Nadine; deze liep op Bianca toe en vroeg deelnemend: „Moeder,

gij weent?”

„Ik kwam alleen om afscheid te nemen,” begon de gravin na eenige

minuten diepe stilte; „ik beefde voor dit uur, doch het ware liefdeloos

geweest, het te vermijden. Ik vertrek naar Amerika.—Het kan mij

een vaderland worden, want het is het eenige land der aarde, waar

eene vrije ziel mag ademen. Mijn geboortegrond is een kerkhof, eene

gevangenis, eene smadelijke gerichtsplaats—een oceaan ligge tusschen

hem en mij! Wij willen elkaar het afscheid niet moeielijk maken;

ras, opeens scheure de laatste band, die mij boeien wil. Vaartwel,

dierbaren, volgt mij niet—eerst na mijn dood zult gij weder van mij

hooren.”

Zij liet den sluier over het gelaat vallen en snelde met rassche,

vaste schreden voort, nog eens met de hand terugwenkende, dat niemand

haar volgen zou. Het door tranen verduisterde oog der achterblijvenden

verzelde echter de koninklijke gestalte, tot zij in het geboomte en de

schemering verdween.

1812: Historische roman · 第 147 / 154 题