Twee maanden waren er verloopen. De vreeselijke storm, die zoo veler
levenslot tot in zijne diepste grondvesten geschokt had, was eindelijk
voorbij. Dus ook deze wrange beker van lijden en ellende kon geledigd
worden! De donkere wolken togen voorbij, de hemel werd helderder, het
hart kon weder aan eene Voorzienigheid gelooven.
Lodewijk en Bernard hadden met Bianca en Maria Koningsbergen bereikt
en daar eindelijk eene zekere verblijfplaats gevonden, tot welke de
verschrikkingen van den oorlog niet doorgedrongen waren.
De tijd had hunne uitgeputte lichamen gesterkt en begon ook de
bloedende wonden van de ziel te heelen.
De gravin was door Bianca's bemiddeling in veiligheid gebracht en met
Lodoiska naar Warschau teruggekeerd.
Diep medelijden met den toestand dezer ongelukkigen en bezorgde
deelneming in het lot van Rasinski, die door den stroom der
krijgsgebeurtenissen rusteloos werd voortgedreven, waren de eenige
donkere schaduwen, welke in het stille, gelukkige leven der vereenden
vielen, die de Voorzienigheid langs zoo wonderbare wegen geleid en zoo
kennelijk behoed had.
Welk een tijd der zoetste mededeelingen, hoewel ook met de weemoedigste
herinneringen doormengd, mochten Lodewijk en Maria thans met
elkander doorleven! In de eerste uren van hun wederzien werden zij
door den storm der geweldige gebeurtenissen zoo onweerstaanbaar
medegesleept, dat het hart geen tijd vond, zich aan het stille geluk
der beschouwingen te wijden. Thans, in de lange winteravonden, nu een
vertrouwelijk vertrek vier schoone zielen vereende, werden alle zorgen
en bezwaren rijkelijk vergoed. Hun gesprek bepaalde zich bij voorkeur
tot het verledene, op hetwelk de opkomende zon der toekomst nu reeds
vriendelijker stralen begon terug te werpen, ja zelfs vertoefden de
gedachten van broeder en zuster gaarne bij het graf der moeder, hoewel
een zachte weemoed hun binnenste doordrong bij het herdenken van die
edele ziel, die getrouwe hand, welke hen in de dagen hunner jeugd zoo
liefderijk geleid had.
Met innige vreugde zag Lodewijk de vriendschap tusschen Bianca en
Maria bloeien en aanwassen, maar met nog vuriger dankgevoel ontwaarde
hij, dat Maria's zusterlijke toegenegenheid voor Bernard elken dag
naarmate diens edel, groot hart zich meer en meer voor haar opende,
ook warmer en inniger werd. In Bernards innerlijk gemoedsbestaan had
eene gewichtige omkeering plaats gegrepen; het werd allengs kalmer,
rustiger, bedaarder in hem. Als bij edelen wijn loste de opbruisende
gloed der gisting zich in een helder, weldadig vuur op. Reeds de laatste
vreeselijke worstelingen hadden den onstuimigen aandrang van ruwe kracht
aanmerkelijk gewijzigd en bedwongen, doch de zuivere straal der liefde
drong thans nog dieper in zijne woelige, rustelooze borst door, en
hare golven werden kalm en effen, als duchtten zij, het heilige beeld
zijner vereering misvormd terug te spiegelen. Het bedarend vermogen,
waarmede vroeger reeds Bianca's nabijheid op hem gewerkt had, oefende
Maria thans in een nog hoogeren graad uit. Hoe diep en smartelijk de
gloed ook in hem brandde, bestreed hij dien toch mannelijk, als wilde
hij Maria's liefde door zelfbeheersching en verloochening verdienen. Hij
had een blik in het binnenste heiligdom harer ziel geworpen, en gelijk
de edele gemakkelijk doorziet en verstaat, vermoedde ook hij den strijd,
dien zij doorstaan had, en begreep hij, waarom zij kampte. Hare vurige
vaderlandsliefde, die thans in nieuwe, schoone verwachtingen herleefde,
kende hij en wist, wat zij daarvoor in staat was op te offeren. Voor
zijne liefde durfde hij vooreerst nog niets hopen, doch van hare warme
vriendschap was hij verzekerd, en uit dien hoofde wilde hij thans niet
verder bij haar aandringen, daar hij de smart eerbiedigde der nog altijd
in stilte bloeiende wonden harer ziel, die door de genezende kracht der
zelfverloochening nauwelijks gesloten, nu onlangs weder zoo vreeselijk
waren losgereten. Uit den grond van haar hart was zij hem dankbaar voor
deze grootmoedige terughouding en matiging; want zij besefte, hoeveel
strijd ze hem dagelijks kosten moest.
Hoe eerbiediger Bernard derhalve terugtrad, des te nauwer moest Maria
zich ook aan hem verbonden, des te heiliger zich aan hem verplicht
gevoelen.
Wellicht had zij er op zijne dringendste bede niet toe kunnen
besluiten, hem haar hart te schenken; doch nu hij zwijgend en gestreng
afstand deed, veroorzaakte dit van hare zijde eene vrijwillige,
hartelijke toenadering, en van uur tot uur voelde zij eene sterkere
verplichting, om diens geluk op vaste grondslagen te vestigen, die
het zoo mannelijk edel wist op te offeren. Hoe meer liefde plicht bij
haar werd, werd ook die plicht liefde. Zoo werd de zuivere, schoone
bloesem eener edele toegenegenheid in de koesterende stralen van warme
dankbaarheid en ongeveinsde hoogachting meer en meer ontwikkeld.
Alleen de lichte, fijn geweven sluier harer maagdelijke schaamte en
zijn heilige eerbied verborgen nog het zoete geheim van de minnende
harten. Hij waagde het niet, de bloem aan te roeren, die zich met
schuw gesloten kelk tot hem neigde. Beider hart zweefde thans in dit
onzekere, bange geluk; doch stil en ongemerkt rijpt de kostelijke
vrucht, en prijkt ze in vollen wasdom, dan valt zij, bij den minsten
adem eener gunstige koelte, als van zelve in den geopenden schoot.
De zaden der wereldgeschiedenis rijpten meer en meer tegen den
naderenden oogst. Reeds gistte en kookte het merkbaar in alle
vaderlandsgezinde harten; men voelde den ijzeren druk van het juk, dat
zoolang den nek gekromd had, een oogenblik opgeheven, en koen en vrij
en hoopvol haalde de borst adem.
Op een avond, dat het viertal in een vertrouwelijk gesprek bijeen zat,
werd er laat aan de deur geklopt, en op Lodewijks roep trad Arnheim
binnen. Een donkere blos vloog over Maria's wangen, toen zij den edelen
man herkende. In dezen oogenblik vermoedde zij, uit het onderscheid
harer gezindheid jegens hem en jegens Bernard, de liefde, die zij den
laatsten toedroeg. De binnentredende sprak haar, als de eenige, die hij
in dezen kring kende, het eerst aan:
„Nauwelijks durfde ik mijne oogen vertrouwen, toen ik u dezen namiddag
in de schemering aan het venster ontdekte; ik hoorde echter spoedig,
dat ik mij niet bedrogen had. Vergun mij, dat ik de stoutheid van mijn
bezoek met een heugelijk nieuws verontschuldig, hetwelk ik u vooral zoo
spoedig mogelijk wilde mededeelen.”
„In elk geval zijt gij van harte welkom,” hernam Maria, „en dubbel
welkom, zoo gij eene verblijde tijding voor ons vaderland medebrengt.”
Zij maakte hem met haren broeder, met Bianca en Bernard bekend.
„Gij herinnert u, dat ik u reeds te Warschau van een geheim
vaderlandsch verbond gesproken heb,” begon Arnheim; „thans is het tijd,
vrijer daarvan te spreken, want het uur, dat het vruchten moet dragen,
is gekomen. Duitschland zal opstaan met man en macht; het gansche volk
zal te wapen geroepen worden. Pruisen stelt zich moedig aan het hoofd.
Mijn vaderland is nog door andere, arglistig aangeknoopte staatkundige
banden gekneld; doch er bestaat hoop, dat ook Oostenrijk zich met
geweld zal losrukken. Tot de dag daar is, dat het vrij en onverdeeld
kan optreden, vergenoegt het zich, de geestdrift van enkelen voor de
heilige zaak te ontvlammen en hunne pogingen te ondersteunen. Zoo ben
ik reeds sedert eenige weken uit den dienst mijns keizers in dien van
den koning van Pruisen overgegaan. De hoofden onzer vereeniging hebben
reeds voor langen tijd den wenk ontvangen, op een beslissenden stap
des konings voorbereid te zijn. Heden voor een uur, is eindelijk het
vurig gewenschte bericht gekomen, dat dezen gedaan is. Pruisens koning
spreekt krachtig tot zijn volk; hij roept het ten strijde op voor het
heiligdom van den eigen haard, van het vaderland, van de vrijheid. Een
heilige krijg ontvlamt, waarin de volken hunne dierbaarste, zoolang
miskende rechten voor hun bloed herwinnen zullen; een krijg, die den
vallende den martelaarspalm, den overwinnende den lauwer des eeuwigen
roems aanbiedt! Zoo zal dan ons vaderland eindelijk verlost worden uit
de ketenen van smaad en ellende! Deze zalige vreugde verruimde mijne
borst en doet mij wat ik aan eigen leed te dragen heb bij het groote
gebrek van het geheel vergeten.”
Hij wierp bij deze laatste woorden een veelbeteekenenden blik op Maria,
dien zij slechts te wel verstond.
„U,” ging hij tot haar gericht voort, „heb ik als zulk eene dochter
van het vaderland leeren kennen, dat ik het, glimlach vrij, voor een
gunstigen wenk des hemels hield, u juist in dezen oogenblik, nu ik u
zulk eene tijding brengen kon, onverwachts weder te vinden.”
„O, ontvang mijn innigen dank,” hernam Maria diep ontroerd en met een
helderen vreugdetraan in het blauwe oog. „Welk een morgenrood doen uwe
woorden aan den donkeren hemel van ons vaderland voor mij aanlichten!”
„En eene heerlijke zon zal prachtig verrijzen,” riep Lodewijk in
gloeiende geestdrift. „Thans, thans eerst komen de dagen, dat ik
vrij en gelukkig adem! Zelfs mijne liefde bloeit eerst vol en
tierig in dit nieuwe licht!—O Bianca, tot hiertoe waart gij eene
bloesem, welker geur een zoet voorgevoel der naderende lente in een
doffen, beklemmenden kerker droeg. Thans bezielt ons de sidderende
morgenstraal! Hij valt op mijn hart, als op de Memnonszuil, en ontlokt
het zoete, hemelsche klanken. O Bianca, welke dagen zullen wij beleven!”
Bernard had ernstig, maar innerlijk doorgloeid en verwarmd des
ritmeesters bericht aangehoord. „Ik treed als vrijwilliger in uwe
gelederen,” sprak hij met onverzettelijke beradenheid, en reikte
Arnheim de hand.
„En ik vecht aan uwe zijde, broeder,” riep Lodewijk vurig. „Thans eerst
zullen wij ondervinden, met welk gevoel een man de donders van den
slag om zich hoort kraken. O, en nu zegen ik dat jaar van beproeving,
dat wij doorworstelden, want het was ons eene strenge, leerrijke
oefenschool. Dubbel kan ik thans het ongelijk vergoeden, waaraan ik mij
tegen wil en dank jegens mijn vaderland schuldig maakte. Gehard in den
vreeselijken veldtocht, die achter ons ligt, wegen wij thans driewerf
zooveel in dien, welken wij te gemoet snellen. Geen nieuwelingen meer,
beproefde mannen, verstaald in nood en gevaren, weten wij thans het
zwaard te voeren. O waarlijk, lieve zuster, gij spraakt waarheid; het
vroolijk morgenrood breekt door den diepsten nacht.”
Bernard wandelde, terwijl Lodewijk zich geheel door zijne verrukking
liet medesleepen, onrustig en peinzend op en neder. „Ik voel, wat er
gebeuren moet,” begon hij eindelijk, „en een edel gevoel doortintelt
ook mijne borst, maar vreugde kan ik het niet noemen. Deden wij onrecht
door aan den kamp van het verloopen jaar deel te nemen, was het ons
hoogere plicht, het hoofd op het blok te leggen en als weerlooze offers
der snoodste arglistigheid te vallen, dan treft ons thans ook de
Nemesis. En zij treft zwaar!”
Maria doorgrondde de gedachten, die Bernards borst verontrustten.
Lodewijk echter hernam: „Ik versta u niet, Bernard; welke Nemesis ziet
gij in de beschikkingen, welke ik voor de genaderijkste des hemels
houde?”
„Ook ik houd ze daarvoor; maar leggen ze ons toch niet eene zware
beproeving op?—Uwe edele geestdrift, Lodewijk, deed u dat voorbijzien.
Zoo moet ik u dus herinneren, wat ik anders van u, die altijd beter,
altijd edeler en fijner van gevoel geweest zijt dan ik, zou gehoord
hebben?”
„O zwijg,” viel Lodewijk hem driftig in de rede; „ik weet, wat gij
zeggen wilt. Voorzeker, dit offer wordt zwaar; het is de ring van
Polycrates, dien wij in zee moeten werpen.”
„Ik versta u beiden,” sprak Maria met diepe ontroering; „maar het moet
zoo zijn, het moet, hoe bitter het wezen moge. En Rasinski zal de
eerste zijn, die uw besluit billijkt. Zelf groot van ziel, gevoelt hij
ook al wat groot is, waar en onvervalscht; maar vrij, open, rond moet
gij met hem handelen. Door niemand anders, dan door u, verneme hij,
dat er een dag kan komen, waarop gij met het zwaard in de hand tegen
elkander overstaat.”
„Zoo zij het,” sprak Bernard: „wij schrijven hem, zoodra het beslist
is, wat wij doen.”
„Dat kan terstond geschieden,” viel Arnheim hem in de rede; „de gang,
die u tot kampvechters voor Duitschlands vrijheid zal maken, is nog in
dit uur mogelijk.”
„Gaan wij dan, er bestaat voor ons geen grond tot uitstellen meer,”
hernam Bernard.
Zij gingen.
Den volgenden morgen bevatten de dagbladen de oproeping des konings
aan zijn volk, de oproeping van den derden Februari van het jaar
achttienhonderd dertien. De geestdrift ontgloeide alle harten. Onder
luid gejubel stroomden de duitsche mannen toe en schaarden zich onder
de wapperende banieren der herrijzende vrijheid; vreugdetranen glansden
in het oog der duitsche jonkvrouwen en hare boezems zwollen trotsch op
in vaderlandsch zelfgevoel. Vroolijk zag de moeder den zoon, de zuster
den broeder, de bruid den geliefde derwaarts trekken; elke droeve
traan werd verzwolgen door de hoog golvende zee van verheven vreugde,
wier baren in het zachte morgenrood der hoop gloeiden en glansden. O
schoone tijd, o liefelijk stralende Aurora der vrijheid, die een eeuwig
lachenden lentehemel over Germanjes landouwen welven moest!
Bernard en Lodewijk waren bij het leger ingelijfd; den volgenden morgen
reeds zag men hen opnieuw onder de wapens. Echter drukte een zware last
op hunne borst bij de gedachte, dat zij van nu af gedwongen waren,
tegenover den edelsten vriend, den redder en beschermer van hun leven
vijandig te staan en de wapens tegen zijn vereerd hoofd te voeren. Deze
sombere stemming kon niet wijken, alvorens het tusschen hen en Rasinski
tot een mannelijke verklaring was gekomen. Van het eerste rustige uur
na hun besluit maakten zij dus gebruik, om zelven hem daarmede bekend
te maken. Lodewijk schreef hem:
„Dierbaarste Vriend!
„Tot uw edel, grootmoedig hart richt ik deze woorden. De stroom der
gebeurtenissen, die mij tot u droeg en mijn leven onder uwe bescherming
stelde, heeft ons thans weder ver vaneengedreven. Doch hij scheidt ons
niet alleen, hij drijft mij zelfs vijandig op u aan. Nog eer ik u de
verklaring van dit woord geef, hebt gij het reeds verstaan. De volken
rusten zich tot een vreeselijken krijg uit; de enkele mag zich aan de
heilige zaak van het vaderland niet onttrekken; maar bloeden onder den
harden plicht, dat mag hij. Gij hebt den schipbreukeling, die op de
golven omzwalpte, aan boord genomen en veilig op de vaderlandsche kust
aan wal gezet. En thans zal hij, de trotsche zeilen der vaderlandsche
vloot volgend, verderf brengen, waar hij vroeger redding vond! Vriend,
u, die mij kent, die mijn hart duizendwerf beproefd hebt, u vraag ik af,
of ik ondankbaar zijn kan. Ik weet en bouw met heilig, onverzettelijk
geloof daarop, dat gij mij vergeven zult, dat zelfs deze nieuwe stormen
van het lot onze vriendschap niet zullen doen wijken of wankelen.
Gewapend zullen wij tegen elkander over staan, maar in heel de schaar
mijner duitsche broeders zal mijn hart voor geen zoo dierbaar leven
sidderen, dan voor dat, hetwelk strenge plichten mij dwingen vijandig
te bedreigen. In het gebed der onzen mogen wij bescherming vinden;
Bianca en Maria zullen, als de donders van den slag dreunen, hare harten
smeekend tot den Heer der legerscharen verheffen, en Hij, de Algoede,
zal haar hooren en ons het uiterste niet opleggen. Door de dichte
dampwolken des krijgs glanst eene schoone ster, de ster des vredes. Ook
deze stormen zullen uitwoeden; eindelijk heeft de donderende vulkaan,
die Europa's grondvesten schokken en daveren doet, uitgeblaakt, en de
bloedige lavavloeden zullen staan, de opgeruide volkenstroomen, die nu
tegen elkander opklotsen, in de oude, rustige bedding terugkeeren. Dan
Rasinski, als de schoone oevers der aarde zich weder in kalme vloeden
spiegelen, als de hemel helder lacht en Mars aan Themis het zwaard laat,
opdat zij de landpalen der volkeren opnieuw afmete en hunne rechten met
strenge schaal wege en wikke,—dan, Rasinski komt de dag, dat ook ons
het loon voor de zwaarste opofferingen te beurt valt. Op den doorwoelden
grond der slagvelden zullen wij elkander met de oude liefde en trouw
omarmen, en de verwoesting om ons heen bedroeft ons niet meer, want
reeds zien wij ze ontspruiten, de kiemen der nieuwe lente, die in
verdubbelde schoonheid herleeft, werwaarts de vulkaan zijn vernielenden
aschregen heeft voortgedreven. Derwaarts dan, laat ons het oog richten
op dat verre, lichtende doel. Ver? Wat zeg ik! Hij, die sprak: er zij
licht, en er was licht, wiens machtwoord zonnen uit de duisternis te
voorschijn riep, Hij, voor wien duizend jaren zijn als één dag, Hij kan
ons met sterken arm in één oogenblik des tijds derwaarts voeren. Daarom
laat ons op Hem vertrouwen, want Zijne liefde is nog onuitputtelijker
dan Zijne macht.—Eeuwig
Uw LODEWIJK.”
Ook Bernard had geschreven:
„Rasinski!
„Kon ik u oog in oog zien, van mond tot mond met u spreken, dan zou de
zachte blik en weeke toon het scherpe gif mijner woorden temperen. Doch
drinken moeten wij het beiden, al scheurt het ons de borst stuk. Het lot
neemt wraak aan mij. Gij weet Rasinski, om den wille van mijn vriend
verried ik mijn vaderland, nam het zwaard en wondde de borst, die mij
zoogde. Thans rolt de kogel om; de Nemesis wapent mij tegen den vriend
en hem verraad ik voor het vaderland. Wat druischt mijn hart daartegen
op en wil nu breken, dan oproerig worden en uit de borst springen? Te
rust met u! Ik had en heb recht. Fier wil ik nu een ijzeren voorhoofd
toonen en als een Spartaan op de pijnbank lachen, waarop het lot mij
eene valsche, laffe verklaring denkt af te dwingen. U, Rasinski, doe ik
de ware: Het is mijn heilige plicht, met de wapens in de hand op u in te
stormen en u de borst te doorboren, die mij schut en scherm verleendet
en waaraan mijn hart met warme liefde geslagen heeft. Doe gij mij ook
zoo!—O, Rasinski! de dag zal schoon zijn, dat wij elkaar in donder- en
onweerswolken, als bij Mosaisk, aantreffen en als het broederpaar voor
Thebe's muren met speer en zwaard op elkaar inrennen en beiden doorboord
neerzinken! Hier betuig ik u, ik zal u niet sparen; want zwaarder
verraad wist ik jegens mijn vaderland niet te plegen. _Doe gij mij ook
zoo!_ Doch als wij naast elkaar onder de doode broeders liggen, dan
wil ik met stervende stem roepen: „Rasinski,” en gij roept: „Bernard.”
Met ons hartebloed stroome dan ook de volkenhaat weg; en hoe meer de
wijkende kracht des levens onze borst doet verkoelen, des te warmer zal
zij in heilige vriendschap ontgloeien. Hart aan hart zullen wij den adem
uitblazen! Het zal eene schoone dood zijn en zij zullen ons beweenen,
Bianca—Maria! Voorwaarts dan; alle stroomen, hoe wild zij bruisen,
vinden immers toch eindelijk de zee, en dan rusten zij uit en hunne
golven dringen niet meer rusteloos verder. Tot zoolang vaarwel!....