Het oude, kolossale gebouw, waarin de zieken en gekwetsten lagen, was
eertijds een klooster geweest. Met zijne schemerachtige omtrekken
op den donkeren hemel afgeteekend stond het somber dreigend voor de
naderenden.
„Ongaarne open ik dit huis,” sprak Paul; „want jammer en ellende is
het eenige dat men er aantreft. Aan alles is hier gebrek, dikwijls
zelfs aan het noodzakelijkste voedsel, aan stroo tot ligging. Elken dag
worden de dokters verwisseld, en de weinige jongelieden, die men ons
overlaat, vertoonen zich nauwelijks, daar zij weten, dat alles toch
vruchteloos is en hunne kunst het lijden der slachtoffers verlengt.
De oude gewelven kunnen niet eenmaal behoorlijk verwarmd worden,
zoodat bij eene vorst als deze het koudvuur in de wonden komt en de
ongelukkigen bezwijken doet. Het is een groot kerkhof, waar levenden
begraven worden.”
Gedurende deze woorden had hij met zijne zware sleutels de poort
geopend en de oude vleugeldeuren knarsten op de verroeste hengsels.
„Is hier dan 's nachts geen enkele waker?” vroeg de gravin huiverend.
„Niemand,” antwoordde Paul; „het ontbreekt daartoe aan ruimte. Hier
moeten de dooden altijd voor de levenden plaatsmaken, en eer de krib
van een overledene nog koud is, neemt zij dikwijls reeds een nieuwen
lijder op.”
Lodoiska zweeg; ook weende zij niet, maar sidderde slechts als in de
hevigste koortsrilling.
Men beklom de hier en daar ingestorte steenen trappen en bevond zich in
een langen, donkeren kruisgang.
„Hier, aan het eind van den gang, in het laatste gewelf aan de
rechterhand vond ik een leger voor hem”, sprak Rasinski; „breng ons
daarheen, mijn vriend!”
„Ligt hij _dáár_?” vroeg Paul met angstige verbazing.
„Waarom vraagt gij dat zoo?”
„Hm! Dat gewelf is koud en tochtig; het ligt juist op het noorden.”
„Er was geen andere plaats meer te vinden en de geneesheer, dien ik
daar aantrof, beloofde mij de beste zorg voor den zieke te dragen.”
„Ik wil het wel gelooven!” hernam Paul, maar op een toon, die het
tegendeel verried.
De voetstappen der haastig voortsnellenden werden door de holle wanden
dreunend teruggekaatst; overigens hoorde men geen geluid, dan bijwijlen
aan weerszijden een dof kreunen en snikken, dat dubbel akelig was, daar
het uit de muren zelve scheen voort te komen.
„Hier,” sprak Paul terwijl hij eene deur openstiet.
Zelfs Rasinski huiverde, toen hij nu het akelige verblijf binnentrad,
dat hij voor eenige uren genoodzaakt was geweest te kiezen, ten einde
Jaromir, die, na van Bianca gescheiden te zijn, eerst in vlagen
van woede en vervolgens in wezenlooze, doodelijke afmatting was
vervallen, althans eene legerstede te verschaffen.—Thans, in het
uur van middernacht, was dit afgrijselijk hol, ook zelfs voor een
bewustelooze, eene helsche strafplaats. Een enkele, flauw opflikkerende
lamp verspreidde een mat licht door de kelderachtige ruimte. In een
breeden kring lagen de arme, met bloedige lompen bedekte lijders op het
spaarzame stroo uitgestrekt; eenigen met gapende wonden en afzichtelijk
verminkt, anderen door de diepste ellende onkenbaar en misvormd. Diep,
zwaar ademhalen, dof reutelen en rochelen waren de eenige geluiden,
die zich hooren lieten. Een ijzige wind blies door het gewelf; want
de vensters waren ten deele van glasruiten beroofd, zoodat de sneeuw
van buiten insloeg en zich tot nabij de ligplaatsen der rampzaligen
ophoopte.
„Dus hier!” sprak Lodoiska met bevende stem en een kil afgrijzen
versteende hare borst.
Paul lichtte eenige lijders met de lantaarn in het gezicht. Zij
staarden hem met wijd opengespalkte oogen aan, zonder een ooglid te
verroeren.
„Dat zijn dooden, vriend,” sprak Rasinski; „de koude heeft hen
versteend. Verder!” Lodoiska klemde zich aan de gravin vast.
Men moest zich door eene akelige opeenhooping van dooden en stervenden
een weg banen, zoodat de voet, hoe behoedzaam ook neergezet,
telkenreize tegen roerlooze ledematen stiet. Aan Rasinski's arm
hangend, zweefde de schoone gestalte van Lodoiska als die van een engel
des lichts door deze donkere grafgewelven.
„Het was toch goed, dat wij u geleiden, mijn kind,” sprak de gravin,
die zelve alle kracht moest bijeenrapen, om zich staande te houden.
„Onder de bescherming der heiligen zou ik het ook alleen gewaagd
hebben,” hernam het meisje en sloeg geloovig het oog ten hemel.
Paul hief de lantaarn omhoog en lichtte naar een donkeren hoek, waar
nog geen lichtstraal was doorgedrongen, daar het schijnsel der aan het
gewelf brandende lamp door een breede pilaar werd onderschept.
„Daar ligt nog iemand,” sprak hij en wees met den vinger.
„Barmhartige moeder Gods, dat is hij!” riep Lodoiska met zulk eene
hevigheid, dat de hartverscheurende kreet door het gewelf weergalmde,
terwijl zij geheel verpletterd aan Rasinski's borst zeeg. „Ja, hij is
het,” herhaalde deze op somberen toon; „hij lijdt zwaar!”
Lodoiska's bedwelming was van korten duur, weldra gaf de liefde haar
nieuwe krachten. „O, laat mij aan zijn leger nederknielen,” bad zij met
bevende stem; „ach, ik smeek u!”
Rasinski ondersteunde hare wankelende schreden; doch Paul moest eerst
eenige lijken uit den weg ruimen, eer men Jaromirs strooleger naderen
kon.
Dicht in zijn mantel gewikkeld lag hij daar en, het licht bemerkende,
richtte hij zich op. Met strakke, verglaasde oogen, waaruit stille
waanzin sprak, tuurde hij een wijle in de vlam; een vliegende
koortsgloed kleurde daarop zijne holle, uitgeteerde wangen en zich
woest vooroverbuigend, wilde hij het schijnsel met de hand naar zich
toerukken.
De onverschrokken gravin deed huiverend eene schrede achterwaarts. Is
dat de schoone jongeling, vroeg zij zich zelve, die voor weinige maanden
nog een toonbeeld was van bloei en leven? Hij, dit bleeke nachtspooksel
uit het graf?
„Wat wilt gij?” vroeg Jaromir met holle, slepende stem. „Wat komt gij
hier doen in mijn graf? Weg met dien fakkel!”
De snijdende smart hield Lodoiska's lippen krampachtig toegeklemd;
zelfs de liefde was niet bestand tegen deze vreeselijke beproeving en
mocht de boeien van het innerlijk afgrijzen niet verbreken.
„Jaromir! Wees een man! Herken ons!” riep Rasinski den ongelukkige toe
en legde zijn warme hand op diens ijskouden arm.
Men zag dat 's jongelings waanzinnige verbijstering worstelde met
het bewustzijn, hetwelk Rasinski's aanblik bij hem wekte; in al
zijne blikken kon men lezen, dat zijne ziel zich uit de vreeselijke
bedwelming poogde los te rukken.
Eindelijk had Lodoiska den kamp volstreden. Zij knielde naast den
geliefde neder, nam zijne hand, zag hem aan en vroeg met ontroerende
stem: „Jaromir! herkent gij mij niet meer? O, geef mij slechts één
teeken van uwe liefde!”
Tweemalen streek hij met de hand over het voorhoofd, als om eene
hevige pijn of drukking te verdrijven; toen vlamde plotseling een
vluchtige glans in zijn brekend oog op. „Lodoiska!” riep hij uit en
poogde de armen uit te strekken, doch vruchteloos, nog eenmaal ademde
hij diep uit de borst, en het gansche lichaam kromp ineen, het oog
sloot zich, en roerloos zeeg hij achterover.
„Alle heiligen, beschermt hem, hij sterft!” riep Lodoiska en wrong de
handen.
„Neen, de vreugde heeft hem overweldigd,” sprak Rasinski vertroostend.
„Laat ons van zijne onmacht gebruik maken, om hem uit dit akelig
verblijf te verwijderen.”
„Mijn vriend, er zal een tijd der vergelding komen,” dus wendde
hij zich tot Paul, „leen mij thans nog uw bijstand en help mij den
ongelukkige naar uwe woning brengen. Hier moet hij sterven.”
„Gaarne, gaarne,” riep de goedhartige man; „en het zal weinig moeite
kosten. Op het portaal staan draagbaren en in mijn huis is zeker nog
wel een plaatsje open.”
Onverwijld hieven zij den onmachtige op en droegen hem naar buiten,
waar zij hem voorzichtig op de baar nederlegden. Lodoiska, die hen
aan den arm der moeder met wankelende schreden gevolgd was, herkreeg
kracht en bezinning, toen de liefde thans hare diensten vorderde.
Zorgvuldig dekte zij den jongeling toe, om alle koude van hem af te
weren, en geleidde zoo den stervenden vriend naar het gastvrije dak,
waar bevriende gestalten in plaats van schrikbeelden diens legerstede
omringen zouden.
Weldra had men Pauls woning bereikt; met sprakelooze droefheid
ontvingen de getrouwe lotgenooten den beklagenswaardigen vriend, en
als twee liefderijke beschermengelen zetten Maria en Lodoiska zich
naast de baar neder, om gedurende het verdere van den nacht bij hem
te waken. Hij lag in onrustige sluimering en sprak dikwijls in zijne
koortsverwarring. Meermalen noemde hij Lodoiska's en Bianca's namen,
eens riep hij: „Alisette, Alisette—weg, weg, gij schoone slang!”
Met welk eene gewaarwording hoorde de minnende Lodoiska dezen naam!
Zij had hem zoo geheel, zoo oprecht vergeven—zij vergaf ook de
verleidster!—O, ware zij slechts in staat geweest, dezen troost in
zijne door folterende wroegingen gemartelde borst uit te storten!
Maria was, door vermoeidheid uitgeput, in een armstoel in slaap
gezonken.
Diepe nacht en eenzaamheid omgaven thans de minnende. Welk een
oogenblik van zaligheid, ware zij niet door de vreeselijk gapende kloof
van hem gescheiden geweest, die zich onoverkomelijk als het doodenrijk
opdoet, zoodra de banden van het heldere bewustzijn verbroken zijn.
In het gebed alleen vond de arme hoop en troost. Zij knielde neder
en wendde haar hart en gelaat ten hemel. „O Vader daar boven,” dus
smeekte zij, „laat het heldere licht van klaar bewustzijn slechts nog
eenmaal in zijne borst schijnen! Voer zijne ziel nog eenmaal naar deze
aarde terug, zoo schoon en rein, als zij eens in hem woonde! Ach, de
dood kan hem immers niet zoo akelig van mij scheiden, als deze zwarte
gevangenis, waarin hij gekerkerd ligt; want hebt Gij hem weggenomen,
dan woont hij bij U in eeuwig licht en onze gedachten kunnen zich
getroost tot hem verheffen. Nu echter doolt hij als een verdoemde in
de duisternis om; zijn geest zwerft in een woesten baaierd rond en
vindt nergens rust, nergens troost. O, maak hem los uit die akelige
kluisters—wees genadig, o Albarmhartige, en ontferm U over hem en mij!”
Allengs spoedde de lange nacht ten einde en de grauwe schemering van
den morgen drong tot het stille vertrek door. Zij trad aan het venster.
De hemel was helder; het licht der verbleekende sterren tintelde nog
met laatsten matten glans op het diepe blauw. Aan den zuidoostelijken
horizon vertoonde zich een roodachtige gloed en kleurde de lichte
wolken. In droef gepeins verzonken, staarde Lodoiska voor zich heen
en tranen verduisterden haar oog; doch het waren zoete tranen, zij
ontsprongen uit een heilig vertrouwen, dat na het langdurig lijden hare
borst met zachte, weemoedige hoop vervulde. Zij wendde het hoofd om
naar de legerstede van den vriend haars harten. Hij sliep gerust, zijne
ademhaling was geregeld, ja, een lachje zweefde om zijne lippen, en
de eerste vriendelijke schemering van den morgen speelde op de bleeke
wangen. Het was niet meer de macht der krankzinnigheid, die hem boeide,
maar een verkwikkende slaap, die op de uitputting volgde.
„Heilige moeder Gods, wees gij hem met uwen zegen nabij!” zuchtte
het meisje en trad bevend nader. Eene zoete beklemdheid maakte zich
van haar meester en de hoop werd in haar levendig, dat het oog des
ontwakenden haar nu eindelijk herkennen zou. Met ingehouden adem over
hem neergebogen, luisterde zij naar het ademen zijner lippen, naar het
slaan van zijn hart. „O, thans geniet hij een kalmen, rustigen slaap,”
fluisterde zij, inwendig juichend, en wierp zich voor zijne legerstede
op de knieën neder.
Het morgenrood schoot vriendelijke stralen door het venster en
bescheen het gelaat van den sluimerende. Eensklaps opende hij de
oogen en zuchtte: „Nu is het voorbij!” Zijn blik was niet meer
woest en verwilderd; eene stille, zachte verrukking stond op al
zijne gelaatstrekken te lezen. Onuitsprekelijke zaligheid daalde in
Lodoiska's boezem neder, doch met inspanning van al hare krachten
bedwong zij zich, daar zij beducht was, dat eene plotselinge
uitbarsting van vreugde den nauwelijks aangeknoopten band van het
bewustzijn opnieuw verscheuren zou. Sidderend bleef zij op de knieën
liggen en fluisterde met bevende lippen: „Zijt gij nu beter, mijn
geliefde!”
Kruiselings legde hij de handen op de borst, hief het hoofd een weinig
op en sprak zacht, op den toon van eerbiedige vereering: „O, ik herken
u, gij heilige, in den gulden stralengloed; gij zijt nu eene zalige, en
ook voor mij openen zich de poorten des vredes.—O, reik mij nu ook de
hand ten teeken van verzoening.”
Hij verwijlde nog te midden zijner droomgestalten, onder welke hij
vooral Lodoiska gezien had. Thans, nu zij, door het morgenrood
omstraald, met golvende lokken voor hem knielde, gingen die
verbleekende beelden van den droom, alles verflauwend, in de
werkelijkheid over, en waande hij in het verblijf der zaligen ontwaakt
te zijn.
Zij reikte hem vriendelijk de hand en vroeg op den zachten, smeltenden
toon der liefde, die in tranen van verrukking wegstierf: „Eindelijk
herkent gij mij weder? O, gij hebt akelig gedroomd! Ik ben het, mijn
Jaromir, levend en werkelijk, minnend en gelukkig!”
„Heilige God!” stamelde hij, „waar ben ik dan, waar was ik—neen, neen,
gij zwarte nachtspooksels, keert niet weder uit het duister terug!”
Met de hand maakte hij een afwerende beweging en blikte schuw in het
rond. Lodoiska, als wilde zij hem tegen de schrikbeelden beschermen,
sloeg hare sidderende armen om zijn hals en drukte zachte kussen op
zijne lippen. „Neen, neen geliefde,” fluisterde zij, „vrees niets, gij
leeft en rust aan mijn hart; hier zal geen akelige droom u kwellen.”
In zalige bedwelming drukte hij zijn gelaat tegen de borst van zijne
geliefde; en toen zijne wang aan haar hart rustte, zijn oor het hoorde
kloppen en jagen, toen keerde hij in het rijk der werkelijkheid en
waarheid terug, en verscheurd was de sluier, die zijne ziel omhuld
hield—verscheurd ook de laatste band des levens in het verwoeste
lichaam!
[Illustratie: „Barmhartige moeder Gods, dat is hij!” riep Lodoiska.]
Afgemat hief hij het hoofd tot den geliefde op, dronk een zoeten
kus van hare lippen en lispelde langzaam: „Nu weet ik alles!—En gij
vergeeft mij alles, Lodoiska?”
„Mijn hart kan slechts beminnen,” riep zij, half verstikt in den
opwellenden stroom van tranen.
Nog vermoedde zij niet, dat dit oogenblik van overstelpend geluk haar
tevens den beker der diepste, grievendste smart zou te drinken geven.
Slechts de hoogst mogelijke opgewondenheid van alle krachten zijner
ziel hield het leven nog in Jaromirs boezem terug.
„O, gij werdt edeler, oprechter, trouwer bemind, dan door mij,” zuchtte
hij smartelijk. „Boleslaw was uwer waardig! De mond des stervenden
ontdekte mij het heilige geheim!—Nu kan ik hem daarboven vrij te
gemoet gaan!”
Bleek en roerloos zeeg hij op het kussen terug en zijne armen
vermochten de geliefde niet meer te omvatten.
„Heilige moeder,” kreet zij, toen zij hem verbleeken zag, „hij sterft,
hij sterft!”
Bij dezen angstigen uitroep ontwaakte Maria; met één oogopslag begreep
zij wat er voorviel en snelde toe, om de ongelukkige vriendin te
ondersteunen.
„Hij sterft, hij sterft, Maria!” jammerde deze nogmaals en wrong vol
vertwijfeling de handen.
Maria zag wel, dat menschelijke hulp hier geene redding meer kon
aanbrengen. Zij herinnerde zich dus de belofte, welke de gravin
gisteren in stilte van haar geëischt had, om haar, zoodra er iets
bedenkelijks mocht voorvallen, onverwijld te wekken. „Ik zal zijne
moeder roepen,” sprak zij tot de radelooze en ijlde naar het
nevenvertrek.
Zij vond de gravin reeds aangekleed en Rasinski bij haar, die hevig
ontroerd scheen. Haar bleek, ontsteld gelaat voorspelde niets goeds.
„Wat gebeurt er?” vroeg de gravin.
„Ik vrees, hij sterft,” was haar zacht antwoord, dat zij met een
veelbeteekenenden wenk verzelde, uit vrees, dat Lodoiska, wier hoop zij
zoolang mogelijk wilde staande houden, iets hooren zoude.—Driftig en
ontsteld traden beiden naar binnen. Zij vonden de ongelukkige weenend
op den jongeling neergebogen en zijne handen in de hare houdende, die
hij, den dood voelende naderen, angstig gegrepen en vastgeklemd had.
Nog herkende hij de binnentredenden; want hij lachte hun vriendelijk
toe, doch de spraak ontbrak hem.
Door Axinia, die in het voorvertrek Lodoiska's angstkreet gehoord had,
geroepen, traden thans Lodewijk, Bernard en Bianca binnen en naderden
zwijgend het sterfbed.—Bianca had eerst in den vroegen ochtend van
haren broeder vernomen, dat Rasinski was wedergevonden. Op dezen trad
zij dus het eerst toe, reikte hem de hand ter begroeting en verborg,
hevig ontroerd, het schoone hoofd aan zijne mannelijke borst. „U hebben
wij terug,” snikte zij, „en toch wordt een nieuw offer gevorderd!—O,
vriend....” hare stem verstikte in tranen en zij moest haar gelaat
bedekken.
Rasinski trad, tot het diepst zijner ziel geschokt en bewogen, maar
toch uiterlijk zich zelf meester, aan het leger van zijn jeugdigen
vriend. „Mijn zoon, kent gij uw vader niet meer? Mijn Jaromir, kent gij
uw wapenbroeder niet?”
De stervende sloeg bij het hooren van die stem het oog op, en een
vriendelijk lachje vloog over zijne lippen. Hij bewoog de rechterhand,
als wilde hij die naar hem, die zijn vader, broeder en vriend tevens
geweest was, uitstrekken. Rasinski greep haar, en Lodoiska liet ze hem
gewillig over.
Een heilig stilzwijgen heerschte in den kring; niets dan de
onwillekeurige toon der smart brak de diepste stilte af. Nog eens
verhief zich de borst des stervenden en haalde diep adem. „Vaartwel,
vrienden, geliefden!” zuchtte hij; zijne lippen verbleekten, zijn oog
brak,—hij had geleden.
In sprakelooze droefheid wierp Lodoiska zich op den ontslapene neder en
hield hem vast in hare armen geklemd.
De broeder- en zusterparen, die het sterfbed omringden, hielden
elkander omvat;—het was, als zouden zij borst aan borst hun diepe
smart uitweenen!