HOOFDSTUK III.

Paul was inmiddels naar huis teruggekeerd, zijn verslag aangaande den

toestand der stad, dat Bernard hem heimelijk afvroeg, was ver van

geruststellend. Bovendien begon de duisternis te vallen; met de zon van

den volgenden dag moest men de terugkomst der hoop verwachten.

De vrouwen hadden zich naar het vertrek van Bianca begeven, die

Lodewijk haar thans had voorgesteld. Welke zalige uren van liefde,

vriendschap en heilig dankgevoel hadden zij thans te zamen kunnen

doorbrengen, zoo angst en ongerustheid over de vermisten aller harten

niet zoo drukkend hadden beklemd!

Ten einde der vrouwen althans eenigen troost te verschaffen, en opdat

zij den nacht niet in te angstige spanning doorwaken mochten, sprak

Bernard met den welwillenden Paul af, dat deze den toestand der stad

gunstiger zou afschilderen, dan die inderdaad was, en bracht hem

daarop naar Bianca's kamer. Hier verhaalde Paul, dat alleen de eerste

verwarring zoo verderfelijk geweest was, dat alles zich thans begon te

schikken, dat de soldaten, in de huizen der burgers gastvrij opgenomen,

meerendeels in diepe rust lagen, om morgen met frissche krachten te

ontwaken, en dat voorts het wedervinden van een verlorene heden reeds

deswege onmogelijk was, wijl ieder, die een dak gevonden had, zich daar

aan den slaap, die van alle behoeften de dringendste was, ongestoord

overgaf. De gravin hoorde deze mededeelingen zwijgend aan; zij gaf zich

aan haar lot over, ofschoon geen bemoedigende straal van hoop tot hare

ziel doordrong.

De onweerstaanbare rechten der stoffelijke natuur hadden zich bij de

uitgeputten krachtig doen gelden. Bernard, Lodewijk en Bianca lagen in

vasten slaap. De gravin echter en Lodoiska waakten in bange bekommering

en met haar Maria, niet alleen uit de innigste deelneming der

vriendschap, maar ook wijl haar hart, hoe moedig zij het ook bekampt

had, nog altijd met warm gevoel voor Rasinski klopte.

Ook Paul en Axinia wilden zich niet ter rust begeven, hoewel zij zich

bescheiden van hunne gasten hadden afgezonderd. In de straten der stad

was het geheel stil geworden; geen enkel geluid liet zich in den omtrek

vernemen.—„Luister!” sprak Paul en sprong eensklaps verschrikt op;

„luister, Axinia, was het niet alsof daar iemand kermde en kreunde?

Hoor, al weder.” Hij opende een venster en bleef eenige oogenblikken

luisteren. „Het komt van de overzij uit de smalle steeg, waar de Joden

wonen!—Mij dunkt ook, dat ik stemmen hoor mompelen.”—Beiden waren

geheel oor. Na eenig tijdsverloop hoorde men een dof geluid, als van een

vallend lichaam en tevens een gillenden angstkreet, die hun door merg en

been drong. „Wat is dat?” riep Paul. „Hoort gij het jammeren en steunen?

Zouden de vervloekte honden....”

Een mannelijke stem riep luid kermend om hulp; Axinia wrong doodelijk

ontsteld de handen. Plotseling werd de deur geopend en de gravin trad

met een licht in de hand binnen.

„Hebt gij het ook gehoord, dat akelig gejammer?” vroeg zij merkbaar

ontroerd; „het schijnt het gekerm van een stervende. O ga, vriend, en

ziet wat er gebeurt!”

Paul wierp zijn pels om en greep naar een lantaarn; doch Axinia hield

hem angstig tegen en smeekte: „Ach, ga niet alleen! Wie weet, wat

gruwel daar voorvalt en of de wreedaards niet weer iemand om het leven

brengen. Ga niet alleen!”

„Ik moet!” riep Paul; „misschien kan ik een mensch redden.”

„Wek dan tenminste de heeren; zij zullen met u gaan.”

„O, laat hen toch slapen; en wellicht kwamen wij dan nog te laat!”

„Neen, neen, zij zijn immers niet ontkleed, maar slapen in hunne

pelzen,” antwoordde Axinia driftig en snelde naar het nevenvertrek,

waar Bernard en Lodewijk, daar het in huis aan genoegzame bedden

ontbrak, geheel gekleed op stroo sliepen. De waakzaamheid was hun

nog zoo eigen, dat zij bij het eerste geroep uit hun vasten slaap

opsprongen en dadelijk volkomen wakker waren.

„Wij verzellen u,” riep Bernard, ter loops door Paul van het gebeurde

onderricht, en reeds had ook Lodewijk de pistolen gegrepen en zijn

sabel omgegespt.

Paul ging met de lantaarn vooruit, in de richting, van waar het gekerm

zich hooren liet. Het was een enge dwarssteeg, die zich langs den

stadsmuur uitstrekte, en slechts door Joden bewoond werd. Juist wilden

zij ze inslaan, toen een forsche mannenstem hun van achteren aanriep:

„Wie daar, wie zijt gij, wat gebeurt hier?”

„Rasinski!” riep Lodewijk bij het eerste geluid dier stem, en toen het

lantaarnschijnsel op het gelaat van den naderende viel, herkende hij

ook de trekken van den geliefden vriend.

„Rasinski! Gij hier, en levend!” riep hij en lag juichend in zijne armen.

„Ik heb u weder! u, dien ik verloren achtte! En gij leeft! Bianca leeft?”

„Wij allen, allen,” riep Bernard. „Wij zochten naar u, doch te vergeefs!”

„En ik u!” hernam Rasinski.

Zij zouden alles om zich heen vergeten en elkander hunne wederzijdsche

ontmoetingen verhaald hebben, had het gekerm zich niet weder opnieuw

uit de straat doen hooren. Rasinski wond zich nu dadelijk uit Bernards

armen los. „Die tonen,” riep hij, „hebben mij uit den slaap opgejaagd.

Laat ons thans eerst aan de hulpbehoevenden denken.”

Paul lichtte met de lantaarn voor, de overigen volgden. De steeg was

eng en vol krommingen, zoodat men niet ver voor zich uit zien en dus

ook niet gezien worden kon. Toen men de eerste bocht bereikte en de

lichtschemering in de voorliggende ruimte viel, zag men duidelijk

eenige gestalten opspringen en ijlings langs de huizen voortsluipen.

„Wie daar?” riep Rasinski in het Russisch. „Staat, of ik vuur.”

Maar de schaduwen vloden langs den muur voort en slopen over de sneeuw

weg. Rasinski wilde ze nazetten, doch struikelde over een voorwerp,

viel, en onder het vallen ging zijne pistool los. Lodewijk en Bernard

waren hem op den voet gevolgd en wilden hem oprichten, doch hij riep hun

toe: „Voorwaarts, voorwaarts, de vluchtenden na.”

Zij spanden al hunne krachten in, doch zagen nog slechts eene enkele

gedaante, die haastig voor hen uitvlood; zij riepen haar toe te staan,

doch vruchteloos. Een schot, door Bernard onder het loopen gelost,

miste; maar daar de vluchteling zich, onwillekeurig of wijl hij den

kogel hoorde fluiten, bukte, gleed hij uit en tuimelde ter aarde.

Lodewijk was de eerste, die hem met forsche vuist in den nek greep.

„Ha! Wie zijt gij?” beet hij den verdachte, die een soort van langen,

zwarten tabberd droeg, in het oor; „waarom vlucht gij?”

„God mijner vaderen!” smeekte de vreemde op klagenden toon. „Hebt

erbarmen, genadige heer! Wat misdoet u de arme Jood, daar hij vliedt

voor den gruwel!”

„Licht hier, Paul,” beval Bernard, die hijgend toesprong; „wij moeten

eerst zien, wat slag van een mensch het is, die zoo klagend om erbarmen

jankt. Het beste geweten heeft hij zeker niet.”

Paul hief de lantaarn op, zoodat het volle lichtschijnsel op het gelaat

van den Jood viel.

„Duivel! Die galgentronie ken ik!” riep Bernard verwonderd. „Waar

heb ik dat vermaledijd Judasgezicht meer gezien? 't Is waar, de

litthauwsche roodbaarden gelijken elkaar op een haar; maar mij dunkt

toch.... Jood, gij zijt de spion, met wien wij sinds vijf maanden eene

rekening te vereffenen hebben.”

Rasinski's geroep deed hem afbreken. „Komt hier, vrienden, het is nog

iemand, die hulp noodig heeft.”

Zij keerden om en sleepten den Jood, niettegenstaande zijn kermen en

jammeren, met zich voort.

„Zie hier de vervloekste gruweldaad, die ik immer beleefde,” riep

Rasinski, rillend van woede en afgrijzen, hun te gemoet; „licht

hier!—Onze kameraden naakt uitgeschud in deze koude, uitgeplunderd,

geworgd en uit de vensters op de harde sneeuw gesmeten! Monster,”

riep hij den sidderenden Jood met donderende stem toe, „draagt gij

schuld daaraan, levend laat ik u door de honden vanéénscheuren! Ziet

hier—hier liggen zij. Het schreit ten hemel!”

In een hoek, waar een huis een weinig binnen de rij der overige

insprong, zag men acht lijken, slechts met ettelijke lompen bedekt, op

een hoop liggen. Op een dezer ongelukkigen, die nog eenige teekenen van

leven vertoonde, had Rasinski zijn pels geworpen, ten einde hem tegen

de snijdende koude te beschutten.

Allen huiverden bij den aanblik van dezen gruwel, die hun zoo even in

de haast van het vervolgen ontgaan was.

„God Abrahams, hef ik niet mijne rechterhand tot u omhoog, dat ik

ben onschuldig aan dat bloed, als een onnoozel kind!” riep de Jood.

„Vervloekt wil ik zijn, ik met mijne kinderen en kindskinderen, zoo ik

heb aandeel in die daad! Laat de raven mij levend uitscheuren de oogen,

laat verdorren het vleesch aan mijne hand, zoo mijn eed toch valsch is!”

„Hij was onder de moordenaars,” steende de stervende, met moeite het

hoofd oprichtende; „hij wou mij de keel afsnijden, toen de val uit het

venster mij niet gedood had en ik om hulp riep. Uwe aankomst alleen

heeft mij gered.”

„Satan, gij vervloekte, helsche satan! De gruwelijkste ellende, die

een kanibaal de tranen uit de oogen zou persen, kon u niet roeren?”

knarsetandde Rasinski, terwijl hij de sabel over het hoofd van den

Jood zwaaide, om hem den schedel te kloven. Doch deze wierp zich

stuiptrekkend van angst op de knieën en kermde, de handen wringend:

„God Jehovah, erbarmen, heer graaf, erbarmen!”

Lodewijk had Rasinski in den arm gegrepen en hield hem terug. „Bezoedel

u niet met het bloed van dezen ellendeling,” smeekte hij dringend,

„geef hem aan de wraak des hemels over!”

„Gij hebt gelijk, ik moet mij bedwingen,” hernam de graaf.—„Waant gij,

dat ik u niet herken?” sprak hij met de uitdrukking van den diepsten

afschuw tot den Jood, die als een worm aan zijne voeten kroop. „Ik

herken u, evenals gij mij herkent, lage, bedriegelijke hond, die

reeds eenmaal de verdiende straf ontkwaamt! Niets zou u redden, zoo

niet zelfs een monster als gij een werktuig in de hand des hemels kon

worden. Ik weet, het gansche ras der uwen broedt hier gruwelen der hel

uit, waartoe uw duivelsche hebzucht u opstookt. Ga heen en verkondig

uwen moordgezellen, dat, zoo ik morgen hier in deze huizen ook slechts

_één_ lijk of _één_ spoor van gewelddadigheid ontdek, ik ze dan alle

in asch zal leggen en u zelven met vrouw en kinderen in den gloed zal

verbranden! Weg, monster! Doch teekenen wil ik u, opdat gij althans

niet ontkomt.”

Bij deze woorden trapte hij hem driemaal met de hak der laars in het

gezicht, zoodat de Jood het als een wild dier uitbrulde en het bloed op

de sneeuw gudste. Desniettemin beurde deze zich op en waggelde onder

luid gejammer naar de naaste huisdeur, waar hij heftig aanklopte en de

hulp en het mededoogen zijner geloofsgenooten inriep.

„Helpt mij nu dit slachtoffer wegdragen,” sprak Rasinski, terwijl hij

zich tot den ongelukkige voorover boog, die, schoon met verkleumde

leden en door de mishandelingen en het bloedverlies uitgeput, nog

levend op de sneeuw lag.

In den warmen pels hieven zij hem op. Zijn gejammer weergalmde door de

lucht, doch nog eer zij de groote straat bereikt hadden, verstomde het,

want de levenskracht ontzonk hem. „Ik dank u, kameraden; het was te

laat!” dit waren de laatste woorden, die van zijne lippen vloeiden.

„Een graf kan ik u niet geven,” sprak Rasinski, terwijl zij het lijk

op den grond nederlegden; „rust hier uit bij de duizenden, aan wie

dit gruwzame land alles, tot zelfs eene grafstede weigert. Is het

niet genoeg, dat de natuur ons met hare verschrikkingen onmeêdoogend

vervolgt? Moet ook de mensch nog in een hyena veranderen en tot het

heiligdom van den weerloozen slaap doorbreken?”

Deelnemend trad Lodewijk op hem toe. „Een zoete balsem zal deze uwe

wonden verzachten,” sprak hij: „wij hebben u eene blijde tijding te

brengen.”

„Gij? Eene _blijde tijding_?” vroeg Rasinski bijna met bitteren nadruk.

„Uwe zuster en Lodoiska zijn in de nabijheid—zijn _hier_; binnen

weinige minuten kunt gij haar omarmen.”

„Mijne zuster hier!” riep hij, eer verschrikt dan vroolijk.—„O

Johanna, dat gij ook in deze oogenblikken moest komen! Dus kende men in

Warschau ons lot! Vriend, vriend, uwe tijding is zoo bitter als zoet.

Ik was er niet op voorbereid, haar thans te zien. En toch,” voegde hij

er weemoedig bij, „dat ik haar nog zie, welk een onuitsprekelijk geluk

is dat voor mij!”

De vrienden geleidden hem naar Pauls woning. Eer zij binnentraden,

stond Rasinski stil. „En Lodoiska verzelt haar? Wat moeten wij het arme

kind zeggen! Jaromir ligt in wilde vlagen van krankzinnigheid, buiten

kennis, razend—wellicht is hij reeds verlost!”

„En al ware zij slechts gekomen, om zijn laatsten adem op te vangen,”

sprak Lodewijk uit innerlijke overtuiging, „zelfs dan nog zouden alle

schatten der aarde tegen dit geluk in de diepste smart niet kunnen

opwegen.—En kunt gij weten, of niet misschien hare verschijning eene

reddende, genezende wonderkracht op hem uitoefent?”

„Het zij, zoo het wil! Het moet gedragen worden; laat ons een mannelijk

gelaat toonen.” Met deze woorden trad hij moedig op den dorpel en

kalmte en moed troonden weder op het ontrimpelde voorhoofd. Terwijl hij

de deur opende, wendde hij zich nog eens naar Lodewijk om en vroeg met

gesmoorde stem: „Is uwe zuster ook hier?”

„Ook zij.”

Het duister verborg de wolk van smart, die over zijn gelaat trok,

en niemand bespeurde het vluchtig rood, dat de nabijheid van dit

bekoorlijke wezen over zijne bleeke wangen uitgoot. Daar hij voor geen

der vrienden het diepe geheim van zijn hart onthuld had, vermoedde ook

niemand zijne innerlijke ontroering.

„Laat mij vooruitgaan,” verzocht Bernard; „uwe verschijning kon de

vrouwen te zeer ontstellen.”

„Mijne zuster niet, doch de jongere meisjes wellicht. Ga dan en zeg,

dat gij mij gevonden hebt.”

Bernard snelde naar de gravin; eenige oogenblikken na hem opende

Rasinski de deur. Lodoiska vloog met een luiden gil op hem toe en

zonk, het gelaat verbergende, aan zijne borst; hij hield haar met den

rechterarm omvat. De zuster trad bevende nader, leunde, door zijn

linkerarm teeder omvat, op zijn schouder en drukte stom en zwijgend

hare bevende lippen op de zijne. Maria bleef schroomvallig, heimelijk

weenende, van verre staan.

„Zuster!” sprak Rasinski na een lang, diep stilzwijgen en wond zich los

uit hare armen.

„Zoo moeten wij elkander weerzien,” riep zij op een toon, die tot diep

in de ziel doordrong. „Zoo!” En alsof zij den last van bezwaren door

dezen uitroep van de beklemde borst had gewenteld, haalde zij thans

ruimer adem en barstte in tranen los.

„Troost u, Johanna; over het graf reikt geene smart,” sprak Rasinski

met die sterkte, die zelfs de hoop verloochenen kan. „Tot zóólang

zullen wij het weten te dragen. Maar gij, arm kind,” wendde hij zich

thans tot de bleeke, sidderende Lodoiska, die in zijne armen hing en

zonder Bernards zachte ondersteuning lang zou zijn neergezonken, „welke

troost moet ik u brengen? Gij zijt nog zoo jong, gij hebt nog zulk eene

lange baan voor u!”

Met angstvolle blikken hing zij aan zijne lippen, doch naar Jaromir

vragen, dit kon zij niet.

„Ik versta u, lief kind,” vervolgde hij diep ontroerd; „gij vraagt

naar Jaromir! Lodoiska, gij zijt eene dochter van Polen. Vastheid in

't lijden moet uw erfdeel zijn, want wij worden gezoogd met kommer en

gevoed met droefheid. Uw vriend leeft, maar hij is ziek, zeer ziek,

donkere koortsvlagen verduisteren zijne ziel. Stel u voor, hem te

verliezen.”

Haar boezem hijgde onstuimig; eindelijk stamelde zij met moeite de

woorden: „Waar is hij?—Laat mij hem zien!”

„Morgen, lieve engel,” trachtte Rasinski haar gerust te stellen;

„thans, midden in den nacht, is het onmogelijk.”

Maar alsof eene hoogere geest haar plotseling met vernieuwde kracht

bezielde, riep zij uit: „Morgen? Morgen? En zijn leven is geen minuut

zeker! Wellicht blaast hij in het volgend uur den laatsten adem uit en

ik zou wachten, dezen ganschen, eeuwigen nacht?—O moeder, moeder, gij

kent mijn hart, gij weet of dat mogelijk is, of ik niet bezwijken moet

door angst en onuitsprekelijk lijden.—Moeder, moeder, help mij hem

verbidden!”

Smeekend strekte zij de armen naar de gravin uit, wankelde op haar toe

en zonk voor haar neder, met het hoofd in haar schoot.

Thans trad ook Maria schuw en blozend nader en sprak Rasinski aan.

„Wij hebben elkander nog niet begroet. Mijn eerste woord zij de

ondersteuning _harer_ bede. Zij bemint, en een minnend hart moet onder

zulk eene foltering bezwijken.” De laatste woorden waren nauwelijks

hoorbaar.

„Maria!” hernam Rasinski op een onbeschrijfelijken toon, waarin zijne

mannelijke kracht scheen weg te sterven. „Maria!—Bij al wat heilig

is,” riep hij eindelijk met die hevige inspanning, waardoor hij met

geweld weder meester van zich zelven trachtte te worden, wanneer zijn

gevoel op de vastberadenheid van zijn doen en handelen de overhand

dreigde te bekomen, „bij al wat heilig is, ik vermag het niet. Jaromir

ligt in het lazaret. Bij nacht wordt de poort voor niemand geopend;

anders zou ik het arme kind immers dadelijk bij hem brengen. Nu zou ik

den maarschalk uit den slaap moeten wekken, zou...”

„In welk lazaret ligt de zieke, van wien gij spreekt, heer graaf?” viel

Paul hem in de rede.

„Hier onmiddellijk aan de poort, linksaf, dat groote gebouw.”

„Daarvan heb ik de sleutels,” riep Paul vroolijk uit; „ik zelf breng de

jonge gravin derwaarts.”

„Dank, heilige Moeder Maria!” riep Lodoiska opspringende; „dank, innig

dank—dan zal ik hem nog eenmaal zien!”

„Ik verzel u,” sprak Rasinski.

„En ik,” riep de gravin.—„Wij allen,” sprak Maria vol zusterlijke

deelneming.

„Neen, Maria,” hernam Rasinski; „die gang is noch licht, noch

opbeurend. Wij moeten die _alleen_ doen, ik _sta_ daarop.”

Binnen twee minuten hadden de gravin en Lodoiska zich tot het treurige

bezoek uitgerust. Rasinski eischte dringend, dat Lodewijk en Bernard te

huis zouden blijven; dezen daarentegen vorderden, dat hij zelf zich de

hem zoo noodzakelijke rust gunnen zou.

„Handelt voor de laatste maal naar mijn bevel,” sprak hij eindelijk

zacht, maar gebiedend. „Gij blijft ter bewaking van het huis achter; ik

moet de geleider der ongelukkige zijn, want niemand dan ik kan zijne

legerstede in het duister vinden.”

Door den guren winternacht begaven zij zich op weg.

1812: Historische roman · 第 141 / 154 题