Paul was inmiddels naar huis teruggekeerd, zijn verslag aangaande den
toestand der stad, dat Bernard hem heimelijk afvroeg, was ver van
geruststellend. Bovendien begon de duisternis te vallen; met de zon van
den volgenden dag moest men de terugkomst der hoop verwachten.
De vrouwen hadden zich naar het vertrek van Bianca begeven, die
Lodewijk haar thans had voorgesteld. Welke zalige uren van liefde,
vriendschap en heilig dankgevoel hadden zij thans te zamen kunnen
doorbrengen, zoo angst en ongerustheid over de vermisten aller harten
niet zoo drukkend hadden beklemd!
Ten einde der vrouwen althans eenigen troost te verschaffen, en opdat
zij den nacht niet in te angstige spanning doorwaken mochten, sprak
Bernard met den welwillenden Paul af, dat deze den toestand der stad
gunstiger zou afschilderen, dan die inderdaad was, en bracht hem
daarop naar Bianca's kamer. Hier verhaalde Paul, dat alleen de eerste
verwarring zoo verderfelijk geweest was, dat alles zich thans begon te
schikken, dat de soldaten, in de huizen der burgers gastvrij opgenomen,
meerendeels in diepe rust lagen, om morgen met frissche krachten te
ontwaken, en dat voorts het wedervinden van een verlorene heden reeds
deswege onmogelijk was, wijl ieder, die een dak gevonden had, zich daar
aan den slaap, die van alle behoeften de dringendste was, ongestoord
overgaf. De gravin hoorde deze mededeelingen zwijgend aan; zij gaf zich
aan haar lot over, ofschoon geen bemoedigende straal van hoop tot hare
ziel doordrong.
De onweerstaanbare rechten der stoffelijke natuur hadden zich bij de
uitgeputten krachtig doen gelden. Bernard, Lodewijk en Bianca lagen in
vasten slaap. De gravin echter en Lodoiska waakten in bange bekommering
en met haar Maria, niet alleen uit de innigste deelneming der
vriendschap, maar ook wijl haar hart, hoe moedig zij het ook bekampt
had, nog altijd met warm gevoel voor Rasinski klopte.
Ook Paul en Axinia wilden zich niet ter rust begeven, hoewel zij zich
bescheiden van hunne gasten hadden afgezonderd. In de straten der stad
was het geheel stil geworden; geen enkel geluid liet zich in den omtrek
vernemen.—„Luister!” sprak Paul en sprong eensklaps verschrikt op;
„luister, Axinia, was het niet alsof daar iemand kermde en kreunde?
Hoor, al weder.” Hij opende een venster en bleef eenige oogenblikken
luisteren. „Het komt van de overzij uit de smalle steeg, waar de Joden
wonen!—Mij dunkt ook, dat ik stemmen hoor mompelen.”—Beiden waren
geheel oor. Na eenig tijdsverloop hoorde men een dof geluid, als van een
vallend lichaam en tevens een gillenden angstkreet, die hun door merg en
been drong. „Wat is dat?” riep Paul. „Hoort gij het jammeren en steunen?
Zouden de vervloekte honden....”
Een mannelijke stem riep luid kermend om hulp; Axinia wrong doodelijk
ontsteld de handen. Plotseling werd de deur geopend en de gravin trad
met een licht in de hand binnen.
„Hebt gij het ook gehoord, dat akelig gejammer?” vroeg zij merkbaar
ontroerd; „het schijnt het gekerm van een stervende. O ga, vriend, en
ziet wat er gebeurt!”
Paul wierp zijn pels om en greep naar een lantaarn; doch Axinia hield
hem angstig tegen en smeekte: „Ach, ga niet alleen! Wie weet, wat
gruwel daar voorvalt en of de wreedaards niet weer iemand om het leven
brengen. Ga niet alleen!”
„Ik moet!” riep Paul; „misschien kan ik een mensch redden.”
„Wek dan tenminste de heeren; zij zullen met u gaan.”
„O, laat hen toch slapen; en wellicht kwamen wij dan nog te laat!”
„Neen, neen, zij zijn immers niet ontkleed, maar slapen in hunne
pelzen,” antwoordde Axinia driftig en snelde naar het nevenvertrek,
waar Bernard en Lodewijk, daar het in huis aan genoegzame bedden
ontbrak, geheel gekleed op stroo sliepen. De waakzaamheid was hun
nog zoo eigen, dat zij bij het eerste geroep uit hun vasten slaap
opsprongen en dadelijk volkomen wakker waren.
„Wij verzellen u,” riep Bernard, ter loops door Paul van het gebeurde
onderricht, en reeds had ook Lodewijk de pistolen gegrepen en zijn
sabel omgegespt.
Paul ging met de lantaarn vooruit, in de richting, van waar het gekerm
zich hooren liet. Het was een enge dwarssteeg, die zich langs den
stadsmuur uitstrekte, en slechts door Joden bewoond werd. Juist wilden
zij ze inslaan, toen een forsche mannenstem hun van achteren aanriep:
„Wie daar, wie zijt gij, wat gebeurt hier?”
„Rasinski!” riep Lodewijk bij het eerste geluid dier stem, en toen het
lantaarnschijnsel op het gelaat van den naderende viel, herkende hij
ook de trekken van den geliefden vriend.
„Rasinski! Gij hier, en levend!” riep hij en lag juichend in zijne armen.
„Ik heb u weder! u, dien ik verloren achtte! En gij leeft! Bianca leeft?”
„Wij allen, allen,” riep Bernard. „Wij zochten naar u, doch te vergeefs!”
„En ik u!” hernam Rasinski.
Zij zouden alles om zich heen vergeten en elkander hunne wederzijdsche
ontmoetingen verhaald hebben, had het gekerm zich niet weder opnieuw
uit de straat doen hooren. Rasinski wond zich nu dadelijk uit Bernards
armen los. „Die tonen,” riep hij, „hebben mij uit den slaap opgejaagd.
Laat ons thans eerst aan de hulpbehoevenden denken.”
Paul lichtte met de lantaarn voor, de overigen volgden. De steeg was
eng en vol krommingen, zoodat men niet ver voor zich uit zien en dus
ook niet gezien worden kon. Toen men de eerste bocht bereikte en de
lichtschemering in de voorliggende ruimte viel, zag men duidelijk
eenige gestalten opspringen en ijlings langs de huizen voortsluipen.
„Wie daar?” riep Rasinski in het Russisch. „Staat, of ik vuur.”
Maar de schaduwen vloden langs den muur voort en slopen over de sneeuw
weg. Rasinski wilde ze nazetten, doch struikelde over een voorwerp,
viel, en onder het vallen ging zijne pistool los. Lodewijk en Bernard
waren hem op den voet gevolgd en wilden hem oprichten, doch hij riep hun
toe: „Voorwaarts, voorwaarts, de vluchtenden na.”
Zij spanden al hunne krachten in, doch zagen nog slechts eene enkele
gedaante, die haastig voor hen uitvlood; zij riepen haar toe te staan,
doch vruchteloos. Een schot, door Bernard onder het loopen gelost,
miste; maar daar de vluchteling zich, onwillekeurig of wijl hij den
kogel hoorde fluiten, bukte, gleed hij uit en tuimelde ter aarde.
Lodewijk was de eerste, die hem met forsche vuist in den nek greep.
„Ha! Wie zijt gij?” beet hij den verdachte, die een soort van langen,
zwarten tabberd droeg, in het oor; „waarom vlucht gij?”
„God mijner vaderen!” smeekte de vreemde op klagenden toon. „Hebt
erbarmen, genadige heer! Wat misdoet u de arme Jood, daar hij vliedt
voor den gruwel!”
„Licht hier, Paul,” beval Bernard, die hijgend toesprong; „wij moeten
eerst zien, wat slag van een mensch het is, die zoo klagend om erbarmen
jankt. Het beste geweten heeft hij zeker niet.”
Paul hief de lantaarn op, zoodat het volle lichtschijnsel op het gelaat
van den Jood viel.
„Duivel! Die galgentronie ken ik!” riep Bernard verwonderd. „Waar
heb ik dat vermaledijd Judasgezicht meer gezien? 't Is waar, de
litthauwsche roodbaarden gelijken elkaar op een haar; maar mij dunkt
toch.... Jood, gij zijt de spion, met wien wij sinds vijf maanden eene
rekening te vereffenen hebben.”
Rasinski's geroep deed hem afbreken. „Komt hier, vrienden, het is nog
iemand, die hulp noodig heeft.”
Zij keerden om en sleepten den Jood, niettegenstaande zijn kermen en
jammeren, met zich voort.
„Zie hier de vervloekste gruweldaad, die ik immer beleefde,” riep
Rasinski, rillend van woede en afgrijzen, hun te gemoet; „licht
hier!—Onze kameraden naakt uitgeschud in deze koude, uitgeplunderd,
geworgd en uit de vensters op de harde sneeuw gesmeten! Monster,”
riep hij den sidderenden Jood met donderende stem toe, „draagt gij
schuld daaraan, levend laat ik u door de honden vanéénscheuren! Ziet
hier—hier liggen zij. Het schreit ten hemel!”
In een hoek, waar een huis een weinig binnen de rij der overige
insprong, zag men acht lijken, slechts met ettelijke lompen bedekt, op
een hoop liggen. Op een dezer ongelukkigen, die nog eenige teekenen van
leven vertoonde, had Rasinski zijn pels geworpen, ten einde hem tegen
de snijdende koude te beschutten.
Allen huiverden bij den aanblik van dezen gruwel, die hun zoo even in
de haast van het vervolgen ontgaan was.
„God Abrahams, hef ik niet mijne rechterhand tot u omhoog, dat ik
ben onschuldig aan dat bloed, als een onnoozel kind!” riep de Jood.
„Vervloekt wil ik zijn, ik met mijne kinderen en kindskinderen, zoo ik
heb aandeel in die daad! Laat de raven mij levend uitscheuren de oogen,
laat verdorren het vleesch aan mijne hand, zoo mijn eed toch valsch is!”
„Hij was onder de moordenaars,” steende de stervende, met moeite het
hoofd oprichtende; „hij wou mij de keel afsnijden, toen de val uit het
venster mij niet gedood had en ik om hulp riep. Uwe aankomst alleen
heeft mij gered.”
„Satan, gij vervloekte, helsche satan! De gruwelijkste ellende, die
een kanibaal de tranen uit de oogen zou persen, kon u niet roeren?”
knarsetandde Rasinski, terwijl hij de sabel over het hoofd van den
Jood zwaaide, om hem den schedel te kloven. Doch deze wierp zich
stuiptrekkend van angst op de knieën en kermde, de handen wringend:
„God Jehovah, erbarmen, heer graaf, erbarmen!”
Lodewijk had Rasinski in den arm gegrepen en hield hem terug. „Bezoedel
u niet met het bloed van dezen ellendeling,” smeekte hij dringend,
„geef hem aan de wraak des hemels over!”
„Gij hebt gelijk, ik moet mij bedwingen,” hernam de graaf.—„Waant gij,
dat ik u niet herken?” sprak hij met de uitdrukking van den diepsten
afschuw tot den Jood, die als een worm aan zijne voeten kroop. „Ik
herken u, evenals gij mij herkent, lage, bedriegelijke hond, die
reeds eenmaal de verdiende straf ontkwaamt! Niets zou u redden, zoo
niet zelfs een monster als gij een werktuig in de hand des hemels kon
worden. Ik weet, het gansche ras der uwen broedt hier gruwelen der hel
uit, waartoe uw duivelsche hebzucht u opstookt. Ga heen en verkondig
uwen moordgezellen, dat, zoo ik morgen hier in deze huizen ook slechts
_één_ lijk of _één_ spoor van gewelddadigheid ontdek, ik ze dan alle
in asch zal leggen en u zelven met vrouw en kinderen in den gloed zal
verbranden! Weg, monster! Doch teekenen wil ik u, opdat gij althans
niet ontkomt.”
Bij deze woorden trapte hij hem driemaal met de hak der laars in het
gezicht, zoodat de Jood het als een wild dier uitbrulde en het bloed op
de sneeuw gudste. Desniettemin beurde deze zich op en waggelde onder
luid gejammer naar de naaste huisdeur, waar hij heftig aanklopte en de
hulp en het mededoogen zijner geloofsgenooten inriep.
„Helpt mij nu dit slachtoffer wegdragen,” sprak Rasinski, terwijl hij
zich tot den ongelukkige voorover boog, die, schoon met verkleumde
leden en door de mishandelingen en het bloedverlies uitgeput, nog
levend op de sneeuw lag.
In den warmen pels hieven zij hem op. Zijn gejammer weergalmde door de
lucht, doch nog eer zij de groote straat bereikt hadden, verstomde het,
want de levenskracht ontzonk hem. „Ik dank u, kameraden; het was te
laat!” dit waren de laatste woorden, die van zijne lippen vloeiden.
„Een graf kan ik u niet geven,” sprak Rasinski, terwijl zij het lijk
op den grond nederlegden; „rust hier uit bij de duizenden, aan wie
dit gruwzame land alles, tot zelfs eene grafstede weigert. Is het
niet genoeg, dat de natuur ons met hare verschrikkingen onmeêdoogend
vervolgt? Moet ook de mensch nog in een hyena veranderen en tot het
heiligdom van den weerloozen slaap doorbreken?”
Deelnemend trad Lodewijk op hem toe. „Een zoete balsem zal deze uwe
wonden verzachten,” sprak hij: „wij hebben u eene blijde tijding te
brengen.”
„Gij? Eene _blijde tijding_?” vroeg Rasinski bijna met bitteren nadruk.
„Uwe zuster en Lodoiska zijn in de nabijheid—zijn _hier_; binnen
weinige minuten kunt gij haar omarmen.”
„Mijne zuster hier!” riep hij, eer verschrikt dan vroolijk.—„O
Johanna, dat gij ook in deze oogenblikken moest komen! Dus kende men in
Warschau ons lot! Vriend, vriend, uwe tijding is zoo bitter als zoet.
Ik was er niet op voorbereid, haar thans te zien. En toch,” voegde hij
er weemoedig bij, „dat ik haar nog zie, welk een onuitsprekelijk geluk
is dat voor mij!”
De vrienden geleidden hem naar Pauls woning. Eer zij binnentraden,
stond Rasinski stil. „En Lodoiska verzelt haar? Wat moeten wij het arme
kind zeggen! Jaromir ligt in wilde vlagen van krankzinnigheid, buiten
kennis, razend—wellicht is hij reeds verlost!”
„En al ware zij slechts gekomen, om zijn laatsten adem op te vangen,”
sprak Lodewijk uit innerlijke overtuiging, „zelfs dan nog zouden alle
schatten der aarde tegen dit geluk in de diepste smart niet kunnen
opwegen.—En kunt gij weten, of niet misschien hare verschijning eene
reddende, genezende wonderkracht op hem uitoefent?”
„Het zij, zoo het wil! Het moet gedragen worden; laat ons een mannelijk
gelaat toonen.” Met deze woorden trad hij moedig op den dorpel en
kalmte en moed troonden weder op het ontrimpelde voorhoofd. Terwijl hij
de deur opende, wendde hij zich nog eens naar Lodewijk om en vroeg met
gesmoorde stem: „Is uwe zuster ook hier?”
„Ook zij.”
Het duister verborg de wolk van smart, die over zijn gelaat trok,
en niemand bespeurde het vluchtig rood, dat de nabijheid van dit
bekoorlijke wezen over zijne bleeke wangen uitgoot. Daar hij voor geen
der vrienden het diepe geheim van zijn hart onthuld had, vermoedde ook
niemand zijne innerlijke ontroering.
„Laat mij vooruitgaan,” verzocht Bernard; „uwe verschijning kon de
vrouwen te zeer ontstellen.”
„Mijne zuster niet, doch de jongere meisjes wellicht. Ga dan en zeg,
dat gij mij gevonden hebt.”
Bernard snelde naar de gravin; eenige oogenblikken na hem opende
Rasinski de deur. Lodoiska vloog met een luiden gil op hem toe en
zonk, het gelaat verbergende, aan zijne borst; hij hield haar met den
rechterarm omvat. De zuster trad bevende nader, leunde, door zijn
linkerarm teeder omvat, op zijn schouder en drukte stom en zwijgend
hare bevende lippen op de zijne. Maria bleef schroomvallig, heimelijk
weenende, van verre staan.
„Zuster!” sprak Rasinski na een lang, diep stilzwijgen en wond zich los
uit hare armen.
„Zoo moeten wij elkander weerzien,” riep zij op een toon, die tot diep
in de ziel doordrong. „Zoo!” En alsof zij den last van bezwaren door
dezen uitroep van de beklemde borst had gewenteld, haalde zij thans
ruimer adem en barstte in tranen los.
„Troost u, Johanna; over het graf reikt geene smart,” sprak Rasinski
met die sterkte, die zelfs de hoop verloochenen kan. „Tot zóólang
zullen wij het weten te dragen. Maar gij, arm kind,” wendde hij zich
thans tot de bleeke, sidderende Lodoiska, die in zijne armen hing en
zonder Bernards zachte ondersteuning lang zou zijn neergezonken, „welke
troost moet ik u brengen? Gij zijt nog zoo jong, gij hebt nog zulk eene
lange baan voor u!”
Met angstvolle blikken hing zij aan zijne lippen, doch naar Jaromir
vragen, dit kon zij niet.
„Ik versta u, lief kind,” vervolgde hij diep ontroerd; „gij vraagt
naar Jaromir! Lodoiska, gij zijt eene dochter van Polen. Vastheid in
't lijden moet uw erfdeel zijn, want wij worden gezoogd met kommer en
gevoed met droefheid. Uw vriend leeft, maar hij is ziek, zeer ziek,
donkere koortsvlagen verduisteren zijne ziel. Stel u voor, hem te
verliezen.”
Haar boezem hijgde onstuimig; eindelijk stamelde zij met moeite de
woorden: „Waar is hij?—Laat mij hem zien!”
„Morgen, lieve engel,” trachtte Rasinski haar gerust te stellen;
„thans, midden in den nacht, is het onmogelijk.”
Maar alsof eene hoogere geest haar plotseling met vernieuwde kracht
bezielde, riep zij uit: „Morgen? Morgen? En zijn leven is geen minuut
zeker! Wellicht blaast hij in het volgend uur den laatsten adem uit en
ik zou wachten, dezen ganschen, eeuwigen nacht?—O moeder, moeder, gij
kent mijn hart, gij weet of dat mogelijk is, of ik niet bezwijken moet
door angst en onuitsprekelijk lijden.—Moeder, moeder, help mij hem
verbidden!”
Smeekend strekte zij de armen naar de gravin uit, wankelde op haar toe
en zonk voor haar neder, met het hoofd in haar schoot.
Thans trad ook Maria schuw en blozend nader en sprak Rasinski aan.
„Wij hebben elkander nog niet begroet. Mijn eerste woord zij de
ondersteuning _harer_ bede. Zij bemint, en een minnend hart moet onder
zulk eene foltering bezwijken.” De laatste woorden waren nauwelijks
hoorbaar.
„Maria!” hernam Rasinski op een onbeschrijfelijken toon, waarin zijne
mannelijke kracht scheen weg te sterven. „Maria!—Bij al wat heilig
is,” riep hij eindelijk met die hevige inspanning, waardoor hij met
geweld weder meester van zich zelven trachtte te worden, wanneer zijn
gevoel op de vastberadenheid van zijn doen en handelen de overhand
dreigde te bekomen, „bij al wat heilig is, ik vermag het niet. Jaromir
ligt in het lazaret. Bij nacht wordt de poort voor niemand geopend;
anders zou ik het arme kind immers dadelijk bij hem brengen. Nu zou ik
den maarschalk uit den slaap moeten wekken, zou...”
„In welk lazaret ligt de zieke, van wien gij spreekt, heer graaf?” viel
Paul hem in de rede.
„Hier onmiddellijk aan de poort, linksaf, dat groote gebouw.”
„Daarvan heb ik de sleutels,” riep Paul vroolijk uit; „ik zelf breng de
jonge gravin derwaarts.”
„Dank, heilige Moeder Maria!” riep Lodoiska opspringende; „dank, innig
dank—dan zal ik hem nog eenmaal zien!”
„Ik verzel u,” sprak Rasinski.
„En ik,” riep de gravin.—„Wij allen,” sprak Maria vol zusterlijke
deelneming.
„Neen, Maria,” hernam Rasinski; „die gang is noch licht, noch
opbeurend. Wij moeten die _alleen_ doen, ik _sta_ daarop.”
Binnen twee minuten hadden de gravin en Lodoiska zich tot het treurige
bezoek uitgerust. Rasinski eischte dringend, dat Lodewijk en Bernard te
huis zouden blijven; dezen daarentegen vorderden, dat hij zelf zich de
hem zoo noodzakelijke rust gunnen zou.
„Handelt voor de laatste maal naar mijn bevel,” sprak hij eindelijk
zacht, maar gebiedend. „Gij blijft ter bewaking van het huis achter; ik
moet de geleider der ongelukkige zijn, want niemand dan ik kan zijne
legerstede in het duister vinden.”
Door den guren winternacht begaven zij zich op weg.