HOOFDSTUK V.

Eensklaps dreunde de doffe donderslag van een kanonschot door de diepe

stilte, en wel zóó nabij, dat de vensters dreunden.

„Wat is dat?” riep Rasinski en richtte zich driftig op. Maar nog eer

hij had uitgesproken, kraakte de volle laag eener batterij, zoodat de

aardbodem beefde.

„Heilige God!” riep de gravin, „is de vijand zoo nabij?”

Maria verbleekte; want voor haar was dit geluid nog vreemd.

„Ik moet weg,” sprak Rasinski op vasten toon; „wij zijn aangevallen.”

„Wij verzellen u,” riep Lodewijk, en Bernard sprong naar de wapens, die

op een stoel lagen.

„Neen, dat nooit,” beval Rasinski met waardigheid. „Gij hebt in dezen

kamp niets meer te bevechten! Blijft hier, en beschermt, wat mij en u

het dierbaarst is.”

„Wij laten u niet alleen in 't gevecht,” riep Lodewijk heftig en wilde

hem tegenhouden.

„Gij zult, gij moet! Mij roept de plicht derwaarts, u bindt zij hier,”

hernam Rasinski met nadruk en wees Lodewijk terug.

„Neen, gij moogt ons het recht, om aan uwe zijde te staan, niet

rooven,” sprak Bernard; „want gij kunt het zelfverwijt niet van onze

ziel wentelen, wanneer gij valt, waar onze bijstand u had kunnen

redden.”

Buiten roffelden de trommen met oorverdoovend gedreun door de

enge straten. Woest geschreeuw, donderend geschutgekraak, schel

trompetgeschetter klonken verward dooreen, volk en soldaten stroomden

te hoop.

„Zoo gij ooit mijn wil geëerbiedigd hebt,” riep Rasinski en richtte

zich met de hem aangeboren waardigheid op, „dan blijft terug.

Gehoorzaamt mij in deze minuut voor de laatste maal als uw bevelhebber.

Ik gebied u, blijft!”

De vrouwen waren door smart en angst te hevig ontroerd, om de nieuwe

spanning, welke deze edelmoedige strijd in haar had moeten verwekken, in

hare volle kracht te gevoelen. Zonder het zelve te weten, viel haar de

met harde bezoekingen gewoonlijk gepaard gaande weldaad ten deel, dat de

van vele zijden tegelijk treffende slag elkander onderling krachteloos

maakten, wijl de menschelijke borst, gelijk een vaatwerk, slechts voor

eene bestemde mate ruimte heeft. Moge de stroom van den rampspoed dan

ook met toomeloos geweld daarover heenbruisen, hij vult het niet hooger

aan, maar de overmaat der smart vloeit zonder gevoeld of bemerkt te

worden voorbij.

Alleen Maria, op wie de dood van Jaromir niet dien verpletterenden

indruk gemaakt had, zag met bange bezorgdheid den afloop van dezen

strijd tegemoet. Nu zij zag, hoe de edele man, die haar eens zijne

liefde bood en de hare wegdroeg zich thans in het gevaar van den slag

storten en zich moedig aan den dood voor eer en vaderland wijden wilde,

vlamde de diep verborgen gloed weder levendig in haar op en sidderde

zij voor het dierbare leven.

Door dit gevoel gedreven, trad zij tusschen de mannen. „Roept de strijd

u dan ook nu nog?” vroeg zij; en hief het oog smeekend tot Rasinski op;

„is het nog plicht, zich aan den dood te wijden, wanneer uit de geheele

schipbreuk toch niets meer te redden is? O, blijft gij ook, opdat het

uur van ons wederzien niet dat der onuitsprekelijke smart tevens worde,

zoo....”

Hier brak zij af; zij waagde niet uit te spreken, wat zij dacht en

vreesde.

„Maria!” riep Rasinski met eene stem, die zijn gansche hart openlegde,

„Maria!” Hij stond in den hevigsten tweestrijd met zich zelf en staarde

haar smartelijk aan. Een oogenblik scheen het hem toe, dat de ijzeren

scheidsmuur, die tusschen haar en hem oprees, was omvergerukt door de

reuzenkracht der omstandigheden. Met onweerstaanbare banden voelde hij

zich aan de schoone gestalte gekluisterd, die de vriendelijke genius

van zijn leven zijn kon. Doch de zoete begoocheling duurde slechts

eene seconde. De zachte nevelsluiers scheurden, het bedriegelijke

wolkenfloers werd weggevaagd en de onverbiddelijke waarheid stond

weder, krachtiger dan ooit, in hare barsche majesteit voor hem. Niets

was veranderd; de scheidende kloof gaapte slechts nog dieper, dan ooit

te voren. Hij bevroedde het en sprak vast, maar zacht: „Neen, ook deze

bede mag mij niet terughouden! Vaartwel! Gij blijft!”

Onstuimig scheurde hij zich los en snelde naar buiten.

Maria waggelde als bedwelmd eenige schreden achteruit en zonk mat en

krachteloos in de armen haars broeders. Bernards scherpziend oog drong

tot in de binnenste schuilhoeken van haar hart door; Rasinski had het

geheim van zijn hart met een enkel woord onthuld.

Dus hij—en zij, dacht hij, en de smart klemde hem de borst krampachtig

te zamen. „O, hij laat ons den zwaarsten plicht over!” riep hij, zijnen

boezem lucht gevende. „Wien de volle maalstroom des levens heeft

aangegrepen, die weet, dat een slag slechts een lustig speeltochtje is,

waarbij de vloek spelend tegen de boot kabbelt!”

Lodewijk verstond den vriend slechts ten halve en voor zoover hij in

hetzelfde gevoel deelen kon.

„Ongetwijfeld hebben wij een zwaren strijd van zelfverloochening te

voeren,” antwoordde hij; „doch op zijn edel hart drukte juist datgene

met ondragelijke zwaarte, wat ons ruimte en verademing geeft. Daarom

kampt hij zwaarder en mannelijker dan wij.”

„O,” riep Maria uit, „o geliefden, vraagt niet, wie hier den bittersten

kelk der smarte ledigt!—Het lijden is eene zee geworden; de vloed

stijgt boven het peil van elk hart!”

„Bergen hoog!” mompelde Bernard barsch en wrevelig; „op ettelijke

torenshoogten komt het niet meer aan.”—Hij rilde als in

koortskoude.—De ontdekking, dat Maria een ander beminde, was als een

rotsklomp op zijne borst gevallen en had ze verpletterd.—Hij is de

edelste, de waardigste, dacht hij en ging driftig op en neder; doch dat

kan mij niet troosten, het vernietigt mij des te zekerder, want zooveel

verder ook verdringt hij mijn beeld uit hare ziel! En deze liefde was de

leidstar, die ik volgde door de zwarte wildernis van onzen jammertocht.

Haar zacht licht alleen verschafte mij troost en sterkte—ik bereikte

het doel, en zij verzinkt, en alles is duisterder dan ooit!

In gepeins verdiept, den strakken blik op den grond geslagen, stond

hij als bedwelmd en bemerkte niet, wat om hem voorviel. Daar legde zich

een zachte arm om zijn hals, en hij voelde eene gloeiende wang aan de

zijne—het was Bianca.

„Zuster!” riep hij met ontroerde stem, „zuster!—Ja, u heb ik nog

behouden!”

Maria had misschien een donker vermoeden van hetgeen in zijne ziel

omging; wellicht ook deden zich in haar binnenste nieuwe verborgen

stemmen van een gevoel hooren, dat zij aan één enkele waande te hebben

uitgeput. Zacht, ja bijna deemoedig, als had zij een zwaar onrecht

goed te maken, trad zij derhalve op Bernard toe en sprak, ten antwoord

op zijne smartelijke ontboezeming: „Ook wij, hoop ik, blijven innig

verbonden; de broeder zal niet vergeten, dat hij een vriend en eene

vriendin bezit, die hem meer dan haar leven verschuldigd is!”

Bernard zag haar verbaasd aan. Zij was de eerste, die de hand naar hem

uitstrekte en de zijne aangreep. „O, ik weet, wat Lodewijks zuster den

vriend haars broeders te danken heeft,” vervolgde zij. „Mij dunkt, ik

heb nu twee broeders, en—wij zijn zusters!”

Deze laatste woorden richtte zij tot Bianca, die haar met zusterlijke

liefde aan het hart drukte.

Bernard wilde antwoorden, doch zijne tong weigerde hem haar dienst,

zoozeer was zijn hart gebroken en innerlijk ontroerd. Zou deze

trouwhartige, vrijwillig aangeboden vriendschap en vereeniging aan

zijne hoop voedsel geven of die geheel vernietigen? Hij wist het niet,

ja hij wist nauwelijks, wat hij wenschen moest. Edel toch, gelijk hij

was, had hem de gedachte reeds bezwaard, dat zijn geluk niet dan uit

het ongeluk eens anderen kon ontkiemen. Rasinski, in zijne mannelijke

droefheid, stond voor hem, en zijn grootmoedig hart deelde in het lot

van den vriend, alsof het zijn eigen ware.

De gravin trad nader uit het andere einde van het vertrek, waar

zij zich bij het lijk des jongelings slechts met Lodoiska had

beziggehouden. Haar gang was langzaam; men kon zien, dat de hooge

gestalte zich met moeite staande hield. „Mijn broeder is weg,” begon

zij, minder vragend, dan wel zich die vraag zelve beantwoordende: „hij

had zich toch den tijd tot afscheid moeten gunnen. Wie weet, of wij

elkander wederzien.—Ik voor mij heb het hopen verleerd!”

Zij stond bleek, maar met opgerichten hoofde, als achtte zij het

beneden zich, haren nek onder den last der rampspoeden te buigen;

echter parelde een traan tusschen hare oogleden en omnevelde het

groote, donkere oog met droeven schemer. Maria en Bianca traden

deelnemend op haar toe; aan beiden reikte zij de hand en trok haar diep

ontroerd nader.

„O mijne dochters! Gij zijt jong; het leven greep u reeds vroeg met ruwe

hand aan—maar het verpletterde u niet zoo gruwzaam als deze arme.”—Zij

wees op Lodoiska, die bleek, stom en koud als een marmerbeeld, aan

Jaromirs rustbed zat en zijne verstijfde hand niet losliet.

„Welk een lot! Hier een zielverscheurend lijden, dat geen traan

verzacht; daarbuiten verwoesting, dood, gruwelen, ontzetting! Hoort

gij, hoe de moordgierige donder rolt? O, hij kan ook het edelste hoofd

treffen, dat zoo mannelijk de stormen tartte! Wellicht kunnen we 't uit

deze vensters aanzien, hoe het vermorzelend lood hem verplettert.”

„O nooit, nooit!” snikte Maria.

„Gij weent! Arm kind! Zoo waant gij de grimmigheid van het noodlot

te verzoenen? Erts ware gesmolten in mijne gloeiende tranen, doch de

machten daarboven bleven koud en gevoelloos. Neen, neen! Waan niet,

dat de hemel het kermen uit verbrijzelde borst aanhoort! Hij is doof,

ondoordringbaar zijn ijzeren gewelf, vloeken en gebeden sterven weg in

het ijdele luchtruim!—En meent gij, dat wij tot den bodem des afgronds

zijn afgedaald? O, wij kunnen nog onmetelijk dieper zinken. Bij de

ellende zal zich hoon, schimp en verguizing voegen. Dra zal de vijand

triomfeeren! Wellicht zie ik mijn broeder gebonden, bloedend hier

voorbijsleepen, wellicht ook deze jongelingen, ons zelve. Want ik ben

eene dochter van Polen, en ons is onverzoenbare wraak, onuitwischbare

schande gezworen. Doch eer ik deze zachte handen,” zij wees op

Lodoiska, „in slaafsche banden gekneld, eer ik hare kuische schoonheid

door barbaarsche tijgers bevlekt zie, eer zal mijne eigene hand haar

doorboren! Eene poolsche moeder is niet zwakker dan een romeinsch

vader—en _zij_ zal voor den dood niet sidderen!”

Rillend had zij voleind; hare overbeladen borst moest zich lucht maken.

Diep en verruimd haalde zij adem en zonk daarop uitgeput in een armstoel

neder.

Bianca naderde en omarmde haar met vertroostende liefde. „Neen, edele

vrouw,” sprak zij uit vaste overtuiging, „zoo ver zal het niet komen.

Thans zal ik mijne rechten, als eene dochter van Rusland, doen gelden.

Wie het ook zij, die deze stad vijandelijk binnendringt, ik wend mij

tot hem en hij zal ons bescherming verleenen. Zóó ver gaat zelfs de

verbittering van den oorlog niet. Er klopt geen hart op aarde, dat onze

smart koud zou laten. Ook de ruwe mannen van dit land zullen zich laten

verbidden, zoo niet, dan zal ik hen mijn naam doen eerbiedigen. Het

recht, om dien te doen gelden, heb ik nog niet verloren!”

Inmiddels kwam het gewoel van het gevecht nader en nader, Paul was

naar buiten gesneld, ten einde te ontdekken, van welke zijde de aanval

geschiedde. Ademloos kwam hij terug en meldde: „Voor de poorten komt

het tot een hardnekkig gevecht. Ik zag den graaf en maarschalk Ney aan

vluchtende soldaten de geweren uit de hand rukken en zelven naar de wal

vliegen, om den vijand het indringen te beletten. Daarop heeft het volk

zich weer verzameld en houdt zich nu dapper, terwijl de overigen door

alle poorten aftrekken. De weg naar Memel is reeds met troepen bezaaid.

Binnen een paar uren moet de Rus meester in de stad zijn.”

Hij had nauwelijks geëindigd, toen de deur openvloog en Rasinski zelf

binnenstoof. „Almachtige hemel, mijn broeder!” riep de gravin en hing

in zijne armen.

Hij bloedde aan het voorhoofd; zijn gezicht was zwart van kruitdamp,

doch zijn oog vlamde met den ouden vuurgloed.

„Het dringendste gevaar is voorbij,” riep hij; „een oogenblik is mij

tot afscheidnemen vergund. Binnen weinige minuten wacht de maarschalk

mij terug.—Dra zullen de Russen de stad bezetten; tot vluchten is het

te laat: houd u dus verborgen, tot de eerste storm voorbij is. Dan

gaat gij naar Warschau, Johanna; daar zult gij weer van mij hooren.

Vaarwel! U, mijne vrienden, raad ik, naar Pruisen de wijk te nemen; dat

is het naast en vervolging hebt gij niet te duchten. Onze wegen loopen

nu uiteen. Wij hebben trouw en wel met elkander geleefd.—God zegene u

mijne broeders!”

Zij lagen in zijne armen; hij schaamde zich de tranen niet, die langs

zijne mannelijke wangen rolden, doch bleef standvastig, daar hij zulks

wilde blijven.

„Het moet zijn,” sprak hij na eene heilige, onvergetelijke minuut;

„ik heb geen tijd meer voor al mijne geliefden! Ook gij vaartwel, gij

vriendelijke engelen! Bianca—Maria!”

Bianca, die hem liefhad als een vader wierp zich snikkend aan zijne

hijgende borst; hij kuste haar het voorhoofd en legde de handen

zegenend op hare lokken. „Gij waart onze lieve beschermheilige in

nood en gevaren; uwe nabijheid was mijn troost. Thans scheuren de ruwe

stormen ons vaneen—mocht gij voortaan op zachter paden wandelen!”

Maria stond schuw van verre. Rasinski trad een schrede nader. „Maria”,

stamelde hij, „wij zien elkander voor de laatste maal!”

Toen deden liefde en smart hare heilige rechten gelden. In het

zegepralend gevoel van haar onbetwistbaar, onuitsprekelijk duur

bestreden recht zonk de schuwe jonkvrouw, door weedom en zaligheid

overstelpt, aan het hart des edelen mans, en hare maagdelijke lippen

klemden zich vurig op de zijne.

„Mijn waart gij in dit schoone oogenblik, Maria!” sprak hij vol weemoed

en wond zich zacht uit hare armen los; „thans, wees weder geheel de

uwe! Gij hadt gelijk, gij edele, schoone ziel; tusschen ons is een

diepe kloof geopend, waarover geen pad leidt, dan dat der schuld. Heil

ons, wij zullen het niet bewandelen!”

Hij voerde de in tranen wegsmeltende in de armen des broeders.

„De minuten zijn verstreken, ik moet weg!” Ras wendde hij zich af en

wilde voortijlen.

Nu rukte Lodoiska zich met geweld uit hare doffe wezenloosheid

los. „Vader, mijn vader, wilt gij mij vergeten!” kreet zij op

hartverscheurenden toon en wankelde hem te gemoet.

Huiverend ving hij de nederzinkende in zijne armen op. „Neen, neen, gij

schoone, bleeke roos! Hoe zou ik u vergeten!” sprak hij weemoedig en

drukte haar met vaderlijke teederheid aan zijn hart. „Doch tranen heb

ik niet voor uw lijden—tranen zijn te arm!”

Sprakeloos hing zij aan zijne borst; het rijke haar golfde in losse

vlechten langs hare ranke gestalte; vaster en vaster prangde zij het

gelaat tegen zijn vaderhart. Doch de kracht begaf haar, de knieën

knikten, het bleeke hoofd zonk achterover, en met gesloten oogen rustte

zij als levenloos in Rasinski's armen. Hij liet haar behoedzaam op een

stoel nederglijden, drukte nog een kus op het voorhoofd en ijlde hierop

met rassche schreden naar de deur. Bernard en Lodewijk wilden hem

volgen, doch hij wees hen met de hand terug, riep, geheel overmand, met

gesmoorde stem: „Het is genoeg!” en was verdwenen.

Maria vloog naar het venster, om hem nog een liefdevollen blik na te

zenden. Op de straten woelden burgers en soldaten in bont gewemel

dooreen. Rasinski trad onder een dichten hoop en wierp zich, met de

zedelijke overmacht van zijn krachtigen heldengeest, dadelijk tot hun

aanvoerder op. Met getrokken sabel plaatste hij zich aan de spits en

nam zijn weg naar het midden der stad. Te vergeefs wachtte Maria, dat

hij het hoofd nog eenmaal zou omwenden.

Hij deed het niet; de brug, die hem met de meer vriendelijke oevers

des levens verbond, had hij thans achter zich afgebroken en hij

wierp nu ook zelfs geen blik meer terug, want zich vruchteloos aan

ontzenuwend, smachtend verlangen over te geven lag niet in zijn aard.

Van de zusterlijke borst, uit de armen der liefde en vriendschap had de

onverbiddelijke plicht hem weggerukt, nu volgde hij ook dezen alleen en

toonde den soldaten het ijzeren, fiere heldenvoorhoofd.

De bruisende stroom van het gevecht sleurde hem spoedig met zich voort

en sloeg met verkoelende golven tegen zijne borst. Reeds drong de

vijand voorwaarts en tastte de stad van alle zijden aan. Donderende

kanonschoten deden de gebouwen dreunen, doffe trommelslagen weergalmden

door alle straten, angst- en jammerkreten van vrouwen en gewonden

verdeelden de lucht.

De ondragelijke smart, die het hart der vrouwen geheel vervulde,

liet de zwakkere gewaarwordingen van angst en bezorgdheid bij haar

nauwelijks plaats vinden. Lodoiska hoorde niets van het gewoel

daarbuiten, maar lag in aanhoudende bedwelming. De gravin was op het

ergste voorbereid en hoopte of vreesde niets meer; Bianca en Maria

zochten troost bij hare broeders, de eenigen, die in hun hart nog

ruimte voor zorg behielden en den loop van het gevecht met angstvolle

verwachting volgden.

Plotseling kraakten geweerschoten dicht voor het huis en een woest

getier van stemmen verhief zich. Bernard sprong aan het venster.

„De stad moet omsingeld zijn,” riep hij; „dat zijn kozakken, die hier

door de poort rennen.”

Inderdaad bezette eene afdeeling kozakken de poort en greep eene kleine

schaar Franschen, die juist door haar de stad verlaten wilde, verwoed

aan. Doch deze stelden zich, hoewel uiteengedreven, onverschrokken te

weer, en zoo werd de ruimte onmiddellijk voor het huis de schouwplaats

van een hardnekkig straatgevecht.

„Neemt de wijk naar de achterkamer,” smeekte Lodewijk de vrouwen; „hoe

licht kunnen de kogels hier inslaan.”

„Dan moogt gij hier ook niet blijven,” hernam Bianca; „waar gij zijt

blijven wij ook.”

„Groote hemel, ik zie Rasinski,” riep Bernard en bijna gelijktijdig

vernam men een sterk gelederenvuur.

Allen, zelfs Lodoiska, snelden op dezen uitroep naar het venster.

„Waar?” vroeg de gravin, „waar is mijn broeder?”

„Daar, waar de gesloten infanterie aanrukt, zag ik hem midden in den

kruitdamp te paard zitten,” antwoordde Bernard; „doch thans is hij in

de wolk verdwenen.—Goddank, daar is hij, nu komt hij te voorschijn,

zie, zijn paard steigert.”

„Hoe komt hij aan het paard?” vroeg Lodewijk.

„Buit! Buit! Het is een kozakkenrenner!” juichte Bernard en het

vuur van den strijdlust gloeide op zijne wangen. „Achter hem volgt

maarschalk Ney. Ziet gij, dáár?—Hier moeten zij doorslaan!”

De vrouwen sidderden.—De kamp woedde hevig; de roofgierige dood

zwaaide zijne zeisen boven het hoofd der strijders; de onweerswolk van

het verderf zweefde over de kruin des dierbaren. Zij wilden het oog

afwenden, doch konden zulks niet; onverwrikt hing aller blik aan den

geliefden man, als konden zij daardoor het dreigend gevaar van hem

afweren.

Als krijgsgod rende Rasinski door den kruitdamp, de met pels omzoomde

poolsche muts fier op het voorhoofd, de sabel getrokken.

„Voorwaarts, kameraden, wij moeten ons baanbreken,” klonk zijne machtig

gebiedende stem en boezemde zelfs den vrouwen moed en vertrouwen in.

De scharen rukten gesloten op, Rasinski met zijn steigerend ros aan de

spits. De kozakken deinsden terug, geraakten in verwarring en zouden

de vlucht hebben genomen, ware de poort niet door de hen nadringende

ruiters versperd geweest. De maarschalk Ney stond op eenigen afstand en

ordende de aanrukkende massa's. Rasinski zag opmerkzaam naar hem om.

Thans nam de veldheer den hoed af en zwaaide dien vederbos hoog in de

lucht. Dit scheen het afgesproken teeken.

Hij reed, door de voorste rijen van het korps omgeven, voorwaarts;

de ruiters rukten gesloten op. „Vuur!” klonk thans zijn commando, en

het salvo kraakte. De vensters rinkelden, de vrouwen gaven een luiden

gil, de straat lag in dichte nevelen van rook en damp gehuld, woeste

aanvalskreten der soldaten verhieven zich uit de diepte.

Eene windvlaag verstrooide de wolken. Daar rende Rasinski door de

heldere, vrije ruimte. Zijn krachtige sabelhouw deed een kozak van het

paard tuimelen, een tweeden legde hij met zijn pistool neder. Over hunne

lijken heen gaf hij zijn paard de sporen. „Voorwaarts, kameraden,” riep

hij, zich ten halve op den zadel omkeerende, „de baan is open, breekt

door! Zij vluchten! Voorwaarts!”

Eén blik wierp hij nog terug naar de bevende vrouwen aan het venster, en

wenkte haar met flonkerende oogen een laatsten groet toe. Daarop stortte

hij zich in het gedrang der wijkende vijanden, de zijnen volgden hem met

luid gejubel, en binnen weinige oogenblikken was hij in den kruitdamp

verdwenen.

1812: Historische roman · 第 143 / 154 题