Eensklaps dreunde de doffe donderslag van een kanonschot door de diepe
stilte, en wel zóó nabij, dat de vensters dreunden.
„Wat is dat?” riep Rasinski en richtte zich driftig op. Maar nog eer
hij had uitgesproken, kraakte de volle laag eener batterij, zoodat de
aardbodem beefde.
„Heilige God!” riep de gravin, „is de vijand zoo nabij?”
Maria verbleekte; want voor haar was dit geluid nog vreemd.
„Ik moet weg,” sprak Rasinski op vasten toon; „wij zijn aangevallen.”
„Wij verzellen u,” riep Lodewijk, en Bernard sprong naar de wapens, die
op een stoel lagen.
„Neen, dat nooit,” beval Rasinski met waardigheid. „Gij hebt in dezen
kamp niets meer te bevechten! Blijft hier, en beschermt, wat mij en u
het dierbaarst is.”
„Wij laten u niet alleen in 't gevecht,” riep Lodewijk heftig en wilde
hem tegenhouden.
„Gij zult, gij moet! Mij roept de plicht derwaarts, u bindt zij hier,”
hernam Rasinski met nadruk en wees Lodewijk terug.
„Neen, gij moogt ons het recht, om aan uwe zijde te staan, niet
rooven,” sprak Bernard; „want gij kunt het zelfverwijt niet van onze
ziel wentelen, wanneer gij valt, waar onze bijstand u had kunnen
redden.”
Buiten roffelden de trommen met oorverdoovend gedreun door de
enge straten. Woest geschreeuw, donderend geschutgekraak, schel
trompetgeschetter klonken verward dooreen, volk en soldaten stroomden
te hoop.
„Zoo gij ooit mijn wil geëerbiedigd hebt,” riep Rasinski en richtte
zich met de hem aangeboren waardigheid op, „dan blijft terug.
Gehoorzaamt mij in deze minuut voor de laatste maal als uw bevelhebber.
Ik gebied u, blijft!”
De vrouwen waren door smart en angst te hevig ontroerd, om de nieuwe
spanning, welke deze edelmoedige strijd in haar had moeten verwekken, in
hare volle kracht te gevoelen. Zonder het zelve te weten, viel haar de
met harde bezoekingen gewoonlijk gepaard gaande weldaad ten deel, dat de
van vele zijden tegelijk treffende slag elkander onderling krachteloos
maakten, wijl de menschelijke borst, gelijk een vaatwerk, slechts voor
eene bestemde mate ruimte heeft. Moge de stroom van den rampspoed dan
ook met toomeloos geweld daarover heenbruisen, hij vult het niet hooger
aan, maar de overmaat der smart vloeit zonder gevoeld of bemerkt te
worden voorbij.
Alleen Maria, op wie de dood van Jaromir niet dien verpletterenden
indruk gemaakt had, zag met bange bezorgdheid den afloop van dezen
strijd tegemoet. Nu zij zag, hoe de edele man, die haar eens zijne
liefde bood en de hare wegdroeg zich thans in het gevaar van den slag
storten en zich moedig aan den dood voor eer en vaderland wijden wilde,
vlamde de diep verborgen gloed weder levendig in haar op en sidderde
zij voor het dierbare leven.
Door dit gevoel gedreven, trad zij tusschen de mannen. „Roept de strijd
u dan ook nu nog?” vroeg zij; en hief het oog smeekend tot Rasinski op;
„is het nog plicht, zich aan den dood te wijden, wanneer uit de geheele
schipbreuk toch niets meer te redden is? O, blijft gij ook, opdat het
uur van ons wederzien niet dat der onuitsprekelijke smart tevens worde,
zoo....”
Hier brak zij af; zij waagde niet uit te spreken, wat zij dacht en
vreesde.
„Maria!” riep Rasinski met eene stem, die zijn gansche hart openlegde,
„Maria!” Hij stond in den hevigsten tweestrijd met zich zelf en staarde
haar smartelijk aan. Een oogenblik scheen het hem toe, dat de ijzeren
scheidsmuur, die tusschen haar en hem oprees, was omvergerukt door de
reuzenkracht der omstandigheden. Met onweerstaanbare banden voelde hij
zich aan de schoone gestalte gekluisterd, die de vriendelijke genius
van zijn leven zijn kon. Doch de zoete begoocheling duurde slechts
eene seconde. De zachte nevelsluiers scheurden, het bedriegelijke
wolkenfloers werd weggevaagd en de onverbiddelijke waarheid stond
weder, krachtiger dan ooit, in hare barsche majesteit voor hem. Niets
was veranderd; de scheidende kloof gaapte slechts nog dieper, dan ooit
te voren. Hij bevroedde het en sprak vast, maar zacht: „Neen, ook deze
bede mag mij niet terughouden! Vaartwel! Gij blijft!”
Onstuimig scheurde hij zich los en snelde naar buiten.
Maria waggelde als bedwelmd eenige schreden achteruit en zonk mat en
krachteloos in de armen haars broeders. Bernards scherpziend oog drong
tot in de binnenste schuilhoeken van haar hart door; Rasinski had het
geheim van zijn hart met een enkel woord onthuld.
Dus hij—en zij, dacht hij, en de smart klemde hem de borst krampachtig
te zamen. „O, hij laat ons den zwaarsten plicht over!” riep hij, zijnen
boezem lucht gevende. „Wien de volle maalstroom des levens heeft
aangegrepen, die weet, dat een slag slechts een lustig speeltochtje is,
waarbij de vloek spelend tegen de boot kabbelt!”
Lodewijk verstond den vriend slechts ten halve en voor zoover hij in
hetzelfde gevoel deelen kon.
„Ongetwijfeld hebben wij een zwaren strijd van zelfverloochening te
voeren,” antwoordde hij; „doch op zijn edel hart drukte juist datgene
met ondragelijke zwaarte, wat ons ruimte en verademing geeft. Daarom
kampt hij zwaarder en mannelijker dan wij.”
„O,” riep Maria uit, „o geliefden, vraagt niet, wie hier den bittersten
kelk der smarte ledigt!—Het lijden is eene zee geworden; de vloed
stijgt boven het peil van elk hart!”
„Bergen hoog!” mompelde Bernard barsch en wrevelig; „op ettelijke
torenshoogten komt het niet meer aan.”—Hij rilde als in
koortskoude.—De ontdekking, dat Maria een ander beminde, was als een
rotsklomp op zijne borst gevallen en had ze verpletterd.—Hij is de
edelste, de waardigste, dacht hij en ging driftig op en neder; doch dat
kan mij niet troosten, het vernietigt mij des te zekerder, want zooveel
verder ook verdringt hij mijn beeld uit hare ziel! En deze liefde was de
leidstar, die ik volgde door de zwarte wildernis van onzen jammertocht.
Haar zacht licht alleen verschafte mij troost en sterkte—ik bereikte
het doel, en zij verzinkt, en alles is duisterder dan ooit!
In gepeins verdiept, den strakken blik op den grond geslagen, stond
hij als bedwelmd en bemerkte niet, wat om hem voorviel. Daar legde zich
een zachte arm om zijn hals, en hij voelde eene gloeiende wang aan de
zijne—het was Bianca.
„Zuster!” riep hij met ontroerde stem, „zuster!—Ja, u heb ik nog
behouden!”
Maria had misschien een donker vermoeden van hetgeen in zijne ziel
omging; wellicht ook deden zich in haar binnenste nieuwe verborgen
stemmen van een gevoel hooren, dat zij aan één enkele waande te hebben
uitgeput. Zacht, ja bijna deemoedig, als had zij een zwaar onrecht
goed te maken, trad zij derhalve op Bernard toe en sprak, ten antwoord
op zijne smartelijke ontboezeming: „Ook wij, hoop ik, blijven innig
verbonden; de broeder zal niet vergeten, dat hij een vriend en eene
vriendin bezit, die hem meer dan haar leven verschuldigd is!”
Bernard zag haar verbaasd aan. Zij was de eerste, die de hand naar hem
uitstrekte en de zijne aangreep. „O, ik weet, wat Lodewijks zuster den
vriend haars broeders te danken heeft,” vervolgde zij. „Mij dunkt, ik
heb nu twee broeders, en—wij zijn zusters!”
Deze laatste woorden richtte zij tot Bianca, die haar met zusterlijke
liefde aan het hart drukte.
Bernard wilde antwoorden, doch zijne tong weigerde hem haar dienst,
zoozeer was zijn hart gebroken en innerlijk ontroerd. Zou deze
trouwhartige, vrijwillig aangeboden vriendschap en vereeniging aan
zijne hoop voedsel geven of die geheel vernietigen? Hij wist het niet,
ja hij wist nauwelijks, wat hij wenschen moest. Edel toch, gelijk hij
was, had hem de gedachte reeds bezwaard, dat zijn geluk niet dan uit
het ongeluk eens anderen kon ontkiemen. Rasinski, in zijne mannelijke
droefheid, stond voor hem, en zijn grootmoedig hart deelde in het lot
van den vriend, alsof het zijn eigen ware.
De gravin trad nader uit het andere einde van het vertrek, waar
zij zich bij het lijk des jongelings slechts met Lodoiska had
beziggehouden. Haar gang was langzaam; men kon zien, dat de hooge
gestalte zich met moeite staande hield. „Mijn broeder is weg,” begon
zij, minder vragend, dan wel zich die vraag zelve beantwoordende: „hij
had zich toch den tijd tot afscheid moeten gunnen. Wie weet, of wij
elkander wederzien.—Ik voor mij heb het hopen verleerd!”
Zij stond bleek, maar met opgerichten hoofde, als achtte zij het
beneden zich, haren nek onder den last der rampspoeden te buigen;
echter parelde een traan tusschen hare oogleden en omnevelde het
groote, donkere oog met droeven schemer. Maria en Bianca traden
deelnemend op haar toe; aan beiden reikte zij de hand en trok haar diep
ontroerd nader.
„O mijne dochters! Gij zijt jong; het leven greep u reeds vroeg met ruwe
hand aan—maar het verpletterde u niet zoo gruwzaam als deze arme.”—Zij
wees op Lodoiska, die bleek, stom en koud als een marmerbeeld, aan
Jaromirs rustbed zat en zijne verstijfde hand niet losliet.
„Welk een lot! Hier een zielverscheurend lijden, dat geen traan
verzacht; daarbuiten verwoesting, dood, gruwelen, ontzetting! Hoort
gij, hoe de moordgierige donder rolt? O, hij kan ook het edelste hoofd
treffen, dat zoo mannelijk de stormen tartte! Wellicht kunnen we 't uit
deze vensters aanzien, hoe het vermorzelend lood hem verplettert.”
„O nooit, nooit!” snikte Maria.
„Gij weent! Arm kind! Zoo waant gij de grimmigheid van het noodlot
te verzoenen? Erts ware gesmolten in mijne gloeiende tranen, doch de
machten daarboven bleven koud en gevoelloos. Neen, neen! Waan niet,
dat de hemel het kermen uit verbrijzelde borst aanhoort! Hij is doof,
ondoordringbaar zijn ijzeren gewelf, vloeken en gebeden sterven weg in
het ijdele luchtruim!—En meent gij, dat wij tot den bodem des afgronds
zijn afgedaald? O, wij kunnen nog onmetelijk dieper zinken. Bij de
ellende zal zich hoon, schimp en verguizing voegen. Dra zal de vijand
triomfeeren! Wellicht zie ik mijn broeder gebonden, bloedend hier
voorbijsleepen, wellicht ook deze jongelingen, ons zelve. Want ik ben
eene dochter van Polen, en ons is onverzoenbare wraak, onuitwischbare
schande gezworen. Doch eer ik deze zachte handen,” zij wees op
Lodoiska, „in slaafsche banden gekneld, eer ik hare kuische schoonheid
door barbaarsche tijgers bevlekt zie, eer zal mijne eigene hand haar
doorboren! Eene poolsche moeder is niet zwakker dan een romeinsch
vader—en _zij_ zal voor den dood niet sidderen!”
Rillend had zij voleind; hare overbeladen borst moest zich lucht maken.
Diep en verruimd haalde zij adem en zonk daarop uitgeput in een armstoel
neder.
Bianca naderde en omarmde haar met vertroostende liefde. „Neen, edele
vrouw,” sprak zij uit vaste overtuiging, „zoo ver zal het niet komen.
Thans zal ik mijne rechten, als eene dochter van Rusland, doen gelden.
Wie het ook zij, die deze stad vijandelijk binnendringt, ik wend mij
tot hem en hij zal ons bescherming verleenen. Zóó ver gaat zelfs de
verbittering van den oorlog niet. Er klopt geen hart op aarde, dat onze
smart koud zou laten. Ook de ruwe mannen van dit land zullen zich laten
verbidden, zoo niet, dan zal ik hen mijn naam doen eerbiedigen. Het
recht, om dien te doen gelden, heb ik nog niet verloren!”
Inmiddels kwam het gewoel van het gevecht nader en nader, Paul was
naar buiten gesneld, ten einde te ontdekken, van welke zijde de aanval
geschiedde. Ademloos kwam hij terug en meldde: „Voor de poorten komt
het tot een hardnekkig gevecht. Ik zag den graaf en maarschalk Ney aan
vluchtende soldaten de geweren uit de hand rukken en zelven naar de wal
vliegen, om den vijand het indringen te beletten. Daarop heeft het volk
zich weer verzameld en houdt zich nu dapper, terwijl de overigen door
alle poorten aftrekken. De weg naar Memel is reeds met troepen bezaaid.
Binnen een paar uren moet de Rus meester in de stad zijn.”
Hij had nauwelijks geëindigd, toen de deur openvloog en Rasinski zelf
binnenstoof. „Almachtige hemel, mijn broeder!” riep de gravin en hing
in zijne armen.
Hij bloedde aan het voorhoofd; zijn gezicht was zwart van kruitdamp,
doch zijn oog vlamde met den ouden vuurgloed.
„Het dringendste gevaar is voorbij,” riep hij; „een oogenblik is mij
tot afscheidnemen vergund. Binnen weinige minuten wacht de maarschalk
mij terug.—Dra zullen de Russen de stad bezetten; tot vluchten is het
te laat: houd u dus verborgen, tot de eerste storm voorbij is. Dan
gaat gij naar Warschau, Johanna; daar zult gij weer van mij hooren.
Vaarwel! U, mijne vrienden, raad ik, naar Pruisen de wijk te nemen; dat
is het naast en vervolging hebt gij niet te duchten. Onze wegen loopen
nu uiteen. Wij hebben trouw en wel met elkander geleefd.—God zegene u
mijne broeders!”
Zij lagen in zijne armen; hij schaamde zich de tranen niet, die langs
zijne mannelijke wangen rolden, doch bleef standvastig, daar hij zulks
wilde blijven.
„Het moet zijn,” sprak hij na eene heilige, onvergetelijke minuut;
„ik heb geen tijd meer voor al mijne geliefden! Ook gij vaartwel, gij
vriendelijke engelen! Bianca—Maria!”
Bianca, die hem liefhad als een vader wierp zich snikkend aan zijne
hijgende borst; hij kuste haar het voorhoofd en legde de handen
zegenend op hare lokken. „Gij waart onze lieve beschermheilige in
nood en gevaren; uwe nabijheid was mijn troost. Thans scheuren de ruwe
stormen ons vaneen—mocht gij voortaan op zachter paden wandelen!”
Maria stond schuw van verre. Rasinski trad een schrede nader. „Maria”,
stamelde hij, „wij zien elkander voor de laatste maal!”
Toen deden liefde en smart hare heilige rechten gelden. In het
zegepralend gevoel van haar onbetwistbaar, onuitsprekelijk duur
bestreden recht zonk de schuwe jonkvrouw, door weedom en zaligheid
overstelpt, aan het hart des edelen mans, en hare maagdelijke lippen
klemden zich vurig op de zijne.
„Mijn waart gij in dit schoone oogenblik, Maria!” sprak hij vol weemoed
en wond zich zacht uit hare armen los; „thans, wees weder geheel de
uwe! Gij hadt gelijk, gij edele, schoone ziel; tusschen ons is een
diepe kloof geopend, waarover geen pad leidt, dan dat der schuld. Heil
ons, wij zullen het niet bewandelen!”
Hij voerde de in tranen wegsmeltende in de armen des broeders.
„De minuten zijn verstreken, ik moet weg!” Ras wendde hij zich af en
wilde voortijlen.
Nu rukte Lodoiska zich met geweld uit hare doffe wezenloosheid
los. „Vader, mijn vader, wilt gij mij vergeten!” kreet zij op
hartverscheurenden toon en wankelde hem te gemoet.
Huiverend ving hij de nederzinkende in zijne armen op. „Neen, neen, gij
schoone, bleeke roos! Hoe zou ik u vergeten!” sprak hij weemoedig en
drukte haar met vaderlijke teederheid aan zijn hart. „Doch tranen heb
ik niet voor uw lijden—tranen zijn te arm!”
Sprakeloos hing zij aan zijne borst; het rijke haar golfde in losse
vlechten langs hare ranke gestalte; vaster en vaster prangde zij het
gelaat tegen zijn vaderhart. Doch de kracht begaf haar, de knieën
knikten, het bleeke hoofd zonk achterover, en met gesloten oogen rustte
zij als levenloos in Rasinski's armen. Hij liet haar behoedzaam op een
stoel nederglijden, drukte nog een kus op het voorhoofd en ijlde hierop
met rassche schreden naar de deur. Bernard en Lodewijk wilden hem
volgen, doch hij wees hen met de hand terug, riep, geheel overmand, met
gesmoorde stem: „Het is genoeg!” en was verdwenen.
Maria vloog naar het venster, om hem nog een liefdevollen blik na te
zenden. Op de straten woelden burgers en soldaten in bont gewemel
dooreen. Rasinski trad onder een dichten hoop en wierp zich, met de
zedelijke overmacht van zijn krachtigen heldengeest, dadelijk tot hun
aanvoerder op. Met getrokken sabel plaatste hij zich aan de spits en
nam zijn weg naar het midden der stad. Te vergeefs wachtte Maria, dat
hij het hoofd nog eenmaal zou omwenden.
Hij deed het niet; de brug, die hem met de meer vriendelijke oevers
des levens verbond, had hij thans achter zich afgebroken en hij
wierp nu ook zelfs geen blik meer terug, want zich vruchteloos aan
ontzenuwend, smachtend verlangen over te geven lag niet in zijn aard.
Van de zusterlijke borst, uit de armen der liefde en vriendschap had de
onverbiddelijke plicht hem weggerukt, nu volgde hij ook dezen alleen en
toonde den soldaten het ijzeren, fiere heldenvoorhoofd.
De bruisende stroom van het gevecht sleurde hem spoedig met zich voort
en sloeg met verkoelende golven tegen zijne borst. Reeds drong de
vijand voorwaarts en tastte de stad van alle zijden aan. Donderende
kanonschoten deden de gebouwen dreunen, doffe trommelslagen weergalmden
door alle straten, angst- en jammerkreten van vrouwen en gewonden
verdeelden de lucht.
De ondragelijke smart, die het hart der vrouwen geheel vervulde,
liet de zwakkere gewaarwordingen van angst en bezorgdheid bij haar
nauwelijks plaats vinden. Lodoiska hoorde niets van het gewoel
daarbuiten, maar lag in aanhoudende bedwelming. De gravin was op het
ergste voorbereid en hoopte of vreesde niets meer; Bianca en Maria
zochten troost bij hare broeders, de eenigen, die in hun hart nog
ruimte voor zorg behielden en den loop van het gevecht met angstvolle
verwachting volgden.
Plotseling kraakten geweerschoten dicht voor het huis en een woest
getier van stemmen verhief zich. Bernard sprong aan het venster.
„De stad moet omsingeld zijn,” riep hij; „dat zijn kozakken, die hier
door de poort rennen.”
Inderdaad bezette eene afdeeling kozakken de poort en greep eene kleine
schaar Franschen, die juist door haar de stad verlaten wilde, verwoed
aan. Doch deze stelden zich, hoewel uiteengedreven, onverschrokken te
weer, en zoo werd de ruimte onmiddellijk voor het huis de schouwplaats
van een hardnekkig straatgevecht.
„Neemt de wijk naar de achterkamer,” smeekte Lodewijk de vrouwen; „hoe
licht kunnen de kogels hier inslaan.”
„Dan moogt gij hier ook niet blijven,” hernam Bianca; „waar gij zijt
blijven wij ook.”
„Groote hemel, ik zie Rasinski,” riep Bernard en bijna gelijktijdig
vernam men een sterk gelederenvuur.
Allen, zelfs Lodoiska, snelden op dezen uitroep naar het venster.
„Waar?” vroeg de gravin, „waar is mijn broeder?”
„Daar, waar de gesloten infanterie aanrukt, zag ik hem midden in den
kruitdamp te paard zitten,” antwoordde Bernard; „doch thans is hij in
de wolk verdwenen.—Goddank, daar is hij, nu komt hij te voorschijn,
zie, zijn paard steigert.”
„Hoe komt hij aan het paard?” vroeg Lodewijk.
„Buit! Buit! Het is een kozakkenrenner!” juichte Bernard en het
vuur van den strijdlust gloeide op zijne wangen. „Achter hem volgt
maarschalk Ney. Ziet gij, dáár?—Hier moeten zij doorslaan!”
De vrouwen sidderden.—De kamp woedde hevig; de roofgierige dood
zwaaide zijne zeisen boven het hoofd der strijders; de onweerswolk van
het verderf zweefde over de kruin des dierbaren. Zij wilden het oog
afwenden, doch konden zulks niet; onverwrikt hing aller blik aan den
geliefden man, als konden zij daardoor het dreigend gevaar van hem
afweren.
Als krijgsgod rende Rasinski door den kruitdamp, de met pels omzoomde
poolsche muts fier op het voorhoofd, de sabel getrokken.
„Voorwaarts, kameraden, wij moeten ons baanbreken,” klonk zijne machtig
gebiedende stem en boezemde zelfs den vrouwen moed en vertrouwen in.
De scharen rukten gesloten op, Rasinski met zijn steigerend ros aan de
spits. De kozakken deinsden terug, geraakten in verwarring en zouden
de vlucht hebben genomen, ware de poort niet door de hen nadringende
ruiters versperd geweest. De maarschalk Ney stond op eenigen afstand en
ordende de aanrukkende massa's. Rasinski zag opmerkzaam naar hem om.
Thans nam de veldheer den hoed af en zwaaide dien vederbos hoog in de
lucht. Dit scheen het afgesproken teeken.
Hij reed, door de voorste rijen van het korps omgeven, voorwaarts;
de ruiters rukten gesloten op. „Vuur!” klonk thans zijn commando, en
het salvo kraakte. De vensters rinkelden, de vrouwen gaven een luiden
gil, de straat lag in dichte nevelen van rook en damp gehuld, woeste
aanvalskreten der soldaten verhieven zich uit de diepte.
Eene windvlaag verstrooide de wolken. Daar rende Rasinski door de
heldere, vrije ruimte. Zijn krachtige sabelhouw deed een kozak van het
paard tuimelen, een tweeden legde hij met zijn pistool neder. Over hunne
lijken heen gaf hij zijn paard de sporen. „Voorwaarts, kameraden,” riep
hij, zich ten halve op den zadel omkeerende, „de baan is open, breekt
door! Zij vluchten! Voorwaarts!”
Eén blik wierp hij nog terug naar de bevende vrouwen aan het venster, en
wenkte haar met flonkerende oogen een laatsten groet toe. Daarop stortte
hij zich in het gedrang der wijkende vijanden, de zijnen volgden hem met
luid gejubel, en binnen weinige oogenblikken was hij in den kruitdamp
verdwenen.