HOOFDSTUK II.

Axinia bracht de geliefde gebiedster, aan welke zij eens hare redding

was verschuldigd en wie zij het nu kon vergelden, terstond te bed en

zocht alles, wat het kleine huis opleverde, ter harer verzorging bijeen.

Reeds na eenige minuten richtte Bianca het hoofd weder op en zag, tot

haar volle bewustzijn teruggekeerd, met zalige blikken in het rond. „O

mijn broeder, o mijn geliefde!” sprak zij en drukte Bernard en Lodewijk,

die aan haar leger zaten, de handen. „Is het dan toch waar, zijn wij

gered? Heeft deze onuitsprekelijke ellende werkelijk een einde genomen?”

„Ja, het is zoo! Wij behooren tot de weinigen, die den dood ontkwamen!”

„En welke hand biedt mij het eerst hulp en bijstand aan!—Ach, Lodewijk,

ik offerde eenmaal veel voor dat goede kind op! Om haar te redden

verzaakte ik de liefde, die ik u toedroeg. Wel was deze toen nog als een

diep geheim in mijn hart verborgen en scheen zij slechts als een schoon,

ongenaakbaar gesternte in den nacht van mijn ongeluk; maar toch was zij

de eenige straal van hoop, die mij toelachte, het eenige geluk mijner

eenzame droomen. Doch hoe onuitsprekelijk rijk beloont de goedertierende

hand der Voorzienigheid, en hoe ondoorgrondelijk zijn Hare wegen en

bestieringen! Nu is het Axinia, die ons aan het verderf ontrukt.”

Deze was intusschen binnengetreden en naderde met een van vreugde en

geluk stralend gelaat. Bianca vroeg haar thans naar haar wedervaren,

naar de oorzaak, die haar in Rusland had teruggehouden, daar zij

dit rijk voor altijd had willen ontvlieden. Van schaamte blozend

antwoordde de jonge vrouw, dat een te vroege bevalling haar verrast en

in eene langdurige ziekte gestort had. Deze ziekte deed hare kleine

bezitting spoedig inkrimpen, en daar zich inmiddels voor Paul eene

gelegenheid opdeed, om als opziener in het lazaret geplaatst te worden,

eene betrekking, waarvoor zijne kennis van de fransche, duitsche en

russische talen hem boven anderen geschikt maakte, had hij haar te

gretiger aangegrepen, wijl zijne uitzichten op eene betrekking in

Duitschland in dezen woeligen tijd toch niet dan zeer onzeker waren en

Axinia zich middelerwijl van hare ziekte volkomen herstellen kon.

Terwijl de jonge vrouw een kort verslag van hare ontmoetingen gaf,

ontstond er op de straat een toenemend gedruisch en gewemel. De buren

verzamelden zich in verschillende groepen, of snelden de straat op

naar het midden der stad; in alle huizen opende men de vensters en zag

nieuwsgierig naar buiten. Axinia deed hetzelfde. „Heilige moeder Maria,

wat is er te doen?” riep zij verschrikt uit. „Ach, daar komt Paul, hij

zal ons bericht brengen.”

Zij ijlde haren man te gemoet, die, toen zij hem de aankomst der

onverwachte gasten bericht had, vol vreugde binnentrad.

„Genadige gravin!” riep hij, „dus zijt gij het waarlijk? En gij waart

gekomen met dien hoop ongelukkigen, die huilend door de poort indringt?”

„Wij komen met het leger,” hernam Bianca.

„Met het leger?” vroeg Paul verwonderd. „Dus zou dat het leger zijn?

Onmogelijk!”

Thans eerst ontdekte men, dat de keizer zijn ongeluk zóó diep

verborgen had weten te houden, dat de ingezetenen van Wilna van de

vreeselijke rampen, die de macht van den wereldbedwinger verpletterd

hadden, nog niet het geringste vermoedden. Met schrik en verbazing

hoorden Axinia en haar echtgenoot dit bericht en tevens de schildering

der vreeselijkste ellende aan, waartoe ooit eenig leger was of kon

vervallen.

Axinia verbleekte en beefde, toen zij hoorde, dat hare gebiedster in

al deze gevaren en rampen had gedeeld. Sidderend wierp zij zich voor

een klein Mariabeeld op de knieën en bracht onder het storten van

tranen deze heilige haar dank voor de redding van Feodorowna toe.

Nu verdubbelde zij hare bezorgdheid en liefde ook jegens de haar nog

vreemde geleiders der gebiedster. O, het was voor haar dankbaar hart

zulk eene weldaad, dat zij nu toch toonen konde, hoe gaarne zij aan de

heilige verplichting voldeed, welke Bianca's grootmoedigheid op haar

had gelegd.

Het gewoel op de straat vermeerderde; men ontdekte enkele dier

ongelukkigen, die, huisvesting en lafenis zoekende, tot in deze

afgelegene wijk waren doorgedrongen. De eerstkomenden werden opgenomen,

maar toen zich nog anderen en eindelijk gansche benden vertoonden,

sloten de verschrikte bewoners hunne huizen.

De afgewezenen, die in het gezicht der redding zouden omkomen, daar

hunne uitgehongerde, vermoeide lichamen tegen de vreeselijke koude niet

langer bestand waren, hieven een afgrijselijk gebrul aan. Zij beukten

op de huisdeuren en dreigden alles in brand te steken.

Paul was besluiteloos, wat hij doen zou; zijn menschelijk gevoel dreef

hem aan, de ongelukkigen op te nemen; de voorzichtigheid gebood,

hen terug te wijzen. Bianca riep hem toe: „Neem op, zooveel uw huis

kan bevatten! Wij hebben de ellende met hen gedragen, wij weten dat

medelijden plicht is.”

De jonge man wilde wegsnellen, om aan het bevel der gravin te voldoen;

doch het was niet meer noodig. Slechts een kleine troep was tot hier

verdwaald geweest en had reeds huisvesting gevonden; de overigen waren

naar de stad teruggekeerd om daar hun geluk te beproeven.

„Maar hoe is het mogelijk,” zeide Bernard, „dat deze lieden thans

eerst in de stad dringen, dat niemand voor hen zorgt, niemand hun

schuilplaats verleent. Wij zouden reeds een half uur vroeger hier zijn

geweest, zoo wij ons niet, om het gedrang te ontwijken, den omweg naar

deze poort getroost hadden.”

„Dat is het juist, waaraan het gansche onheil is toe te schrijven,”

hernam Paul. „De menigte heeft zich in de enge voorstad zoo

opgedrongen, dat niemand voor- of achterwaarts kan. De poort is door

wagens, paarden en menschen verstopt; niet dan een voor een dringen

zij binnen. Maar wie zou ook gedacht hebben, dat dit het leger was!

Wij hielden hen voor een troep _marodeurs_, die, zooals gewoonlijk

bij een terugtocht, voor het leger uit zwerven en door dit worden

voortgedrongen. Daarom is ook dadelijk aan de magazijnen last gegeven,

hun niets uit te leveren, in geen hospitaal mogen wij hen opnemen.”

„Heilige God!” riep Lodewijk; „dus moeten deze rampzaligen omkomen door

de onzinnige, zelfzuchtige voorzorg der hunnen. Haast u, haast u, beste

vriend; maak bekend, dat dit het gansche leger is 't welk binnenrukt,

dat één uur uitstel aan duizenden het leven moet kosten, en gij zult

tallooze ongelukkigen redden!”

Paul snelde weg.

Thans begonnen de geredden ernstige bezorgdheid over het lot van

Rasinski en Jaromir te voelen. Tot hiertoe hadden zij gemeend, dat zij

onder de laatsten behoorden, die eene schuilplaats gevonden hadden, nu

echter bleek het, dat zij zich inderdaad onder de gelukkigsten moesten

rangschikken. Bianca ontveinsde hare vrees niet geheel, doch trachtte

die te verkleinen, daar zij duchtte, dat Lodewijk en Bernard aan de

inspraak van hun edelmoedig hart gehoorzamen en dit veilige dak verlaten

zouden, om zich, door hunne pogingen om Rasinski op te sporen, aan

nieuwe gevaren bloot te geven. Zij had zich niet bedrogen, want als uit

één mond riepen vriend en broeder: „Wij moeten hen opzoeken!”

Bianca zag hen angstig aan. „Is het echter noodzakelijk, kunt gij hun

hulp of redding brengen?” vroeg zij. „Dikwijls houden wij voor plicht,

wat ons het moeilijkst te volbrengen schijnt. Waar zult gij hen zoeken

in de onbekende stad, in het gedrang en gewoel der naar huisvesting

zoekende soldaten? Weet gij meer van hen, dan zij van u? Geeft gij u

niet opnieuw bloot? Zoo gij in het gedrang geraakt, zoo——ach, gij

laat mij aan den vreeselijksten angst over!”—

„Ik heb al die tegenwerpingen zelf gemaakt, geliefde,” antwoordde

Lodewijk met zachten ernst; „doch mijn hart wederlegt ze alle. Voor

eenige minuten nog achtte ik het verstandiger, dat wij eerst uitrustten

en dan onderzoek naar hem deden, want ik waande deze stad voor

allen eene reddende haven. Nu echter ook zij, gelijk alles in dezen

verderfelijken oorlog, eene gevaarlijke klip wordt, is van zelve de

noodzakelijkheid daar, om onverwijld te handelen. Ook voel ik mij door

de warmte en verkwikking reeds weder sterker. Hoe, zoo Rasinski nu

eens, gelijk vele anderen, hulpeloos door de straten dwaalde en slechts

onze traagheid zijn ondergang berokkende?—Neen, mijn lieve, wij mogen

het niet uitstellen, wij moeten hem zoeken.”

Bernard had inmiddels zijne muts reeds weder opgezet; Axinia voorzag

beiden van pelslaarzen en andere verwarmende kleedingstukken en gaf hun

rum en brood mede, ten einde zich zelven of anderen, die het noodig

hadden, te laven. Zij gingen en beloofden na verloop van een uur terug

te keeren.

De stad leverde een akelig schouwspel op: voor de magazijnen en

hospitalen waren de beklagenswaardige vluchtelingen verzameld en

belegerden de deuren, die het strenge verbod voor hen gesloten hield.

Gehuil, verwenschingen en gebeden mengden zich dooreen; de burgers

verscholen zich in hunne veilige huizen en grendelden de deuren en

vensters. En inderdaad, de wezens, die men zag naderen, zwart van rook

en aarde, met de uitdrukking van angst en honger in het holle oog,

schenen eene schaar afzichtelijke harpijen, die roofgierig op spijs,

drank en alles, wat een behagelijk leven verried, dreigde aan te

vallen. Waar men hun uit mededoogen eene deur had geopend, moest men

zich dit spoedig beklagen, want er kwam geen einde aan den aandrang;

met onstuimige woede baanden zij zich een weg en, door den scherpen

prikkel des lijdens onweerstaanbaar gedreven, hadden zij elk gevoel

van dankbaarheid en matiging verloren. Gelijk overal, werwaarts deze

scharen hunne schreden richtten, scheen zich ook hier de vloek, die

op haar rustte, te openbaren; de redding was daar, de eindpaal des

jammers bereikt, maar ook nu juist lag het gruwzame lot het grimmigst

op de loer en spande het zijne verderfelijke strikken. Het rukte den

ongelukkigen den beker der verkwikking van voor de lippen weg, juist nu

zij hem aanroerden, en liet hen in duldelooze ellende versmachten.

Te vergeefs dwaalden de beide vrienden door dit akelig gewemel, waar de

een zich niet meer om den ander bekreunde, maar elk met blinde woede om

zelfbehoud en redding kampen wilde, heen en weder; te vergeefs riepen

zij Rasinski en Jaromir luid bij den naam—geen bekende stem, geen

antwoord liet zich vernemen.

Zoo zouden zij dan den edelsten vriend, die hun redder en beschermer

in tallooze gevaren geweest was, verliezen, nu zij gehoopt hadden hem

vroolijk en dankbaar in de armen te vallen. Treurig en moedeloos namen

zij ten laatste den terugweg naar hunne woning aan, want ook hun zelven

begonnen de krachten te ontzinken. Door lange straten vol versteende

lijken, die voor de huizen lagen, aan welker gesloten deuren zij te

vergeefs geklopt hadden, snelden zij voort. De felle koude nam gestadig

toe; wie zich eenige seconden ter ruste nederzette, zonk verstijfd ter

aarde, om zich niet weder op te richten.

Zoo waren de straten, die nog kort te voren van gejammer en gekerm

weergalmden, weldra in stille kerkhoven veranderd, waar geen schijn van

leven zich vertoonde en elke voetstap hol dreunend werd teruggekaatst.

Met onuitsprekelijke droefheid in de borst naderden de vrienden het

kleine huis. Geen van beiden sprak, men bekende elkander niet wat men

vreesde, niemand waagde het, eene vraag te doen.—Reeds zetten zij den

voet op den drempel, toen zij eene met postpaarden bespannen slede de

poort zagen binnenrijden. Vol verbazing over deze verschijning, die

hun sinds maanden vreemd was geworden en die vooral in deze stad der

ellende hunne aandacht tot zich trok, richtten zij de blikken derwaarts.

Plotseling riep Bernard: „Almachtige hemel! Ik word krankzinnig of ik

zie geesten! Het is Maria!” Met krampachtige onstuimigheid greep hij

Lodewijk bij den armen, wees, hevig sidderend, op eene vrouwelijke

gestalte, die juist met opgeslagen sluier uit het geopende sledevenster

rondzag. Nauw kreeg Lodewijk haar in het oog, of ook hij herkende de

geliefde wezentrekken en wilde met den kreet: „Zuster, zuster!” op

haar toesnellen. Doch zijne knieën knikten, de krachten begaven hem;

ook Bernard stond als aan den grond geketend en sloeg de armen om den

vriend, nauw bewust of hij zich zelf, dan dezen ondersteunen wilde.

„Zuster!—Maria!” riepen zij nog eenmaal en thans eerst hoorde deze hun

geroep. Zij gaf een luiden gil van ontsteltenis en vreugde, het portier

der slede vloog open, en nog eer de schuimende paarden stilhielden

sprong zij er uit, zonk op de knieën, richtte zich weder op en zeeg

bedwelmd en ademloos in de geopende armen des broeders.

Sprakeloos hingen broeder en zuster aan elkanders hart en misten

woorden, om hun geluk, hun liefde uit te drukken. Voor Bernards oog werd

het duister en smartelijke tranen welden daarin op; door diepen weemoed

overmeesterd, wendde hij zich af en weende. Doch dra vermande hij

zich en mompelde: „Ik heb immers ook eene zuster en kan in hare armen

gelukkig zijn.”

Driftig wilde hij zich omwenden en naar binnen snellen, toen Maria als

een vriendelijke engel voor hem trad en zijn naam noemde. Hij zag op;

tranen glinsterden in haar oog, eene zachte smart veredelde haar gelaat,

de lippen fluisterden nauwelijks hoorbaar, daar het jagen harer borst

haar de stem roofde: „Bernard, lieve vriend!” Hij greep de hand, die zij

hem aanbood;—als door onzichtbaren aandrang voelde hij zich gedreven,

het liefelijke wezen in zijne armen te trekken, het te omvatten en aan

zijn gloeiend hart te drukken. Doch een blik op haar maagdelijk gelaat,

waarop tegelijk heilig vertrouwen en zachte schaamte troonden, deed hem

voor zijne onstuimigheid terugbeven en hij bedwong zich met mannelijke

kracht. Zachtkens drukte hij zijne lippen op hare hand en zeide: „Maria!

ook ik heb eene zuster gevonden. O, ik ben thans geheel veranderd!”

Zij wilde antwoorden, toen hij met den verbaasden uitroep: „Hoe? de

gravin!” het gesprek afbrak en alle droefheid en smart tevens gevoelde,

welke deze verschijning op dit oogenblik teweeg moest brengen.

De gravin had op Maria's roepen en voortsnellen dadelijk laten

stilhouden en volgde haar met Lodoiska, welke laatste door schrik en

verrassing zoozeer was overweldigd, dat zij niet dan sidderende en door

den arm van haar moederlijke vriendin ondersteund, kon naderen.

„O vriend! Hoe zien wij elkander weder!” sprak de gravin met diepe

ontroering. „Zeg mij spoedig, wat weet gij van mijn broeder, van

Jaromir....”

„Zij kwamen met ons hier,” viel Bernard haar driftig in de rede, daar

hij vreesde, dat zij ook Boleslaws naam noemen zou, „doch in het

gedrang verloren wij elkander uit het oog. Maar volg ons; wij hebben

hier dak en huisvesting voor u. De stad is opgepropt met soldaten; gij

zoudt bezwaarlijk een schuilplaats vinden.”

De gravin nam Bernards aanbieding terstond aan, doch wierp tevens een

onrustigen blik op hem en Lodewijk, wijl beider gelaatstrekken geene

vreugde te kennen gaven. Lodoiska's oog hing angstvol aan Bernards

lippen; een voorgevoel der waarheid scheen haar te doen huiveren, want

zij werd bleek als de sneeuw, waarop zij stond, toen zij den naam des

geliefden hoorde.

Bernard geleidde de gravin in het huis, welks deur door Axinia, die

de komenden uit het venster bemerkt had, reeds geopend werd. Lodewijk

volgde, terwijl hij zijne zuster aan den arm had, die Lodoiska

ondersteunde. Vol verbazing staarde Axinia de vreemde dames aan en

wierp een vragenden, verlegen blik op Bernard.

„Slaapt de vorstin?” vroeg deze.

„Zij is zoo uitgeput, dat ze in eene diepe bedwelming ligt,” was het

antwoord; „evenwel durf ik het geen slaap noemen, want zij rijst

dikwijls verschrikt op en roept de namen: Jaromir, Rasinski.”

Bernard ontstelde, want dit antwoord verried bijna alles.

„Wat beteekent dat?” riep de gravin. „Ik bezweer u, verheel mij de

waarheid niet. Waar is mijn broeder, waar Jaromir? Op hun dood zijn wij

lang voorbereid en wij gevoelen ons sterk genoeg om met onderwerping te

dragen, wat over ons beschikt is. Deze angstige spanning breekt mij het

hart; hoe zal Lodoiska ze verdragen?”

Gelukkigerwijs was deze nog zoo ver achtergebleven, dat zij van dit

gesprek niets vernam. Bernard antwoordde fluisterend: „Ik kan u den

angst niet besparen; echter is mijne hoop grooter dan mijne vrees.”

Axinia bracht de nieuwe gasten in een ander vertrek, ten einde Bianca

in hare sluimering niet te verontrusten. Met een zonderling gemengd

gevoel van vreugde, geluk, angst en verbazing hoorden de vrouwen hier

een vluchtig verhaal aan van de rampen en gevaren, waarmede de mannen

in dezen verderfelijksten aller oorlogen hadden te worstelen gehad.

Men was huiverig, van Boleslaws dood te spreken, doch eindelijk nam

Lodewijk het woord: „Een onzer liefste vrienden heeft het lot uit onze

armen weggerukt. Boleslaw viel; hij stierf een heldendood,—hij stierf

schoon!”

Maria weende zacht in de armen des broeders en verborg haar gelaat aan

zijne borst. Bernard zat somber, het hoofd op zijne hand gesteund,

en staarde op den grond. Lodoiska hoorde het naricht met kloppend

hart en bleeke lippen; slechts koude tranen rolden over hare wangen.

Was het een bang voorgevoel, dat haar beklemde, of wel medelijden

met den edelen jongeling, die haar stom en trouw bemind had en voor

wien zij althans eene oprechte genegenheid gevoelde,—wie kan het

beslissen? De gravin was opgestaan en wandelde, gelijk zij bij heftige

gemoedsaandoeningen gewoon was, diep ontroerd door het vertrek. „Gij

zijt gelukkig,” sprak zij ontroerd, „wie de last der smarten nog in

verlichtende tranen van de borst wegsmelt. Ik kan niet weenen: mijn

hart is versteend onder het gewicht der ellende. Ik ween niet, en ik

wil niet weenen. Waarheid, zekerheid is de eenige gunst, die ik nog van

den hemel weet af te bidden. Hebt gij mij aangaande Rasinski en Jaromir

alles gezegd?”

Lodewijk schroomde te antwoorden, want van Jaromirs krankzinnigheid

hadden zij gezwegen; Bernard echter had zich van de verlegenheid,

welke deze rechtstreeksche vraag hem veroorzaakte, spoediger

hersteld. „Alles,” sprak hij haastig, „wat zich in de weinige trekken

liet te zamen dringen, waarmede wij het tafereel der ongehoorde

wereldgebeurtenissen en zonderlinge eigen ontmoetingen trachtten af

te schetsen.” De gravin stond als het marmerbeeld eener Minerva,

onbewegelijk, trotsch overeind. Haar donker oog blikte in de

troostelooze toekomst, stille weemoed zweefde om hare lippen, verheven

ernst zetelde op haar hoog voorhoofd; lang stond zij zwijgend en als

versteend. Eindelijk vloog een zacht lachje over het edele gelaat, als

een zonnestraal, die over het nevelachtige herfstlandschap heenzweeft.

„Ik heb immers nog eene dochter!” riep zij en breidde de armen naar de

bleeke, sidderende Lodoiska uit, die zich snikkend aan hare borst wierp.

Zij hielden elkander teeder omarmd en slechts het beklemde ademhalen

van haren door angst geprangden boezem was hoorbaar in deze minuten van

heilige, doodsche stilte.

1812: Historische roman · 第 140 / 154 题