HOOFDSTUK I.

Toen Rasinski na een onrustigen slaap van den harden grond opsprong, zag

hij zich door een dichten nevel omgeven, die het woud in grijze sluiers

hulde en zelfs de naastbijzijnde voorwerpen aan het oog onttrok. Het

waren echter ditmaal geene vochtige mist- en morgendampen, die tusschen

de struiken heentrokken, maar ontelbare, zwevende ijsstofjes, welke de

lucht bezwangerden en bij elken ademtocht als bijtend gif op de longen

vielen.

„Op, op, gij slapers!” riep hij; „voorwaarts, heden kunt gij den

eindpaal van uw lijden bereiken!”

Doch slechts een gering aantal zijner lotgenooten hoorde zijn geroep.

Eenigen bewogen zich nog, kreunden uit holle borst, trachtten zich op te

richten, maar tuimelden even spoedig weer achterover, om den laatsten

zwakken adem des levens uit te blazen. De meesten lagen reeds in de

koude armen des doods en vormden een breeden kring van lijken om het

smeulend vuur. Jaromir richtte zich op. Hij had het voorkomen van eene

bleeke spookgestalte, die uit het graf oprijst; echter leefde hij nog.

Lodewijk en Bernard gevoelden, dat zij heden hunne laatste krachten

inspanden. Zonderling was het, dat Bianca het minst had geleden en door

haar voorbeeld ten bewijze kon strekken, dat het vrouwelijke lichaam der

vrouwelijke ziel gelijkt en, als deze, tegen het lijden beter bestand

is, dan dat der mannen.

Met een gevoel van huivering en afgrijzen baande zij zich over den kring

van versteenden den weg; tot op een aanmerkelijken afstand was de grond

daarmede overdekt, zoodat zij meermalen genoodzaakt werd, den voet op

menschelijke lichamen te zetten.

Jaromir scheen alle besef te hebben verloren; hij wandelde naast

Rasinski voort en volgde zwijgend elken wenk op, welken deze hem gaf.

Een akelige, doodsche stilte heerschte nog in de schemering van het

woud, want zij, die om de uitgaande vuren den nacht hadden doorgebracht,

lagen òf nog in vasten slaap òf waren reeds in de versteenende omarming

van den dood gezonken. Men ging hooge beuken voorbij, welker zware

takken tot dicht op den grond neerhingen en lijken bedekten, die in

verschillende houdingen door den dood verrast en in steenen beelden

herschapen waren. Eenigen hielden in de krampachtig toegeknelde vuist

nog de bijl geklemd, waarmede zij te vergeefs beproefd hadden deze

reusachtige boomen te vellen. Anderen hadden, met even weinig gevolg,

vuur om de stammen gelegd en ze op die wijze pogen in brand te steken;

men zag hen, het hoofd op de knoestige wortels neergebukt, de tot asch

verteerde lont nog in de hand houden.

Rasinski verhaastte zijne schreden, om dit schrikwekkend oord zoo ras

mogelijk te ontvlieden; doch de gansche weg leverde een tooneel van

ontzetting op en bij elken tred stiet de voet op nieuwe, vreeselijke

hinderpalen. Eindelijk, na verloop van een uur, bereikte men eene

opening van het woud en, daar de nevel verdunde, ontwaarde men in de

verte een huis, dat wellicht eene verkwikkende rustplaats kon aanbieden.

Met verdubbelden spoed ijlden de wandelaars daarop toe; maar toen zij

nader kwamen en de vensters verbrijzeld en van ruiten en roeden beroofd

zagen, bespeurden zij wel dat ook deze hoop hen bedrogen, dat men hier

geen verblijf voor levenden te wachten had. Rasinski verlangde echter

zekerheid en opende de slagdeur van het hoofdgebouw, dat eene schuur

of stalling scheen te zijn; doch huiverend sprong hij terug, want hij

ontdekte slechts lijken, die in dicht gedrang, ja zelfs op elkander

gehoopt, den grond bedekten en hem met verglaasde oogen aanstaarden. „Is

hier nog een levende?” vroeg hij, zich vermannende, met luider stemme.

Alles bleef doodstil in het wijde graf en de stem stierf met doffen

nagalm in de holle ruimte weg.—„Leeft hier nog iemand?” riep hij nog

eens, want zijn hart verzette zich tegen de vreeselijke gedachte, dat

in dezen warklomp van menschelijke lichamen ook niet ééne vonk van

leven meer glimmen zou. Maar het was zoo; want, toen hij zijn pistool

nam en het boven de hoofden der liggenden losbrandde, verroerde zich

nog niemand, maar alles bleef stil als in de diepste eenzaamheid eener

woestenij. Onder andere omstandigheden zou hij het bij deze poging niet

hebben laten rusten, doch thans, nu zijne dierbaarste betrekkingen, en

hij zelf met hen, in onmiddellijk doodsgevaar verkeerden, thans was zijn

edel hart ongevoeliger geworden en hij wendde zich af met de woorden:

„Alles te vergeefs! Verder, verder!” Zoo vervolgden zij hun weg met den

hoogst mogelijken spoed, want het verderf zat hun op de hielen als een

roofdier, dat naar buit jaagt en zijn offer aangrijpt, zoodra het, door

uitputting overmand, een oogenblik poogt adem te scheppen.

De weg werd thans meer en meer met vluchtelingen bevolkt, die

uit de omliggende bosschen of naburige verlaten dorpen te hoop

stroomden. Weldra bevond men zich weder in het dicht gewemel van die

spookachtige, grijnzende, holoogige schrikgestalten, die de winter met

gruwzamen hoon in de avontuurlijkste kleederdrachten had uitgedost,

zoodat het lachwekkende zich in de vreeselijke nabijheid van den

hartverscheurendsten jammer scheen gewaagd te hebben. De adem bevroor

oogenblikkelijk, zoodra zij de lippen ontvlood. Vandaar waren de

lange, verwilderde baarden, ja zelfs het hoofdhaar en de wenkbrauwen

der ongelukkigen met spitse ijsnaalden bedekt, die hun het voorkomen

van stokoude, zilverharige grijsaards gaven.—Doch te midden van al

deze schriktooneelen werden de innig verknochte vriendenharten het

gevoeligst getroffen door den rampzaligen toestand van Jaromir, die,

in steeds toenemende zinsverbijstering, wel uiterlijk gevoelloos bleef

voor het lijden, waaronder anderen gebukt gingen, en bijwijlen zelfs

in krankzinnig schertsen en lachen uitbarstte, maar inwendig toch door

gestadig vernieuwde aanvallen, nu van diepe droefheid, waarbij hij een

luid gejammer hooren liet, dan van teugellooze razernij en vertwijfeling

werd aangetast. In deze vlagen van woede, die de laatste levensbanden

plotseling dreigden los te rukken, kende hij niemand en stiet zelfs

Rasinski met dolle drift van zich, zoodat de vrienden hem vasthouden

en beletten moesten, dat hij de handen aan zich zelf sloeg. Zij deden

het, doch hunne vereende krachten waren nauwelijks toereikend en zij

zagen het vreeselijk oogenblik naderen, dat zij den ijlhoofdige als een

reddeloos verloren offer aan de furiën zouden moeten ten prooi geven.

Tweemaal was de vlaag gebroken; toen de aanval zich ten derdemale

verhief, tastte deze den lijder heviger en langduriger aan dan te voren.

Eindelijk riep Rasinski: „Het is onmogelijk, wij moeten hem opgeven;

bidden wij slechts, dat de hevigheid zijner folteringen zijn einde

bespoedige!”

En reeds wilden zij hem aan zijn lot overlaten en in bandelooze drift

laten voorthollen, toen de hemel hem in Bianca een reddenden engel

toezond. Haar hart kon niet dulden, dat men zulk een vriend aan het

verderf prijsgaf, zoolang de heilige vonk des levens nog in zijne

borst gloorde. Weenend en smeekend wierp zij zich tusschen de mannen

in en riep: „O neen, geeft hem niet op, redt hem of laat ons met hem

omkomen!” Hierop wendde zij zich tot Jaromir zelven, aarzelde niet de

hand des waanzinnigen zachtkens in de hare te nemen, en smeekte op een

toon, die zelfs tot in den diepen nacht der zinneloosheid doordrong:

„O, wees bedaard! Kom tot u zelf, herken uwe vrienden en ga met ons!”

Als uit een beangstigenden droom ontwakend, staarde Jaromir haar strak

en verwonderd aan en vergat plotseling het worstelen tegen de hem

omringende vrienden. De woeste golven zijner krankzinnigheid werden

eensklaps effen, toen de vriendelijke gestalte met zachten blik

door de donkere sluiers, die zijne ziel omhulden, heendrong. Stil en

gehoorzaam als een kind vouwde hij de handen en sprak met bevende stem:

„Ik wil u immers gaarne volgen; laat mij slechts aan uwe zijde gaan en

verstoot mij niet weder!” Zij reikte hem vriendelijk den arm en zeide:

„Kom, ik wil u geleiden.” En gewillig liet hij zich leiden en brak niet

weder in gejammer, niet weder in vlagen van woede uit, maar glimlachte

stil voor zich heen, als in zalige droomen. Met ontroering bemerkten de

mannen dit vermogen der reine vrouwelijke ziel en hunne borst werd met

deemoed en vereering vervuld.

Het was de laatste beproeving. Eindelijk sloeg het uur der verlossing.

Eensklaps verhief zich onder de voorste troepen een kreet van vreugde

en verbazing, die met elken voetstap luider en luider werd en, daar

elk naar de reden vorschte, weldra in een luid geroep en geschreeuw

overging. Ten laatste bereikte ook Rasinski met de zijnen de kromming

van den weg, waar het gejoel zich het eerst had doen hooren, en de lang

gewenschte haven der redding, de eerste bevolkte, bewoonbare stad,

WILNA, lag voor hunne oogen uitgestrekt. Bij dezen aanblik kende de

verrukking geen palen; snikkend vielen de vrienden in elkanders armen

en onder het storten van heete vreugdetranen zocht hun overstelpt hart

lucht in een vurig dankgebed tot den almachtigen Helper.

Zelfs de bitterste herinneringen aan het verleden versmolten in dit

oogenblik voor de vriendelijke stralen van den gelukszon; slechts de

pijl van het heden, die nog in de versche wonde van het hart brandde,

smartte onbeschrijfelijk.

Met innigen weemoed vestigde men het oog op den ongelukkigen jongeling,

voor wien dit uur der verlossing geene waarde meer bezat. Slechts één

dag vroeger en ook hem zoude de zon der vreugde vriendelijk hebben

toegelachen!—Doch met doffen slag wierp het lot de poorten toe, juist

toen hij op den dorpel trad, en belette hem voor eeuwig den toegang tot

de vroolijke velden des levens!

Koel en onverschillig zag Jaromir de ontroering der vrienden aan.

Een oogenblik scheen het, dat hij een straal der waarheid zag

doorschemeren: hij ademde sneller, beklemder; het was, alsof de stroom

der vreugde zich met geweld uit de borst een weg banen en de klemmende

boeien der krankzinnigheid verbreken wilde. Doch deze bleven machtiger;

zuchtend liet de ongelukkige het hoofd weder zinken en zijn ontvlammend

oog verloor dien kortstondigen gloed. „Leid mij verder, Lodoiska,”

richtte hij zich smeekend tot Bianca, die, door de hevigheid harer

aandoeningen overweldigd, in Lodewijks armen hing en zich nauwelijks

kon staande houden. De gedachte echter, dat een grenzeloos ongelukkige

haren bijstand behoefde, gaf haar de noodige bedaardheid terug; zij

bood hem opnieuw den arm en, door de hoop met frissche krachten

toegerust, zette men met verhaaste schreden den weg voort.

Het nabijgelegen doel was echter moeielijk te bereiken; want reeds zag

men de wegen in hunne gansche breedte met ongelukkigen bezaaid, die

de aanblik van den gewenschten eindpaal van hun lijden aan de doffe

bedwelming had ontrukt, waarin de overmaat der geledene rampen hen

gedurende de laatste dagen had doen wegzinken. In blinde haast—gelijk

het over het geheel de vloek was, die op dezen ganschen noodlottigen

terugtocht rustte, dat men redding en verderf met dezelfde verblinding

miskende—stormden zij op de stad aan. Hoewel het ruime veld nog eene

vrije uiteenspreiding der massa's veroorloofde, bespeurde men nu reeds

een golvend samenpakken en opeendringen; wat moest het gevolg zijn,

wanneer engere toegangen het afstroomen van dezen vloed belemmerden?

Rasinski zag het met bezorgdheid. Hij vreesde eene tweede, meer

vreeselijke Beresina, wijl niet eenmaal de vijand, maar slechts de

razende verblinding der bevriende lotgenooten het onheil dreigde te

bespoedigen. Als dáár nam de gansche stroom ééne enkele richting; aan

eene dierlijke aandrift gehoor gevende, volgde elk zonder oordeel of

overleg den makker na, die voor hem ging. De zucht om het doel te

genaken, deed slechts daarop achtgeven, en langs den naasten weg wilden

allen het bereiken. Rasinski zag rond, of zich nergens een zijweg

bespeuren liet, dien men ongemerkt zou kunnen inslaan; want door zulks

plotseling te doen, vreesde hij een al te sterken stroom na zich te

zullen sleepen. Thans naderde men reeds enkele verstrooide huizen van

de voorstad en deze zelve was nabij. Zoo ergens liet het opzet zich

hier ten uitvoer brengen.

„Houd u dicht achter mij,” fluisterde hij Bernard toe, „en volg mij

onmiddellijk, wanneer ik zijlings afsla. Langs gindsche heg moet men

eene andere poort der stad bereiken, die wellicht minder door het

gedrang belegerd is.”

Daar Jaromir thans volkomen bedaard was geworden, nam hij dezen weder

in den arm en liet Bianca tusschen Lodewijk en Bernard ingaan. Reeds

begon men eene stremming in den toevloed te bespeuren, reeds werd men

meer voorwaarts gedrongen, dan men vrijwillig ging. Het was derhalve

hoog tijd, het plan te volvoeren.

„Nu,” riep Rasinski en sloeg zijwaarts af. De drie anderen volgden

hem. Door een donker voorgevoel gedreven, drongen gansche scharen

hen na, zoodat zij een tak van het stroomende gedrang op deze wijze

afleidden. De weg daalde met eene steile, gladde helling naar het veld

af. Rasinski kwam dezen hinderpaal gelukkig te boven, doch Bianca gleed

uit en viel. Schoon broeder en vriend haar dadelijk ondersteunden,

waren ook dezen te zwak, om zich op het gladde ijs staande te houden,

te meer, daar Bernard het kind droeg. Ook zij vielen dus. De stroom der

menigte drong hen aan weerszijden voorbij; hij wentelde niet over hen

heen, doch sneed hen dadelijk met dichte golven van den geleidenden

vriend af. Met moeite richtten zij zich op; Bianca had den voet

verwrikt, zoodat zij te nauwernood kon staan. Bernard zag naar Rasinski

om; deze was verdwenen en eene zwarte menigte had zich reeds over het

veld verspreid.

„Voorwaarts, voorwaarts, in 's hemels naam voorwaarts!” riep hij,

„anders worden wij voor altijd van hem gescheiden.”

Doch het was te laat. Te velen hadden zich tusschen hen en den vriend

ingedrongen, en dit getal werd nog gestadig van buiten af vermeerderd,

daar zij, die op den grooten weg nakwamen, dezen vroeger verlieten

en het veld in eene schuine richting overstaken, ten einde zich

zoo spoedig mogelijk bij de voorste troepen aan te sluiten. Tegen

dezen stroom op te worstelen was ondoenlijk; door voort te dringen

hem sneller te deelen, ook hieraan was niet te denken. Er bleef hun

dus geene andere keuze over, dan zich door den stroom lijdelijk te

laten voortstuwen. De weg kromde om de hoekige heggen en heiningen

der verspreid liggende buitentuinen; eensklaps verdeelde hij zich in

verschillende zijpaden, die alle reeds met vluchtelingen bezaaid waren.

Welke richtingen had Rasinski hier genomen? Dit was met geenerlei

zekerheid te bepalen en, al ware het ook mogelijk geweest, zoude het

toch niet gebaat hebben, want ook hier was men niet meer aan zijne

vrije verkiezing overgelaten; elk moest volgen, werwaarts de toevallige

richting der gestadig talrijker aandringende scharen hem voortdreef.

Naar denzelfden stelregel, die hem aan den oever der Beresina het leven

had gered, was Bernard er ook hier op bedacht, zich aan den stroom der

menigte te ontworstelen, om eindelijk de keus van den weg weer vrij

te hebben. Dit gelukte hem niet ver van de eerste huizen der voorstad,

in welker enge straten de verblinde scharen als eene door een wolf

vervolgde kudde binnendrongen. Ademloos en uitgeput kwamen zij ten

laatste in de ruimte; de winter, die hen zoo lang vervolgd had, werd nu

hun redder, want slooten en plassen, die hun anders zouden belet hebben,

de stad langs dezen weg te naderen, waren thans vast toegevroren.

Hun weg verlengde zich tot over het half uur, doch eindelijk bereikten

zij een andere, tegenover de eerste gelegen voorstad en zagen zich

hier geheel alleen, alsof zich geen leger in de nabijheid bevond. De

weinige armoedige huizen, welke zij hier aantroffen, konden hun geene

schuilplaats aanbieden, daar zij door de bewoners verlaten waren;

maar de geopende stadspoort lag op geringen afstand voor hen, en met

onuitsprekelijke blijdschap ontdekten zij op de breede straat reeds

verschillende goed gekleede menschen, welker geheele voorkomen verried,

dat de ellende des oorlogs hier een einde nam. Sidderend van vreugde

traden zij de poort binnen en gevoelden thans ook over het lot van

Rasinski minder ongerustheid, daar zij, bij het zien der bewoonde

huizen en der alom heerschende rust en kalmte, vooronderstellen

moesten, dat ook hij reeds eene veilige schuilplaats gevonden had.

Slechts eenige uren verademing, rust en warmte, dan zou, hoopte men, de

geliefde vriend wel op te sporen en het wederzien dubbel verblijdend

zijn.

Het naaste dak was ook het meest gewenschte; de nood verhief elke hut

tot een paleis; derhalve snelden zij met haastige, wankelende schreden

op een klein, vriendelijk huis toe, aan welks deur zij eene jonge vrouw

ontdekten, die evenals eenige voorbijgangers, de aankomenden met groote

oogen aanstaarde.

Bianca, het russisch machtig, riep haar reeds op eenigen afstand toe:

„Hebt gij plaats voor ons goede vrouw? Wij willen u rijkelijk beloonen.”

Daar vloog deze eensklaps met den uitroep: „Om aller heiligen wil,

gravin Feodorowna, zijt gij het?” de naderende te gemoet, greep hare

handen en bedekte ze met kussen. „Wat voert u herwaarts? En in dien

toestand! Barmhartige God! Herkent gij mij dan niet?”

„Axinia! Gij zijt het?” riep Feodorowna met bevende stem. „Axinia! Gij

onze redster?”

Hier begaven haar kracht en zinnen; zij wankelde, Bernard en Lodewijk

vingen haar in hunne armen op, Axinia greep het kind, snelde vooruit en

riep: „Volgt mij, hier woon ik!”

Na een duldeloos lijden hadden de ongelukkigen dan eindelijk redding,

hulp en liefde gevonden. Uit de barre wildernis waren zij tot de

gastvrije woningen der menschen teruggekeerd. Hun leven zou geen

foltering meer zijn; vriendelijk bood de werkelijkheid hun de hand—de

wisseling echter was te onmetelijk groot, te onverwacht; nu zij daar

was, vermochten zij haar niet te bevatten.

1812: Historische roman · 第 139 / 154 题