Toen Rasinski na een onrustigen slaap van den harden grond opsprong, zag
hij zich door een dichten nevel omgeven, die het woud in grijze sluiers
hulde en zelfs de naastbijzijnde voorwerpen aan het oog onttrok. Het
waren echter ditmaal geene vochtige mist- en morgendampen, die tusschen
de struiken heentrokken, maar ontelbare, zwevende ijsstofjes, welke de
lucht bezwangerden en bij elken ademtocht als bijtend gif op de longen
vielen.
„Op, op, gij slapers!” riep hij; „voorwaarts, heden kunt gij den
eindpaal van uw lijden bereiken!”
Doch slechts een gering aantal zijner lotgenooten hoorde zijn geroep.
Eenigen bewogen zich nog, kreunden uit holle borst, trachtten zich op te
richten, maar tuimelden even spoedig weer achterover, om den laatsten
zwakken adem des levens uit te blazen. De meesten lagen reeds in de
koude armen des doods en vormden een breeden kring van lijken om het
smeulend vuur. Jaromir richtte zich op. Hij had het voorkomen van eene
bleeke spookgestalte, die uit het graf oprijst; echter leefde hij nog.
Lodewijk en Bernard gevoelden, dat zij heden hunne laatste krachten
inspanden. Zonderling was het, dat Bianca het minst had geleden en door
haar voorbeeld ten bewijze kon strekken, dat het vrouwelijke lichaam der
vrouwelijke ziel gelijkt en, als deze, tegen het lijden beter bestand
is, dan dat der mannen.
Met een gevoel van huivering en afgrijzen baande zij zich over den kring
van versteenden den weg; tot op een aanmerkelijken afstand was de grond
daarmede overdekt, zoodat zij meermalen genoodzaakt werd, den voet op
menschelijke lichamen te zetten.
Jaromir scheen alle besef te hebben verloren; hij wandelde naast
Rasinski voort en volgde zwijgend elken wenk op, welken deze hem gaf.
Een akelige, doodsche stilte heerschte nog in de schemering van het
woud, want zij, die om de uitgaande vuren den nacht hadden doorgebracht,
lagen òf nog in vasten slaap òf waren reeds in de versteenende omarming
van den dood gezonken. Men ging hooge beuken voorbij, welker zware
takken tot dicht op den grond neerhingen en lijken bedekten, die in
verschillende houdingen door den dood verrast en in steenen beelden
herschapen waren. Eenigen hielden in de krampachtig toegeknelde vuist
nog de bijl geklemd, waarmede zij te vergeefs beproefd hadden deze
reusachtige boomen te vellen. Anderen hadden, met even weinig gevolg,
vuur om de stammen gelegd en ze op die wijze pogen in brand te steken;
men zag hen, het hoofd op de knoestige wortels neergebukt, de tot asch
verteerde lont nog in de hand houden.
Rasinski verhaastte zijne schreden, om dit schrikwekkend oord zoo ras
mogelijk te ontvlieden; doch de gansche weg leverde een tooneel van
ontzetting op en bij elken tred stiet de voet op nieuwe, vreeselijke
hinderpalen. Eindelijk, na verloop van een uur, bereikte men eene
opening van het woud en, daar de nevel verdunde, ontwaarde men in de
verte een huis, dat wellicht eene verkwikkende rustplaats kon aanbieden.
Met verdubbelden spoed ijlden de wandelaars daarop toe; maar toen zij
nader kwamen en de vensters verbrijzeld en van ruiten en roeden beroofd
zagen, bespeurden zij wel dat ook deze hoop hen bedrogen, dat men hier
geen verblijf voor levenden te wachten had. Rasinski verlangde echter
zekerheid en opende de slagdeur van het hoofdgebouw, dat eene schuur
of stalling scheen te zijn; doch huiverend sprong hij terug, want hij
ontdekte slechts lijken, die in dicht gedrang, ja zelfs op elkander
gehoopt, den grond bedekten en hem met verglaasde oogen aanstaarden. „Is
hier nog een levende?” vroeg hij, zich vermannende, met luider stemme.
Alles bleef doodstil in het wijde graf en de stem stierf met doffen
nagalm in de holle ruimte weg.—„Leeft hier nog iemand?” riep hij nog
eens, want zijn hart verzette zich tegen de vreeselijke gedachte, dat
in dezen warklomp van menschelijke lichamen ook niet ééne vonk van
leven meer glimmen zou. Maar het was zoo; want, toen hij zijn pistool
nam en het boven de hoofden der liggenden losbrandde, verroerde zich
nog niemand, maar alles bleef stil als in de diepste eenzaamheid eener
woestenij. Onder andere omstandigheden zou hij het bij deze poging niet
hebben laten rusten, doch thans, nu zijne dierbaarste betrekkingen, en
hij zelf met hen, in onmiddellijk doodsgevaar verkeerden, thans was zijn
edel hart ongevoeliger geworden en hij wendde zich af met de woorden:
„Alles te vergeefs! Verder, verder!” Zoo vervolgden zij hun weg met den
hoogst mogelijken spoed, want het verderf zat hun op de hielen als een
roofdier, dat naar buit jaagt en zijn offer aangrijpt, zoodra het, door
uitputting overmand, een oogenblik poogt adem te scheppen.
De weg werd thans meer en meer met vluchtelingen bevolkt, die
uit de omliggende bosschen of naburige verlaten dorpen te hoop
stroomden. Weldra bevond men zich weder in het dicht gewemel van die
spookachtige, grijnzende, holoogige schrikgestalten, die de winter met
gruwzamen hoon in de avontuurlijkste kleederdrachten had uitgedost,
zoodat het lachwekkende zich in de vreeselijke nabijheid van den
hartverscheurendsten jammer scheen gewaagd te hebben. De adem bevroor
oogenblikkelijk, zoodra zij de lippen ontvlood. Vandaar waren de
lange, verwilderde baarden, ja zelfs het hoofdhaar en de wenkbrauwen
der ongelukkigen met spitse ijsnaalden bedekt, die hun het voorkomen
van stokoude, zilverharige grijsaards gaven.—Doch te midden van al
deze schriktooneelen werden de innig verknochte vriendenharten het
gevoeligst getroffen door den rampzaligen toestand van Jaromir, die,
in steeds toenemende zinsverbijstering, wel uiterlijk gevoelloos bleef
voor het lijden, waaronder anderen gebukt gingen, en bijwijlen zelfs
in krankzinnig schertsen en lachen uitbarstte, maar inwendig toch door
gestadig vernieuwde aanvallen, nu van diepe droefheid, waarbij hij een
luid gejammer hooren liet, dan van teugellooze razernij en vertwijfeling
werd aangetast. In deze vlagen van woede, die de laatste levensbanden
plotseling dreigden los te rukken, kende hij niemand en stiet zelfs
Rasinski met dolle drift van zich, zoodat de vrienden hem vasthouden
en beletten moesten, dat hij de handen aan zich zelf sloeg. Zij deden
het, doch hunne vereende krachten waren nauwelijks toereikend en zij
zagen het vreeselijk oogenblik naderen, dat zij den ijlhoofdige als een
reddeloos verloren offer aan de furiën zouden moeten ten prooi geven.
Tweemaal was de vlaag gebroken; toen de aanval zich ten derdemale
verhief, tastte deze den lijder heviger en langduriger aan dan te voren.
Eindelijk riep Rasinski: „Het is onmogelijk, wij moeten hem opgeven;
bidden wij slechts, dat de hevigheid zijner folteringen zijn einde
bespoedige!”
En reeds wilden zij hem aan zijn lot overlaten en in bandelooze drift
laten voorthollen, toen de hemel hem in Bianca een reddenden engel
toezond. Haar hart kon niet dulden, dat men zulk een vriend aan het
verderf prijsgaf, zoolang de heilige vonk des levens nog in zijne
borst gloorde. Weenend en smeekend wierp zij zich tusschen de mannen
in en riep: „O neen, geeft hem niet op, redt hem of laat ons met hem
omkomen!” Hierop wendde zij zich tot Jaromir zelven, aarzelde niet de
hand des waanzinnigen zachtkens in de hare te nemen, en smeekte op een
toon, die zelfs tot in den diepen nacht der zinneloosheid doordrong:
„O, wees bedaard! Kom tot u zelf, herken uwe vrienden en ga met ons!”
Als uit een beangstigenden droom ontwakend, staarde Jaromir haar strak
en verwonderd aan en vergat plotseling het worstelen tegen de hem
omringende vrienden. De woeste golven zijner krankzinnigheid werden
eensklaps effen, toen de vriendelijke gestalte met zachten blik
door de donkere sluiers, die zijne ziel omhulden, heendrong. Stil en
gehoorzaam als een kind vouwde hij de handen en sprak met bevende stem:
„Ik wil u immers gaarne volgen; laat mij slechts aan uwe zijde gaan en
verstoot mij niet weder!” Zij reikte hem vriendelijk den arm en zeide:
„Kom, ik wil u geleiden.” En gewillig liet hij zich leiden en brak niet
weder in gejammer, niet weder in vlagen van woede uit, maar glimlachte
stil voor zich heen, als in zalige droomen. Met ontroering bemerkten de
mannen dit vermogen der reine vrouwelijke ziel en hunne borst werd met
deemoed en vereering vervuld.
Het was de laatste beproeving. Eindelijk sloeg het uur der verlossing.
Eensklaps verhief zich onder de voorste troepen een kreet van vreugde
en verbazing, die met elken voetstap luider en luider werd en, daar
elk naar de reden vorschte, weldra in een luid geroep en geschreeuw
overging. Ten laatste bereikte ook Rasinski met de zijnen de kromming
van den weg, waar het gejoel zich het eerst had doen hooren, en de lang
gewenschte haven der redding, de eerste bevolkte, bewoonbare stad,
WILNA, lag voor hunne oogen uitgestrekt. Bij dezen aanblik kende de
verrukking geen palen; snikkend vielen de vrienden in elkanders armen
en onder het storten van heete vreugdetranen zocht hun overstelpt hart
lucht in een vurig dankgebed tot den almachtigen Helper.
Zelfs de bitterste herinneringen aan het verleden versmolten in dit
oogenblik voor de vriendelijke stralen van den gelukszon; slechts de
pijl van het heden, die nog in de versche wonde van het hart brandde,
smartte onbeschrijfelijk.
Met innigen weemoed vestigde men het oog op den ongelukkigen jongeling,
voor wien dit uur der verlossing geene waarde meer bezat. Slechts één
dag vroeger en ook hem zoude de zon der vreugde vriendelijk hebben
toegelachen!—Doch met doffen slag wierp het lot de poorten toe, juist
toen hij op den dorpel trad, en belette hem voor eeuwig den toegang tot
de vroolijke velden des levens!
Koel en onverschillig zag Jaromir de ontroering der vrienden aan.
Een oogenblik scheen het, dat hij een straal der waarheid zag
doorschemeren: hij ademde sneller, beklemder; het was, alsof de stroom
der vreugde zich met geweld uit de borst een weg banen en de klemmende
boeien der krankzinnigheid verbreken wilde. Doch deze bleven machtiger;
zuchtend liet de ongelukkige het hoofd weder zinken en zijn ontvlammend
oog verloor dien kortstondigen gloed. „Leid mij verder, Lodoiska,”
richtte hij zich smeekend tot Bianca, die, door de hevigheid harer
aandoeningen overweldigd, in Lodewijks armen hing en zich nauwelijks
kon staande houden. De gedachte echter, dat een grenzeloos ongelukkige
haren bijstand behoefde, gaf haar de noodige bedaardheid terug; zij
bood hem opnieuw den arm en, door de hoop met frissche krachten
toegerust, zette men met verhaaste schreden den weg voort.
Het nabijgelegen doel was echter moeielijk te bereiken; want reeds zag
men de wegen in hunne gansche breedte met ongelukkigen bezaaid, die
de aanblik van den gewenschten eindpaal van hun lijden aan de doffe
bedwelming had ontrukt, waarin de overmaat der geledene rampen hen
gedurende de laatste dagen had doen wegzinken. In blinde haast—gelijk
het over het geheel de vloek was, die op dezen ganschen noodlottigen
terugtocht rustte, dat men redding en verderf met dezelfde verblinding
miskende—stormden zij op de stad aan. Hoewel het ruime veld nog eene
vrije uiteenspreiding der massa's veroorloofde, bespeurde men nu reeds
een golvend samenpakken en opeendringen; wat moest het gevolg zijn,
wanneer engere toegangen het afstroomen van dezen vloed belemmerden?
Rasinski zag het met bezorgdheid. Hij vreesde eene tweede, meer
vreeselijke Beresina, wijl niet eenmaal de vijand, maar slechts de
razende verblinding der bevriende lotgenooten het onheil dreigde te
bespoedigen. Als dáár nam de gansche stroom ééne enkele richting; aan
eene dierlijke aandrift gehoor gevende, volgde elk zonder oordeel of
overleg den makker na, die voor hem ging. De zucht om het doel te
genaken, deed slechts daarop achtgeven, en langs den naasten weg wilden
allen het bereiken. Rasinski zag rond, of zich nergens een zijweg
bespeuren liet, dien men ongemerkt zou kunnen inslaan; want door zulks
plotseling te doen, vreesde hij een al te sterken stroom na zich te
zullen sleepen. Thans naderde men reeds enkele verstrooide huizen van
de voorstad en deze zelve was nabij. Zoo ergens liet het opzet zich
hier ten uitvoer brengen.
„Houd u dicht achter mij,” fluisterde hij Bernard toe, „en volg mij
onmiddellijk, wanneer ik zijlings afsla. Langs gindsche heg moet men
eene andere poort der stad bereiken, die wellicht minder door het
gedrang belegerd is.”
Daar Jaromir thans volkomen bedaard was geworden, nam hij dezen weder
in den arm en liet Bianca tusschen Lodewijk en Bernard ingaan. Reeds
begon men eene stremming in den toevloed te bespeuren, reeds werd men
meer voorwaarts gedrongen, dan men vrijwillig ging. Het was derhalve
hoog tijd, het plan te volvoeren.
„Nu,” riep Rasinski en sloeg zijwaarts af. De drie anderen volgden
hem. Door een donker voorgevoel gedreven, drongen gansche scharen
hen na, zoodat zij een tak van het stroomende gedrang op deze wijze
afleidden. De weg daalde met eene steile, gladde helling naar het veld
af. Rasinski kwam dezen hinderpaal gelukkig te boven, doch Bianca gleed
uit en viel. Schoon broeder en vriend haar dadelijk ondersteunden,
waren ook dezen te zwak, om zich op het gladde ijs staande te houden,
te meer, daar Bernard het kind droeg. Ook zij vielen dus. De stroom der
menigte drong hen aan weerszijden voorbij; hij wentelde niet over hen
heen, doch sneed hen dadelijk met dichte golven van den geleidenden
vriend af. Met moeite richtten zij zich op; Bianca had den voet
verwrikt, zoodat zij te nauwernood kon staan. Bernard zag naar Rasinski
om; deze was verdwenen en eene zwarte menigte had zich reeds over het
veld verspreid.
„Voorwaarts, voorwaarts, in 's hemels naam voorwaarts!” riep hij,
„anders worden wij voor altijd van hem gescheiden.”
Doch het was te laat. Te velen hadden zich tusschen hen en den vriend
ingedrongen, en dit getal werd nog gestadig van buiten af vermeerderd,
daar zij, die op den grooten weg nakwamen, dezen vroeger verlieten
en het veld in eene schuine richting overstaken, ten einde zich
zoo spoedig mogelijk bij de voorste troepen aan te sluiten. Tegen
dezen stroom op te worstelen was ondoenlijk; door voort te dringen
hem sneller te deelen, ook hieraan was niet te denken. Er bleef hun
dus geene andere keuze over, dan zich door den stroom lijdelijk te
laten voortstuwen. De weg kromde om de hoekige heggen en heiningen
der verspreid liggende buitentuinen; eensklaps verdeelde hij zich in
verschillende zijpaden, die alle reeds met vluchtelingen bezaaid waren.
Welke richtingen had Rasinski hier genomen? Dit was met geenerlei
zekerheid te bepalen en, al ware het ook mogelijk geweest, zoude het
toch niet gebaat hebben, want ook hier was men niet meer aan zijne
vrije verkiezing overgelaten; elk moest volgen, werwaarts de toevallige
richting der gestadig talrijker aandringende scharen hem voortdreef.
Naar denzelfden stelregel, die hem aan den oever der Beresina het leven
had gered, was Bernard er ook hier op bedacht, zich aan den stroom der
menigte te ontworstelen, om eindelijk de keus van den weg weer vrij
te hebben. Dit gelukte hem niet ver van de eerste huizen der voorstad,
in welker enge straten de verblinde scharen als eene door een wolf
vervolgde kudde binnendrongen. Ademloos en uitgeput kwamen zij ten
laatste in de ruimte; de winter, die hen zoo lang vervolgd had, werd nu
hun redder, want slooten en plassen, die hun anders zouden belet hebben,
de stad langs dezen weg te naderen, waren thans vast toegevroren.
Hun weg verlengde zich tot over het half uur, doch eindelijk bereikten
zij een andere, tegenover de eerste gelegen voorstad en zagen zich
hier geheel alleen, alsof zich geen leger in de nabijheid bevond. De
weinige armoedige huizen, welke zij hier aantroffen, konden hun geene
schuilplaats aanbieden, daar zij door de bewoners verlaten waren;
maar de geopende stadspoort lag op geringen afstand voor hen, en met
onuitsprekelijke blijdschap ontdekten zij op de breede straat reeds
verschillende goed gekleede menschen, welker geheele voorkomen verried,
dat de ellende des oorlogs hier een einde nam. Sidderend van vreugde
traden zij de poort binnen en gevoelden thans ook over het lot van
Rasinski minder ongerustheid, daar zij, bij het zien der bewoonde
huizen en der alom heerschende rust en kalmte, vooronderstellen
moesten, dat ook hij reeds eene veilige schuilplaats gevonden had.
Slechts eenige uren verademing, rust en warmte, dan zou, hoopte men, de
geliefde vriend wel op te sporen en het wederzien dubbel verblijdend
zijn.
Het naaste dak was ook het meest gewenschte; de nood verhief elke hut
tot een paleis; derhalve snelden zij met haastige, wankelende schreden
op een klein, vriendelijk huis toe, aan welks deur zij eene jonge vrouw
ontdekten, die evenals eenige voorbijgangers, de aankomenden met groote
oogen aanstaarde.
Bianca, het russisch machtig, riep haar reeds op eenigen afstand toe:
„Hebt gij plaats voor ons goede vrouw? Wij willen u rijkelijk beloonen.”
Daar vloog deze eensklaps met den uitroep: „Om aller heiligen wil,
gravin Feodorowna, zijt gij het?” de naderende te gemoet, greep hare
handen en bedekte ze met kussen. „Wat voert u herwaarts? En in dien
toestand! Barmhartige God! Herkent gij mij dan niet?”
„Axinia! Gij zijt het?” riep Feodorowna met bevende stem. „Axinia! Gij
onze redster?”
Hier begaven haar kracht en zinnen; zij wankelde, Bernard en Lodewijk
vingen haar in hunne armen op, Axinia greep het kind, snelde vooruit en
riep: „Volgt mij, hier woon ik!”
Na een duldeloos lijden hadden de ongelukkigen dan eindelijk redding,
hulp en liefde gevonden. Uit de barre wildernis waren zij tot de
gastvrije woningen der menschen teruggekeerd. Hun leven zou geen
foltering meer zijn; vriendelijk bood de werkelijkheid hun de hand—de
wisseling echter was te onmetelijk groot, te onverwacht; nu zij daar
was, vermochten zij haar niet te bevatten.