De zon neigde achter grauwe nevelachtige wolken ter kimme;
troepsgewijze, langzaam, doodelijk afgemat sleepte eene schaar van
bleeke schaduwbeelden zich door de diepe sneeuw voort. Zij geleken
wezens uit eene andere wereld, tot welke nooit eene vriendelijke
zonnestraal was doorgedrongen. In de holle, bloedende oogen woonden
jammer en ellende; het spooksel van den honger grijnsde uit de
ingevallen wangen en bleeke lippen. De koude deed de tanden knarsend en
klapperend op elkander slaan, en op het loodvervige voorhoofd, in den
strakken blik lieten zich de voorteekenen van razernij en vertwijfeling
bespeuren. Zoo strompelden de schrikgestalten als bedwelmd en wezenloos
naast elkander voort, en waar nog een voelend wezen onder hen wandelde,
werd dit door de zich opeenhoopende verschrikkingen gemarteld en
gepijnigd, totdat het afgrijzen elke zenuw had afgestompt of het
vloekgedrocht der krankzinnigheid eindelijk toch de overmacht bekwam en
den te vergeefs wederstrevenden geest met zijne vreeselijke kluisters
omknelde.
Bianca had den sluier voor het gelaat getrokken, om zoodoende het
tafereel van den haar omringenden jammer niet te zien. Bernard en
Lodewijk liepen naast haar en namen, daar hunne verstijfde armen niet
meer in staat waren dien last te torschen, het in een paardedeken
gewikkelde kind beurtelings op den rug. Dat kleine wezen alleen bleef
kalm en rustig te midden der gestadig toenemende ellende; door de koude
vermoeid, was het in diepen slaap gezonken, doch het liep geen gevaar
van te verkleumen, daar Bianca haar pleegkind zorgvuldig tegen de koude
gedekt had.
Rasinski ging vooruit met Jaromir, die, zwak en krachteloos, zonder de
hulp en ondersteuning van den vaderlijken vriend reeds lang zou bezweken
zijn en wiens toestand, zelfs te midden dezer algemeene ellende, een
diep mededoogen inboezemde. Zijne innerlijke zielesmart deed hem zoo
vreeselijk lijden, dat hij alle lichamelijke pijnen en kwellingen bijna
zonder bewustzijn verdroeg. Hij sprak niet; slechts een bange, diepe
zucht kwam van tijd tot tijd over zijne lippen.
Zoolang het licht, dit onderpand der eeuwige genade, nog in den
dampkring trilde, had de hoop zich nog staande gehouden, maar nu de
duisternis allengs toenam en zich zwarter en zwarter op de versteende
aarde nederliet, werd de laatste glimmende vonk van moed en vertrouwen
in de versagende borst uitgedoofd en achtten de sterksten zich zelfs
verloren.
Nu was de zon verdwenen; de weg verloor zich in de donkere diepte
van een onbegrensd mastbosch; het laatste uitzicht op een dragelijk
nachtverblijf was den ongelukkigen benomen. Als dreigende reuzen rezen
de steile dennen aan weerszijden van den weg op en strekten hunne
zwarte armen over het besneeuwde wagenspoor uit. Het dichte weefsel
hunner takken sloot elke schemering des hemels buiten en scheen een
onmetelijk grafgewelf te vormen, dat plaats voor vele duizenden
aanbood. Vruchteloos trachtte het oog de lengte van dit woud te meten,
en te ontdekken, of zich achter deze onherbergzame wildernis niet nog
eenige gastvrije woningen van menschen zouden bevinden, waar men de
afgemartelde leden voor eene poos slechts veilig kon te rusten leggen.
Met dit langzaam wegstervend schijnsel van hoop in de borst, sleepten
de uitgeputte strijders zich voort, tot eindelijk de laatste krachten
bezweken. Dan struikelden zij, de voet gleed uit op den gladden spiegel
der ijskorst, zij sloegen voorover of zonken machteloos op de knieën.
Vruchteloos strekten zij de armen nog eenmaal naar de hen voorbij
waggelende lotgenooten uit; doch geen oor luisterde meer naar de stem
der smeekende ellende. De winter omvatte zijne offers met koude armen
en vermoordde hen door zijne ijzige aanblazing; het bloed stolde in de
aderen, langzaam drong de versteenende dood tot in het hart door; nu
had hij het bereikt, het hield op te slaan, de marteling was geëindigd,
het hoofd zonk voorover, een donkere bloedstroom gulpte uit de borst op
en met dezen was het laatste spoor van leven verdwenen.
De hoop op een toevluchtsoord tegen den nacht werd eindelijk door allen
opgegeven; er bleef geene keus meer, men moest zich zonder schut of
scherm aan het hongerige roofdier der koude prijsgeven. Vele troepen
hielden op het voorbeeld der voorgangers halt en maakten zich gereed,
hun bivak op te slaan.
Bernard gaf dezelfde begeerte te kennen, doch Rasinski sprak hem moed
in en drong er op aan, dat men den marsch nog een eindweegs zoude
voortzetten. Gewoon, op den aanvoerder te vertrouwen, volgden allen
zijn raad. Plotseling stond Rasinski stil. „Hier willen wij vuur
aanleggen, mijne vrienden,” sprak hij, „en beproeven, of wij den
vreeselijken nacht kunnen doorworstelen.”
„Welaan dan,” hernam Bernard; „wellicht gelukt het ons, het grimmig
ondier te verjagen, dat ons de koude tanden reeds op de borst zet.
Wolven vluchten immers voor het vuur; laat ons zien, of ook dit monster
niet tot wijken is te brengen.”
Rasinski had zelfs in dezen bijna hopeloozen toestand noch den
scherpzienden blik, wien in den drang der gevaren geen reddingsweg
ontgaat, noch de stout beradene kracht verloren, die het hollende
span des verderfs met vaste hand in de teugels grijpt en het dan ook
nog zoekt te leiden en te betoomen, wanneer het reeds met ons in den
afgrond dreigt neer te storten.
Uit dien hoofde had hij, hoewel zelf op het punt van te bezwijken,
zich tot hiertoe voortgesleept en gestadig naar eene plaats omgezien,
waar het aanleggen van vuur mogelijk was. Overal vond hij slechts
breedstammig, hoog opgeschoten of nog geheel groen hout. Hoe zou
men dat vellen of in brand krijgen? Wie bezat nog kracht genoeg, om
een steilen den te beklimmen en met de stompe sabel of bijl in den
top takken af te houwen? Daarenboven was de grond overal hoog met
sneeuw bedekt, zoodat, wanneer men de vuren daarop aanlegde, alles in
den omtrek zou smelten, waardoor het legeren onmogelijk zou worden
gemaakt. Hier echter had zijn onvermoeid rondvorschend oog twee
verdorde stammen ontdekt, waarvan de eene half omver was gevallen en
tegen een nabijstaanden boom leunde. Dezen kon men omhakken, genen
in brand steken en alsdan in de hoog opslaande vlammen ook van groen
hout gebruik maken. Tevens had hij eenige schreden verder een steilen,
eenige voeten hoogen aardwal bemerkt, waarvoor geen sneeuw lag, daar
de wind die in het vallen onderschept en over de schuine helling
voortgejaagd had. Was het mogelijk den nacht ergens door te brengen,
dan kon zulks het veiligst hier geschieden.
Onverwijld liet hij dus zijne manschappen van de plaats en de boomen
bezitnemen en was hij de eerste, die zelf de handen aan het werk sloeg.
Bernard, die sedert zijne ontmoeting met den ongelukkigen sergeant
weder wapens droeg, ging met zijn breeden hartsvanger aan het hout
vellen. Lodewijk beijverde zich de sneeuw nog verder uit den weg te
ruimen, zoodat men eene vrije legerplaats bekwam. Rasinski brak met
Jaromir, die uit eigen beweging maar zwijgend alles mededeed, het
dunne rijshout van de stammen. Door deze vereende werkzaamheid was in
weinige minuten het noodige verricht. Eene heldere vlam steeg op, de
grond werd met frissche dennetakken belegd, die men dicht onder de wal
uitspreidde, om tegen den storm gedekt te zijn; men maakte aanstalten
tot het toebereiden der zorgvuldig bespaarde levensmiddelen.
De koesterende vuurgloed gaf nieuw leven aan de verstijfde ledematen;
de uitgeputte kracht keerde na het genot van eenige spijzen terug. Met
dankbare verwondering ondervond men, dat alle levensgloed nog niet was
uitgebluscht en eene nieuwe schemering van hoop en vertrouwen brak voor
de ongelukkigen aan.
Het vlammend vuur had spoedig ook vreemde, afzonderlijk voorbijtrekkende
krijgslieden gelokt; in een dichten kring legerden zij zich in het rond
en schenen zich na de lange ontbering in het gevoel der levenwekkende
warmte niet te kunnen verzadigen. Maar de aandrang der opdagende
ongelukkigen werd gestadig sterker. Reeds ontbrak het aan ruimte, en
wilde men een nieuwen lotgezel opnemen, dan moest een reeds gelegerde
zich op zijne reeds vrij beperkte plaats nog nauwer inkrimpen. Doch
de tijd was voorbij, dat de een voor den ander met menschelijke
bereidwilligheid een deel zijner voordeelen opgaf, om hem aan het
verderf te ontrukken. De nood was te dringend, de grens tusschen
leven en dood te smal geworden. De geringste inschikkelijkheid kon
den toegevende zoover van het vuur verwijderen, dat hij door de koude
klauwen van het in de duisternis loerende monster der koude in den rug
werd aangegrepen. Daarom was er slechts plaats voor een enkele; wie haar
afstond was zelf verloren. Het was een schrikwekkend spel van het toeval
om redding of vernietiging. Bleeke schaduwbeelden waggelden uit het
duister, 't welk het vuur omgaf, te voorschijn en vertoonden zich als
afgrijselijke nachtspoken in den donkerrooden gloed der vlammen; door
eene bewustelooze drift tot zelfbehoud aangespoord, wilden zij in den
kring der gelegerden doordringen, doch werden gruwzaam, onverbiddelijk
afgewezen. De angst baarde eene machtelooze woede; zij poogde hunne
kameraden bij de schouders, bij de haren terug te trekken, doch dezen
stelden zich met wanhopige grimmigheid te weer en dreven de rampzaligen
met scherpe wapenen terug.
Deze laatste inspanning van den doodsangst heeft de krachten der
hulpeloozen ten eenenmale uitgeput; jammerend werpen zij zich op
de knieën en smeeken hunnen broeders om mededoogen, om erbarmen.
Te vergeefs! Aarde en hemel blijven doof voor de hartverscheurende
weeklachten. In wanhopigen doodsstrijd storten de verstootelingen ter
aarde en wentelen zich in de koude sneeuw rond, hun luid jammergeschrei
wordt flauwer en flauwer, sterft weg in een zacht kreunen en nokken, en
weldra kan men uit het verstommen hunner laatste zuchten opmaken, dat
de versteenende dood hun lijden voor altijd geëindigd heeft. Zoo hoopt
zich een akelige dam van lijken om den kleinen kring van levenden op.
Bianca's gevoelig hart ware tegen deze folteringen niet bestand
geweest; zij zou zich voor anderen hebben opgeofferd, tot eindelijk het
verderf haar achterhaald had. Doch de hemel nam haar in zijne genadige
bescherming; nog eer deze jammertooneelen plaats grepen, had een
diepe, geruste slaap een sluier voor hare oogen gelegd, zoodat zij het
afgrijselijke schouwspel niet kon zien; het schemerachtig weefsel der
vergetelheid omhulde hare ziel met ondoordringbare sluiers. Het was de
zoetste lafenis, welke de hand der genade op deze schrikwekkende plaats
kon aanbieden.
Lodewijk en Bernard rustten aan de zijde der sluimerende en beschermden
haar door hunne nabijheid. Angstig en huiverend had Jaromir zich tegen
Bernards borst aangedrukt; eene inwendige koude scheen hem koortsachtig
aan te doen, want tegen het geweld des winters was hij tot hiertoe
beter bestand geweest, dan een zijner makkers, ook brak hij thans zijn
diep, beangstigend stilzwijgen af en begon, wat niet in zijn aard lag,
bitterlijk te klagen. „Ik ben koud, Bernard; het is of mij het hart
bevriest. Ach, laat mij aan uwe borst rusten!—En hier, hier gloeit het
als vuur!” Hij streek hierbij met de hand over het voorhoofd, als wilde
hij de brandende pijn verzachten.
Met innig medelijden zag Bernard hem aan, want het oog des jongelings
dwaalde verwilderd in het rond en verried de verwarring van zijn eens
zoo helderen geest. De doffe bedwelming, welke de vrienden tot dusverre
met bange bezorgdheid hadden waargenomen, ging nu in eene woeste,
beangstigende opgewondenheid over, welker doodelijk gif de kiemen des
levens weldra moest vernietigen. Slaap, geruste, verkwikkende slaap,
zou nog van eene heilrijke uitwerking kunnen zijn; doch het scheen,
dat zijne stillende olie tegen de opgeruide baren der geschokte ziel
niets meer vermocht. De vriendelijke broeder van den dood, die na
deze ongehoorde vermoeienissen elk hoofd met looden last ter aarde
drukte, zoodra de inspanning van den wil slechts een oogenblik afliet,
fladderde om het hoofd des armen jongelings als een schuwe nachtvlinder
heen en weder en scheen zich daarop niet te willen nederlaten.
„Kom, kom,” sprak Bernard op den overredenden toon van broederlijke
liefde, „laat uw gloeiend hoofd hier aan mijne borst rusten, de slaap
zal het spoedig afkoelen. Drink met ons uit dezen Lethe, opdat wij
vergeten, wat om ons heen voorvalt. Alles vergeten, is immers het
beste, wat wij hier van den hemel kunnen afsmeeken! Kom, kom, slaap
mijn broeder!”
„Ja, vergeten!” zuchtte Jaromir, terwijl hij zich rillend aan den
vriend vastklemde en hem met beide armen omsloot. Bernard voelde,
hoe de ongelukkige koortsachtig sidderde en drukte hem dicht aan het
hart. „Slechts dit ééne leven,” bad hij vurig, „laat het ons behouden,
Almachtige; de smart over dit verlies zou het ruwste hart gruwzaam
verscheuren.”
Doch de uitputting liet Bernard niet lang wakend blijven; nog eenige
oogenblikken en hij lag vast omstrikt door de armen des slaaps en wist
niet meer, dat een vriend aan zijne borst, eene zuster aan zijne zijde
rustte.
Rasinski alleen zat wakend in den kring, waarin thans eene diepe,
akelige stilte heerschte. Roerloos, als had de koude dood hem
aangegrepen, lagen zijne lotgenooten om hem heen; de heldere gloed
van het vuur wierp een vreemd schijnsel op de in zonderlinge,
avontuurlijke dracht gehulde gestalten. Altijd eerst voor anderen
zorgende, was Rasinski ook thans de eerste geweest, die zich met de
zorg voor het vuur belastte. Hij rakelde het hout op, dat de vonken in
dichte lichtwolken uiteenstoven, en wierp nieuwe, groene dennetakken
in den gloed, waarvan eene zwarte rookzuil dwarlend opsteeg en over
de hoofden der sluimerenden wegtrok. Met starend oog, den arm op
de hand steunende, waakte de edele Pool, en sombere mijmeringen
vervulden zijne heldenziel. Hij overdacht zijn levensloop. Wat was
zijn leven geweest? Smart en lijden, vurig verlangen, rusteloos
streven, moeite en gevaren—en geen ander loon, dan het innerlijk
bewustzijn van eer en trouw. Van kindsbeen af ten prooi aan kommer
en verbittering over het in schande en smaad gedompelde vaderland;
sedert den jongelingsleeftijd medegevoerd in den woesten draaikolk der
wereldwisselingen; voortgedreven op den stroom des levens, de groene
oevers voorbij, zonder tijd tot landen of verwijlen, schaars door den
verren groet eener vriendelijk wenkende en lokkende gestalte verkwikt;
elk betooverend beeld van het lachende geluk door ruwe stormen ras
weggevaagd—wat had deze borst niet geleden en gedragen!
„Hm, hm,” mompelde hij, „wat verlangt gij dan? Heeft niet de glansrijke
zon der eer uw levenspad van der jeugd af bestraald?—Ach, zij is geene
zon, zij is slechts eene star, die aan den donkeren, nachtelijken hemel
glanst, maar deze vriendelijke woonstede der aarde niet verlicht, niet
verwarmt! Op dan, voorwaarts! omhoog het hoofd! Heeft mijn lot mijne
borst met zijn stalen harnas omgeven en haar aan de zachte omarming
der liefde en des vredes ontrukt, zoo zij ze althans tegen den kamp
gewapend, en de scherpe pijl stuite even machteloos weder af. Ik tart
u uit; hoop uwe verschrikkingen, uwe rampen opeen! De tijd zal komen,
dat gij mij verplettert, maar nimmer, nimmer die, dat ik mijn hoofd
angstvallig voor uw dreigenden arm verberg.”
Hij richtte zich op; zelfs toen de moed der sterksten bezweek,
ontwaakte in hem het bewustzijn van edele kracht en bood hij het
noodlot fier het hoofd.
Zwijgend, luisterend, waakzaam zat hij voor de vlam; zijn machtige wil
verbande den slaap, want hem was het leven der dierbaarste vrienden
toevertrouwd.