HOOFDSTUK VIII.

De zon neigde achter grauwe nevelachtige wolken ter kimme;

troepsgewijze, langzaam, doodelijk afgemat sleepte eene schaar van

bleeke schaduwbeelden zich door de diepe sneeuw voort. Zij geleken

wezens uit eene andere wereld, tot welke nooit eene vriendelijke

zonnestraal was doorgedrongen. In de holle, bloedende oogen woonden

jammer en ellende; het spooksel van den honger grijnsde uit de

ingevallen wangen en bleeke lippen. De koude deed de tanden knarsend en

klapperend op elkander slaan, en op het loodvervige voorhoofd, in den

strakken blik lieten zich de voorteekenen van razernij en vertwijfeling

bespeuren. Zoo strompelden de schrikgestalten als bedwelmd en wezenloos

naast elkander voort, en waar nog een voelend wezen onder hen wandelde,

werd dit door de zich opeenhoopende verschrikkingen gemarteld en

gepijnigd, totdat het afgrijzen elke zenuw had afgestompt of het

vloekgedrocht der krankzinnigheid eindelijk toch de overmacht bekwam en

den te vergeefs wederstrevenden geest met zijne vreeselijke kluisters

omknelde.

Bianca had den sluier voor het gelaat getrokken, om zoodoende het

tafereel van den haar omringenden jammer niet te zien. Bernard en

Lodewijk liepen naast haar en namen, daar hunne verstijfde armen niet

meer in staat waren dien last te torschen, het in een paardedeken

gewikkelde kind beurtelings op den rug. Dat kleine wezen alleen bleef

kalm en rustig te midden der gestadig toenemende ellende; door de koude

vermoeid, was het in diepen slaap gezonken, doch het liep geen gevaar

van te verkleumen, daar Bianca haar pleegkind zorgvuldig tegen de koude

gedekt had.

Rasinski ging vooruit met Jaromir, die, zwak en krachteloos, zonder de

hulp en ondersteuning van den vaderlijken vriend reeds lang zou bezweken

zijn en wiens toestand, zelfs te midden dezer algemeene ellende, een

diep mededoogen inboezemde. Zijne innerlijke zielesmart deed hem zoo

vreeselijk lijden, dat hij alle lichamelijke pijnen en kwellingen bijna

zonder bewustzijn verdroeg. Hij sprak niet; slechts een bange, diepe

zucht kwam van tijd tot tijd over zijne lippen.

Zoolang het licht, dit onderpand der eeuwige genade, nog in den

dampkring trilde, had de hoop zich nog staande gehouden, maar nu de

duisternis allengs toenam en zich zwarter en zwarter op de versteende

aarde nederliet, werd de laatste glimmende vonk van moed en vertrouwen

in de versagende borst uitgedoofd en achtten de sterksten zich zelfs

verloren.

Nu was de zon verdwenen; de weg verloor zich in de donkere diepte

van een onbegrensd mastbosch; het laatste uitzicht op een dragelijk

nachtverblijf was den ongelukkigen benomen. Als dreigende reuzen rezen

de steile dennen aan weerszijden van den weg op en strekten hunne

zwarte armen over het besneeuwde wagenspoor uit. Het dichte weefsel

hunner takken sloot elke schemering des hemels buiten en scheen een

onmetelijk grafgewelf te vormen, dat plaats voor vele duizenden

aanbood. Vruchteloos trachtte het oog de lengte van dit woud te meten,

en te ontdekken, of zich achter deze onherbergzame wildernis niet nog

eenige gastvrije woningen van menschen zouden bevinden, waar men de

afgemartelde leden voor eene poos slechts veilig kon te rusten leggen.

Met dit langzaam wegstervend schijnsel van hoop in de borst, sleepten

de uitgeputte strijders zich voort, tot eindelijk de laatste krachten

bezweken. Dan struikelden zij, de voet gleed uit op den gladden spiegel

der ijskorst, zij sloegen voorover of zonken machteloos op de knieën.

Vruchteloos strekten zij de armen nog eenmaal naar de hen voorbij

waggelende lotgenooten uit; doch geen oor luisterde meer naar de stem

der smeekende ellende. De winter omvatte zijne offers met koude armen

en vermoordde hen door zijne ijzige aanblazing; het bloed stolde in de

aderen, langzaam drong de versteenende dood tot in het hart door; nu

had hij het bereikt, het hield op te slaan, de marteling was geëindigd,

het hoofd zonk voorover, een donkere bloedstroom gulpte uit de borst op

en met dezen was het laatste spoor van leven verdwenen.

De hoop op een toevluchtsoord tegen den nacht werd eindelijk door allen

opgegeven; er bleef geene keus meer, men moest zich zonder schut of

scherm aan het hongerige roofdier der koude prijsgeven. Vele troepen

hielden op het voorbeeld der voorgangers halt en maakten zich gereed,

hun bivak op te slaan.

Bernard gaf dezelfde begeerte te kennen, doch Rasinski sprak hem moed

in en drong er op aan, dat men den marsch nog een eindweegs zoude

voortzetten. Gewoon, op den aanvoerder te vertrouwen, volgden allen

zijn raad. Plotseling stond Rasinski stil. „Hier willen wij vuur

aanleggen, mijne vrienden,” sprak hij, „en beproeven, of wij den

vreeselijken nacht kunnen doorworstelen.”

„Welaan dan,” hernam Bernard; „wellicht gelukt het ons, het grimmig

ondier te verjagen, dat ons de koude tanden reeds op de borst zet.

Wolven vluchten immers voor het vuur; laat ons zien, of ook dit monster

niet tot wijken is te brengen.”

Rasinski had zelfs in dezen bijna hopeloozen toestand noch den

scherpzienden blik, wien in den drang der gevaren geen reddingsweg

ontgaat, noch de stout beradene kracht verloren, die het hollende

span des verderfs met vaste hand in de teugels grijpt en het dan ook

nog zoekt te leiden en te betoomen, wanneer het reeds met ons in den

afgrond dreigt neer te storten.

Uit dien hoofde had hij, hoewel zelf op het punt van te bezwijken,

zich tot hiertoe voortgesleept en gestadig naar eene plaats omgezien,

waar het aanleggen van vuur mogelijk was. Overal vond hij slechts

breedstammig, hoog opgeschoten of nog geheel groen hout. Hoe zou

men dat vellen of in brand krijgen? Wie bezat nog kracht genoeg, om

een steilen den te beklimmen en met de stompe sabel of bijl in den

top takken af te houwen? Daarenboven was de grond overal hoog met

sneeuw bedekt, zoodat, wanneer men de vuren daarop aanlegde, alles in

den omtrek zou smelten, waardoor het legeren onmogelijk zou worden

gemaakt. Hier echter had zijn onvermoeid rondvorschend oog twee

verdorde stammen ontdekt, waarvan de eene half omver was gevallen en

tegen een nabijstaanden boom leunde. Dezen kon men omhakken, genen

in brand steken en alsdan in de hoog opslaande vlammen ook van groen

hout gebruik maken. Tevens had hij eenige schreden verder een steilen,

eenige voeten hoogen aardwal bemerkt, waarvoor geen sneeuw lag, daar

de wind die in het vallen onderschept en over de schuine helling

voortgejaagd had. Was het mogelijk den nacht ergens door te brengen,

dan kon zulks het veiligst hier geschieden.

Onverwijld liet hij dus zijne manschappen van de plaats en de boomen

bezitnemen en was hij de eerste, die zelf de handen aan het werk sloeg.

Bernard, die sedert zijne ontmoeting met den ongelukkigen sergeant

weder wapens droeg, ging met zijn breeden hartsvanger aan het hout

vellen. Lodewijk beijverde zich de sneeuw nog verder uit den weg te

ruimen, zoodat men eene vrije legerplaats bekwam. Rasinski brak met

Jaromir, die uit eigen beweging maar zwijgend alles mededeed, het

dunne rijshout van de stammen. Door deze vereende werkzaamheid was in

weinige minuten het noodige verricht. Eene heldere vlam steeg op, de

grond werd met frissche dennetakken belegd, die men dicht onder de wal

uitspreidde, om tegen den storm gedekt te zijn; men maakte aanstalten

tot het toebereiden der zorgvuldig bespaarde levensmiddelen.

De koesterende vuurgloed gaf nieuw leven aan de verstijfde ledematen;

de uitgeputte kracht keerde na het genot van eenige spijzen terug. Met

dankbare verwondering ondervond men, dat alle levensgloed nog niet was

uitgebluscht en eene nieuwe schemering van hoop en vertrouwen brak voor

de ongelukkigen aan.

Het vlammend vuur had spoedig ook vreemde, afzonderlijk voorbijtrekkende

krijgslieden gelokt; in een dichten kring legerden zij zich in het rond

en schenen zich na de lange ontbering in het gevoel der levenwekkende

warmte niet te kunnen verzadigen. Maar de aandrang der opdagende

ongelukkigen werd gestadig sterker. Reeds ontbrak het aan ruimte, en

wilde men een nieuwen lotgezel opnemen, dan moest een reeds gelegerde

zich op zijne reeds vrij beperkte plaats nog nauwer inkrimpen. Doch

de tijd was voorbij, dat de een voor den ander met menschelijke

bereidwilligheid een deel zijner voordeelen opgaf, om hem aan het

verderf te ontrukken. De nood was te dringend, de grens tusschen

leven en dood te smal geworden. De geringste inschikkelijkheid kon

den toegevende zoover van het vuur verwijderen, dat hij door de koude

klauwen van het in de duisternis loerende monster der koude in den rug

werd aangegrepen. Daarom was er slechts plaats voor een enkele; wie haar

afstond was zelf verloren. Het was een schrikwekkend spel van het toeval

om redding of vernietiging. Bleeke schaduwbeelden waggelden uit het

duister, 't welk het vuur omgaf, te voorschijn en vertoonden zich als

afgrijselijke nachtspoken in den donkerrooden gloed der vlammen; door

eene bewustelooze drift tot zelfbehoud aangespoord, wilden zij in den

kring der gelegerden doordringen, doch werden gruwzaam, onverbiddelijk

afgewezen. De angst baarde eene machtelooze woede; zij poogde hunne

kameraden bij de schouders, bij de haren terug te trekken, doch dezen

stelden zich met wanhopige grimmigheid te weer en dreven de rampzaligen

met scherpe wapenen terug.

Deze laatste inspanning van den doodsangst heeft de krachten der

hulpeloozen ten eenenmale uitgeput; jammerend werpen zij zich op

de knieën en smeeken hunnen broeders om mededoogen, om erbarmen.

Te vergeefs! Aarde en hemel blijven doof voor de hartverscheurende

weeklachten. In wanhopigen doodsstrijd storten de verstootelingen ter

aarde en wentelen zich in de koude sneeuw rond, hun luid jammergeschrei

wordt flauwer en flauwer, sterft weg in een zacht kreunen en nokken, en

weldra kan men uit het verstommen hunner laatste zuchten opmaken, dat

de versteenende dood hun lijden voor altijd geëindigd heeft. Zoo hoopt

zich een akelige dam van lijken om den kleinen kring van levenden op.

Bianca's gevoelig hart ware tegen deze folteringen niet bestand

geweest; zij zou zich voor anderen hebben opgeofferd, tot eindelijk het

verderf haar achterhaald had. Doch de hemel nam haar in zijne genadige

bescherming; nog eer deze jammertooneelen plaats grepen, had een

diepe, geruste slaap een sluier voor hare oogen gelegd, zoodat zij het

afgrijselijke schouwspel niet kon zien; het schemerachtig weefsel der

vergetelheid omhulde hare ziel met ondoordringbare sluiers. Het was de

zoetste lafenis, welke de hand der genade op deze schrikwekkende plaats

kon aanbieden.

Lodewijk en Bernard rustten aan de zijde der sluimerende en beschermden

haar door hunne nabijheid. Angstig en huiverend had Jaromir zich tegen

Bernards borst aangedrukt; eene inwendige koude scheen hem koortsachtig

aan te doen, want tegen het geweld des winters was hij tot hiertoe

beter bestand geweest, dan een zijner makkers, ook brak hij thans zijn

diep, beangstigend stilzwijgen af en begon, wat niet in zijn aard lag,

bitterlijk te klagen. „Ik ben koud, Bernard; het is of mij het hart

bevriest. Ach, laat mij aan uwe borst rusten!—En hier, hier gloeit het

als vuur!” Hij streek hierbij met de hand over het voorhoofd, als wilde

hij de brandende pijn verzachten.

Met innig medelijden zag Bernard hem aan, want het oog des jongelings

dwaalde verwilderd in het rond en verried de verwarring van zijn eens

zoo helderen geest. De doffe bedwelming, welke de vrienden tot dusverre

met bange bezorgdheid hadden waargenomen, ging nu in eene woeste,

beangstigende opgewondenheid over, welker doodelijk gif de kiemen des

levens weldra moest vernietigen. Slaap, geruste, verkwikkende slaap,

zou nog van eene heilrijke uitwerking kunnen zijn; doch het scheen,

dat zijne stillende olie tegen de opgeruide baren der geschokte ziel

niets meer vermocht. De vriendelijke broeder van den dood, die na

deze ongehoorde vermoeienissen elk hoofd met looden last ter aarde

drukte, zoodra de inspanning van den wil slechts een oogenblik afliet,

fladderde om het hoofd des armen jongelings als een schuwe nachtvlinder

heen en weder en scheen zich daarop niet te willen nederlaten.

„Kom, kom,” sprak Bernard op den overredenden toon van broederlijke

liefde, „laat uw gloeiend hoofd hier aan mijne borst rusten, de slaap

zal het spoedig afkoelen. Drink met ons uit dezen Lethe, opdat wij

vergeten, wat om ons heen voorvalt. Alles vergeten, is immers het

beste, wat wij hier van den hemel kunnen afsmeeken! Kom, kom, slaap

mijn broeder!”

„Ja, vergeten!” zuchtte Jaromir, terwijl hij zich rillend aan den

vriend vastklemde en hem met beide armen omsloot. Bernard voelde,

hoe de ongelukkige koortsachtig sidderde en drukte hem dicht aan het

hart. „Slechts dit ééne leven,” bad hij vurig, „laat het ons behouden,

Almachtige; de smart over dit verlies zou het ruwste hart gruwzaam

verscheuren.”

Doch de uitputting liet Bernard niet lang wakend blijven; nog eenige

oogenblikken en hij lag vast omstrikt door de armen des slaaps en wist

niet meer, dat een vriend aan zijne borst, eene zuster aan zijne zijde

rustte.

Rasinski alleen zat wakend in den kring, waarin thans eene diepe,

akelige stilte heerschte. Roerloos, als had de koude dood hem

aangegrepen, lagen zijne lotgenooten om hem heen; de heldere gloed

van het vuur wierp een vreemd schijnsel op de in zonderlinge,

avontuurlijke dracht gehulde gestalten. Altijd eerst voor anderen

zorgende, was Rasinski ook thans de eerste geweest, die zich met de

zorg voor het vuur belastte. Hij rakelde het hout op, dat de vonken in

dichte lichtwolken uiteenstoven, en wierp nieuwe, groene dennetakken

in den gloed, waarvan eene zwarte rookzuil dwarlend opsteeg en over

de hoofden der sluimerenden wegtrok. Met starend oog, den arm op

de hand steunende, waakte de edele Pool, en sombere mijmeringen

vervulden zijne heldenziel. Hij overdacht zijn levensloop. Wat was

zijn leven geweest? Smart en lijden, vurig verlangen, rusteloos

streven, moeite en gevaren—en geen ander loon, dan het innerlijk

bewustzijn van eer en trouw. Van kindsbeen af ten prooi aan kommer

en verbittering over het in schande en smaad gedompelde vaderland;

sedert den jongelingsleeftijd medegevoerd in den woesten draaikolk der

wereldwisselingen; voortgedreven op den stroom des levens, de groene

oevers voorbij, zonder tijd tot landen of verwijlen, schaars door den

verren groet eener vriendelijk wenkende en lokkende gestalte verkwikt;

elk betooverend beeld van het lachende geluk door ruwe stormen ras

weggevaagd—wat had deze borst niet geleden en gedragen!

„Hm, hm,” mompelde hij, „wat verlangt gij dan? Heeft niet de glansrijke

zon der eer uw levenspad van der jeugd af bestraald?—Ach, zij is geene

zon, zij is slechts eene star, die aan den donkeren, nachtelijken hemel

glanst, maar deze vriendelijke woonstede der aarde niet verlicht, niet

verwarmt! Op dan, voorwaarts! omhoog het hoofd! Heeft mijn lot mijne

borst met zijn stalen harnas omgeven en haar aan de zachte omarming

der liefde en des vredes ontrukt, zoo zij ze althans tegen den kamp

gewapend, en de scherpe pijl stuite even machteloos weder af. Ik tart

u uit; hoop uwe verschrikkingen, uwe rampen opeen! De tijd zal komen,

dat gij mij verplettert, maar nimmer, nimmer die, dat ik mijn hoofd

angstvallig voor uw dreigenden arm verberg.”

Hij richtte zich op; zelfs toen de moed der sterksten bezweek,

ontwaakte in hem het bewustzijn van edele kracht en bood hij het

noodlot fier het hoofd.

Zwijgend, luisterend, waakzaam zat hij voor de vlam; zijn machtige wil

verbande den slaap, want hem was het leven der dierbaarste vrienden

toevertrouwd.

1812: Historische roman · 第 136 / 154 题