Een voedzame maaltijd had de vermoeiden verkwikt; thans overweldigde
de ontspanning van het lichaam zelfs de diepste smart der ziel. Allen
zonken spoedig in een lang ontbeerden, zoeten slaap, die hun het lijden
en de bekommernissen voor een korten tijd geheel deed vergeten.
De koude nam intusschen in hevigheid niet af, maar deed integendeel
hare verschrikkingen in steeds toenemende mate op de velden
nederdalen. Een geluk was met dit onheil verbonden: de felle vorst, die
de voeten der vluchtelingen als in ijzeren boeien sloot, belemmerde ook
de schreden der vervolgers. De woede der natuur was zooveel machtiger
dan die van den krijg, dat zij als vanzelve een wapenstilstand deed
geboren worden.
Een driftig kloppen aan de deur en een woest gedruisch daar buiten
deden Rasinski ontwaken. Hij sprong dadelijk op en luisterde, eer hij
op het roepen en spreken antwoordde, aandachtig toe, ten einde zich
te overtuigen, of het vrienden of vijanden waren, die deze stoornis
veroorzaakten. Weldra ontdekte hij, dat het Russen waren, die aan de
deur klopten. Hij zag naar den tijd; het was zes uren. Buiten moest het
nog volkomen duister zijn. Zijne vrienden lagen in vasten slaap, alleen
de huiswaard begon te ontwaken en vroeg nog half slaapdronken: „Wie is
daar?”
Rasinski sprong op hem toe, schudde hem geheel wakker en beet hem in het
oor: „Gij zijt verloren, zoo gij ons door een enkel woord verraadt; laat
mij alleen begaan.” De verschrikte oude gaf door teekens te kennen dat
hij gehoorzamen wilde. Rasinski ging hierop naar de deur en vroeg in het
russisch: „Wie is daar?”
„Wij zijn Russen, vriend,” luidde het antwoord. „De koude brengt ons
om, wij hebben een nachtmarsch gemaakt, open terstond, wij zijn slechts
weinigen!”
„Bij de heilige moeder Maria,” antwoordde Rasinski, „gij zijt verloren,
als ik opendoe, want mijn huis is vol Franschen. Rijdt toch spoedig
verder.”
„Duivel!” riep de stem. „Hoe sterk zijn zij?”
„O, er zijn er meer dan mijn huis bevatten kan. Over de vijftig, heer,
en vele officieren!”
„Zwijg dan, zoo gij uw leven liefhebt. Binnen een half uur moeten mijne
manschappen hier zijn; ik ga hun tegemoet. De vijanden, die in dit huis
zijn, moeten in onze handen vallen.—Is de plaats ook nog bezet?”
„Ik weet het niet, heer! Misschien zijn zij reeds opgebroken.”
„Dan moeten wij ons haasten! Binnen een half uur zijn wij terug, zoek
hen zoolang op te houden.”
De ruiters verwijderden zich. Rasinski bleef luisteren, tot de hoefslag
der paarden zich in de verte verloor, en schudde hierop dadelijk zijne
vrienden uit den slaap wakker.
„Wat is er gaande?” vroeg Bernard.
„De vijand zit ons op de hielen,” antwoordde Rasinski. „Haast u, wij
moeten oogenblikkelijk weg en in het vlak alles oproepen, wat nog niet
op de been is. Binnen een half uur hebben wij de kozakken te wachten.”
Deze woorden brachten de slaapdronken manschappen geheel tot zich
zelve. Eer er drie minuten verloopen waren, stonden allen gereed, den
bezwaarlijken marsch door den ruwen winternacht te ondernemen. De
grijsaard moest overgeven, wat hij van levensmiddelen en brandewijn
bezat, ten einde het te verdeelen en mede te nemen. Sidderend greep hij
Rasinski's hand en sprak: „O, heer, wat zal nu mijn lot worden! Zal men
mij niet voor een verrader houden en wraak aan mij nemen?”
„Neen, oude, zeker niet,” hernam Rasinski; „spreek de zuivere waarheid,
die zal u het best beschermen. Doch wacht—ik zal u nog meer zekerheid
geven.”
Hij nam een blad papier uit zijne brieventasch en schreef in het
russisch:
„Heer kameraad! Het lag slechts aan ons, u, door verraderlijk te
openen, tot onzen gevangene te maken. Wij verlangen echter alleen
onze eigene redding, want de slachtoffers van dezen oorlog noodeloos
te vermeerderen, schijnt ons een gruwel. Houd den ouden bewoner van
dezen hut niet van verraad verdacht, want niet hij, maar een fransch
officier, die uwe taal machtig is en dit schrijft, sprak met u, terwijl
alle overigen in diepen slaap lagen.”
Hij vouwde het papier toe en gaf het den oude over. „Dit briefje stelt
u volkomen in zekerheid,” sprak hij. „Vergeet uw eed niet! Bestel het
lijk, dat wij u achterlaten, eerlijk ter aarde of laat het in het gewelf
uwer kerk bijzetten. Neem deze beurs, zij bevat de middelen daartoe en
bovendien eene rijkelijke belooning. Wellicht wordt het vrede en kan
ik spoedig terugkeeren. Kunt gij mij dan de kist met het dierbare lijk
toonen, dan zult gij tienmaal zooveel goud ontvangen. Thans vaarwel,
oude! De hemel zegene u, zoo gij uwe belofte eerlijk nakomt.”
Allen waren marschvaardig; men brak op, Rasinski ging vooraan.
Zwarte duisternis bedekte de aarde; eene doodelijke stilte heerschte in
het rond, het kraken der sneeuw onder de voeten der wandelaars was het
eenig geluid, dat zich hooren liet. Niemand sprak, want de snijdende
koude maakte elken ademtocht pijnlijk. Het gezicht zoo zorgvuldig
mogelijk bedekt, trad men zwijgend in de voetstappen van den voorman en
hield zich slechts met zijne eigene gedachten bezig.
Toen de kleine bende de eerste hutten van het vlek bereikte, vond zij
de deuren open, de huizen ledig. Men was reeds opgebroken.
„Het schijnt, dat wij alleen zijn achtergebleven,” sprak Rasinski tot
Bernard. „Wij moeten onze krachten inspannen en het woud trachten
te bereiken, waar wij, ook wanneer de dag aanbreekt, vooreerst in
veiligheid zullen zijn.”—Deze eene rustig doorgebrachte nacht had
aller krachten zoodanig gesterkt, dat zij tegen nieuwe vermoeienissen
bestand en tot een versnelden marsch zouden in staat geweest zijn,
had niet de vreeselijke koude diegenen, welker kleeding niet dicht
genoeg was, met een zoo moorddadig geweld aangegrepen; hetgeen
vooral het geval was, toen zij aan gene zijde van het vlek eene niet
onaanzienlijke hoogte bestijgen moesten. Hier ontdekten zij ook sporen
van het leger, want in het duister stiet de voet van tijd tot tijd op
lijken, die, tot steen verhard, midden op den weg lagen. Met huivering
gingen zij deze stomme wegwijzers voorbij en niemand waagde het, zijne
gewaarwordingen aan zijn nevenman mede te deelen. Echter werden allen
door hetzelfde gevoel van angst beklemd, bij het denkbeeld, dat ook zij
zelven op dezen harden grond nederzinken en in de ijzige armen van den
winter versteenen konden.
Rasinski, die met de landstreek bekend was, sloeg ter zijde van den
grooten weg af, ten einde Smorgoni langs een nader en veiliger pad te
bereiken. Tegelijk onttrok het woud hen aan het gezicht des vijands,
die hen misschien vervolgen kon. De koude dreef hen tot den hoogst
mogelijken spoed, zoodat men, toen de donkerroode schijf der zon boven
den gezichteinder oprees en hare eerste stralen door de dichtste takken
der dennen wierp, reeds een aanmerkelijken afstand had afgelegd.
Bianca droeg alle vermoeienissen en bezwaren met eene verwonderlijke
bedaardheid; geen klaagtoon, geen zucht kwam over hare lippen, hoewel
haar teedere lichaamsbouw onder zulke inspanningen scheen te moeten
bezwijken. Ja zelfs haar blik werd niet treurig of bezorgd, en daar zij
het spreken vermijden moest, zag zij Lodewijk en Bernard toch dikwijls
met vriendelijke oogen aan, alsof zij zeggen wilde: verontrust u niet
over mij; ik ben wèl.
Eindelijk gebood de uitputting eenige oogenblikken rust, hoe gevaarlijk
deze bij de koude ook wezen mocht. Niet zoodra toch had de slaap het
vermoeide lichaam overmand, of ook de dood loerde reeds achter den
zachteren broeder, om het ooglid, dat deze zacht had toegedrukt, met
zijne ijzeren hand voor eeuwig te sluiten. Rasinski deed de vrienden
op een sterken boomstam, die aan den weg lag, nederzitten; hij zelf
wandelde op en neder en droeg zorg, dat geen der hem toevertrouwden
zich door den slaap liet overrompelen. Dezen dienst bewezen allen
elkander wederkeerig, en zoo brachten zij de twee middaguren meest
zittend en dus rustend door. Eindelijk begaven zij zich weder op weg en
bereikten tegen den laten avond Smorgoni. De stad was vol troepen, doch
Rasinski was gelukkig genoeg, den Maarschalk Ney aan te treffen, die
hem een nachtverblijf voor de zijnen liet aanwijzen en hem vervolgens
bij zich ontbood.
Na verloop van een uur keerde Rasinski van den maarschalk terug.
„In 's Hemels naam, wat deert u?” vroeg Bernard, die hem nog nooit zoo
ontroerd gezien had.
„Gij zult het tijdig genoeg vernemen,” antwoordde Rasinski; „voor het
tegenwoordige is het nog een geheim.”
Zwijgend zette hij zich neder en leunde het hoofd in de hand. Allen
hielden zich stil, niemand waagde het, hem meer te vragen.
Bernard sloeg hem ongemerkt gade. Zijn donker oog hechtte zich op geen
bepaald voorwerp; hij staarde slechts strak voor zich uit en scheen de
voorwerpen, waarop het viel, niet te bemerken. Van tijd tot tijd hief
hij den blik ten hemel en een heldere traan rolde over zijne bleeke
wangen. Eindelijk stond hij op. Hij scheen in de worsteling met zijne
smart meester te zijn gebleven.
„En wat zou het dan nog?—Het moest zoo zijn!—Hij had gelijk!”—mompelde
hij half verstaanbaar. Hierop wendde hij zich tot de vrienden en
sprak vriendelijk: „Ach, mijne besten, stoort u niet aan mij—ik ben
verstrooid. Er is iets, dat mij op het hart drukt. De slaap zal mij
opbeuren.”
Met deze woorden wikkelde hij zich in zijn mantel en legde zich op den
grond neder, waar zijne ruiters reeds sinds een uur gerust sliepen.
Jaromir lag in een anderen hoek van het vertrek; zonder een enkel woord
te spreken, had hij zich dadelijk bij zijne aankomst ter rust begeven.
Lodewijk, Bianca en Bernard waren alleen nog wakker gebleven en zagen
elkander weemoedig aan, zonder dat zij het wagen durfden, voor hunne
bezorgdheid uit te komen. Eene drukkende beklemdheid benauwde hunne
borst; de onuitsprekelijke liefde, die zij elkander toedroegen, was de
eenige lichtstar, die in dezen donkeren nacht voor hen schemerde en
troost uitstortte in hun versagend hart.
Zoo verstreek andermaal een lange nacht, tot de schemering hen tot
nieuwe zorgen en gevaren deed ontwaken. Toen zij op het punt stonden,
de hut te verlaten, hield Rasinski hen tegen en zeide: „Eerst moet ik
u ontdekken, wat mij gisteren bijna verpletterde. _De keizer heeft het
leger verlaten!_”
Allen staarden hem vragend en met angstige blikken aan.
„En hij had gelijk!” vervolgde hij. „Gisteren was ik even ontroerd
als gij thans, want ik weet, dat het onwrikbare vertrouwen op zijn
reuzengeest de eenige band was, die de armzalige overblijfsels van het
groote leger nog te zamen hield. Maar het moest zoo zijn. Wij kunnen
niets meer redden dan ons zelven; de keizer heeft eene meer gewichtige
taak te volbrengen. Parijs is thans het slagveld, waar hij handelen
moet. Hier is alles verloren, daar alles te redden. Wij blijven aan
ons zelven overgelaten en willen voor ons zelven zorgen.”
Zij braken op.