HOOFDSTUK VII.

Een voedzame maaltijd had de vermoeiden verkwikt; thans overweldigde

de ontspanning van het lichaam zelfs de diepste smart der ziel. Allen

zonken spoedig in een lang ontbeerden, zoeten slaap, die hun het lijden

en de bekommernissen voor een korten tijd geheel deed vergeten.

De koude nam intusschen in hevigheid niet af, maar deed integendeel

hare verschrikkingen in steeds toenemende mate op de velden

nederdalen. Een geluk was met dit onheil verbonden: de felle vorst, die

de voeten der vluchtelingen als in ijzeren boeien sloot, belemmerde ook

de schreden der vervolgers. De woede der natuur was zooveel machtiger

dan die van den krijg, dat zij als vanzelve een wapenstilstand deed

geboren worden.

Een driftig kloppen aan de deur en een woest gedruisch daar buiten

deden Rasinski ontwaken. Hij sprong dadelijk op en luisterde, eer hij

op het roepen en spreken antwoordde, aandachtig toe, ten einde zich

te overtuigen, of het vrienden of vijanden waren, die deze stoornis

veroorzaakten. Weldra ontdekte hij, dat het Russen waren, die aan de

deur klopten. Hij zag naar den tijd; het was zes uren. Buiten moest het

nog volkomen duister zijn. Zijne vrienden lagen in vasten slaap, alleen

de huiswaard begon te ontwaken en vroeg nog half slaapdronken: „Wie is

daar?”

Rasinski sprong op hem toe, schudde hem geheel wakker en beet hem in het

oor: „Gij zijt verloren, zoo gij ons door een enkel woord verraadt; laat

mij alleen begaan.” De verschrikte oude gaf door teekens te kennen dat

hij gehoorzamen wilde. Rasinski ging hierop naar de deur en vroeg in het

russisch: „Wie is daar?”

„Wij zijn Russen, vriend,” luidde het antwoord. „De koude brengt ons

om, wij hebben een nachtmarsch gemaakt, open terstond, wij zijn slechts

weinigen!”

„Bij de heilige moeder Maria,” antwoordde Rasinski, „gij zijt verloren,

als ik opendoe, want mijn huis is vol Franschen. Rijdt toch spoedig

verder.”

„Duivel!” riep de stem. „Hoe sterk zijn zij?”

„O, er zijn er meer dan mijn huis bevatten kan. Over de vijftig, heer,

en vele officieren!”

„Zwijg dan, zoo gij uw leven liefhebt. Binnen een half uur moeten mijne

manschappen hier zijn; ik ga hun tegemoet. De vijanden, die in dit huis

zijn, moeten in onze handen vallen.—Is de plaats ook nog bezet?”

„Ik weet het niet, heer! Misschien zijn zij reeds opgebroken.”

„Dan moeten wij ons haasten! Binnen een half uur zijn wij terug, zoek

hen zoolang op te houden.”

De ruiters verwijderden zich. Rasinski bleef luisteren, tot de hoefslag

der paarden zich in de verte verloor, en schudde hierop dadelijk zijne

vrienden uit den slaap wakker.

„Wat is er gaande?” vroeg Bernard.

„De vijand zit ons op de hielen,” antwoordde Rasinski. „Haast u, wij

moeten oogenblikkelijk weg en in het vlak alles oproepen, wat nog niet

op de been is. Binnen een half uur hebben wij de kozakken te wachten.”

Deze woorden brachten de slaapdronken manschappen geheel tot zich

zelve. Eer er drie minuten verloopen waren, stonden allen gereed, den

bezwaarlijken marsch door den ruwen winternacht te ondernemen. De

grijsaard moest overgeven, wat hij van levensmiddelen en brandewijn

bezat, ten einde het te verdeelen en mede te nemen. Sidderend greep hij

Rasinski's hand en sprak: „O, heer, wat zal nu mijn lot worden! Zal men

mij niet voor een verrader houden en wraak aan mij nemen?”

„Neen, oude, zeker niet,” hernam Rasinski; „spreek de zuivere waarheid,

die zal u het best beschermen. Doch wacht—ik zal u nog meer zekerheid

geven.”

Hij nam een blad papier uit zijne brieventasch en schreef in het

russisch:

„Heer kameraad! Het lag slechts aan ons, u, door verraderlijk te

openen, tot onzen gevangene te maken. Wij verlangen echter alleen

onze eigene redding, want de slachtoffers van dezen oorlog noodeloos

te vermeerderen, schijnt ons een gruwel. Houd den ouden bewoner van

dezen hut niet van verraad verdacht, want niet hij, maar een fransch

officier, die uwe taal machtig is en dit schrijft, sprak met u, terwijl

alle overigen in diepen slaap lagen.”

Hij vouwde het papier toe en gaf het den oude over. „Dit briefje stelt

u volkomen in zekerheid,” sprak hij. „Vergeet uw eed niet! Bestel het

lijk, dat wij u achterlaten, eerlijk ter aarde of laat het in het gewelf

uwer kerk bijzetten. Neem deze beurs, zij bevat de middelen daartoe en

bovendien eene rijkelijke belooning. Wellicht wordt het vrede en kan

ik spoedig terugkeeren. Kunt gij mij dan de kist met het dierbare lijk

toonen, dan zult gij tienmaal zooveel goud ontvangen. Thans vaarwel,

oude! De hemel zegene u, zoo gij uwe belofte eerlijk nakomt.”

Allen waren marschvaardig; men brak op, Rasinski ging vooraan.

Zwarte duisternis bedekte de aarde; eene doodelijke stilte heerschte in

het rond, het kraken der sneeuw onder de voeten der wandelaars was het

eenig geluid, dat zich hooren liet. Niemand sprak, want de snijdende

koude maakte elken ademtocht pijnlijk. Het gezicht zoo zorgvuldig

mogelijk bedekt, trad men zwijgend in de voetstappen van den voorman en

hield zich slechts met zijne eigene gedachten bezig.

Toen de kleine bende de eerste hutten van het vlek bereikte, vond zij

de deuren open, de huizen ledig. Men was reeds opgebroken.

„Het schijnt, dat wij alleen zijn achtergebleven,” sprak Rasinski tot

Bernard. „Wij moeten onze krachten inspannen en het woud trachten

te bereiken, waar wij, ook wanneer de dag aanbreekt, vooreerst in

veiligheid zullen zijn.”—Deze eene rustig doorgebrachte nacht had

aller krachten zoodanig gesterkt, dat zij tegen nieuwe vermoeienissen

bestand en tot een versnelden marsch zouden in staat geweest zijn,

had niet de vreeselijke koude diegenen, welker kleeding niet dicht

genoeg was, met een zoo moorddadig geweld aangegrepen; hetgeen

vooral het geval was, toen zij aan gene zijde van het vlek eene niet

onaanzienlijke hoogte bestijgen moesten. Hier ontdekten zij ook sporen

van het leger, want in het duister stiet de voet van tijd tot tijd op

lijken, die, tot steen verhard, midden op den weg lagen. Met huivering

gingen zij deze stomme wegwijzers voorbij en niemand waagde het, zijne

gewaarwordingen aan zijn nevenman mede te deelen. Echter werden allen

door hetzelfde gevoel van angst beklemd, bij het denkbeeld, dat ook zij

zelven op dezen harden grond nederzinken en in de ijzige armen van den

winter versteenen konden.

Rasinski, die met de landstreek bekend was, sloeg ter zijde van den

grooten weg af, ten einde Smorgoni langs een nader en veiliger pad te

bereiken. Tegelijk onttrok het woud hen aan het gezicht des vijands,

die hen misschien vervolgen kon. De koude dreef hen tot den hoogst

mogelijken spoed, zoodat men, toen de donkerroode schijf der zon boven

den gezichteinder oprees en hare eerste stralen door de dichtste takken

der dennen wierp, reeds een aanmerkelijken afstand had afgelegd.

Bianca droeg alle vermoeienissen en bezwaren met eene verwonderlijke

bedaardheid; geen klaagtoon, geen zucht kwam over hare lippen, hoewel

haar teedere lichaamsbouw onder zulke inspanningen scheen te moeten

bezwijken. Ja zelfs haar blik werd niet treurig of bezorgd, en daar zij

het spreken vermijden moest, zag zij Lodewijk en Bernard toch dikwijls

met vriendelijke oogen aan, alsof zij zeggen wilde: verontrust u niet

over mij; ik ben wèl.

Eindelijk gebood de uitputting eenige oogenblikken rust, hoe gevaarlijk

deze bij de koude ook wezen mocht. Niet zoodra toch had de slaap het

vermoeide lichaam overmand, of ook de dood loerde reeds achter den

zachteren broeder, om het ooglid, dat deze zacht had toegedrukt, met

zijne ijzeren hand voor eeuwig te sluiten. Rasinski deed de vrienden

op een sterken boomstam, die aan den weg lag, nederzitten; hij zelf

wandelde op en neder en droeg zorg, dat geen der hem toevertrouwden

zich door den slaap liet overrompelen. Dezen dienst bewezen allen

elkander wederkeerig, en zoo brachten zij de twee middaguren meest

zittend en dus rustend door. Eindelijk begaven zij zich weder op weg en

bereikten tegen den laten avond Smorgoni. De stad was vol troepen, doch

Rasinski was gelukkig genoeg, den Maarschalk Ney aan te treffen, die

hem een nachtverblijf voor de zijnen liet aanwijzen en hem vervolgens

bij zich ontbood.

Na verloop van een uur keerde Rasinski van den maarschalk terug.

„In 's Hemels naam, wat deert u?” vroeg Bernard, die hem nog nooit zoo

ontroerd gezien had.

„Gij zult het tijdig genoeg vernemen,” antwoordde Rasinski; „voor het

tegenwoordige is het nog een geheim.”

Zwijgend zette hij zich neder en leunde het hoofd in de hand. Allen

hielden zich stil, niemand waagde het, hem meer te vragen.

Bernard sloeg hem ongemerkt gade. Zijn donker oog hechtte zich op geen

bepaald voorwerp; hij staarde slechts strak voor zich uit en scheen de

voorwerpen, waarop het viel, niet te bemerken. Van tijd tot tijd hief

hij den blik ten hemel en een heldere traan rolde over zijne bleeke

wangen. Eindelijk stond hij op. Hij scheen in de worsteling met zijne

smart meester te zijn gebleven.

„En wat zou het dan nog?—Het moest zoo zijn!—Hij had gelijk!”—mompelde

hij half verstaanbaar. Hierop wendde hij zich tot de vrienden en

sprak vriendelijk: „Ach, mijne besten, stoort u niet aan mij—ik ben

verstrooid. Er is iets, dat mij op het hart drukt. De slaap zal mij

opbeuren.”

Met deze woorden wikkelde hij zich in zijn mantel en legde zich op den

grond neder, waar zijne ruiters reeds sinds een uur gerust sliepen.

Jaromir lag in een anderen hoek van het vertrek; zonder een enkel woord

te spreken, had hij zich dadelijk bij zijne aankomst ter rust begeven.

Lodewijk, Bianca en Bernard waren alleen nog wakker gebleven en zagen

elkander weemoedig aan, zonder dat zij het wagen durfden, voor hunne

bezorgdheid uit te komen. Eene drukkende beklemdheid benauwde hunne

borst; de onuitsprekelijke liefde, die zij elkander toedroegen, was de

eenige lichtstar, die in dezen donkeren nacht voor hen schemerde en

troost uitstortte in hun versagend hart.

Zoo verstreek andermaal een lange nacht, tot de schemering hen tot

nieuwe zorgen en gevaren deed ontwaken. Toen zij op het punt stonden,

de hut te verlaten, hield Rasinski hen tegen en zeide: „Eerst moet ik

u ontdekken, wat mij gisteren bijna verpletterde. _De keizer heeft het

leger verlaten!_”

Allen staarden hem vragend en met angstige blikken aan.

„En hij had gelijk!” vervolgde hij. „Gisteren was ik even ontroerd

als gij thans, want ik weet, dat het onwrikbare vertrouwen op zijn

reuzengeest de eenige band was, die de armzalige overblijfsels van het

groote leger nog te zamen hield. Maar het moest zoo zijn. Wij kunnen

niets meer redden dan ons zelven; de keizer heeft eene meer gewichtige

taak te volbrengen. Parijs is thans het slagveld, waar hij handelen

moet. Hier is alles verloren, daar alles te redden. Wij blijven aan

ons zelven overgelaten en willen voor ons zelven zorgen.”

Zij braken op.

1812: Historische roman · 第 135 / 154 题