HOOFDSTUK IX.

Het uur was verstreken, toen schudde hij Jaromir wakker. „Nu is het uwe

beurt te waken; maar voelt gij u daartoe wel in staat? Gij schijnt ziek

en gij laagt slechts in onrustige sluimering, terwijl de anderen vast

doorsliepen.”

Zijn plichtbesef als soldaat had Jaromir nog niet verloren; nu dit hem

riep, wist hij, door gewoonte en eergevoel geoefend, zich te vermannen

en antwoordde snel: „Ik ben wakker, leg gij u thans neder, geen slaap

zal in mijne oogen komen.”

Rasinski was gerustgesteld, toen hij de kalme beradenheid van Jaromir

zag, waarop hij zich altijd onvoorwaardelijk had kunnen verlaten. Hij

wikkelde zich dus dieper in zijn mantel, leunde het hoofd achterover en

sliep in.

Jaromir nam een langen dennetak en stookte het vuur op. Alles in het

rond was doodstil, geen voet verroerde zich, geen geluid liet zich

hooren.

„Het is koud,” mompelde de eenzame en staarde in den gloed. Eene

rilling greep hem aan. In den nek voelde hij de ijzige hand des

winters, terwijl zijn gelaat door de vlam verschroeid werd. Maar nog

meer, dan deze tweevoudige pijniging, folterden hem de giftige adders

in zijne borst. Nog was de helderheid van zijn geest niet geheel

geweken, want nog voelde hij met angstvolle huivering, dat donkere

wolken der zinneloosheid bij tusschenpoozen voorbij de heldere zon

van zijn bewustzijn heentogen en deze verduisterden. „Hoe is het,”

dacht hij, „droom ik meer onder het waken, of waak ik meer onder het

droomen? Nauwelijks voel ik eenig verschil tusschen slapen en waken;

als een langzaam dalende nevel komt het op mij neerwentelen.—Hoe

rustig slapen die allen!”

Zijne blikken hechtten zich op het gelaat der vrienden. „Ja, zij slapen

vast, zij droomen zoet en genoegelijk! Ach, of ik al mijn lijden zoo in

den slaap vergeten kon! Dat ik nimmer weder ontwaakte!” Eene machtige

duizeling greep hem aan; hij moest al de kracht van zijn wil, al zijn

eergevoel te hulp roepen, om niet bedwelmd achterover te zinken.

Eensklaps vernam hij op geringen afstand, maar uit de diepste

duisternis, een schaterend gelach.

Als door den bliksem getroffen, kromp hij bij dit geluid ineen, dat hem

op deze akelige plaats als eene helsche godslastering in de ooren klonk.

„Wie daar?” wilde hij uitroepen, maar de stem bestierf op zijne lippen

en zijn oog staarde woest in het rond, om den geest des afgronds, die

hier loeren moest, te ontdekken.

Daar trad uit het duistere rijk van den nacht eene afgrijselijke

gestalte in den lichtkring van het vuur. Het was een rijzige kurassier,

in een verscheurden mantel gehuld, het hoofd onder den helm met een

bloedigen doek omwonden, een jongen taxisboom als langen wandelstaf in

de hand.

„Goeden avond,” riep hij Jaromir met holle stem toe, „goeden avond,

kameraad! Heisa, hier is 't lustig en goed!”

„Wat wilt gij?” riep deze ontzet; „maak u weg, satan!”

De kurassier staarde hem uit holle oogen aan, vertrok den mond tot een

vreeselijk grijnzen en knarste als een verwoed roofdier op de tanden.

„Ha, ha, ha!” gierde hij schaterend uit. „Slaapt gij zóó vast, gij

luiaards!” Hier stampte hij met den voet op het lijk eens bevrorenen.

„Wordt wakker! kom met mij!”

Een oogenblik stond hij stil en scheen naar iets te luisteren;

vervolgens kwam hij met wankelende schreden nader en tuimelde op het

vuur toe.

„Terug,” riep Jaromir. „Terug, of ik schiet u neder!” Hij greep naar

zijn pistool, maar zijne sidderende hand was niet bij machte het op te

heffen.

De krankzinnige staarde hem met doffe onverschilligheid aan; nu

vertoonde zich een woeste grijnslach, dan de uitdrukking der diepste

ellende op zijne ingevallen trekken, Jaromir, wien schrik en ontzetting

elke zenuw verlamd hadden, hing sprakeloos, bleek, met onafgewende

blikken aan de dreigende gestalte, die zich hoog oprichtte, de magere

armen van onder den mantel te voorschijn stak en allerlei zonderlinge

bewegingen maakte.

„Wat wilt gij, akelig monster?” vroeg hij eindelijk, zelf reeds

bewusteloos en verbijsterd, met bevende stem.

„Brr, ik ben koud!” huilde de razende, greep als een spelend kind

naar de vlam en trad nader en nader, tot hij dicht aan den kring der

slapenden stond, over welken hij de beide armen ver uitstrekte. Thans

eerst scheen hij de warmte van den gloed te bemerken. Een zacht gekreun

en gereutel steeg uit zijne borst op; vervolgens riep hij half lachend,

half jammerend: „In 't bed, in 't warme bed!” slingerde zijn taxis ver

van zich af, tuimelde voorwaarts over de gelegerden heen en stortte

zich in razende verblinding midden in de vlammen.

„Hulp! hulp!” schreeuwde Jaromir, wien de haren te berge rezen, en

schudde Rasinski met krampachtige hevigheid bij den arm.

Deze sprong op. „Wat is er?”

„Daar! Daar!” stamelde de jongeling en wees op de vlammen, waar de

ongelukkige zich huilend en stuiptrekkend rondwentelde.

Rasinski giste eer wat er voorviel, dan dat hij het begreep; snel

beraden sprong hij toe, om den rampzalige te redden. Doch het was te

laat. Reeds had de hitte hem verstikt; hij lag roerloos, de vlam sloeg

over zijn verschroeid lijf samen, en een dichte, verpeste walm dampte

in zwarte wolken omhoog.

Rillend trad Rasinski terug en wendde het gelaat af, om zijne

ontroering te verbergen; nu zag hij, dat allen in den kring nog in

diepen slaap lagen. Niemand was ontwaakt door het vreeselijke voorval,

hetwelk te midden van zoovele levenden plaats greep!

Eene gestalte echter bewoog zich; het was Bianca. Het afgrijselijk

gehuil van den verbrande had in den slaap haar oor getroffen en hare

ziel met onwillekeurigen angst vervuld. Vermoedende, dat er iets

ontzettends voorviel, rukte zij zich met moeite uit de zware kluisters

van den slaap los, richtte zich op en zag angstvallig in het rond. Haar

oog viel op Jaromir, die nog altijd bleek, sidderend en bedwelmd in de

vlam staarde. Met diep medelijden beschouwde zij den armen jongeling,

want, den samenhang niet vermoedende, moest zij gelooven, dat de

krankzinnigheid, welker verontrustende voorteekenen zich in de laatste

dagen reeds meermalen bij hem vertoond hadden, zich nu geheel van hem

had meester gemaakt.

„Lieve Jaromir!” sprak zij hem op den innigsten toon der liefde aan en

legde de hand op zijn schouder.

Hij staroogde haar met blijkbare bevreemding aan en scheen uit een

zwaren droom te ontwaken. „Ach,” zuchtte hij uit het diepste der borst

en een zonderling weemoedig lachje zweefde om zijne lippen.

„Het is niets, Bianca,” sprak Rasinski, die ras toetrad, om te

verhinderen, dat zij van het gebeurde onderricht werd. „Leg u gerust

weer te slapen, wij zullen voor u waken.”

„Ach, Lodoiska! Hebt gij mij eindelijk vergeven....?” riep Jaromir

plotseling, en zijne stem ging in een luid weenen over; hij drukte het

hoofd op Bianca's hand en bevochtigde ze met een stroom van tranen.

„Heilige God, wat is dit!” riep deze verschrikt en waagde niet, de hand

terug te trekken.

„Bezin u, Jaromir,” sprak Rasinski hem ernstig aan en wilde hem

oprichten. „Bezin u, zamel uwe kracht bijeen en bedenk waar gij zijt.”

„Ach, Rasinski, zij vergeeft mij!” riep de jongeling uit, terwijl hij

den vaderlijken vriend aan het hart viel; „zij is eene heilige, zij is

niet langer vertoornd! Om mijns stervenden Boleslaws wille heeft zij

mij vergeven! Niet waar? O gij neemt het niet terug! Ik ben uwer niet

meer waardig—maar ik kan immers niet uitstaan, zonder u te leven.

Kom nu weder aan mijn hart!” Hij vouwde de handen en zag Bianca met

smeekende oogen aan; groote tranen biggelden langs zijne bleeke wangen

en toch blonk eene zachte, vluchtige schemering van vreugde op zijn

gelaat.

„Ik ben immers Lodoiska niet,” hernam Bianca met vruchteloos bekampte

ontroering, en zocht hare hand uit die van den jongeling los te maken.

„Gij zijt het niet?” riep hij eensklaps met toenemende hevigheid; „gij

wilt het niet zijn—gij haat mij, gij veracht mij!—Ach, dan is alles

voorbij!”

Radeloos wierp hij zich weder aan Rasinski's borst en wilde de armen om

zijn hals slaan; doch de kracht ontbrak hem, hij zonk bewusteloos neder.

„Ook dát moet nog gedragen worden!” riep Rasinski uit en knielde voor

den bleeken jongeling neder. Bianca wilde in haren angst Bernard en

Lodewijk wekken, doch Rasinski verhinderde dit. „Hoe kunnen zij ons

helpen?” sprak hij; „waarom zouden nog anderen met ons dit lijden

verduren? Het is wellicht spoedig beslist!”

„O, welk een vreeselijke troost,” snikte Bianca en wrong de handen.

„Neen, neen, dat zal de Algoede ons niet opleggen. De maat is gevuld,

het kan niet zijn, het kan niet!”

„Bid gij tot Hem uit den grond van uw schuldeloos hart,” sprak Rasinski

somber; „ik kan slechts handelen, maar uw bidden is meer dan mijn doen!”

Bianca deed het. Met diepen ootmoed knielde zij neder en smeekte uit een

geloovig, kinderlijk hart om redding voor den ongelukkige. Doch hare

beklemde borst werd niet verruimd, de angst bleef op hare ziel drukken.

Rasinski had den onmachtige de slapen met sneeuw ingewreven. Deze sloeg

eindelijk de oogen op en blikte verwilderd om zich heen. „Waarom neemt

gij mij uit het graf?” mompelde hij; „het was zoo stil en koel daar

beneden.—Ach, ik zie het, de zon gaat prachtig op en schijnt in het

graf. Zij is schoon!”

Hij staroogde onbewegelijk in de vlammen. Plotseling rukte hij zich

met ongeloofelijke spierkracht uit Rasinski's armen los, sprong op

en met den kreet: „Dat is de brandende hel! Daar storten zij mij in

neder! Spoedig, spoedig!” wilde hij zich in den laaienden gloed werpen.

Rasinski greep hem aan met de kracht van den angst. Bianca wierp zich

aan zijne voeten en klemde zich aan zijne knieën vast. „Help help, mijn

broeder, Lodewijk!” gilde zij, op doordringenden toon, daar beider

vereende krachten niet meer in staat waren, de razende tegen te houden.

Door deze stem op eenmaal uit den vasten slaap gewekt, sprong Lodewijk

op.

„Hemel, wat is er?” riep hij uit, toen hij Jaromir met Rasinski en

Bianca zag worstelen; tegelijk ontwaakte Bernard en richtte zich mede

op. Het was meer dan tijd, want Rasinski met zijne volle mannenkracht

vermocht den rampzalige, die zich met geweld in de vlammen wilde werpen,

niet meer te houden. „Helpt, vrienden,” riep hij, „helpt mij, anders is

hij verloren.”

Zonder te weten, wat er voorviel, snelden Bernard en Lodewijk den

roepende te hulp; doch Jaromirs verwilderde trekken ziende, behoefden

zij geen oogenblik langer aan 's jongelings volslagen zinneloosheid te

twijfelen.

„Ach, ik heb het lang gevreesd,” zuchtte Bernard; „hem lag te veel op de

ziel, hij kon den last niet dragen.”

Na de bovenmatige overspanning van zijne krachten volgde even spoedig

eene geheele verslapping. De armen zonken machteloos neder, de knieën

knikten, het gansche lichaam zakte ineen. Nu scheen het, alsof de

folterendste smarten zijn binnenste doorgriefden; want hij brak in

een luid, hartverscheurend jammeren en weeklagen uit. Deze tonen

die door merg en been drongen, gelijk ook de onrust van het vroeger

voorgevallene, hadden eindelijk alle slapenden doen ontwaken. Zij

richtten zich op, blikten in den beginne verwonderd, maar daarna

vertoornd over deze stoornis in het rond. Er ontstond een dof gemompel,

dat van minuut tot minuut levendiger werd. Men begon op den ongelukkige

te wijzen, en het noodlottige denkbeeld, dat deze hen in gevaar en ten

verderve zou kunnen brengen, maakte zich van de gemoederen meester.

„Wie is de razende, wat wil hij?” riep eindelijk een baardig grenadier

met onstuimige drift. „Wat rooft hij ons de kostbare minuten des slaaps?

Werpt hem uit den kring en laat hem doodvriezen, dan hebben wij rust!”

„Weg met hem, weg met hem!” riepen verscheidene stemmen, en eenigen

sprongen op, om het gruwzame vonnis onverwijld te voltrekken.

Bianca gaf een luiden gil van angst; Lodewijk ving haar, daar zij

dreigde neder te zinken, in zijn rechterarm op en trachtte met den

linker een woest toedringende af te weren.

Rasinski, den omvang van het gevaar terstond overziende, liet Jaromir

in Bernards armen en sprong met flonkerende oogen midden in den kring.

Snel beraden rukte hij een smeulenden boomtak uit het vuur, hief dien

hoog op en donderde met zijne leeuwenstem: „Terug, rampzaligen! Wie één

tred voorwaarts doet, sla ik met deze knods de hersens in!”

De verbitterden weken verschrikt terug en waagden niet te naderen; de

zedelijke overmacht van Rasinski boezemde hun ontzag in. De grenadier

nochtans trok de sabel en schreeuwde: „Hoe, lafaards! zijt gij allen

bevreesd voor een enkele! Voorwaarts! Neer met den poolschen hond!”

„Ellendeling!” donderde Rasinski en sprong als een getergde leeuw op

den razende toe. „Uit den weg met u, ontmenscht ondier!” Tegelijk

greep hij hem met kracht en behendigheid in het gewricht der opgeheven

vuist, zoodat hij zijn wapen niet kon gebruiken, en bracht hem met

den brandenden tak zulk een hevigen slag op het hoofd toe, dat deze

in splinters vloog en kolen en vonken in het rond stoven. Doch de

slag was door de dichte berenmuts gebroken en had slechts den toorn

van den verbitterde tot ziedende woede doen stijgen. Een Hercules

in lichaamsbouw, in lengte een half hoofd boven zijne tegenpartij

uitstekende, liet hij de sabel vallen en wierp zich op Rasinski, om hem

al worstelende in de vlammen te werpen. Deze bood slechts een oogenblik

tegenstand, toen gleed hij uit, struikelde; viel op de knieën. Hij was

verloren! Een roekeloos monster dreigde de edelste heldenborst met

ruwe overmacht te verpletten! Daar sprong Lodewijk met bliksemsnelheid

den vriend te hulp, greep den woedende van achteren aan en sleurde

hem terug, zoodat beiden ter aarde stortten. Rasinski raapte de

gevallen sabel op, rukte den op den grond liggende met de linkerhand de

berenmuts van het hoofd en bracht hem met de rechter een houw langs de

slapen toe, die hem den schedel door midden kloofde. Fier en gebiedend

als een koning, richtte hij zich thans op en trad met majesteit in den

kring der verschrikte soldaten. „Werpt het lijk in de sneeuw,” beval

hij; „gaat weer liggen en slaapt.”

Alsof hij dat wapen ontberen en de menigte door zijn verheven geest

alleen beheerschen kon, wierp hij het verachtelijk van zich. Niemand

verstoutte zich, een woord te reppen; een tweetal nam het bebloede

lichaam op, droeg het eenige schreden buiten den kring en wierp het op

de overige lijken.

Daar de gramschap nog bij hem navolgde, gelijk de zee na een hevigen

storm, ging Rasinski eenige oogenblikken op en neder, zonder zelfs naar

zijne vrienden om te zien. Weldra echter had hij zijne bedaardheid

herkregen, reikte den met bloed bespatten vriend, die Bianca teeder in

zijne armen omvangen hield, de hand en sprak: „Gij zijt mijn redder!

Ziet gij, dat heeft de woelige krijg zelfs in dezen jammervollen tijd

nog boven het alledaagsche leven vooruit, dat hij ons in een enkel uur

meer gelegenheid om den vriend van dienst te zijn aan de hand geeft,

dan een gansche menschenleeftijd van den slaperigen vrede in staat is

op te leveren. Ik dank u!—Maar gaat nu weder rusten, mijne vrienden;

het is niets dan één doode meer onder de legioenen, die om ons heen

versteend zijn. Eene kleine kramersnegotie tegen den wereldhandel van

het lot!”

Zijn oog vestigde zich weder op Jaromir: deze scheen in slaap gezonken

en had het blonde hoofd tegen Bernards borst gedrukt. In de stille,

bleeke trekken lag een nameloos lijden, dat geen vriendelijk oog met

een zachten sluier bedekte.

„Laten wij hem in ons midden nemen, Bernard,” sprak Rasinski. „Wat

kunnen wij anders, dan hem aan de genade des hemels aanbevelen?

Wellicht brengt de slaap hem weder tot kalmte.”

Hij had zich wederom neergevlijd, nam Jaromir in zijne armen en drukte

hem liefderijk aan zijn hart. „Rust hier uit; de verschrikkingen des

winters zullen u in mijne armen niet vinden. En kunt gij, ontwaak dan

tot een beteren morgen!” Dit zeggende zonk hij achterover, bedekte het

hoofd en rustte hart aan hart met den lijdenden vriend. Spoedig, zoo

onweerstaanbaar deed de albedwingende natuur haar rechten gelden, viel

hij opnieuw in vasten slaap. De krijgslieden om hem heen waren reeds

lang weer ingesluimerd en zoo was de vreeselijke ontmoeting schielijker

vergeten, dan een vluchtig oprijzend droombeeld van den nacht.

Bernard en Lodewijk waakten gezamenlijk, daar één alleen zich misschien

door den slaap had kunnen laten overrompelen, en deelden de zorg voor

het vuur, waarmede het leven van allen tot een eeuwigen nacht zou zijn

uitgebluscht.—Een scherpe nachtwind verhief zich, streek ijskoud langs

hunne wangen en deed de sneeuw in lichte vlokken van de toppen der

dennen neerdwarrelen.

„Brr! hoe grimmig blaast die winter ons in den rug!” mompelde Bernard;

„ik verbeeld mij de ijzeren klauwen, waarmede hij zijne slachtoffers

worgt, reeds in den nek te voelen. Weg, monster! Hier neemt uw rijk een

einde! Hier brandt de vlam des heils, die wij getrouwer onderhouden

zullen dan de Vestalen de hare.”

„Hoe eng,” merkte Lodewijk, „is de ring des levens, die om deze zon

loopt. Wij liggen op de bijna ondeelbare grenslinie tusschen den

vuurdood en dien der verstijving.”

„Als de wind ons zoo scherp aanblaast als nu,” hernam Bernard en rakelde

het hout op, „en het vuur ons zulke gloeiende pijlen in de oogen schiet,

dan is het bijna, alsof men beide martelingen tegelijk voelde. En is dat

niet in het klein een beeld van de wereld? Onze aarde, eene span nader

bij de zonnevlam, verschroeit en vergaat tot asch, eene span verder, en

alle leven versteent in de koude, onmetelijke wereldruimte. De mensch

is overal even hulpeloos, even nietig als hier. Hij sluit slechts de

oogen en waagt geen blik over zijn eng grensgebied in leven, weten en

genieten.”

„Neen, Bernard, gij spreekt geen waarheid, geen waarheid zelfs voor u

zelf,” antwoordde Lodewijk ernstig. „Gij schat het leven zoo gering

niet en miskent den waarborg niet, dien de Eeuwige ons in zijne

kortstondige verschijning geeft. Wie kon dit leven ook slechts een

oogenblik verduren, zonder die hoop op het hiernamaals, die eeuwig

als het spiegelbeeld des hemels door de golven der aardsche woelingen

heenblinkt! En is het schoonste, dat ons dit aanzien aanbiedt, niet ook

een afschijnsel van daar—de liefde...”

„Heb ik het dan ooit geloochend?” viel Bernard hem in de rede en zijne

gansche gevoelige ziel schitterde in zijn oog. „Zie deze hier slechts,”

hij wees op Bianca, „zie haar sluimeren en vraag dan u zelf! Zij maakt

zelfs mij vroom, zooals de menschen dat gewoonlijk noemen, want als

zij bidt en knielt, is dat zoo schoon en waar, dat ik denk: kunt gij

dan iets beters? Van haar alleen leer ik, dat ootmoed sterker is dan

trots; al vergeet ik het dan ook spoedig weder. Gisteren, toen de nood

op het hoogst was, zag ik haar achter gindschen boomstam knielen en

bidden; en ik deed het ook, schoon enkel voor haar. O Lodewijk, zullen

wij haar schuldeloos leven redden uit dezen afgrond van ellende, waarin

wij dag aan dag dieper wegzinken?”

„Ik hoop nog,” sprak de vriend innig ontroerd.

„O, thans ondervind ik het,” hernam Bernard, „dat gij beter zijt dan ik.

Ik handel rasser dan gij, ik _schijn_ onverzettelijker, maar gij _zijt_

het. Ik voel, dat mijn hopen, mijn vertrouwen, mijne kracht eene grens

heeft, en ik ben die grens nabij. Zoo even waande ik ze uitgeput; ben

ik echter eens moedeloos, dan zal ik het geheel zijn. Gij met uwe edele

bedaardheid, uwe onwankelbare mannelijke deugd zult het nimmer worden.

Ik loop, spring, vlieg en ben u dan ook eene poos lang vooruit geweest.

Gij gaat met vasten, rustigen tred; daarom zult gij nog staande blijven,

als ik machteloos neerzink.—Dan Lodewijk—dan maak mijne zuster

gelukkig—en groet de uwe! Neen, neen, zeg mij niets, ik bid u,” riep

hij driftig, toen Lodewijk hem wilde antwoorden. Hij wendde zich af en

hulde zich dieper in den mantel.

Zoo zaten zij sprakeloos nevens elkander. Eensklaps liet zich een zacht

klagend gezang achter hen hooren. Het was Jaromir, die slapeloos met

open oogen neerlag en, smartelijk glimlachend, die tonen neuriede.

„Hij droomt van haar,” sprak Lodewijk; „het is de melodie van het lied,

dat Lodoiska ons dien avond te Warschau voorzong. Dikwijls heb ik de

wijze van hem gehoord. Daar dus toeft zijne ziel.”

Bernard staarde den ongelukkige weemoedig aan. „Daar toeft zij,”

herhaalde hij langzaam, „bij zijne liefde! Het is over ons besloten,”

vervolgde hij met doffe stem, „wij moeten te gronde gaan. De afgrond is

te diep. Ik durf er niet meer in neerzien, anders stort ik duizelig in

de diepte!”

De krankzinnige zong klagend voort en zag met een onbeschrijfelijk

smartelijken blik tot de vrienden op. Na eenige minuten bestierf de

toon op zijne lippen en hij verzonk weder in doffe bewusteloosheid.

„Was de tijd slechts voorbij, dat ik slapen kon!” riep Bernard. „Slapen!

ik ben moe. Het logge dier weegt zwaar op mijne ziel en verdooft

hare laatste glimmende vonken! Het is voorbij met menschelijkheid,

vriendschap, liefde en haat; alles stomp en ledig en dood. Wie zou

anders slapen kunnen bij zulk een jammer! Hoe laat is het?”

„Terstond middernacht.”

„Dan zijn wij spoedig afgelost!”

De minuten kropen met loomen, slependen tred voorbij. Eindelijk was het

uur om. Zij maakten hunne opvolgers wakker en legden zich tot slapen

neder, om den last aller bezwaren, aller angsten, aller smarten in de

ledige ruimte van doffe vergetelheid af te schudden.

1812: Historische roman · 第 137 / 154 题