Het uur was verstreken, toen schudde hij Jaromir wakker. „Nu is het uwe
beurt te waken; maar voelt gij u daartoe wel in staat? Gij schijnt ziek
en gij laagt slechts in onrustige sluimering, terwijl de anderen vast
doorsliepen.”
Zijn plichtbesef als soldaat had Jaromir nog niet verloren; nu dit hem
riep, wist hij, door gewoonte en eergevoel geoefend, zich te vermannen
en antwoordde snel: „Ik ben wakker, leg gij u thans neder, geen slaap
zal in mijne oogen komen.”
Rasinski was gerustgesteld, toen hij de kalme beradenheid van Jaromir
zag, waarop hij zich altijd onvoorwaardelijk had kunnen verlaten. Hij
wikkelde zich dus dieper in zijn mantel, leunde het hoofd achterover en
sliep in.
Jaromir nam een langen dennetak en stookte het vuur op. Alles in het
rond was doodstil, geen voet verroerde zich, geen geluid liet zich
hooren.
„Het is koud,” mompelde de eenzame en staarde in den gloed. Eene
rilling greep hem aan. In den nek voelde hij de ijzige hand des
winters, terwijl zijn gelaat door de vlam verschroeid werd. Maar nog
meer, dan deze tweevoudige pijniging, folterden hem de giftige adders
in zijne borst. Nog was de helderheid van zijn geest niet geheel
geweken, want nog voelde hij met angstvolle huivering, dat donkere
wolken der zinneloosheid bij tusschenpoozen voorbij de heldere zon
van zijn bewustzijn heentogen en deze verduisterden. „Hoe is het,”
dacht hij, „droom ik meer onder het waken, of waak ik meer onder het
droomen? Nauwelijks voel ik eenig verschil tusschen slapen en waken;
als een langzaam dalende nevel komt het op mij neerwentelen.—Hoe
rustig slapen die allen!”
Zijne blikken hechtten zich op het gelaat der vrienden. „Ja, zij slapen
vast, zij droomen zoet en genoegelijk! Ach, of ik al mijn lijden zoo in
den slaap vergeten kon! Dat ik nimmer weder ontwaakte!” Eene machtige
duizeling greep hem aan; hij moest al de kracht van zijn wil, al zijn
eergevoel te hulp roepen, om niet bedwelmd achterover te zinken.
Eensklaps vernam hij op geringen afstand, maar uit de diepste
duisternis, een schaterend gelach.
Als door den bliksem getroffen, kromp hij bij dit geluid ineen, dat hem
op deze akelige plaats als eene helsche godslastering in de ooren klonk.
„Wie daar?” wilde hij uitroepen, maar de stem bestierf op zijne lippen
en zijn oog staarde woest in het rond, om den geest des afgronds, die
hier loeren moest, te ontdekken.
Daar trad uit het duistere rijk van den nacht eene afgrijselijke
gestalte in den lichtkring van het vuur. Het was een rijzige kurassier,
in een verscheurden mantel gehuld, het hoofd onder den helm met een
bloedigen doek omwonden, een jongen taxisboom als langen wandelstaf in
de hand.
„Goeden avond,” riep hij Jaromir met holle stem toe, „goeden avond,
kameraad! Heisa, hier is 't lustig en goed!”
„Wat wilt gij?” riep deze ontzet; „maak u weg, satan!”
De kurassier staarde hem uit holle oogen aan, vertrok den mond tot een
vreeselijk grijnzen en knarste als een verwoed roofdier op de tanden.
„Ha, ha, ha!” gierde hij schaterend uit. „Slaapt gij zóó vast, gij
luiaards!” Hier stampte hij met den voet op het lijk eens bevrorenen.
„Wordt wakker! kom met mij!”
Een oogenblik stond hij stil en scheen naar iets te luisteren;
vervolgens kwam hij met wankelende schreden nader en tuimelde op het
vuur toe.
„Terug,” riep Jaromir. „Terug, of ik schiet u neder!” Hij greep naar
zijn pistool, maar zijne sidderende hand was niet bij machte het op te
heffen.
De krankzinnige staarde hem met doffe onverschilligheid aan; nu
vertoonde zich een woeste grijnslach, dan de uitdrukking der diepste
ellende op zijne ingevallen trekken, Jaromir, wien schrik en ontzetting
elke zenuw verlamd hadden, hing sprakeloos, bleek, met onafgewende
blikken aan de dreigende gestalte, die zich hoog oprichtte, de magere
armen van onder den mantel te voorschijn stak en allerlei zonderlinge
bewegingen maakte.
„Wat wilt gij, akelig monster?” vroeg hij eindelijk, zelf reeds
bewusteloos en verbijsterd, met bevende stem.
„Brr, ik ben koud!” huilde de razende, greep als een spelend kind
naar de vlam en trad nader en nader, tot hij dicht aan den kring der
slapenden stond, over welken hij de beide armen ver uitstrekte. Thans
eerst scheen hij de warmte van den gloed te bemerken. Een zacht gekreun
en gereutel steeg uit zijne borst op; vervolgens riep hij half lachend,
half jammerend: „In 't bed, in 't warme bed!” slingerde zijn taxis ver
van zich af, tuimelde voorwaarts over de gelegerden heen en stortte
zich in razende verblinding midden in de vlammen.
„Hulp! hulp!” schreeuwde Jaromir, wien de haren te berge rezen, en
schudde Rasinski met krampachtige hevigheid bij den arm.
Deze sprong op. „Wat is er?”
„Daar! Daar!” stamelde de jongeling en wees op de vlammen, waar de
ongelukkige zich huilend en stuiptrekkend rondwentelde.
Rasinski giste eer wat er voorviel, dan dat hij het begreep; snel
beraden sprong hij toe, om den rampzalige te redden. Doch het was te
laat. Reeds had de hitte hem verstikt; hij lag roerloos, de vlam sloeg
over zijn verschroeid lijf samen, en een dichte, verpeste walm dampte
in zwarte wolken omhoog.
Rillend trad Rasinski terug en wendde het gelaat af, om zijne
ontroering te verbergen; nu zag hij, dat allen in den kring nog in
diepen slaap lagen. Niemand was ontwaakt door het vreeselijke voorval,
hetwelk te midden van zoovele levenden plaats greep!
Eene gestalte echter bewoog zich; het was Bianca. Het afgrijselijk
gehuil van den verbrande had in den slaap haar oor getroffen en hare
ziel met onwillekeurigen angst vervuld. Vermoedende, dat er iets
ontzettends voorviel, rukte zij zich met moeite uit de zware kluisters
van den slaap los, richtte zich op en zag angstvallig in het rond. Haar
oog viel op Jaromir, die nog altijd bleek, sidderend en bedwelmd in de
vlam staarde. Met diep medelijden beschouwde zij den armen jongeling,
want, den samenhang niet vermoedende, moest zij gelooven, dat de
krankzinnigheid, welker verontrustende voorteekenen zich in de laatste
dagen reeds meermalen bij hem vertoond hadden, zich nu geheel van hem
had meester gemaakt.
„Lieve Jaromir!” sprak zij hem op den innigsten toon der liefde aan en
legde de hand op zijn schouder.
Hij staroogde haar met blijkbare bevreemding aan en scheen uit een
zwaren droom te ontwaken. „Ach,” zuchtte hij uit het diepste der borst
en een zonderling weemoedig lachje zweefde om zijne lippen.
„Het is niets, Bianca,” sprak Rasinski, die ras toetrad, om te
verhinderen, dat zij van het gebeurde onderricht werd. „Leg u gerust
weer te slapen, wij zullen voor u waken.”
„Ach, Lodoiska! Hebt gij mij eindelijk vergeven....?” riep Jaromir
plotseling, en zijne stem ging in een luid weenen over; hij drukte het
hoofd op Bianca's hand en bevochtigde ze met een stroom van tranen.
„Heilige God, wat is dit!” riep deze verschrikt en waagde niet, de hand
terug te trekken.
„Bezin u, Jaromir,” sprak Rasinski hem ernstig aan en wilde hem
oprichten. „Bezin u, zamel uwe kracht bijeen en bedenk waar gij zijt.”
„Ach, Rasinski, zij vergeeft mij!” riep de jongeling uit, terwijl hij
den vaderlijken vriend aan het hart viel; „zij is eene heilige, zij is
niet langer vertoornd! Om mijns stervenden Boleslaws wille heeft zij
mij vergeven! Niet waar? O gij neemt het niet terug! Ik ben uwer niet
meer waardig—maar ik kan immers niet uitstaan, zonder u te leven.
Kom nu weder aan mijn hart!” Hij vouwde de handen en zag Bianca met
smeekende oogen aan; groote tranen biggelden langs zijne bleeke wangen
en toch blonk eene zachte, vluchtige schemering van vreugde op zijn
gelaat.
„Ik ben immers Lodoiska niet,” hernam Bianca met vruchteloos bekampte
ontroering, en zocht hare hand uit die van den jongeling los te maken.
„Gij zijt het niet?” riep hij eensklaps met toenemende hevigheid; „gij
wilt het niet zijn—gij haat mij, gij veracht mij!—Ach, dan is alles
voorbij!”
Radeloos wierp hij zich weder aan Rasinski's borst en wilde de armen om
zijn hals slaan; doch de kracht ontbrak hem, hij zonk bewusteloos neder.
„Ook dát moet nog gedragen worden!” riep Rasinski uit en knielde voor
den bleeken jongeling neder. Bianca wilde in haren angst Bernard en
Lodewijk wekken, doch Rasinski verhinderde dit. „Hoe kunnen zij ons
helpen?” sprak hij; „waarom zouden nog anderen met ons dit lijden
verduren? Het is wellicht spoedig beslist!”
„O, welk een vreeselijke troost,” snikte Bianca en wrong de handen.
„Neen, neen, dat zal de Algoede ons niet opleggen. De maat is gevuld,
het kan niet zijn, het kan niet!”
„Bid gij tot Hem uit den grond van uw schuldeloos hart,” sprak Rasinski
somber; „ik kan slechts handelen, maar uw bidden is meer dan mijn doen!”
Bianca deed het. Met diepen ootmoed knielde zij neder en smeekte uit een
geloovig, kinderlijk hart om redding voor den ongelukkige. Doch hare
beklemde borst werd niet verruimd, de angst bleef op hare ziel drukken.
Rasinski had den onmachtige de slapen met sneeuw ingewreven. Deze sloeg
eindelijk de oogen op en blikte verwilderd om zich heen. „Waarom neemt
gij mij uit het graf?” mompelde hij; „het was zoo stil en koel daar
beneden.—Ach, ik zie het, de zon gaat prachtig op en schijnt in het
graf. Zij is schoon!”
Hij staroogde onbewegelijk in de vlammen. Plotseling rukte hij zich
met ongeloofelijke spierkracht uit Rasinski's armen los, sprong op
en met den kreet: „Dat is de brandende hel! Daar storten zij mij in
neder! Spoedig, spoedig!” wilde hij zich in den laaienden gloed werpen.
Rasinski greep hem aan met de kracht van den angst. Bianca wierp zich
aan zijne voeten en klemde zich aan zijne knieën vast. „Help help, mijn
broeder, Lodewijk!” gilde zij, op doordringenden toon, daar beider
vereende krachten niet meer in staat waren, de razende tegen te houden.
Door deze stem op eenmaal uit den vasten slaap gewekt, sprong Lodewijk
op.
„Hemel, wat is er?” riep hij uit, toen hij Jaromir met Rasinski en
Bianca zag worstelen; tegelijk ontwaakte Bernard en richtte zich mede
op. Het was meer dan tijd, want Rasinski met zijne volle mannenkracht
vermocht den rampzalige, die zich met geweld in de vlammen wilde werpen,
niet meer te houden. „Helpt, vrienden,” riep hij, „helpt mij, anders is
hij verloren.”
Zonder te weten, wat er voorviel, snelden Bernard en Lodewijk den
roepende te hulp; doch Jaromirs verwilderde trekken ziende, behoefden
zij geen oogenblik langer aan 's jongelings volslagen zinneloosheid te
twijfelen.
„Ach, ik heb het lang gevreesd,” zuchtte Bernard; „hem lag te veel op de
ziel, hij kon den last niet dragen.”
Na de bovenmatige overspanning van zijne krachten volgde even spoedig
eene geheele verslapping. De armen zonken machteloos neder, de knieën
knikten, het gansche lichaam zakte ineen. Nu scheen het, alsof de
folterendste smarten zijn binnenste doorgriefden; want hij brak in
een luid, hartverscheurend jammeren en weeklagen uit. Deze tonen
die door merg en been drongen, gelijk ook de onrust van het vroeger
voorgevallene, hadden eindelijk alle slapenden doen ontwaken. Zij
richtten zich op, blikten in den beginne verwonderd, maar daarna
vertoornd over deze stoornis in het rond. Er ontstond een dof gemompel,
dat van minuut tot minuut levendiger werd. Men begon op den ongelukkige
te wijzen, en het noodlottige denkbeeld, dat deze hen in gevaar en ten
verderve zou kunnen brengen, maakte zich van de gemoederen meester.
„Wie is de razende, wat wil hij?” riep eindelijk een baardig grenadier
met onstuimige drift. „Wat rooft hij ons de kostbare minuten des slaaps?
Werpt hem uit den kring en laat hem doodvriezen, dan hebben wij rust!”
„Weg met hem, weg met hem!” riepen verscheidene stemmen, en eenigen
sprongen op, om het gruwzame vonnis onverwijld te voltrekken.
Bianca gaf een luiden gil van angst; Lodewijk ving haar, daar zij
dreigde neder te zinken, in zijn rechterarm op en trachtte met den
linker een woest toedringende af te weren.
Rasinski, den omvang van het gevaar terstond overziende, liet Jaromir
in Bernards armen en sprong met flonkerende oogen midden in den kring.
Snel beraden rukte hij een smeulenden boomtak uit het vuur, hief dien
hoog op en donderde met zijne leeuwenstem: „Terug, rampzaligen! Wie één
tred voorwaarts doet, sla ik met deze knods de hersens in!”
De verbitterden weken verschrikt terug en waagden niet te naderen; de
zedelijke overmacht van Rasinski boezemde hun ontzag in. De grenadier
nochtans trok de sabel en schreeuwde: „Hoe, lafaards! zijt gij allen
bevreesd voor een enkele! Voorwaarts! Neer met den poolschen hond!”
„Ellendeling!” donderde Rasinski en sprong als een getergde leeuw op
den razende toe. „Uit den weg met u, ontmenscht ondier!” Tegelijk
greep hij hem met kracht en behendigheid in het gewricht der opgeheven
vuist, zoodat hij zijn wapen niet kon gebruiken, en bracht hem met
den brandenden tak zulk een hevigen slag op het hoofd toe, dat deze
in splinters vloog en kolen en vonken in het rond stoven. Doch de
slag was door de dichte berenmuts gebroken en had slechts den toorn
van den verbitterde tot ziedende woede doen stijgen. Een Hercules
in lichaamsbouw, in lengte een half hoofd boven zijne tegenpartij
uitstekende, liet hij de sabel vallen en wierp zich op Rasinski, om hem
al worstelende in de vlammen te werpen. Deze bood slechts een oogenblik
tegenstand, toen gleed hij uit, struikelde; viel op de knieën. Hij was
verloren! Een roekeloos monster dreigde de edelste heldenborst met
ruwe overmacht te verpletten! Daar sprong Lodewijk met bliksemsnelheid
den vriend te hulp, greep den woedende van achteren aan en sleurde
hem terug, zoodat beiden ter aarde stortten. Rasinski raapte de
gevallen sabel op, rukte den op den grond liggende met de linkerhand de
berenmuts van het hoofd en bracht hem met de rechter een houw langs de
slapen toe, die hem den schedel door midden kloofde. Fier en gebiedend
als een koning, richtte hij zich thans op en trad met majesteit in den
kring der verschrikte soldaten. „Werpt het lijk in de sneeuw,” beval
hij; „gaat weer liggen en slaapt.”
Alsof hij dat wapen ontberen en de menigte door zijn verheven geest
alleen beheerschen kon, wierp hij het verachtelijk van zich. Niemand
verstoutte zich, een woord te reppen; een tweetal nam het bebloede
lichaam op, droeg het eenige schreden buiten den kring en wierp het op
de overige lijken.
Daar de gramschap nog bij hem navolgde, gelijk de zee na een hevigen
storm, ging Rasinski eenige oogenblikken op en neder, zonder zelfs naar
zijne vrienden om te zien. Weldra echter had hij zijne bedaardheid
herkregen, reikte den met bloed bespatten vriend, die Bianca teeder in
zijne armen omvangen hield, de hand en sprak: „Gij zijt mijn redder!
Ziet gij, dat heeft de woelige krijg zelfs in dezen jammervollen tijd
nog boven het alledaagsche leven vooruit, dat hij ons in een enkel uur
meer gelegenheid om den vriend van dienst te zijn aan de hand geeft,
dan een gansche menschenleeftijd van den slaperigen vrede in staat is
op te leveren. Ik dank u!—Maar gaat nu weder rusten, mijne vrienden;
het is niets dan één doode meer onder de legioenen, die om ons heen
versteend zijn. Eene kleine kramersnegotie tegen den wereldhandel van
het lot!”
Zijn oog vestigde zich weder op Jaromir: deze scheen in slaap gezonken
en had het blonde hoofd tegen Bernards borst gedrukt. In de stille,
bleeke trekken lag een nameloos lijden, dat geen vriendelijk oog met
een zachten sluier bedekte.
„Laten wij hem in ons midden nemen, Bernard,” sprak Rasinski. „Wat
kunnen wij anders, dan hem aan de genade des hemels aanbevelen?
Wellicht brengt de slaap hem weder tot kalmte.”
Hij had zich wederom neergevlijd, nam Jaromir in zijne armen en drukte
hem liefderijk aan zijn hart. „Rust hier uit; de verschrikkingen des
winters zullen u in mijne armen niet vinden. En kunt gij, ontwaak dan
tot een beteren morgen!” Dit zeggende zonk hij achterover, bedekte het
hoofd en rustte hart aan hart met den lijdenden vriend. Spoedig, zoo
onweerstaanbaar deed de albedwingende natuur haar rechten gelden, viel
hij opnieuw in vasten slaap. De krijgslieden om hem heen waren reeds
lang weer ingesluimerd en zoo was de vreeselijke ontmoeting schielijker
vergeten, dan een vluchtig oprijzend droombeeld van den nacht.
Bernard en Lodewijk waakten gezamenlijk, daar één alleen zich misschien
door den slaap had kunnen laten overrompelen, en deelden de zorg voor
het vuur, waarmede het leven van allen tot een eeuwigen nacht zou zijn
uitgebluscht.—Een scherpe nachtwind verhief zich, streek ijskoud langs
hunne wangen en deed de sneeuw in lichte vlokken van de toppen der
dennen neerdwarrelen.
„Brr! hoe grimmig blaast die winter ons in den rug!” mompelde Bernard;
„ik verbeeld mij de ijzeren klauwen, waarmede hij zijne slachtoffers
worgt, reeds in den nek te voelen. Weg, monster! Hier neemt uw rijk een
einde! Hier brandt de vlam des heils, die wij getrouwer onderhouden
zullen dan de Vestalen de hare.”
„Hoe eng,” merkte Lodewijk, „is de ring des levens, die om deze zon
loopt. Wij liggen op de bijna ondeelbare grenslinie tusschen den
vuurdood en dien der verstijving.”
„Als de wind ons zoo scherp aanblaast als nu,” hernam Bernard en rakelde
het hout op, „en het vuur ons zulke gloeiende pijlen in de oogen schiet,
dan is het bijna, alsof men beide martelingen tegelijk voelde. En is dat
niet in het klein een beeld van de wereld? Onze aarde, eene span nader
bij de zonnevlam, verschroeit en vergaat tot asch, eene span verder, en
alle leven versteent in de koude, onmetelijke wereldruimte. De mensch
is overal even hulpeloos, even nietig als hier. Hij sluit slechts de
oogen en waagt geen blik over zijn eng grensgebied in leven, weten en
genieten.”
„Neen, Bernard, gij spreekt geen waarheid, geen waarheid zelfs voor u
zelf,” antwoordde Lodewijk ernstig. „Gij schat het leven zoo gering
niet en miskent den waarborg niet, dien de Eeuwige ons in zijne
kortstondige verschijning geeft. Wie kon dit leven ook slechts een
oogenblik verduren, zonder die hoop op het hiernamaals, die eeuwig
als het spiegelbeeld des hemels door de golven der aardsche woelingen
heenblinkt! En is het schoonste, dat ons dit aanzien aanbiedt, niet ook
een afschijnsel van daar—de liefde...”
„Heb ik het dan ooit geloochend?” viel Bernard hem in de rede en zijne
gansche gevoelige ziel schitterde in zijn oog. „Zie deze hier slechts,”
hij wees op Bianca, „zie haar sluimeren en vraag dan u zelf! Zij maakt
zelfs mij vroom, zooals de menschen dat gewoonlijk noemen, want als
zij bidt en knielt, is dat zoo schoon en waar, dat ik denk: kunt gij
dan iets beters? Van haar alleen leer ik, dat ootmoed sterker is dan
trots; al vergeet ik het dan ook spoedig weder. Gisteren, toen de nood
op het hoogst was, zag ik haar achter gindschen boomstam knielen en
bidden; en ik deed het ook, schoon enkel voor haar. O Lodewijk, zullen
wij haar schuldeloos leven redden uit dezen afgrond van ellende, waarin
wij dag aan dag dieper wegzinken?”
„Ik hoop nog,” sprak de vriend innig ontroerd.
„O, thans ondervind ik het,” hernam Bernard, „dat gij beter zijt dan ik.
Ik handel rasser dan gij, ik _schijn_ onverzettelijker, maar gij _zijt_
het. Ik voel, dat mijn hopen, mijn vertrouwen, mijne kracht eene grens
heeft, en ik ben die grens nabij. Zoo even waande ik ze uitgeput; ben
ik echter eens moedeloos, dan zal ik het geheel zijn. Gij met uwe edele
bedaardheid, uwe onwankelbare mannelijke deugd zult het nimmer worden.
Ik loop, spring, vlieg en ben u dan ook eene poos lang vooruit geweest.
Gij gaat met vasten, rustigen tred; daarom zult gij nog staande blijven,
als ik machteloos neerzink.—Dan Lodewijk—dan maak mijne zuster
gelukkig—en groet de uwe! Neen, neen, zeg mij niets, ik bid u,” riep
hij driftig, toen Lodewijk hem wilde antwoorden. Hij wendde zich af en
hulde zich dieper in den mantel.
Zoo zaten zij sprakeloos nevens elkander. Eensklaps liet zich een zacht
klagend gezang achter hen hooren. Het was Jaromir, die slapeloos met
open oogen neerlag en, smartelijk glimlachend, die tonen neuriede.
„Hij droomt van haar,” sprak Lodewijk; „het is de melodie van het lied,
dat Lodoiska ons dien avond te Warschau voorzong. Dikwijls heb ik de
wijze van hem gehoord. Daar dus toeft zijne ziel.”
Bernard staarde den ongelukkige weemoedig aan. „Daar toeft zij,”
herhaalde hij langzaam, „bij zijne liefde! Het is over ons besloten,”
vervolgde hij met doffe stem, „wij moeten te gronde gaan. De afgrond is
te diep. Ik durf er niet meer in neerzien, anders stort ik duizelig in
de diepte!”
De krankzinnige zong klagend voort en zag met een onbeschrijfelijk
smartelijken blik tot de vrienden op. Na eenige minuten bestierf de
toon op zijne lippen en hij verzonk weder in doffe bewusteloosheid.
„Was de tijd slechts voorbij, dat ik slapen kon!” riep Bernard. „Slapen!
ik ben moe. Het logge dier weegt zwaar op mijne ziel en verdooft
hare laatste glimmende vonken! Het is voorbij met menschelijkheid,
vriendschap, liefde en haat; alles stomp en ledig en dood. Wie zou
anders slapen kunnen bij zulk een jammer! Hoe laat is het?”
„Terstond middernacht.”
„Dan zijn wij spoedig afgelost!”
De minuten kropen met loomen, slependen tred voorbij. Eindelijk was het
uur om. Zij maakten hunne opvolgers wakker en legden zich tot slapen
neder, om den last aller bezwaren, aller angsten, aller smarten in de
ledige ruimte van doffe vergetelheid af te schudden.