HOOFDSTUK VI.

Maar de grimmige natuur was met hare verschrikkingen sterker, dan zelfs

de edelste, diepste smart.

Met de dalende zon steeg de koude al hooger en hooger. Hoe kort de

weg ook zijn mocht, voelden de dragenden toch het bloed in hunne

armen verstijven. Slechts de heiligste, onverbrekelijkste vriendschap

vermocht deze laatste liefdedienst te volvoeren; voor elken anderen

ware zij onvoltooid gebleven. In hunne innige liefde echter vonden de

getrouwen de kracht.

Na onuitsprekelijke inspanning bereikten zij een klein huis, dat ter

zijde van den hoofdweg, waarop de massa's in woest gedrang naar den

ingang van het vlek voortwentelden, gelegen was. Tegen alle verwachting

was het nog bewoond; een grijsaard opende de deur en trad de komenden

met smeekende gebaren te gemoet. „Is er plaats in uwe hut?” riep

Rasinski hem toe.

„Genoeg, genoeg!” hernam de oude, verheugd, de taal van zijn land te

hooren; „ik wil u gaarne huisvesten. Doch ik smeek u, drijf mij zelf

niet naar buiten in dezen kouden winternacht. Gun aan mijn grijs hoofd

een klein plaatsje!”

„Houdt gij ons voor ontmenschte barbaren?” vroeg Rasinski met

onwillekeurige huivering; „gij hebt niets te vreezen!”

„Dan moge de Heere u zegenen,” sprak de grijsaard; „maar gisteren

hebben zij mijn zoon en mijne beide kleindochtertjes naar buiten

gejaagd, en die zijn bevroren voor mijne gesloten deur. Gij kunt ze

zien, ik heb de lijken nog hier in de hut.”

„Barmhartige God!” riep Bianca vol afschuw en medelijden uit; „was het

mogelijk!”

„Ook wij brengen u een doode,” sprak Rasinski; „zijn lijk zelfs is

ons nog dierbaar. Wilt gij bij de Moeder Maria zweren, hem vroom

en christelijk ter aarde te bestellen, wanneer wij daarin mochten

verhinderd worden, dan beloof ik u en uw huis zekerheid, zoolang wij er

ons in ophouden.”

„Bij de heilige Moeder zweer ik het; hij zal naast mijn eigen zoon

rusten,” riep de grijsaard en hief de hand plechtig omhoog.

Zoo traden zij de hut binnen.

„Breng het lijk hier, lieve heeren,” sprak de oude en opende de deur van

een klein zijvertrek.

„O, mijn God,” riep Bianca, toen zij een blik naar binnen wierp.—Op

een, met wit linnen lakens bedekt strooleger lag in een doodshemd een

man van nog jeugdigen leeftijd, schoon van een ziekelijk voorkomen.

Naast hem zag men twee kleine meisjes van uiterlijk zeven tot acht jaren

oud.

Lodewijk en Rasinski droegen Boleslaws lijk naar binnen en legden het

aan de zijde der beide schuldelooze kleinen neder.

„Ziet gij, heeren, dat zijn zij,” sprak de grijsaard en tranen

verstikten zijne stem. „Gisteren waren de kinderen nog frisch en gezond,

als bloeiende rozen—de vader sukkelde sinds het voorjaar—toen zijne

vrouw,—neen, laat mij daarvan liever zwijgen.—Gisteren drongen er

zooveel soldaten in mijn huis, dat het aan plaats ontbrak; zij joegen

ons de deur uit. Wij brachten den nacht onder den blooten hemel door;

mijn zoon, dien de ziekte verzwakt had, was tegen de felle koude niet

bestand; de kleinen kon ik niet uit den slaap houden—zij bevroren in

mijne armen. Ik alleen bleef over. Gaarne had ik mij bij de doode, op de

sneeuw nedergelegd, maar ik heb nog eene dochter—om harentwille leef

ik. Zij is echter thans in Wilna.”

Terwijl de oude zijn overkropt hart uitstortte, hadden de mannen

Boleslaws kleederen en haar in orde gebracht en hem met den wijden

mantel bedekt, zoodat de sporen der wonde en van het reeds geronnen

bloed niet meer zichtbaar waren. Thans scheen hij te sluimeren, zoo

kalm en edel waren zijne trekken.

„Laat hem hier rusten,” sprak Rasinski weemoedig. „Zijn beeld staat

levend, waardig, vriendelijk in onze harten geprent, laat ons het zoo

bewaren; het is niet goed, bij het koude hulsel te vertoeven.”

Aan zijn wensch voldoende, keerden allen naar het eerste vertrek terug,

welks weldadige warmte hen verkwikkend aandeed.

Sedert langen tijd was dit het eerste veilige dak, dat hen gastvrij

opnam. Een helder brandend vuur vlamde op den breeden haard en

verbreidde een gematigde warmte door de gansche binnenste ruimte van

het kleine woonhuis. De zeeman, die na een gevaarlijken tocht de

gewenschte haven binnenloopt, wordt niet zoo levendig door het gevoel

van erkentenis jegens den almachtigen Redder doordrongen, als het

gezicht van dit toevluchtsoord tegen de grimmigheid der natuur en van

den vijand het hart der naar lichaam en ziel lijdenden met innige

dankbaarheid vervulde.

„De God der genade is met ons,” sprak Lodewijk, zich tot Bianca

wendende, die hij, als hem uit den drang van nooden en gevaren opnieuw

hergeven, aan het hart sloot. „Hoe zwaar wij ook beproefd worden, wij

zijn steeds onder de hoede des Almachtigen.”

„Zijn vriendelijke engel wandelt immers midden onder ons,” sprak

Rasinski en drukte een zachten kus op Bianca's gebogen voorhoofd; „dit

schuldelooze hoofd keert ook van ons het verderf af. Wees getroost gij

schoone ziel—wie aan eene voorzienigheid gelooft, mag in uwe nabijheid

niet vreezen.”

Bianca bloosde en sloeg beschaamd de oogen neder. „Het is medelijden

met de hulpelooze, dat u zoo spreken doet,” hernam zij; „ik weet te

wel, dat de arm des Heeren hier beteren beschermt en vernietigt dan ik

ben. Laat mij in het gevoel mijner minderheid gelooven, dat uw machtige

geest ons allen beschermt.”

Rasinski was nog nooit zoo week gestemd geweest. De dood van den

geliefden vriend had zijn krachtigen geest geweldig aangedaan. Zwijgend

zette hij zich neder en verzonk weldra in diep gepeins.—Eene diepe

stilte heerschte in den kleinen kring, die door het flikkeren der

vlam spaarzaam verlicht werd. Jaromir zat voor den haard en staarde

met strakke, wezenlooze blikken in den gloed. Met inwendige huivering

bemerkte Bernard, hoe de smart het gevoel van den armen jongeling

verstompte, en opnieuw rezen de bange zorgen en bekommeringen in hem

op, die reeds gedeeltelijk verdwenen waren, daar de teekenen van

zinsverbijstering, welke de ongelukkige vroeger had gegeven, zich

misschien wel door de macht der te hevige uitwendige aandoeningen

teruggedrongen, in de laatste dagen minder kennelijk vertoond hadden.

„Wat is geluk?” dus brak Rasinski het algemeene stilzwijgen af. „Voelen

wij ons niet gelukkig, nu wij ons hier te zamen in eene armzalige hut

bevinden, die ons nauwelijks eene schuilplaats tegen de koude aanbiedt?

Ja, zoo de liefste vriend niet in onzen kleinen kring ontbrak, ik zou

zeggen, wij _zijn_ gelukkig! Ware hij bij ons—ja waarlijk, wij zouden

in dit uur gelukkig zijn!”

„De wenschen wassen aan met de vervulling,” hernam Lodewijk; „hij,

wien het lot toont, wat het dreigen, wat het rooven kan, stelt zich

tevreden en acht zich gelukkig, zoo hij slechts het kleinste deel zijner

verwachtingen uit het onmetelijk rijk van onvervulde wenschen redden

mag. Welk eene mengeling van gewaarwordingen in de menschelijke ziel!

Tegelijk met de diepste smart kan zij het hoogste geluk gevoelen—ja,

soms voelt zij het eene slechts door het andere.”

Een blik op Bianca en een druk harer in de zijne rustende hand zeiden

der geliefde, hoe hij deze woorden verstond en de waarheid daarvan aan

zich zelve ondervonden had.

„Het geluk geeft ons een te zachte huid,” merkte Bernard op; „een

gekreukeld rozeblad drukt ons als den Sybaritischen Alcibiades.

Het ongeluk smeedt ons een schubbig harnas om de borst, waarop de

scherpste pijlen ten laatste mat en krachteloos afstuiten.—Trouwens,

er klopt dan ook weinig hart meer achter een zoodanig pantser, maar de

versteening dringt tot midden in de kern door, en de wonden houden om

geen andere reden op met bloeden, dan wijl zij reeds hebben uitgebloed.”

Hij hield, dit zeggende, zijn oog onafgewend op Jaromir gevestigd, die

nog gestadig met de tang in het vuur speelde.

„Eene mooie, heldere vlam, niet waar, Rasinski?” sprak deze, daar allen

zwegen, op een doffen toon, terwijl hij met een zonderlingen glimlach

in het rond zag.

„Ja, ja,” hernam de gevraagde half verstrooid; „de mensch wordt

verootmoedigd en leert, dat hij uit aarde, uit stof en asch bestaat.”

„Ongetwijfeld,” viel Bernard hem in de rede, „ik weet, wat gij

eigenlijk wilt zeggen. Men kan hem het hart met een gloeiend zwaard

doorboren en het tot kool en asch uitbranden; zoo zijne maag slechts

onbeschadigd is gebleven, zal een duchtige eetlust daarom toch niet

uitblijven.—Op mijn woord, ik krijg honger.—En ik wenschte,” voegde

hij er fluisterend bij, „dat Jaromir gegeten en gedronken had en slapen

ging, zoodat zijne afgestompte zenuwen uitrusten en weer nieuw gevoel

bekomen konden.”

Nu eerst wierp Rasinski een vorschenden blik op den ongelukkige en

verbleekte, toen hij diens koude, wezenlooze trekken aandachtiger

gadesloeg. „Gij hebt gelijk,” sprak hij tot Bernard; „wij moeten hem

tot rust zien te krijgen.”

Dadelijk sprong hij op, om den huiswaard te zoeken, die zich voor

eenige oogenblikken verwijderd had. De grijsaard was gewillig, om alles

te geven, wat men noodig had, te meer daar Rasinski hem de verzekering

gaf, dat hij heden de laatste Franschen huisvestte en van nu af slechts

Russen zou te zien krijgen, die van alles zóó rijkelijk voorzien waren,

dat zij de uitgeplunderde, verarmde inwoners nog konden ondersteunen.

„Veel hebben wij niet overgehouden,” vervolgde de oude; „evenwel is

er nog brood, een weinig honig en ook nog een vaatje brandewijn.—Een

warme soep kan ik gereed maken.”

„Breng ons, wat gij hebt—wij zullen u helpen.”

„Heilige moeder Maria!” riep de oude vol angst en kruiste de armen,

„daar wordt aan de deur geklopt. Zoo er nog anderen hier indringen,

zijn wij verloren!”

„Laat mij openen,” sprak Rasinski; „zoolang er plaats is, zou het

onmenschelijk zijn, onze kameraden aan den kouden nacht prijs te

geven.” Hij trad op de zorgvuldig toegegrendelde deur toe en vroeg in

het fransch: „Wie is daar buiten? Wat wilt gij?”

„Er zijn van onze manschappen bij, ik heb ze herkend,” riep Bernard.

Zij openden. Vijf half verkleumde ruiters van Rasinski's regiment

omringden de deur. In de verwarring van het gevecht hadden zij hun

geliefden overste uit het oog verloren en nu huisvesting in het vlek

gezocht. Alle huizen echter waren gevuld, wijl de maarschalk Victor

de plaats reeds bezet had, hetgeen trouwens in andere opzichten een

geluk mocht genoemd worden, daar zijne troepen de van de westzijde

indringende Russen hadden teruggeslagen. Van huis tot huis ronddwalende

en overal afgewezen, wees een officier hun eindelijk het spoor van

Rasinski, dien hij met Jaromir en de overigen, toen zij het lijk

van Boleslaw droegen, over het veld had zien gaan. Deze aanwijzing

volgende, bereikten zij gelukkig het kleine huis, dat, gelijk meermalen

gebeurde, daar elk slechts den hoofdstroom der massa volgde, geheel

onopgemerkt was gebleven.

De vreugde der redding straalde den ongelukkigen uit de oogen, toen

zij het warme vertrek binnentraden en vooral, toen zij hun aanvoerder

en hunne geliefde officieren, want ook Lodewijk en Bernard beschouwden

zij als zoodanig, behouden voor zich zagen. Deze verheugden zich even

hartelijk, nu zij eenigen der verloren geachten opnieuw begroeten en

aan het verderf ontrukken mochten.

Met een diep smartelijke gewaarwording overzag Rasinski de weinige

getrouwen, die hem nog omgaven; dat was alles, wat hem van zijn statig

regiment overbleef! En toch moest hij het lot danken, dat hem de

dierbaarste vrienden had doen behouden. Slechts een was heden als het

eerste offer gevallen. Hij smeekte vurig tot den Almachtige, dat dit

het laatste mocht zijn!

1812: Historische roman · 第 134 / 154 题