Maar de grimmige natuur was met hare verschrikkingen sterker, dan zelfs
de edelste, diepste smart.
Met de dalende zon steeg de koude al hooger en hooger. Hoe kort de
weg ook zijn mocht, voelden de dragenden toch het bloed in hunne
armen verstijven. Slechts de heiligste, onverbrekelijkste vriendschap
vermocht deze laatste liefdedienst te volvoeren; voor elken anderen
ware zij onvoltooid gebleven. In hunne innige liefde echter vonden de
getrouwen de kracht.
Na onuitsprekelijke inspanning bereikten zij een klein huis, dat ter
zijde van den hoofdweg, waarop de massa's in woest gedrang naar den
ingang van het vlek voortwentelden, gelegen was. Tegen alle verwachting
was het nog bewoond; een grijsaard opende de deur en trad de komenden
met smeekende gebaren te gemoet. „Is er plaats in uwe hut?” riep
Rasinski hem toe.
„Genoeg, genoeg!” hernam de oude, verheugd, de taal van zijn land te
hooren; „ik wil u gaarne huisvesten. Doch ik smeek u, drijf mij zelf
niet naar buiten in dezen kouden winternacht. Gun aan mijn grijs hoofd
een klein plaatsje!”
„Houdt gij ons voor ontmenschte barbaren?” vroeg Rasinski met
onwillekeurige huivering; „gij hebt niets te vreezen!”
„Dan moge de Heere u zegenen,” sprak de grijsaard; „maar gisteren
hebben zij mijn zoon en mijne beide kleindochtertjes naar buiten
gejaagd, en die zijn bevroren voor mijne gesloten deur. Gij kunt ze
zien, ik heb de lijken nog hier in de hut.”
„Barmhartige God!” riep Bianca vol afschuw en medelijden uit; „was het
mogelijk!”
„Ook wij brengen u een doode,” sprak Rasinski; „zijn lijk zelfs is
ons nog dierbaar. Wilt gij bij de Moeder Maria zweren, hem vroom
en christelijk ter aarde te bestellen, wanneer wij daarin mochten
verhinderd worden, dan beloof ik u en uw huis zekerheid, zoolang wij er
ons in ophouden.”
„Bij de heilige Moeder zweer ik het; hij zal naast mijn eigen zoon
rusten,” riep de grijsaard en hief de hand plechtig omhoog.
Zoo traden zij de hut binnen.
„Breng het lijk hier, lieve heeren,” sprak de oude en opende de deur van
een klein zijvertrek.
„O, mijn God,” riep Bianca, toen zij een blik naar binnen wierp.—Op
een, met wit linnen lakens bedekt strooleger lag in een doodshemd een
man van nog jeugdigen leeftijd, schoon van een ziekelijk voorkomen.
Naast hem zag men twee kleine meisjes van uiterlijk zeven tot acht jaren
oud.
Lodewijk en Rasinski droegen Boleslaws lijk naar binnen en legden het
aan de zijde der beide schuldelooze kleinen neder.
„Ziet gij, heeren, dat zijn zij,” sprak de grijsaard en tranen
verstikten zijne stem. „Gisteren waren de kinderen nog frisch en gezond,
als bloeiende rozen—de vader sukkelde sinds het voorjaar—toen zijne
vrouw,—neen, laat mij daarvan liever zwijgen.—Gisteren drongen er
zooveel soldaten in mijn huis, dat het aan plaats ontbrak; zij joegen
ons de deur uit. Wij brachten den nacht onder den blooten hemel door;
mijn zoon, dien de ziekte verzwakt had, was tegen de felle koude niet
bestand; de kleinen kon ik niet uit den slaap houden—zij bevroren in
mijne armen. Ik alleen bleef over. Gaarne had ik mij bij de doode, op de
sneeuw nedergelegd, maar ik heb nog eene dochter—om harentwille leef
ik. Zij is echter thans in Wilna.”
Terwijl de oude zijn overkropt hart uitstortte, hadden de mannen
Boleslaws kleederen en haar in orde gebracht en hem met den wijden
mantel bedekt, zoodat de sporen der wonde en van het reeds geronnen
bloed niet meer zichtbaar waren. Thans scheen hij te sluimeren, zoo
kalm en edel waren zijne trekken.
„Laat hem hier rusten,” sprak Rasinski weemoedig. „Zijn beeld staat
levend, waardig, vriendelijk in onze harten geprent, laat ons het zoo
bewaren; het is niet goed, bij het koude hulsel te vertoeven.”
Aan zijn wensch voldoende, keerden allen naar het eerste vertrek terug,
welks weldadige warmte hen verkwikkend aandeed.
Sedert langen tijd was dit het eerste veilige dak, dat hen gastvrij
opnam. Een helder brandend vuur vlamde op den breeden haard en
verbreidde een gematigde warmte door de gansche binnenste ruimte van
het kleine woonhuis. De zeeman, die na een gevaarlijken tocht de
gewenschte haven binnenloopt, wordt niet zoo levendig door het gevoel
van erkentenis jegens den almachtigen Redder doordrongen, als het
gezicht van dit toevluchtsoord tegen de grimmigheid der natuur en van
den vijand het hart der naar lichaam en ziel lijdenden met innige
dankbaarheid vervulde.
„De God der genade is met ons,” sprak Lodewijk, zich tot Bianca
wendende, die hij, als hem uit den drang van nooden en gevaren opnieuw
hergeven, aan het hart sloot. „Hoe zwaar wij ook beproefd worden, wij
zijn steeds onder de hoede des Almachtigen.”
„Zijn vriendelijke engel wandelt immers midden onder ons,” sprak
Rasinski en drukte een zachten kus op Bianca's gebogen voorhoofd; „dit
schuldelooze hoofd keert ook van ons het verderf af. Wees getroost gij
schoone ziel—wie aan eene voorzienigheid gelooft, mag in uwe nabijheid
niet vreezen.”
Bianca bloosde en sloeg beschaamd de oogen neder. „Het is medelijden
met de hulpelooze, dat u zoo spreken doet,” hernam zij; „ik weet te
wel, dat de arm des Heeren hier beteren beschermt en vernietigt dan ik
ben. Laat mij in het gevoel mijner minderheid gelooven, dat uw machtige
geest ons allen beschermt.”
Rasinski was nog nooit zoo week gestemd geweest. De dood van den
geliefden vriend had zijn krachtigen geest geweldig aangedaan. Zwijgend
zette hij zich neder en verzonk weldra in diep gepeins.—Eene diepe
stilte heerschte in den kleinen kring, die door het flikkeren der
vlam spaarzaam verlicht werd. Jaromir zat voor den haard en staarde
met strakke, wezenlooze blikken in den gloed. Met inwendige huivering
bemerkte Bernard, hoe de smart het gevoel van den armen jongeling
verstompte, en opnieuw rezen de bange zorgen en bekommeringen in hem
op, die reeds gedeeltelijk verdwenen waren, daar de teekenen van
zinsverbijstering, welke de ongelukkige vroeger had gegeven, zich
misschien wel door de macht der te hevige uitwendige aandoeningen
teruggedrongen, in de laatste dagen minder kennelijk vertoond hadden.
„Wat is geluk?” dus brak Rasinski het algemeene stilzwijgen af. „Voelen
wij ons niet gelukkig, nu wij ons hier te zamen in eene armzalige hut
bevinden, die ons nauwelijks eene schuilplaats tegen de koude aanbiedt?
Ja, zoo de liefste vriend niet in onzen kleinen kring ontbrak, ik zou
zeggen, wij _zijn_ gelukkig! Ware hij bij ons—ja waarlijk, wij zouden
in dit uur gelukkig zijn!”
„De wenschen wassen aan met de vervulling,” hernam Lodewijk; „hij,
wien het lot toont, wat het dreigen, wat het rooven kan, stelt zich
tevreden en acht zich gelukkig, zoo hij slechts het kleinste deel zijner
verwachtingen uit het onmetelijk rijk van onvervulde wenschen redden
mag. Welk eene mengeling van gewaarwordingen in de menschelijke ziel!
Tegelijk met de diepste smart kan zij het hoogste geluk gevoelen—ja,
soms voelt zij het eene slechts door het andere.”
Een blik op Bianca en een druk harer in de zijne rustende hand zeiden
der geliefde, hoe hij deze woorden verstond en de waarheid daarvan aan
zich zelve ondervonden had.
„Het geluk geeft ons een te zachte huid,” merkte Bernard op; „een
gekreukeld rozeblad drukt ons als den Sybaritischen Alcibiades.
Het ongeluk smeedt ons een schubbig harnas om de borst, waarop de
scherpste pijlen ten laatste mat en krachteloos afstuiten.—Trouwens,
er klopt dan ook weinig hart meer achter een zoodanig pantser, maar de
versteening dringt tot midden in de kern door, en de wonden houden om
geen andere reden op met bloeden, dan wijl zij reeds hebben uitgebloed.”
Hij hield, dit zeggende, zijn oog onafgewend op Jaromir gevestigd, die
nog gestadig met de tang in het vuur speelde.
„Eene mooie, heldere vlam, niet waar, Rasinski?” sprak deze, daar allen
zwegen, op een doffen toon, terwijl hij met een zonderlingen glimlach
in het rond zag.
„Ja, ja,” hernam de gevraagde half verstrooid; „de mensch wordt
verootmoedigd en leert, dat hij uit aarde, uit stof en asch bestaat.”
„Ongetwijfeld,” viel Bernard hem in de rede, „ik weet, wat gij
eigenlijk wilt zeggen. Men kan hem het hart met een gloeiend zwaard
doorboren en het tot kool en asch uitbranden; zoo zijne maag slechts
onbeschadigd is gebleven, zal een duchtige eetlust daarom toch niet
uitblijven.—Op mijn woord, ik krijg honger.—En ik wenschte,” voegde
hij er fluisterend bij, „dat Jaromir gegeten en gedronken had en slapen
ging, zoodat zijne afgestompte zenuwen uitrusten en weer nieuw gevoel
bekomen konden.”
Nu eerst wierp Rasinski een vorschenden blik op den ongelukkige en
verbleekte, toen hij diens koude, wezenlooze trekken aandachtiger
gadesloeg. „Gij hebt gelijk,” sprak hij tot Bernard; „wij moeten hem
tot rust zien te krijgen.”
Dadelijk sprong hij op, om den huiswaard te zoeken, die zich voor
eenige oogenblikken verwijderd had. De grijsaard was gewillig, om alles
te geven, wat men noodig had, te meer daar Rasinski hem de verzekering
gaf, dat hij heden de laatste Franschen huisvestte en van nu af slechts
Russen zou te zien krijgen, die van alles zóó rijkelijk voorzien waren,
dat zij de uitgeplunderde, verarmde inwoners nog konden ondersteunen.
„Veel hebben wij niet overgehouden,” vervolgde de oude; „evenwel is
er nog brood, een weinig honig en ook nog een vaatje brandewijn.—Een
warme soep kan ik gereed maken.”
„Breng ons, wat gij hebt—wij zullen u helpen.”
„Heilige moeder Maria!” riep de oude vol angst en kruiste de armen,
„daar wordt aan de deur geklopt. Zoo er nog anderen hier indringen,
zijn wij verloren!”
„Laat mij openen,” sprak Rasinski; „zoolang er plaats is, zou het
onmenschelijk zijn, onze kameraden aan den kouden nacht prijs te
geven.” Hij trad op de zorgvuldig toegegrendelde deur toe en vroeg in
het fransch: „Wie is daar buiten? Wat wilt gij?”
„Er zijn van onze manschappen bij, ik heb ze herkend,” riep Bernard.
Zij openden. Vijf half verkleumde ruiters van Rasinski's regiment
omringden de deur. In de verwarring van het gevecht hadden zij hun
geliefden overste uit het oog verloren en nu huisvesting in het vlek
gezocht. Alle huizen echter waren gevuld, wijl de maarschalk Victor
de plaats reeds bezet had, hetgeen trouwens in andere opzichten een
geluk mocht genoemd worden, daar zijne troepen de van de westzijde
indringende Russen hadden teruggeslagen. Van huis tot huis ronddwalende
en overal afgewezen, wees een officier hun eindelijk het spoor van
Rasinski, dien hij met Jaromir en de overigen, toen zij het lijk
van Boleslaw droegen, over het veld had zien gaan. Deze aanwijzing
volgende, bereikten zij gelukkig het kleine huis, dat, gelijk meermalen
gebeurde, daar elk slechts den hoofdstroom der massa volgde, geheel
onopgemerkt was gebleven.
De vreugde der redding straalde den ongelukkigen uit de oogen, toen
zij het warme vertrek binnentraden en vooral, toen zij hun aanvoerder
en hunne geliefde officieren, want ook Lodewijk en Bernard beschouwden
zij als zoodanig, behouden voor zich zagen. Deze verheugden zich even
hartelijk, nu zij eenigen der verloren geachten opnieuw begroeten en
aan het verderf ontrukken mochten.
Met een diep smartelijke gewaarwording overzag Rasinski de weinige
getrouwen, die hem nog omgaven; dat was alles, wat hem van zijn statig
regiment overbleef! En toch moest hij het lot danken, dat hem de
dierbaarste vrienden had doen behouden. Slechts een was heden als het
eerste offer gevallen. Hij smeekte vurig tot den Almachtige, dat dit
het laatste mocht zijn!