HOOFDSTUK V.

De koude schijf der zon begon reeds weder roodachtig te gloeien en

naar de sneeuwzee af te dalen, toen de vermoeiden Malodeczno op den

afstand van een uur voor zich zagen. Het uitzicht op een dragelijk

nachtverblijf deed den bezweken moed opnieuw herleven; maar alsof het

lot elke geringe schemering van geluk slechts liet aanlichten, om de

krachten tot het verduren van een nieuw, grooter onheil op te winden,

werd de kortstondige vreugde ook hier door verdubbelden schrik op den

voet gevolgd. Plotseling toch werden de hoogten met zwarte massa's

gekroond; de vijand, langs andere wegen voortgedrongen, verscheen, om

het toevluchtsoord tegen den kouden winternacht aan de ongelukkige

vluchtelingen te betwisten. Bij den eersten aanblik dezer donkere

liniën, die den horizon begonnen te omzoomen, pakte de schaar der

ongewapenden zich opeen, als eene kudde, die door een gevreesd roofdier

bedreigd wordt. Met luider stem riep de maarschalk Ney den weerbaren

toe, zich om hem te verzamelen. Nog bestonden eenige overblijfsels

van het oude heldenleger, nog klopten harten, die zelfs nu nog de

voorschriften van plicht en eer niet vergeten hadden. De gelederen

ordenden zich, de weinige ruiters, schoon ook uit alle regimenten

bijeengeraapt, sloten opeen en plaatsten zich aan de vleugels, de

artillerie, zoo men het kleine aantal stukken dien naam geven mocht,

koos eene stelling.

„Kameraden,” riep de maarschalk, „heden moeten wij dak en huisvesting

bevechten; want de winternacht is moorddadiger dan 's vijands wapenen.

Ook hij wordt door den nood gedreven; gij verdelgt hem, zoo gij

standhoudt. Denkt aan uwe redding, aan Frankrijks roem, aan uwen

keizer!”

„Leve de keizer!” klonk de doffe kreet der heldenschaar, die slechts

den verren donder van het geschut behoefde te hooren, om te midden der

zwaarste rampen de stoute geestdrift te herwinnen, waarmede zij alle

landen van Europa doorkruist had.

„Wij hebben geen paarden,” riep Rasinski zijnen ruiters toe; „laat ons

het geschut bedienen, want hier zijn handen te kort.”

Een dof gedonder rolde langs de heuvels; de eerste kogels werden door

den vijand afgezonden en vlogen, op den versteenden grond afstuitend,

in wijde boogsgewijze sprongen over de ten slag geordende schaar heen.

„Gij schiet te hoog, wij willen beter treffen,” sprak Rasinski en boog

zich voor het stuk neder, om het te richten. „Zóó! Thans vuur!” Jaromir

vuurde af.

„Ziet gij, hoe de kogel ruimte maakt?” riep Rasinski, toen de zwarte

linie op de hoogte scheurde, zoodat de hemel daarachter zichtbaar week.

„Stonden zij zoo diep als breed, dan zou dit schot hun dertig koppen

gekost hebben.”

Het gevecht was begonnen; de artillerie des vijands daverde thans

van drie zijden tegelijk en de kogels kletterden zoowel in den zwerm

weerlooze, in blinde drift naar het vlek Malodeczno voortspoedende

vluchtelingen, als in de geordende gelederen der dapperen neder, die

hun leven voor dat hunner makkers stoutmoedig in de bres stelden.

„Wij moeten langzaam terugtrekken,” beval de maarschalk, „anders

snijden zij ons van het vlek af en wij worden allen een buit van den

winter.”

De artillerie gaf nog eene laag en nam daarop ettelijke honderden

schreden verder achterwaarts eene nieuwe stelling aan. De troepen

volgden gesloten. Voet voor voet wijkende trok men zich, een ernstig

gevecht vermijdende, van lieverlede tot nabij de eerste hutten van

Malodeczno terug; doch deze korte beweging had de krachten der

artilleriepaarden zoodanig uitgeput, dat zij elk oogenblik struikelden,

neervielen en ten laatste niet meer waren op te krijgen. Wat handen

had, moest derhalve aangrijpen, om de stukken bij eene hoogte op te

trekken, vanwaar zich de toegang tot het vlek verdedigen liet.

„Onze kanonnen te redden is onmogelijk, kameraden,” riep Ney, de

vermoeiden aanmoedigende; „maar wij zullen ze althans duur genoeg zien

te verkoopen.”

De Russen waren langzaam, vurend nader gerukt; thans schenen zij hunne

krachten te verzamelen, om stormenderhand een aanval te beproeven.

Nauwelijks echter hadden zij zich in volle colonnes vertoond, of de

artillerie der Franschen gaf een vreeselijk salvo, dat eene moorddadige

verwoesting in hunne gelederen aanrichtte. De aarde sidderde, de lucht

dreunde, rook en damp spreidden een zwarten sluier over het leger uit.

De vijand vulde zijne openingen en drong kloekmoedig voorwaarts, zijn

aanval door de artillerie ondersteunende. Eene tweede laag deed hem

andermaal uiteenstuiven. Doch gestadig nieuwe scharen kwamen opdagen,

de Rus kon troepen opofferen, want hij vocht met duizenden tegen

honderden en scheen het bezit van het vlek tot elken prijs te willen

koopen.

Rasinski, Boleslaw, Jaromir, Bernard en Lodewijk bedienden een stuk

geschut, want ook de beide laatsten achtten het een plicht, hun door

de eer voorgeschreven, een werkzaam aandeel in het gevecht te nemen

en, hoewel zij niet meer de uniform van het regiment droegen, hunne

vrienden niet te verlaten, nu koelbloedige mannen eene tienvoudige

waardij hadden. Ook was het denkbeeld, van met de vrienden vereenigd

te blijven, de eenige troost, de eenige bron van hoop en bemoediging,

welke hun in dezen akeligen tijd nog overig was. Voor Bianca hadden zij

eene plaats opgespoord, waar deze, zoo veilig als eenigszins mogelijk

was, in hunne nabijheid blijven kon. Aan de zijde van Malodeczno, dicht

achter de stelling, welke de artillerie handhaafde, helde de heuvel

tot ongeveer manshoogte genoegzaam loodrecht af en vormde dusdoende

eene natuurlijke borstwering. Daar toefde Bianca met het kind, terwijl

de slag boven haar hoofd woedde; eenige schreden van haar af stonden

de kruitwagens, waaruit de batterijen op de hoogte van het noodige

voorzien werden.

Alhoewel de arme voor zich zelve niets te vreezen had, klopte

toch haar hart met krampachtigen angst, nu zij de geliefden op

weinige schreden afstands aan al de verschrikkingen des doods wist

prijsgegeven. Hoe plechtig zij Bernard ook mocht beloofd hebben, de

veilige schuilplaats niet te zullen verlaten, kon zij toch, daar

het kraken der kanonnen tot eene verdoovende sterkte toenam, haren

zielsangst niet langer bedwingen. Zij moest den heuvel op, om te

zien, of de haren nog verschoond waren van het lot, dat zijn ijzeren

doodsstroom met donderende golven over de vlakte wentelde. Maar ach! te

vergeefs zwierven hare blikken in het rond, want de rook hing in dichte

wolken op de vuurmonden en men zag slechts zwarte gestalten, die zich

schemerachtig en onkenbaar daarin bewogen.

Buiten de mogelijkheid van zich aangaande het lot der dierbaren

zekerheid te verschaffen, wankelde zij naar de plaats, waar zij beloofd

had te zullen blijven, terug. Doodsangst joeg haar het klamme zweet op

het voorhoofd; elke donderslag der mortieren trof haar eigen hart. Zulk

verpletterend zielelijden had zij nog nooit gekend.

Nadine werd angstig door het aanhoudende slaggewoel en begon bitter

te schreien. Bianca legde haar handjes gevouwen ineen en sprak: „Bid,

schuldelooze engel, bid tot den Hemelschen vader, uw kinderlijk smeeken

zal Hij verhooren: o laat dit akelige uur ons voorbijgaan!” De kleine

gehoorzaamde bijna bewusteloos, knielde neder en hief de betraande

oogen smeekend ten hemel. Ook Bianca wierp zich op de knieën; woorden

ontbraken haar, zij vermocht slechts de handen sidderend omhoog te

heffen; doch de Almachtige hoorde ook hare stomme verzuchtingen. Een

geloovig, kinderlijk vertrouwen keerde allengs in haar hart terug en

verdreef de zwarte twijfelingen der wanhoop. Zij ademde vrijer, drukte

het kind aan haren boezem en zachte tranen rolden in verlichtende

stroomen langs hare bleeke wangen.

Weldra werd de donder van het geschut flauwer en zwakker, plotseling

zweeg het geheel. Bianca sprong op; nu moest zij tot de haren, nu was

het beslist, of het zwarte lot des doods ook hun was ten deel gevallen.

Driftig spoedde zij, het kind aan de hand houdende, de hoogte op.

Daar klonk haar eene stem uit rook en schemering te gemoet. „Zuster,

lieve zuster, waar zijt gij?” Het was Bernard. „Hier, hier, gij leeft,

beiden, allen?” riep zij en zeeg in hetzelfde oogenblik haren broeder

in de armen. Eene minuut van onuitsprekelijk zoet geluk was Bianca

gegeven, doch ook niet meer dan eene minuut.

„Verheug u niet te vroeg,” sprak Bernard en wond zich uit hare

sidderende armen los; „wij moesten een offer brengen! Boleslaw....”

„Genadige hemel! hij is....”

„Wij vreezen het; daar komen de vrienden hem herwaarts dragen,”

vervolgde de broeder, wees op eenige gestalten, die langzaam naderden,

en liet tot schreiens toe bewogen, het hoofd op Bianca's schouder

rusten. Door het verlies van den vriend was zijne sterke ziel hevig

geschokt, zijne vaste kracht gebogen. „Het moet worden doorstaan,”

zuchtte hij, zich oprichtend, „hoe diep de dolk ook in de borst

dringe!—Laat ons hun te gemoet gaan.”

Met onzekeren gang traden beiden op de komenden toe, die in hunne armen

den verbleekten jongeling droegen. Een kartetskogel had hem het dijbeen

verbrijzeld, de vreeselijke schok de levenskiemen van het geheele

lichaam verwoest.

„Legt mij neder, ik bid u,” sprak hij doodelijk afgemat.

„Geef hem zijn wil,” fluisterde Rasinski en schudde weemoedig het

hoofd, alsof hij zeggen wilde: onze zorg redt hem toch niet meer.

Zij legden den gewonde behoedzaam op den grond neder. Rasinski knielde

aan zijn hoofd en nam hem half opgericht in zijne armen. Jaromir hield

de rechterhand van den stervende in de zijne geklemd. Lodewijk wendde

hevig ontroerd het hoofd af. Bianca trad vol mededoogen op hem toe en

snikte: „Ook dat nog, geliefde!” Hij drukte haar stom aan zijn hart: te

spreken vermocht hij niet. Dat kon niemand. Met het heilige zwijgen van

de diepste bekommering vestigden allen den blik op den gekwetste, die,

den doodstrijd in de wezenstrekken, met gesloten oogen daar nederzat.

Thans sloeg hij ze op, zag verwonderd om zich heen en zocht zich te

bezinnen.

„Gij zijt allen bij mij?” sprak hij vriendelijk, toen hij zijne

vrienden herkende, en een vriendelijk lachje van dankbaarheid speelde

om zijne lippen. „Ik sterf een schoonen dood,” vervolgde hij en richtte

zich op; „gij moogt niet om mij treuren. Ik sterf den eeredood in

vriendenarmen!” Een edele trots kleurde des jongelings verbleekte

wangen met een vluchtigen blos en nog eenmaal ontvlamde de moed in

zijn brekend oog. „Ik sterf gaarne,” vervolgde hij meer weemoedig.

„Jaromir! mijn vriend, mijn broeder!” Hij drukte de hand des naast hem

knielenden met warme liefde en diepe aandoening, want zijne gedachten

verwijlden bij het beeld der verwijderde geliefde, dat hij stom, maar

met standvastige trouw in zijn hart had omgedragen.

„O, waarom lig ik niet op uw plaats!” riep Jaromir met onstuimige

droefheid en drukte zijn gelaat op de hand des stervenden; „waarom

heeft de dood mij niet verlost!”

„Neen, neen—gij zult nog gelukkige dagen zien,” vervolgde Boleslaw

met aandoening, „gelukkige dagen in hare armen.—Breng Lodoiska mijn

laatsten groet; u bekent het mijn stervende mond... ik heb haar

bemind... zwijgend, maar uit het diepst mijner ziel!”

„O God, o mijn broeder!” snikte Jaromir. „Gij, gij—gij waart getrouw

gebleven! O, ik rampzalige!”

„Gij hebt zwaar geboet, alles is verzoend, mijn broeder,” sprak

Boleslaw. „Weest gelukkig met elkander.... om der smarten wille, die ik

droeg.... het is mijne laatste bede aan u, aan haar.... dat zij mijne

vreugde daarboven!”

Hij liet het matte hoofd zinken. Jaromir boog zich onstuimig over hem

neder. „Blijf nog bij ons—o broeder, sterf nu nog niet,” riep hij

onder krampachtig snikken en drukte zijn gloeiend voorhoofd op de

verstijvende hand des dierbaren. Nog eenmaal sloeg Boleslaw het brekend

oog op.—„Rasinski.... gij, mijne vrienden!” sprak hij met zwakke stem.

Zij drukten zijne handen, zijn blik zweefde weemoedig over allen heen

en wenkte elk een vriendelijken groet toe. Op Jaromir verwijlde hij het

langst; hierop zuchtte hij nog eens: „Lodoiska!” sloot het moede oog,

legde het hoofd op Rasinski's borst ter ruste—en ontwaakte niet meer.

De dood gaf hem zijne edele, mannelijke schoonheid geheel terug; als een

marmerbeeld zat hij daar; de zwarte lokken golfden vrij en onbedwongen

van zijn hoog voorhoofd, dat ook nu nog den onmiskenbaren adel van moed

en stoutheid droeg; om de lippen speelde een zacht, half smartelijk

lachje; maar heilige rust woonde op de verstijvende wezenstrekken;

heilige, zachte rust; want zijn met kommer beladen hart sloeg niet

meer.—Jaromir drukte zijn weenend gelaat op de borst van het lijk en

hield het in onstuimige omarming vastgeklemd.

„De Heer zij zijner ziel genadig!” sprak Rasinski ernstig, maar bedaard,

en legde de handen zegenend op het hoofd des ontslapenen. „Wèl ons,”

wendde hij zich hierop tot de vrienden, „dat wij althans dit dierbare

lijk niet aan de wolven behoeven te laten.—De duisternis begint te

vallen. Wij moeten het duur gekochte nachtleger zien te bereiken; en

daar zal hij begraven worden.”—Hij wees met den vinger op Malodeczno,

werwaarts de troepen zich thans terugtrokken, nu de vijand, door hunne

standvastige volharding afgeschrikt, het eindelijk had opgegeven, hun

dit toevluchtsoord te betwisten.

Jaromir alleen was doof voor Rasinski's stem; het verlies van den

vriend had hem te hevig geschokt, hij lag nog altijd bewusteloos aan de

borst van den doode.

„Herstel u, Jaromir,” dus sprak Rasinski hem toe en trachtte hem op

te richten; „toon een mannenhart. Gij verloort uw trouwen makker,

vereer zijne nagedachtenis door u krachtig boven uwe groote smart te

verheffen. Ontviel u een broeder, ik verlies een zoon; verman u, en

neemt gij de plaats des verlorenen in.”

Deze zachte, ernstige troost vond ingang in het hart van den

ongelukkige; zwijgend, schoon met geweldige inspanning, richtte hij

zich op en Rasinski sloot hem met vaderlijke liefde in zijne armen.

„Help ons, onzen gevallene den laatsten liefdedienst te bewijzen,”

sprak deze en boog zich tot Boleslaw neder, om diens hoofd op te

richten. De vier vrienden namen den ontzielde in hunne armen en sloegen

zwijgend en langzaam den weg naar het vlek in.

1812: Historische roman · 第 133 / 154 题