De koude schijf der zon begon reeds weder roodachtig te gloeien en
naar de sneeuwzee af te dalen, toen de vermoeiden Malodeczno op den
afstand van een uur voor zich zagen. Het uitzicht op een dragelijk
nachtverblijf deed den bezweken moed opnieuw herleven; maar alsof het
lot elke geringe schemering van geluk slechts liet aanlichten, om de
krachten tot het verduren van een nieuw, grooter onheil op te winden,
werd de kortstondige vreugde ook hier door verdubbelden schrik op den
voet gevolgd. Plotseling toch werden de hoogten met zwarte massa's
gekroond; de vijand, langs andere wegen voortgedrongen, verscheen, om
het toevluchtsoord tegen den kouden winternacht aan de ongelukkige
vluchtelingen te betwisten. Bij den eersten aanblik dezer donkere
liniën, die den horizon begonnen te omzoomen, pakte de schaar der
ongewapenden zich opeen, als eene kudde, die door een gevreesd roofdier
bedreigd wordt. Met luider stem riep de maarschalk Ney den weerbaren
toe, zich om hem te verzamelen. Nog bestonden eenige overblijfsels
van het oude heldenleger, nog klopten harten, die zelfs nu nog de
voorschriften van plicht en eer niet vergeten hadden. De gelederen
ordenden zich, de weinige ruiters, schoon ook uit alle regimenten
bijeengeraapt, sloten opeen en plaatsten zich aan de vleugels, de
artillerie, zoo men het kleine aantal stukken dien naam geven mocht,
koos eene stelling.
„Kameraden,” riep de maarschalk, „heden moeten wij dak en huisvesting
bevechten; want de winternacht is moorddadiger dan 's vijands wapenen.
Ook hij wordt door den nood gedreven; gij verdelgt hem, zoo gij
standhoudt. Denkt aan uwe redding, aan Frankrijks roem, aan uwen
keizer!”
„Leve de keizer!” klonk de doffe kreet der heldenschaar, die slechts
den verren donder van het geschut behoefde te hooren, om te midden der
zwaarste rampen de stoute geestdrift te herwinnen, waarmede zij alle
landen van Europa doorkruist had.
„Wij hebben geen paarden,” riep Rasinski zijnen ruiters toe; „laat ons
het geschut bedienen, want hier zijn handen te kort.”
Een dof gedonder rolde langs de heuvels; de eerste kogels werden door
den vijand afgezonden en vlogen, op den versteenden grond afstuitend,
in wijde boogsgewijze sprongen over de ten slag geordende schaar heen.
„Gij schiet te hoog, wij willen beter treffen,” sprak Rasinski en boog
zich voor het stuk neder, om het te richten. „Zóó! Thans vuur!” Jaromir
vuurde af.
„Ziet gij, hoe de kogel ruimte maakt?” riep Rasinski, toen de zwarte
linie op de hoogte scheurde, zoodat de hemel daarachter zichtbaar week.
„Stonden zij zoo diep als breed, dan zou dit schot hun dertig koppen
gekost hebben.”
Het gevecht was begonnen; de artillerie des vijands daverde thans
van drie zijden tegelijk en de kogels kletterden zoowel in den zwerm
weerlooze, in blinde drift naar het vlek Malodeczno voortspoedende
vluchtelingen, als in de geordende gelederen der dapperen neder, die
hun leven voor dat hunner makkers stoutmoedig in de bres stelden.
„Wij moeten langzaam terugtrekken,” beval de maarschalk, „anders
snijden zij ons van het vlek af en wij worden allen een buit van den
winter.”
De artillerie gaf nog eene laag en nam daarop ettelijke honderden
schreden verder achterwaarts eene nieuwe stelling aan. De troepen
volgden gesloten. Voet voor voet wijkende trok men zich, een ernstig
gevecht vermijdende, van lieverlede tot nabij de eerste hutten van
Malodeczno terug; doch deze korte beweging had de krachten der
artilleriepaarden zoodanig uitgeput, dat zij elk oogenblik struikelden,
neervielen en ten laatste niet meer waren op te krijgen. Wat handen
had, moest derhalve aangrijpen, om de stukken bij eene hoogte op te
trekken, vanwaar zich de toegang tot het vlek verdedigen liet.
„Onze kanonnen te redden is onmogelijk, kameraden,” riep Ney, de
vermoeiden aanmoedigende; „maar wij zullen ze althans duur genoeg zien
te verkoopen.”
De Russen waren langzaam, vurend nader gerukt; thans schenen zij hunne
krachten te verzamelen, om stormenderhand een aanval te beproeven.
Nauwelijks echter hadden zij zich in volle colonnes vertoond, of de
artillerie der Franschen gaf een vreeselijk salvo, dat eene moorddadige
verwoesting in hunne gelederen aanrichtte. De aarde sidderde, de lucht
dreunde, rook en damp spreidden een zwarten sluier over het leger uit.
De vijand vulde zijne openingen en drong kloekmoedig voorwaarts, zijn
aanval door de artillerie ondersteunende. Eene tweede laag deed hem
andermaal uiteenstuiven. Doch gestadig nieuwe scharen kwamen opdagen,
de Rus kon troepen opofferen, want hij vocht met duizenden tegen
honderden en scheen het bezit van het vlek tot elken prijs te willen
koopen.
Rasinski, Boleslaw, Jaromir, Bernard en Lodewijk bedienden een stuk
geschut, want ook de beide laatsten achtten het een plicht, hun door
de eer voorgeschreven, een werkzaam aandeel in het gevecht te nemen
en, hoewel zij niet meer de uniform van het regiment droegen, hunne
vrienden niet te verlaten, nu koelbloedige mannen eene tienvoudige
waardij hadden. Ook was het denkbeeld, van met de vrienden vereenigd
te blijven, de eenige troost, de eenige bron van hoop en bemoediging,
welke hun in dezen akeligen tijd nog overig was. Voor Bianca hadden zij
eene plaats opgespoord, waar deze, zoo veilig als eenigszins mogelijk
was, in hunne nabijheid blijven kon. Aan de zijde van Malodeczno, dicht
achter de stelling, welke de artillerie handhaafde, helde de heuvel
tot ongeveer manshoogte genoegzaam loodrecht af en vormde dusdoende
eene natuurlijke borstwering. Daar toefde Bianca met het kind, terwijl
de slag boven haar hoofd woedde; eenige schreden van haar af stonden
de kruitwagens, waaruit de batterijen op de hoogte van het noodige
voorzien werden.
Alhoewel de arme voor zich zelve niets te vreezen had, klopte
toch haar hart met krampachtigen angst, nu zij de geliefden op
weinige schreden afstands aan al de verschrikkingen des doods wist
prijsgegeven. Hoe plechtig zij Bernard ook mocht beloofd hebben, de
veilige schuilplaats niet te zullen verlaten, kon zij toch, daar
het kraken der kanonnen tot eene verdoovende sterkte toenam, haren
zielsangst niet langer bedwingen. Zij moest den heuvel op, om te
zien, of de haren nog verschoond waren van het lot, dat zijn ijzeren
doodsstroom met donderende golven over de vlakte wentelde. Maar ach! te
vergeefs zwierven hare blikken in het rond, want de rook hing in dichte
wolken op de vuurmonden en men zag slechts zwarte gestalten, die zich
schemerachtig en onkenbaar daarin bewogen.
Buiten de mogelijkheid van zich aangaande het lot der dierbaren
zekerheid te verschaffen, wankelde zij naar de plaats, waar zij beloofd
had te zullen blijven, terug. Doodsangst joeg haar het klamme zweet op
het voorhoofd; elke donderslag der mortieren trof haar eigen hart. Zulk
verpletterend zielelijden had zij nog nooit gekend.
Nadine werd angstig door het aanhoudende slaggewoel en begon bitter
te schreien. Bianca legde haar handjes gevouwen ineen en sprak: „Bid,
schuldelooze engel, bid tot den Hemelschen vader, uw kinderlijk smeeken
zal Hij verhooren: o laat dit akelige uur ons voorbijgaan!” De kleine
gehoorzaamde bijna bewusteloos, knielde neder en hief de betraande
oogen smeekend ten hemel. Ook Bianca wierp zich op de knieën; woorden
ontbraken haar, zij vermocht slechts de handen sidderend omhoog te
heffen; doch de Almachtige hoorde ook hare stomme verzuchtingen. Een
geloovig, kinderlijk vertrouwen keerde allengs in haar hart terug en
verdreef de zwarte twijfelingen der wanhoop. Zij ademde vrijer, drukte
het kind aan haren boezem en zachte tranen rolden in verlichtende
stroomen langs hare bleeke wangen.
Weldra werd de donder van het geschut flauwer en zwakker, plotseling
zweeg het geheel. Bianca sprong op; nu moest zij tot de haren, nu was
het beslist, of het zwarte lot des doods ook hun was ten deel gevallen.
Driftig spoedde zij, het kind aan de hand houdende, de hoogte op.
Daar klonk haar eene stem uit rook en schemering te gemoet. „Zuster,
lieve zuster, waar zijt gij?” Het was Bernard. „Hier, hier, gij leeft,
beiden, allen?” riep zij en zeeg in hetzelfde oogenblik haren broeder
in de armen. Eene minuut van onuitsprekelijk zoet geluk was Bianca
gegeven, doch ook niet meer dan eene minuut.
„Verheug u niet te vroeg,” sprak Bernard en wond zich uit hare
sidderende armen los; „wij moesten een offer brengen! Boleslaw....”
„Genadige hemel! hij is....”
„Wij vreezen het; daar komen de vrienden hem herwaarts dragen,”
vervolgde de broeder, wees op eenige gestalten, die langzaam naderden,
en liet tot schreiens toe bewogen, het hoofd op Bianca's schouder
rusten. Door het verlies van den vriend was zijne sterke ziel hevig
geschokt, zijne vaste kracht gebogen. „Het moet worden doorstaan,”
zuchtte hij, zich oprichtend, „hoe diep de dolk ook in de borst
dringe!—Laat ons hun te gemoet gaan.”
Met onzekeren gang traden beiden op de komenden toe, die in hunne armen
den verbleekten jongeling droegen. Een kartetskogel had hem het dijbeen
verbrijzeld, de vreeselijke schok de levenskiemen van het geheele
lichaam verwoest.
„Legt mij neder, ik bid u,” sprak hij doodelijk afgemat.
„Geef hem zijn wil,” fluisterde Rasinski en schudde weemoedig het
hoofd, alsof hij zeggen wilde: onze zorg redt hem toch niet meer.
Zij legden den gewonde behoedzaam op den grond neder. Rasinski knielde
aan zijn hoofd en nam hem half opgericht in zijne armen. Jaromir hield
de rechterhand van den stervende in de zijne geklemd. Lodewijk wendde
hevig ontroerd het hoofd af. Bianca trad vol mededoogen op hem toe en
snikte: „Ook dat nog, geliefde!” Hij drukte haar stom aan zijn hart: te
spreken vermocht hij niet. Dat kon niemand. Met het heilige zwijgen van
de diepste bekommering vestigden allen den blik op den gekwetste, die,
den doodstrijd in de wezenstrekken, met gesloten oogen daar nederzat.
Thans sloeg hij ze op, zag verwonderd om zich heen en zocht zich te
bezinnen.
„Gij zijt allen bij mij?” sprak hij vriendelijk, toen hij zijne
vrienden herkende, en een vriendelijk lachje van dankbaarheid speelde
om zijne lippen. „Ik sterf een schoonen dood,” vervolgde hij en richtte
zich op; „gij moogt niet om mij treuren. Ik sterf den eeredood in
vriendenarmen!” Een edele trots kleurde des jongelings verbleekte
wangen met een vluchtigen blos en nog eenmaal ontvlamde de moed in
zijn brekend oog. „Ik sterf gaarne,” vervolgde hij meer weemoedig.
„Jaromir! mijn vriend, mijn broeder!” Hij drukte de hand des naast hem
knielenden met warme liefde en diepe aandoening, want zijne gedachten
verwijlden bij het beeld der verwijderde geliefde, dat hij stom, maar
met standvastige trouw in zijn hart had omgedragen.
„O, waarom lig ik niet op uw plaats!” riep Jaromir met onstuimige
droefheid en drukte zijn gelaat op de hand des stervenden; „waarom
heeft de dood mij niet verlost!”
„Neen, neen—gij zult nog gelukkige dagen zien,” vervolgde Boleslaw
met aandoening, „gelukkige dagen in hare armen.—Breng Lodoiska mijn
laatsten groet; u bekent het mijn stervende mond... ik heb haar
bemind... zwijgend, maar uit het diepst mijner ziel!”
„O God, o mijn broeder!” snikte Jaromir. „Gij, gij—gij waart getrouw
gebleven! O, ik rampzalige!”
„Gij hebt zwaar geboet, alles is verzoend, mijn broeder,” sprak
Boleslaw. „Weest gelukkig met elkander.... om der smarten wille, die ik
droeg.... het is mijne laatste bede aan u, aan haar.... dat zij mijne
vreugde daarboven!”
Hij liet het matte hoofd zinken. Jaromir boog zich onstuimig over hem
neder. „Blijf nog bij ons—o broeder, sterf nu nog niet,” riep hij
onder krampachtig snikken en drukte zijn gloeiend voorhoofd op de
verstijvende hand des dierbaren. Nog eenmaal sloeg Boleslaw het brekend
oog op.—„Rasinski.... gij, mijne vrienden!” sprak hij met zwakke stem.
Zij drukten zijne handen, zijn blik zweefde weemoedig over allen heen
en wenkte elk een vriendelijken groet toe. Op Jaromir verwijlde hij het
langst; hierop zuchtte hij nog eens: „Lodoiska!” sloot het moede oog,
legde het hoofd op Rasinski's borst ter ruste—en ontwaakte niet meer.
De dood gaf hem zijne edele, mannelijke schoonheid geheel terug; als een
marmerbeeld zat hij daar; de zwarte lokken golfden vrij en onbedwongen
van zijn hoog voorhoofd, dat ook nu nog den onmiskenbaren adel van moed
en stoutheid droeg; om de lippen speelde een zacht, half smartelijk
lachje; maar heilige rust woonde op de verstijvende wezenstrekken;
heilige, zachte rust; want zijn met kommer beladen hart sloeg niet
meer.—Jaromir drukte zijn weenend gelaat op de borst van het lijk en
hield het in onstuimige omarming vastgeklemd.
„De Heer zij zijner ziel genadig!” sprak Rasinski ernstig, maar bedaard,
en legde de handen zegenend op het hoofd des ontslapenen. „Wèl ons,”
wendde hij zich hierop tot de vrienden, „dat wij althans dit dierbare
lijk niet aan de wolven behoeven te laten.—De duisternis begint te
vallen. Wij moeten het duur gekochte nachtleger zien te bereiken; en
daar zal hij begraven worden.”—Hij wees met den vinger op Malodeczno,
werwaarts de troepen zich thans terugtrokken, nu de vijand, door hunne
standvastige volharding afgeschrikt, het eindelijk had opgegeven, hun
dit toevluchtsoord te betwisten.
Jaromir alleen was doof voor Rasinski's stem; het verlies van den
vriend had hem te hevig geschokt, hij lag nog altijd bewusteloos aan de
borst van den doode.
„Herstel u, Jaromir,” dus sprak Rasinski hem toe en trachtte hem op
te richten; „toon een mannenhart. Gij verloort uw trouwen makker,
vereer zijne nagedachtenis door u krachtig boven uwe groote smart te
verheffen. Ontviel u een broeder, ik verlies een zoon; verman u, en
neemt gij de plaats des verlorenen in.”
Deze zachte, ernstige troost vond ingang in het hart van den
ongelukkige; zwijgend, schoon met geweldige inspanning, richtte hij
zich op en Rasinski sloot hem met vaderlijke liefde in zijne armen.
„Help ons, onzen gevallene den laatsten liefdedienst te bewijzen,”
sprak deze en boog zich tot Boleslaw neder, om diens hoofd op te
richten. De vier vrienden namen den ontzielde in hunne armen en sloegen
zwijgend en langzaam den weg naar het vlek in.