Nadat het Rasinski gelukt was, met zijne vrienden en de weinige
kameraden die hem gebleven waren, den rechteroever van den stroom
te bereiken, die zoovele duizenden verslond, zette hij zijn weg nog
tot Zembin voort. Hier vond hij den maarschalk Ney, wien wederom de
zwaarste taak, het dekken van den terugtocht, was opgelegd. De grootste
moeilijkheden en gevaren schenen nu toch overwonnen te zijn, want men
trok door een meer bevolkt land en de inwoners koesterden althans geen
vijandelijke gezindheid. De zucht tot behoud zag de geringste schemering
van hoop voor redding aan; doch de onverbiddelijke gramschap van het lot
was nog niet bevredigd, maar sluimerde slechts, om met vernieuwde woede
op de weerlooze offers aan te vallen.
Te Zembin gelukte het Lodewijk, een kleine slede, die nauwelijks voor
twee menschen ruimte had, voor Bianca te bekomen. Rasinski liet het
paard van een gekwetste, die zich tot rijden niet meer in staat bevond,
inspannen en redde den man zelven, door hem met het besturen van het
kleine voertuig te belasten. Bernard en Lodewijk drongen er te vergeefs
bij Bianca op aan, dat zij thans, nu het nog mogelijk was, beproeven
zoude, het leger een eindweegs vooruit te komen en Wilna te bereiken,
op welke plaats allen, als benarde zeelieden op eene reddende haven,
hun uitzicht vestigden. Zij bleef onverzettelijk bij haar besluit, om
den broeder en den geliefde geen oogenblik meer te verlaten. „Noemt het
geen grootmoedigheid, wat mij uwe beden doet afwijzen,” sprak zij, „het
is eigenbelang; in uwe nabijheid was ik kalm en getroost te midden der
vreeselijkste gevaren, van u verwijderd zou de kleinste tegenspoed mij
radeloos en versaagd vinden. Neen, laat mij bij u blijven; het lijden,
dat ons gezamenlijk treft, valt licht, al is het ook het allerzwaarste.
De eenzame, de verlatene zou slechts wanhoop en vertwijfeling om zich
heen zien.”
Er bestaan opofferingen der liefde, die wij met angst en beklemdheid
aannemen en welke wij toch niet kunnen afwijzen. De grens, die onze
wederzijdsche plichten vaneenscheidt, is voor het scherpste oog niet
meer kenbaar. Het hart geeft zich eindelijk lijdelijk en onwillens aan
de toekomst over en waagt het niet eene zelfstandige beslissing uit
te spreken.—Zoo ook hier. Bernard en Lodewijk lieten zich door de
roerende beden van Bianca overhalen, wijl niemand beslissen durfde,
of de uitwendige gevaren, welke zij dachten af te weren, door het
innerlijke lijden, hetwelk afstand en angst der van vriend en broeder
gescheidene moesten opleggen, niet misschien rijkelijk zouden worden
opgewogen.
Aan eene regeling van het armeekorps, aan eene geregelde verdeeling
van het leger was niet meer te denken. Elk hield zich bij de troepen,
onder welke hij de meeste zekerheid hoopte te vinden, of die het toeval
hem deed aantreffen. Rasinski sloot zich weder bij Ney aan, deels
uit gehechtheid aan den veldheer, met wien hij zooveel gedragen en
overwonnen had, deels, wijl zijne groothartigheid hem de gevaren van
den kamp altijd als de meest roemvolle deed voorkomen, en eindelijk
ook, vermits hem geene andere keuze overbleef, daar de uitputting
zijner manschappen, welke hij zich had voorgenomen in geen geval te
verlaten, hem niet gunde, de reeds een eindweegs vooruit zijnde korpsen
in te halen.
De vijand verloor hen de eerstvolgende marschdagen wel niet uit het oog,
maar vervolgde toch niet onstuimig. Slechts enkele zwermen kozakken, die
men met een blind kanonschot dikwijls eenige uren ver kon terugdrijven,
verontrustten den aftocht.
Daar kwam de dag, tegen welken de verbitterdste vijand van het leger,
de winter, zijne gansche grimmigheid scheen te hebben opgegaderd. Het
was in den nacht van den 4 Dec. dat de zuidwestenwind plotseling in
een snijdenden noordoostelijken omsloeg en alle verschrikkingen der
ijspool op zijne vlerken aanvoerde, om de laatste overblijfselen van het
trotsche heldenleger te vernietigen, dat eindelijk door den stroom van
duizendvoudige rampen tot den veiligen oever scheen doorgeworsteld te
zijn. Arglistig had de winter zich tot hiertoe half schuil gehouden en
slechts nu en dan zijne schrikwekkende tegenwoordigheid doen gevoelen;
thans kwam hij door den donkeren nacht aangeslepen en overviel de
weerloozen in den slaap. Door zijne kille aanraking uit hunne sluimering
opgeschrikt, sloegen zij het oog op, en het meedoogenlooze monster stond
in zijn volle vreeselijkheid voor hen.
Rasinski had met al de zijnen en nog vele andere krijgsmakkers in eene
groote schuur gelegen, waar de ruimte geen vuur toeliet en zij zich dus
slechts door een nauw opeendringen verwarmen konden. Tegen den morgen
ontwaakte hij door eene stekende pijn in handen en voeten; hij wilde
opspringen, doch was als verlamd. Met moeite bracht zijne wilskracht
eindelijk beweging in de stramme spieren en hij richtte zich op; een
enkele ademtocht zeide hem, dat thans de moskovische winter voor de
deuren was gelegerd en met doodelijke aanblazing alle leden versteende.
„Hola!” riep hij en schudde Jaromir, die naast hem lag. „Hola! Op!
Anders ontwaakt gij nimmer! Boleslaw, Bernard op!”
Half bewusteloos wilden deze zich uit de vaste banden van den slaap
losrukken, doch hunne leden waren aan den kouden grond vastgeketend en
zij bleven roerloos liggen.
„Vermant u, spant alle krachten in,” schreeuwde Rasinski, „anders
zijt gij verloren. Nu is de rechte winter daar. Tot hiertoe heeft hij
slechts uit de verte gedreigd, nu, ik voel het, valt hij ons met al
zijne kracht op het lijf.”
Onder deze woorden schudde en wekte hij de vrienden en was hun in het
opstaan behulpzaam. Langzamerhand ontstond in de gansche, donkere
ruimte der schuur, tot welke slechts de matte weerschijn van eenige,
daar buiten aangelegde wachtvuren doordrong, een dof mompelen, kreunen
en bewegen, en te midden daarvan verhief zich een jammerend weeklagen,
dat kranken, licht gewonden of dezulken aanhieven, die den sluipenden
dood reeds in de ledematen voelden, tot welke de koude als een fijn,
bijtend vergif doordrong.
„Bij den duivel, is dat een weer!” mompelde Bernard, terwijl hij zich
dichter in den pelsjas inknoopte; „het pakt iemand aan als met de
klauwen van een ijsbeer!—Bianca, mijne beste, hoe hebt gij het?”
Het standvastige meisje onderdrukte smart en bezorgdheid. „Ik ben wel,
beste broeder,” gaf zij ten antwoord; „dit klimaat is mij minder vreemd
dan u. Ook zijn wij immers nog zoo goed van kleeding voorzien.”
„Door uwe zorg en goedheid,” merkte Lodewijk op. „Doch wee de
ongelukkigen, die een dergelijk schild tegen de scherpe pijlen der
koude missen!” Het toenemend gejammer om hen heen deed hem bijna
onwillekeurig deze woorden uiten.
„Sluit dicht opeen, vrienden,” vermaande Rasinski; „in dit gedrang
verliest men elkander spoedig uit het oog.”
Zij, die ontwaakt waren, hadden zich opgericht en snelden op de vuren
toe, die buiten brandden, in hoop van zich daar te zullen verwarmen.
Tegelijk werden zij door den honger gedreven, daar zij zich van de
gedurende den nacht door hunne makkers toebereide spijzen dachten
meester te maken. Doch op verre na niet allen hadden de kracht, dit
nabijgelegen doel te bereiken. De meesten tuimelden, door slaap en
koude bedwelmd, de een op den ander neder; velen bleven roerloos op den
grond liggen. Afmatting en koortshuivering hadden hen zoodanig verlamd,
dat zij zich niet konden oprichten; ook was de kracht van den wil zelfs
bij de sterksten geheel bezweken, en zij verkozen liever, in doffe
gevoelloosheid den dood af te wachten, dan zich tot nieuwe martelingen
te vermannen.
Bernard en Lodewijk namen Bianca, die de zorgvuldig in een pels
gewikkelde kleine op den arm droeg, in hun midden. Rasinski ging met
zijne beide vrienden voor hen uit; de weinige van het regiment nog
overige ruiters volgden. Zoo bereikten zij, niet zonder moeite en
inspanning, het vrije veld. De sneeuw kraakte en knetterde onder hunne
voeten; de lucht scheen met ijsdeelen bezwangerd, die bij het ademhalen
stekend op de borst vielen; oogen, wangen en lippen begonnen pijn te
doen, zoodra de adem van den niet sterken, maar snijdend scherpen wind
ze aanroerde.
Eenige trommen deden een dof geroffel hooren en vermaanden tot den
afmarsch; doch dit teeken, waarbij de soldaat anders opmerkzaam het
hoofd opheft en met de wapens in de hand opspringt, stierf thans als in
een grafgewelf weg.
Met de grootste moeite werd de verwarde klomp eindelijk in beweging
gebracht, terwijl zich, alsof elke inwendige band verbroken was, van
tijd tot tijd enkele deelen van het geheel losrukten en het eene voor,
het andere na, den weg naar het westen insloeg.
Op een heuvel, die door het flikkeren der sneeuw, het schemeren der
sterren en het schijnen der legervuren zonderling verlicht werd, stond
eene lange, statige mansgestalte, in een pelsmantel gewikkeld, en sloeg
de armen kruiselings over elkaar, ten einde zich te verwarmen. „Hier
bij mij! Het eerste armeekorps hier!” riep hij met luider stemme. Het
was de maarschalk Davoust. Allengs schoolde een klein hoopje, het
overschot van zijn gansche leger, om den onverzettelijken krijgsman te
zamen, dien noch ellende, noch tallooze rampspoeden de redding deden
opgeven, welke het inachtnemen van de orde en krijgstucht in zich
besluit. De zijnen te voet voorgaande, deelde hij met de soldaten elk
bezwaar en met zijne eerste officieren elke geringe gunst, die zijn
hooge rang hem in deze, alles gelijk makende ellende nog boven anderen
verleende.
Gelukkig hadden Rasinski's paarden nog eene dragelijke schuilplaats
gevonden. Desniettemin waren twee daarvan door uitputting en koude
bezweken. Men zat op, Bianca plaatste zich in hare kleine slede,
Lodewijk en Bernard wandelden daarnaast en de beide thans ontzadelde
ruiters sloten zich bij hen aan.
De aanbrekende dag, die anders de hoop, welke gedurende den akeligen
nacht bezweken was, gewoonlijk weder deed herleven, had heden deze
kracht verloren. Met het licht nam de snijdende koude meer en meer
toe, en toen het bloedroode oog der zon zich boven den gezichtseinder
vertoonde, scheen het slechts met het lijden van zoovele duizende
ellendigen te willen spotten; want niet het geringste spoor van
koesterende warmte was in de stralen, welke zij op het bleeke gelaat
der verkleumden spelen liet, te ontdekken. Slechts tot het oog, dat,
reeds door den rook en den gloed der nachtelijke legervuren ontstoken,
door het glinsteren der sneeuw nog verblind was, drongen zij door,
deden het in de holte branden en voegden zoo eene nieuwe foltering bij
den last van lijden, waaronder de rampzaligen reeds gebukt gingen.
Toen Bianca zag, dat vriend en broeder het tranend oog afwendden en
te vergeefs een voorwerp zochten, waarop zij het zonder pijn konden
laten rusten, viel haar plotseling een hulpmiddel in. „Wacht, wacht,
één oogenblik slechts,” riep zij, keerde zich om, zocht een groenen
sluier van onder haren pels te voorschijn, scheurde dien doormidden en
reikte de eene helft aan Bernard, de andere aan Lodewijk toe. „Het is de
groene sluier,” fluisterde zij dezen toe, „dien ik op den St. Bernard
droeg. Sinds ik wist, dat hij het teeken was, waaraan gij mij weder
herkend hebt, droeg ik hem op mijn hart. Thans moge hij het licht der
dierbaarste oogen behoeden. Bedek uw gezicht daarmede, geliefde, want
alles, wat in dat land glanst en schemert, is koud en gruwzaam, als deze
sneeuw en deze zon.”
Met diepe ontroering beschouwde Lodewijk het eerste teeken, waaraan
hij zijne liefde geknoopt had, en de gedachte, dat het hem juist nu,
daar de genadige Goedheid haar gelaat van de aarde scheen af te keeren,
opnieuw in de oogen blonk, bezielde zijn hart met nieuwe hoop en
verlevendigd vertrouwen. Een onverklaarbaar gevoel in zijne borst had
hem van het eerste oogenblik af daarin een talisman doen zien, die een
wonderdadigen invloed op geheel zijn volgend leven zoude uitoefenen.
Ook thans weder beschouwde hij het als zoodanig. Doch terwijl hij het
uit Bianca's hand ontving, zag hij haar bezorgd aan en vroeg: „Maar
gij, geliefde, zult gij beschermd zijn tegen dezen verderfelijken
glans?”
„Mij dekt immers nog het zwarte rouwfloers,” antwoordde zij; „schoon
ik het eigenlijk niet dragen moest, want door dien nacht zag ik immers
mijn schoonsten levensdag aanbreken!” Dat zeggend lachte zij den vriend
met betooverende aanminnigheid toe en scheen door haar innerlijk geluk
te vergeten, dat de boot, die het droeg, op de golven der van buiten
dreigende gevaren als op eene doode zee van onheil en verderf omdobbert.
Bernard, hare ontroering bemerkende, beijverde zich, vroolijk en
opgeruimd te schijnen. „Ik dank u, lieve zuster,” sprak hij; „hier
wordt scherts ernst en ernst scherts. Onze gansche trein is niet veel
anders dan een gemaskerde optocht, schoon wij allen verduiveld sombere
grijnzen dragen. Ik wil dus over de mijne een groen net spannen. Een
schilder moet buitendien altijd zijne oogen ontzien, en daar ik mij op
de ijszee van Chamouny zoo zou toetakelen, waarom zou ik het op deze
grootere niet doen?” Hij hechtte het dunne weefsel aan zijne pelsmuts
en drukte ze dieper in de oogen. De scherpe koude maakte het ademhalen
moeilijk, zoodat zwijgen eene noodzakelijkheid werd, waaraan elk zich
vrijwillig onderwierp. De troep had het voorkomen van eene lange rij
witte spookgestalten, zoo hadden als rijp neervallende dampen hun
dicht weefsel van fijne ijsspitsen over man en paard uitgespreid. Met
moeite sleepte men zich voort, en in de zich langzaam bewegende massa's
heerschte eene doffe doodstilte. Alles, zelfs het geluid der lippen,
werd door de vreeselijke koude in boeien van geheele verstijving
geslagen. Ook de wind had zich neergelegd; vogels vielen dood uit de
lucht neder; het laatste spoor van leven was uit de natuur verbannen.
De voorttrekkenden hoorden niets dan het kraken der sneeuw, het hol
gedreun van het geschut en het doffe gekreun derzulken, die met den
versteenden dood in de aderen ter aarde zonken, om zich nimmer op te
richten.
De zoodanigen zag men waggelen, als bedwelmd eenige schreden
voorttuimelen en vervolgens op de knieën neerzinken, welker verstramde
spieren en pezen niet meer in staat waren hen te dragen. Bloedige
tranen drongen uit hunne wijd opengespalkte oogen; vergeefs staarden
zij hunne makkers aan, die onder eigen lijden gebukt, geen gevoel meer
hadden voor de martelingen van anderen en de gevallenen onverschillig
voorbijgingen, zonder het hoofd naar hen om te wenden.
Bij enkelen deed deze uiterste vertwijfeling nog een trotseerende
kracht geboren worden, tot welke zij zich gewelddadig opwonden. Zij
barstten in een woesten, schaterenden lach uit bij het zien van den
zich gestadig hernieuwenden jammer en riepen den nedertuimelenden een
grijnzend, honend vaarwel toe. Slechts de edelste en koenste gemoederen
tevens behielden ook hier eene mannelijke kalmte en bedaardheid.
Rasinski had haar niet verloren. Zijn paard, dat hij aan den teugel
leidde, was door de koude bezweken; hij nam de pistolen uit den holster
en zette rustig zijn weg voort. Vruchteloos boden Boleslaw en Jaromir,
die uit hoofde der koude eveneens te voet gingen, hem hunne rossen aan;
hij antwoordde: „Wij zijn nog slechts weinigen. Als uw aanvoerder had ik
dat offer niet slechts aangenomen, maar zelfs gevorderd. Een regiment
van onze sterkte kan een rekruut even goed aanvoeren als ik; er bestaat
geen rang meer.”
Desniettemin had Boleslaw den mantelzak, dien Rasinski wilde
achterlaten, afgenomen en op den zijnen gegespt. Eene hongerige schaar
viel op het paard aan en scheurde het in duizend stukken, tot een
maaltijd tegen den nacht.—Rasinski verhaastte zijne schreden, om niet
te zien, hoe smadelijk het getrouwe dier, dat hem in zoo menigen slag
had gedragen, verminkt werd.—Er verliep geen half uur, of ook Boleslaws
paard viel; eenige minuten later dat van Jaromir. De in spijt van den
naderenden middag toenemende koude viel als een roofdier menschen en
beesten zonder onderscheid aan en verwon hen te lichter, naarmate de
inspanning hen meer afmatte. De weg liep tegen eene nauwelijks merkbare,
maar spiegelgladde hoogte op. Toen Bianca's slede ze naderde, was het
paard niet in staat den geringen last voort te trekken; zij sprong
uit het voertuig; doch dat baatte niet. Tweemaal spande het dier al
zijne krachten in; de vijf mannen, onder wie Rasinski zelf, hielpen
naar vermogen. Maar het was vergeefsche arbeid; het matte ros vermocht
zich zelf niet meer voort te sleepen, zakte ineen en verstijfde binnen
twee minuten. Zonder te ontstellen sprak Bianca tot de haar omringende
vrienden: „Ik zal nu geheel in uwe bezwaren deelen en het zal mij niet
zwaar vallen. In deze vinnige koude is te voet gaan zelfs verkieslijker.”
Bernard antwoordde niets; hij nam haar het kind van den arm en droeg
het verder. Lodewijk ondersteunde de geliefde; stom en zwijgend
wandelden zij naast elkander voort.
Zij sloegen een ter zijde van den weg voortloopend pad in, dat gebaander
scheen en waar zij minder door de massa's gedrongen werden; slechts
eenige weinigen hadden het gekozen. Bianca ging met Lodewijk vooraan;
Bernard volgde op eenigen afstand met de kleine, welker niets kwaads
vermoedende vroolijkheid—want Bianca's zorg had haar zelfs tegen
deze koude beschut—op eene hartroerende wijze bij de heerschende
verschrikkingen afstak. „Gij zijt een kleine vlinder, die in den
opgesperden muil van een krokodil fladdert,” mompelde Bernard; „maar
ik zie u even gaarne hier, als ik u een slapenden tijger den kop zag
streelen.—Schelmpjen, lacht gij?”
Op hetzelfde oogenblik brulde een holle stem hem van achteren in het
oor: „Sta, hond! Geef mij uw pels, of ik leg u neder!”
Bernard huiverde en zag om.
Een soldaat, met ellendige lompen bedekt, groot van gestalte, met
verwilderde trekken, langen, morsigen baard, het gelaat door aarde en
rook onkenbaar, krankzinnige woede in de bloedig ontstoken oogen, stond
voor hem en hield hem de tromp van het geweer op de borst.
„Wat wilt gij, rampzalige?” riep Bernard van schrik bevangen, en deed
huiverend eene schrede achterwaarts. Het kind gaf een angstigen gil,
klemde zich aan hem vast en verborg het hoofdje aan zijne borst.
„Uw warmen pels, of ik schiet u neder,” riep de razende. „Hier is geen
kameraadschap meer; ik heb even goed recht, mij te redden, als gij.”
Bernard bevond zich bijna alleen met den verbitterden aanrander; hoewel
duizenden binnen het bereik zijner stem waren, zou het schot des
wanhopigen toch allen zijn voorgekomen, voorondersteld ook al, dat een
enkele nog medelijden genoeg met het gevaar eens makkers had bezeten,
om deswege zijn weg en zijn lijden door eenige moeielijke schreden te
verlengen.
„Gij wilt door het vermoorden van een kameraad uw leven verlengen?”
antwoordde hij op vasten, kalmen toon; „welaan, het zij zoo; maar gij
zult er u niet lang in verheugen. Uw laatste uur zal toch slaan.”
„Spoedig! want ik voel den dood reeds,” riep de onzinnige, die nog
gestadig den verkleumden vinger aan den trekker hield, met woest
rollende oogen.
Bernard bukte zich, om het kind neder te zetten, dat hem bij het
uittrekken van den pels hinderde; eensklaps verneemt hij een luiden gil
en zich omwendende ziet hij Bianca, die zich ademloos aan de voeten van
den woedende nederwerpt.
„Neem, dit goud, dit juweel,” riep zij, „dezen warmen mantel, alles,
alles, maar laat mijn broeder leven!” Met de drift van den doodsangst
had zij eene kostbare keten van haren hals gerukt en wierp haar
prachtigen pels af, zoodat zij met bijna ontbloote armen, aan de
grimmige koude prijs gegeven, voor den moordenaar knielde.
Deze blikt haar met strakke oogen aan, laat daarop den arm met het
geweer langzaam zinken; het wapen ontvalt hem, hij drukt de beide
handen voor het woeste gelaat en breekt in een luid gekerm uit.
Inmiddels was ook Lodewijk toegetreden, en deze en Bernard hieven de
nog altijd knielende Bianca van den grond op.
„Zulk een monster kon ik worden?” riep de onbekende plotseling uit;
„neen, deze schande overleef ik niet. Vergeef mij; gij hebt mij beter
gekend, het vreeselijk lijden maakte mij razend! Maar ik weet wat mij
te doen staat!”
Bianca hing met blikken, waarin twijfel en angst met de uitdrukking
der hoogste vreugde afwisselden, aan den zonderlingen mensch, die zich
thans naar het hem ontvallen geweer bukte en het opnam. Bernard hield
evenzoo het oog op hem gevestigd en zocht in zijn geheugen naar de
trekken, die hem zelfs in deze misvormende zinsverbijstering bekend
toeschenen.
„Waar heb ik u ontmoet?” vroeg hij, toen de soldaat zich weder
oprichtte.
„Het verwondert mij niet, dat gij mij niet herkent,” antwoordde deze
somber; „ik zou mij zelf niet herkend hebben.—Deze orde hier ben ik,
zoolang ik leef, niet meer waard!” riep hij woest uit, rukte het lint
van het legioen van eer uit zijne lompen te voorschijn en wierp het in
de sneeuw; „daarom wil ik pogen te verdienen, dat gij het op mijn lijk
legt. Ik straf mijne daad zelf, zooals zij het verdient.”
Dit zeggende drukte hij de kolf van zijn geweer in de sneeuw, klemde
de borst op de tromp en schopte met den voet tegen den haan. Het schot
viel, de ongelukkige stortte neder.
„Barmhartige God!” gilde Bianca en zeeg bewusteloos in Lodewijks armen.
Bernard sprong op den gevallene toe en beurde zijn hoofd op. Nog glom
eene flauwe vonk van leven in de verbrijzelde borst. „Zoo gij Frankrijk
weerziet, groet mijne vrouwe en mijn jongen... sergeant Ferrand... uit
Laon.”
Hij leefde niet meer.
In het oogenblik, dat hij het oog sloot, had Bernard hem herkend.
Het was dezelfde sergeant Ferrand, wiens streng plichtmatig, maar
menschlievend gedrag hem en Lodewijk bij hunne gevangenneming te
Smolensko het leven had gered. Het heiligste, wat dit leven hem
aanbood, was zijne onbevlekte eer als krijgsman; door de begane
wandaad, waartoe de verbijstering der ellende, der vertwijfeling
hem aandreef, achtte hij ze verloren; eene vrouw had hem in moed
overwonnen—dat verdroeg hij niet. Streng rechtvaardig sprak hij zelf
zijn vonnis uit en voltrok het met eigen hand.
Hevig geschokt knielde Bernard naast het lijk neder, nam het lint, dat
de doode voor zijn hoogste goed had gehouden, legde het op zijne borst
en zeide: „Wie zal het u ontnemen? Het siere u in uw onmetelijk graf!
Slaap wel!”
Zij zetten hun weg voort, want hier was het geen oord om te vertoeven.
Onverbiddelijk scheurde het lot de harten vaneen en joeg de verwijlende
liefde met grimmige zweepslagen voorwaarts.