HOOFDSTUK IV.

Nadat het Rasinski gelukt was, met zijne vrienden en de weinige

kameraden die hem gebleven waren, den rechteroever van den stroom

te bereiken, die zoovele duizenden verslond, zette hij zijn weg nog

tot Zembin voort. Hier vond hij den maarschalk Ney, wien wederom de

zwaarste taak, het dekken van den terugtocht, was opgelegd. De grootste

moeilijkheden en gevaren schenen nu toch overwonnen te zijn, want men

trok door een meer bevolkt land en de inwoners koesterden althans geen

vijandelijke gezindheid. De zucht tot behoud zag de geringste schemering

van hoop voor redding aan; doch de onverbiddelijke gramschap van het lot

was nog niet bevredigd, maar sluimerde slechts, om met vernieuwde woede

op de weerlooze offers aan te vallen.

Te Zembin gelukte het Lodewijk, een kleine slede, die nauwelijks voor

twee menschen ruimte had, voor Bianca te bekomen. Rasinski liet het

paard van een gekwetste, die zich tot rijden niet meer in staat bevond,

inspannen en redde den man zelven, door hem met het besturen van het

kleine voertuig te belasten. Bernard en Lodewijk drongen er te vergeefs

bij Bianca op aan, dat zij thans, nu het nog mogelijk was, beproeven

zoude, het leger een eindweegs vooruit te komen en Wilna te bereiken,

op welke plaats allen, als benarde zeelieden op eene reddende haven,

hun uitzicht vestigden. Zij bleef onverzettelijk bij haar besluit, om

den broeder en den geliefde geen oogenblik meer te verlaten. „Noemt het

geen grootmoedigheid, wat mij uwe beden doet afwijzen,” sprak zij, „het

is eigenbelang; in uwe nabijheid was ik kalm en getroost te midden der

vreeselijkste gevaren, van u verwijderd zou de kleinste tegenspoed mij

radeloos en versaagd vinden. Neen, laat mij bij u blijven; het lijden,

dat ons gezamenlijk treft, valt licht, al is het ook het allerzwaarste.

De eenzame, de verlatene zou slechts wanhoop en vertwijfeling om zich

heen zien.”

Er bestaan opofferingen der liefde, die wij met angst en beklemdheid

aannemen en welke wij toch niet kunnen afwijzen. De grens, die onze

wederzijdsche plichten vaneenscheidt, is voor het scherpste oog niet

meer kenbaar. Het hart geeft zich eindelijk lijdelijk en onwillens aan

de toekomst over en waagt het niet eene zelfstandige beslissing uit

te spreken.—Zoo ook hier. Bernard en Lodewijk lieten zich door de

roerende beden van Bianca overhalen, wijl niemand beslissen durfde,

of de uitwendige gevaren, welke zij dachten af te weren, door het

innerlijke lijden, hetwelk afstand en angst der van vriend en broeder

gescheidene moesten opleggen, niet misschien rijkelijk zouden worden

opgewogen.

Aan eene regeling van het armeekorps, aan eene geregelde verdeeling

van het leger was niet meer te denken. Elk hield zich bij de troepen,

onder welke hij de meeste zekerheid hoopte te vinden, of die het toeval

hem deed aantreffen. Rasinski sloot zich weder bij Ney aan, deels

uit gehechtheid aan den veldheer, met wien hij zooveel gedragen en

overwonnen had, deels, wijl zijne groothartigheid hem de gevaren van

den kamp altijd als de meest roemvolle deed voorkomen, en eindelijk

ook, vermits hem geene andere keuze overbleef, daar de uitputting

zijner manschappen, welke hij zich had voorgenomen in geen geval te

verlaten, hem niet gunde, de reeds een eindweegs vooruit zijnde korpsen

in te halen.

De vijand verloor hen de eerstvolgende marschdagen wel niet uit het oog,

maar vervolgde toch niet onstuimig. Slechts enkele zwermen kozakken, die

men met een blind kanonschot dikwijls eenige uren ver kon terugdrijven,

verontrustten den aftocht.

Daar kwam de dag, tegen welken de verbitterdste vijand van het leger,

de winter, zijne gansche grimmigheid scheen te hebben opgegaderd. Het

was in den nacht van den 4 Dec. dat de zuidwestenwind plotseling in

een snijdenden noordoostelijken omsloeg en alle verschrikkingen der

ijspool op zijne vlerken aanvoerde, om de laatste overblijfselen van het

trotsche heldenleger te vernietigen, dat eindelijk door den stroom van

duizendvoudige rampen tot den veiligen oever scheen doorgeworsteld te

zijn. Arglistig had de winter zich tot hiertoe half schuil gehouden en

slechts nu en dan zijne schrikwekkende tegenwoordigheid doen gevoelen;

thans kwam hij door den donkeren nacht aangeslepen en overviel de

weerloozen in den slaap. Door zijne kille aanraking uit hunne sluimering

opgeschrikt, sloegen zij het oog op, en het meedoogenlooze monster stond

in zijn volle vreeselijkheid voor hen.

Rasinski had met al de zijnen en nog vele andere krijgsmakkers in eene

groote schuur gelegen, waar de ruimte geen vuur toeliet en zij zich dus

slechts door een nauw opeendringen verwarmen konden. Tegen den morgen

ontwaakte hij door eene stekende pijn in handen en voeten; hij wilde

opspringen, doch was als verlamd. Met moeite bracht zijne wilskracht

eindelijk beweging in de stramme spieren en hij richtte zich op; een

enkele ademtocht zeide hem, dat thans de moskovische winter voor de

deuren was gelegerd en met doodelijke aanblazing alle leden versteende.

„Hola!” riep hij en schudde Jaromir, die naast hem lag. „Hola! Op!

Anders ontwaakt gij nimmer! Boleslaw, Bernard op!”

Half bewusteloos wilden deze zich uit de vaste banden van den slaap

losrukken, doch hunne leden waren aan den kouden grond vastgeketend en

zij bleven roerloos liggen.

„Vermant u, spant alle krachten in,” schreeuwde Rasinski, „anders

zijt gij verloren. Nu is de rechte winter daar. Tot hiertoe heeft hij

slechts uit de verte gedreigd, nu, ik voel het, valt hij ons met al

zijne kracht op het lijf.”

Onder deze woorden schudde en wekte hij de vrienden en was hun in het

opstaan behulpzaam. Langzamerhand ontstond in de gansche, donkere

ruimte der schuur, tot welke slechts de matte weerschijn van eenige,

daar buiten aangelegde wachtvuren doordrong, een dof mompelen, kreunen

en bewegen, en te midden daarvan verhief zich een jammerend weeklagen,

dat kranken, licht gewonden of dezulken aanhieven, die den sluipenden

dood reeds in de ledematen voelden, tot welke de koude als een fijn,

bijtend vergif doordrong.

„Bij den duivel, is dat een weer!” mompelde Bernard, terwijl hij zich

dichter in den pelsjas inknoopte; „het pakt iemand aan als met de

klauwen van een ijsbeer!—Bianca, mijne beste, hoe hebt gij het?”

Het standvastige meisje onderdrukte smart en bezorgdheid. „Ik ben wel,

beste broeder,” gaf zij ten antwoord; „dit klimaat is mij minder vreemd

dan u. Ook zijn wij immers nog zoo goed van kleeding voorzien.”

„Door uwe zorg en goedheid,” merkte Lodewijk op. „Doch wee de

ongelukkigen, die een dergelijk schild tegen de scherpe pijlen der

koude missen!” Het toenemend gejammer om hen heen deed hem bijna

onwillekeurig deze woorden uiten.

„Sluit dicht opeen, vrienden,” vermaande Rasinski; „in dit gedrang

verliest men elkander spoedig uit het oog.”

Zij, die ontwaakt waren, hadden zich opgericht en snelden op de vuren

toe, die buiten brandden, in hoop van zich daar te zullen verwarmen.

Tegelijk werden zij door den honger gedreven, daar zij zich van de

gedurende den nacht door hunne makkers toebereide spijzen dachten

meester te maken. Doch op verre na niet allen hadden de kracht, dit

nabijgelegen doel te bereiken. De meesten tuimelden, door slaap en

koude bedwelmd, de een op den ander neder; velen bleven roerloos op den

grond liggen. Afmatting en koortshuivering hadden hen zoodanig verlamd,

dat zij zich niet konden oprichten; ook was de kracht van den wil zelfs

bij de sterksten geheel bezweken, en zij verkozen liever, in doffe

gevoelloosheid den dood af te wachten, dan zich tot nieuwe martelingen

te vermannen.

Bernard en Lodewijk namen Bianca, die de zorgvuldig in een pels

gewikkelde kleine op den arm droeg, in hun midden. Rasinski ging met

zijne beide vrienden voor hen uit; de weinige van het regiment nog

overige ruiters volgden. Zoo bereikten zij, niet zonder moeite en

inspanning, het vrije veld. De sneeuw kraakte en knetterde onder hunne

voeten; de lucht scheen met ijsdeelen bezwangerd, die bij het ademhalen

stekend op de borst vielen; oogen, wangen en lippen begonnen pijn te

doen, zoodra de adem van den niet sterken, maar snijdend scherpen wind

ze aanroerde.

Eenige trommen deden een dof geroffel hooren en vermaanden tot den

afmarsch; doch dit teeken, waarbij de soldaat anders opmerkzaam het

hoofd opheft en met de wapens in de hand opspringt, stierf thans als in

een grafgewelf weg.

Met de grootste moeite werd de verwarde klomp eindelijk in beweging

gebracht, terwijl zich, alsof elke inwendige band verbroken was, van

tijd tot tijd enkele deelen van het geheel losrukten en het eene voor,

het andere na, den weg naar het westen insloeg.

Op een heuvel, die door het flikkeren der sneeuw, het schemeren der

sterren en het schijnen der legervuren zonderling verlicht werd, stond

eene lange, statige mansgestalte, in een pelsmantel gewikkeld, en sloeg

de armen kruiselings over elkaar, ten einde zich te verwarmen. „Hier

bij mij! Het eerste armeekorps hier!” riep hij met luider stemme. Het

was de maarschalk Davoust. Allengs schoolde een klein hoopje, het

overschot van zijn gansche leger, om den onverzettelijken krijgsman te

zamen, dien noch ellende, noch tallooze rampspoeden de redding deden

opgeven, welke het inachtnemen van de orde en krijgstucht in zich

besluit. De zijnen te voet voorgaande, deelde hij met de soldaten elk

bezwaar en met zijne eerste officieren elke geringe gunst, die zijn

hooge rang hem in deze, alles gelijk makende ellende nog boven anderen

verleende.

Gelukkig hadden Rasinski's paarden nog eene dragelijke schuilplaats

gevonden. Desniettemin waren twee daarvan door uitputting en koude

bezweken. Men zat op, Bianca plaatste zich in hare kleine slede,

Lodewijk en Bernard wandelden daarnaast en de beide thans ontzadelde

ruiters sloten zich bij hen aan.

De aanbrekende dag, die anders de hoop, welke gedurende den akeligen

nacht bezweken was, gewoonlijk weder deed herleven, had heden deze

kracht verloren. Met het licht nam de snijdende koude meer en meer

toe, en toen het bloedroode oog der zon zich boven den gezichtseinder

vertoonde, scheen het slechts met het lijden van zoovele duizende

ellendigen te willen spotten; want niet het geringste spoor van

koesterende warmte was in de stralen, welke zij op het bleeke gelaat

der verkleumden spelen liet, te ontdekken. Slechts tot het oog, dat,

reeds door den rook en den gloed der nachtelijke legervuren ontstoken,

door het glinsteren der sneeuw nog verblind was, drongen zij door,

deden het in de holte branden en voegden zoo eene nieuwe foltering bij

den last van lijden, waaronder de rampzaligen reeds gebukt gingen.

Toen Bianca zag, dat vriend en broeder het tranend oog afwendden en

te vergeefs een voorwerp zochten, waarop zij het zonder pijn konden

laten rusten, viel haar plotseling een hulpmiddel in. „Wacht, wacht,

één oogenblik slechts,” riep zij, keerde zich om, zocht een groenen

sluier van onder haren pels te voorschijn, scheurde dien doormidden en

reikte de eene helft aan Bernard, de andere aan Lodewijk toe. „Het is de

groene sluier,” fluisterde zij dezen toe, „dien ik op den St. Bernard

droeg. Sinds ik wist, dat hij het teeken was, waaraan gij mij weder

herkend hebt, droeg ik hem op mijn hart. Thans moge hij het licht der

dierbaarste oogen behoeden. Bedek uw gezicht daarmede, geliefde, want

alles, wat in dat land glanst en schemert, is koud en gruwzaam, als deze

sneeuw en deze zon.”

Met diepe ontroering beschouwde Lodewijk het eerste teeken, waaraan

hij zijne liefde geknoopt had, en de gedachte, dat het hem juist nu,

daar de genadige Goedheid haar gelaat van de aarde scheen af te keeren,

opnieuw in de oogen blonk, bezielde zijn hart met nieuwe hoop en

verlevendigd vertrouwen. Een onverklaarbaar gevoel in zijne borst had

hem van het eerste oogenblik af daarin een talisman doen zien, die een

wonderdadigen invloed op geheel zijn volgend leven zoude uitoefenen.

Ook thans weder beschouwde hij het als zoodanig. Doch terwijl hij het

uit Bianca's hand ontving, zag hij haar bezorgd aan en vroeg: „Maar

gij, geliefde, zult gij beschermd zijn tegen dezen verderfelijken

glans?”

„Mij dekt immers nog het zwarte rouwfloers,” antwoordde zij; „schoon

ik het eigenlijk niet dragen moest, want door dien nacht zag ik immers

mijn schoonsten levensdag aanbreken!” Dat zeggend lachte zij den vriend

met betooverende aanminnigheid toe en scheen door haar innerlijk geluk

te vergeten, dat de boot, die het droeg, op de golven der van buiten

dreigende gevaren als op eene doode zee van onheil en verderf omdobbert.

Bernard, hare ontroering bemerkende, beijverde zich, vroolijk en

opgeruimd te schijnen. „Ik dank u, lieve zuster,” sprak hij; „hier

wordt scherts ernst en ernst scherts. Onze gansche trein is niet veel

anders dan een gemaskerde optocht, schoon wij allen verduiveld sombere

grijnzen dragen. Ik wil dus over de mijne een groen net spannen. Een

schilder moet buitendien altijd zijne oogen ontzien, en daar ik mij op

de ijszee van Chamouny zoo zou toetakelen, waarom zou ik het op deze

grootere niet doen?” Hij hechtte het dunne weefsel aan zijne pelsmuts

en drukte ze dieper in de oogen. De scherpe koude maakte het ademhalen

moeilijk, zoodat zwijgen eene noodzakelijkheid werd, waaraan elk zich

vrijwillig onderwierp. De troep had het voorkomen van eene lange rij

witte spookgestalten, zoo hadden als rijp neervallende dampen hun

dicht weefsel van fijne ijsspitsen over man en paard uitgespreid. Met

moeite sleepte men zich voort, en in de zich langzaam bewegende massa's

heerschte eene doffe doodstilte. Alles, zelfs het geluid der lippen,

werd door de vreeselijke koude in boeien van geheele verstijving

geslagen. Ook de wind had zich neergelegd; vogels vielen dood uit de

lucht neder; het laatste spoor van leven was uit de natuur verbannen.

De voorttrekkenden hoorden niets dan het kraken der sneeuw, het hol

gedreun van het geschut en het doffe gekreun derzulken, die met den

versteenden dood in de aderen ter aarde zonken, om zich nimmer op te

richten.

De zoodanigen zag men waggelen, als bedwelmd eenige schreden

voorttuimelen en vervolgens op de knieën neerzinken, welker verstramde

spieren en pezen niet meer in staat waren hen te dragen. Bloedige

tranen drongen uit hunne wijd opengespalkte oogen; vergeefs staarden

zij hunne makkers aan, die onder eigen lijden gebukt, geen gevoel meer

hadden voor de martelingen van anderen en de gevallenen onverschillig

voorbijgingen, zonder het hoofd naar hen om te wenden.

Bij enkelen deed deze uiterste vertwijfeling nog een trotseerende

kracht geboren worden, tot welke zij zich gewelddadig opwonden. Zij

barstten in een woesten, schaterenden lach uit bij het zien van den

zich gestadig hernieuwenden jammer en riepen den nedertuimelenden een

grijnzend, honend vaarwel toe. Slechts de edelste en koenste gemoederen

tevens behielden ook hier eene mannelijke kalmte en bedaardheid.

Rasinski had haar niet verloren. Zijn paard, dat hij aan den teugel

leidde, was door de koude bezweken; hij nam de pistolen uit den holster

en zette rustig zijn weg voort. Vruchteloos boden Boleslaw en Jaromir,

die uit hoofde der koude eveneens te voet gingen, hem hunne rossen aan;

hij antwoordde: „Wij zijn nog slechts weinigen. Als uw aanvoerder had ik

dat offer niet slechts aangenomen, maar zelfs gevorderd. Een regiment

van onze sterkte kan een rekruut even goed aanvoeren als ik; er bestaat

geen rang meer.”

Desniettemin had Boleslaw den mantelzak, dien Rasinski wilde

achterlaten, afgenomen en op den zijnen gegespt. Eene hongerige schaar

viel op het paard aan en scheurde het in duizend stukken, tot een

maaltijd tegen den nacht.—Rasinski verhaastte zijne schreden, om niet

te zien, hoe smadelijk het getrouwe dier, dat hem in zoo menigen slag

had gedragen, verminkt werd.—Er verliep geen half uur, of ook Boleslaws

paard viel; eenige minuten later dat van Jaromir. De in spijt van den

naderenden middag toenemende koude viel als een roofdier menschen en

beesten zonder onderscheid aan en verwon hen te lichter, naarmate de

inspanning hen meer afmatte. De weg liep tegen eene nauwelijks merkbare,

maar spiegelgladde hoogte op. Toen Bianca's slede ze naderde, was het

paard niet in staat den geringen last voort te trekken; zij sprong

uit het voertuig; doch dat baatte niet. Tweemaal spande het dier al

zijne krachten in; de vijf mannen, onder wie Rasinski zelf, hielpen

naar vermogen. Maar het was vergeefsche arbeid; het matte ros vermocht

zich zelf niet meer voort te sleepen, zakte ineen en verstijfde binnen

twee minuten. Zonder te ontstellen sprak Bianca tot de haar omringende

vrienden: „Ik zal nu geheel in uwe bezwaren deelen en het zal mij niet

zwaar vallen. In deze vinnige koude is te voet gaan zelfs verkieslijker.”

Bernard antwoordde niets; hij nam haar het kind van den arm en droeg

het verder. Lodewijk ondersteunde de geliefde; stom en zwijgend

wandelden zij naast elkander voort.

Zij sloegen een ter zijde van den weg voortloopend pad in, dat gebaander

scheen en waar zij minder door de massa's gedrongen werden; slechts

eenige weinigen hadden het gekozen. Bianca ging met Lodewijk vooraan;

Bernard volgde op eenigen afstand met de kleine, welker niets kwaads

vermoedende vroolijkheid—want Bianca's zorg had haar zelfs tegen

deze koude beschut—op eene hartroerende wijze bij de heerschende

verschrikkingen afstak. „Gij zijt een kleine vlinder, die in den

opgesperden muil van een krokodil fladdert,” mompelde Bernard; „maar

ik zie u even gaarne hier, als ik u een slapenden tijger den kop zag

streelen.—Schelmpjen, lacht gij?”

Op hetzelfde oogenblik brulde een holle stem hem van achteren in het

oor: „Sta, hond! Geef mij uw pels, of ik leg u neder!”

Bernard huiverde en zag om.

Een soldaat, met ellendige lompen bedekt, groot van gestalte, met

verwilderde trekken, langen, morsigen baard, het gelaat door aarde en

rook onkenbaar, krankzinnige woede in de bloedig ontstoken oogen, stond

voor hem en hield hem de tromp van het geweer op de borst.

„Wat wilt gij, rampzalige?” riep Bernard van schrik bevangen, en deed

huiverend eene schrede achterwaarts. Het kind gaf een angstigen gil,

klemde zich aan hem vast en verborg het hoofdje aan zijne borst.

„Uw warmen pels, of ik schiet u neder,” riep de razende. „Hier is geen

kameraadschap meer; ik heb even goed recht, mij te redden, als gij.”

Bernard bevond zich bijna alleen met den verbitterden aanrander; hoewel

duizenden binnen het bereik zijner stem waren, zou het schot des

wanhopigen toch allen zijn voorgekomen, voorondersteld ook al, dat een

enkele nog medelijden genoeg met het gevaar eens makkers had bezeten,

om deswege zijn weg en zijn lijden door eenige moeielijke schreden te

verlengen.

„Gij wilt door het vermoorden van een kameraad uw leven verlengen?”

antwoordde hij op vasten, kalmen toon; „welaan, het zij zoo; maar gij

zult er u niet lang in verheugen. Uw laatste uur zal toch slaan.”

„Spoedig! want ik voel den dood reeds,” riep de onzinnige, die nog

gestadig den verkleumden vinger aan den trekker hield, met woest

rollende oogen.

Bernard bukte zich, om het kind neder te zetten, dat hem bij het

uittrekken van den pels hinderde; eensklaps verneemt hij een luiden gil

en zich omwendende ziet hij Bianca, die zich ademloos aan de voeten van

den woedende nederwerpt.

„Neem, dit goud, dit juweel,” riep zij, „dezen warmen mantel, alles,

alles, maar laat mijn broeder leven!” Met de drift van den doodsangst

had zij eene kostbare keten van haren hals gerukt en wierp haar

prachtigen pels af, zoodat zij met bijna ontbloote armen, aan de

grimmige koude prijs gegeven, voor den moordenaar knielde.

Deze blikt haar met strakke oogen aan, laat daarop den arm met het

geweer langzaam zinken; het wapen ontvalt hem, hij drukt de beide

handen voor het woeste gelaat en breekt in een luid gekerm uit.

Inmiddels was ook Lodewijk toegetreden, en deze en Bernard hieven de

nog altijd knielende Bianca van den grond op.

„Zulk een monster kon ik worden?” riep de onbekende plotseling uit;

„neen, deze schande overleef ik niet. Vergeef mij; gij hebt mij beter

gekend, het vreeselijk lijden maakte mij razend! Maar ik weet wat mij

te doen staat!”

Bianca hing met blikken, waarin twijfel en angst met de uitdrukking

der hoogste vreugde afwisselden, aan den zonderlingen mensch, die zich

thans naar het hem ontvallen geweer bukte en het opnam. Bernard hield

evenzoo het oog op hem gevestigd en zocht in zijn geheugen naar de

trekken, die hem zelfs in deze misvormende zinsverbijstering bekend

toeschenen.

„Waar heb ik u ontmoet?” vroeg hij, toen de soldaat zich weder

oprichtte.

„Het verwondert mij niet, dat gij mij niet herkent,” antwoordde deze

somber; „ik zou mij zelf niet herkend hebben.—Deze orde hier ben ik,

zoolang ik leef, niet meer waard!” riep hij woest uit, rukte het lint

van het legioen van eer uit zijne lompen te voorschijn en wierp het in

de sneeuw; „daarom wil ik pogen te verdienen, dat gij het op mijn lijk

legt. Ik straf mijne daad zelf, zooals zij het verdient.”

Dit zeggende drukte hij de kolf van zijn geweer in de sneeuw, klemde

de borst op de tromp en schopte met den voet tegen den haan. Het schot

viel, de ongelukkige stortte neder.

„Barmhartige God!” gilde Bianca en zeeg bewusteloos in Lodewijks armen.

Bernard sprong op den gevallene toe en beurde zijn hoofd op. Nog glom

eene flauwe vonk van leven in de verbrijzelde borst. „Zoo gij Frankrijk

weerziet, groet mijne vrouwe en mijn jongen... sergeant Ferrand... uit

Laon.”

Hij leefde niet meer.

In het oogenblik, dat hij het oog sloot, had Bernard hem herkend.

Het was dezelfde sergeant Ferrand, wiens streng plichtmatig, maar

menschlievend gedrag hem en Lodewijk bij hunne gevangenneming te

Smolensko het leven had gered. Het heiligste, wat dit leven hem

aanbood, was zijne onbevlekte eer als krijgsman; door de begane

wandaad, waartoe de verbijstering der ellende, der vertwijfeling

hem aandreef, achtte hij ze verloren; eene vrouw had hem in moed

overwonnen—dat verdroeg hij niet. Streng rechtvaardig sprak hij zelf

zijn vonnis uit en voltrok het met eigen hand.

Hevig geschokt knielde Bernard naast het lijk neder, nam het lint, dat

de doode voor zijn hoogste goed had gehouden, legde het op zijne borst

en zeide: „Wie zal het u ontnemen? Het siere u in uw onmetelijk graf!

Slaap wel!”

Zij zetten hun weg voort, want hier was het geen oord om te vertoeven.

Onverbiddelijk scheurde het lot de harten vaneen en joeg de verwijlende

liefde met grimmige zweepslagen voorwaarts.

1812: Historische roman · 第 132 / 154 题