HOOFDSTUK III.

Arnheim had vermoed, wat Maria gevoelde; uit dien hoofde legde hij den

volgenden morgen bij de gravin een bezoek af, om voor deze vrouw, wier

waardigheid en minzaamheid aan ieder vertrouwen inboezemde, zijn hart

open te leggen. Diep bedroefd, maar met bedaardheid hoorde hij zijn

vonnis aan.

„Ik durfde nauwelijks anders hopen,” sprak hij, „want ik ben niet aan

geluk en vreugde gewoon; alleen de buitenzijde des levens lacht mij

aan, van binnen hebben zijne priemen mijn hart reeds meermalen diep

gewond. Ik ben niet verstoord; ik eerbiedig haar besluit. Mij aan haar

te vertoonen, is mij vooreerst nog onmogelijk. Ik heb eenige dagen

stilte en afzondering noodig, om mijn onrustig hart tot bedaren te

brengen. Vaarwel, gravin!—Vóór mijn vertrek, ziet gij mij nog eenmaal.”

Hij ging.

De treurige, bange stilte, welke zijne verschijning voor eenige

oogenblikken had afgebroken, keerde opnieuw terug en woog met nog

beangstigender druk op de bewoonsters des huizes. Het hart miste de

kracht tot blijde verwachtingen; het knellend voorgevoel van eenige

ramp drong dieper en dieper den boezem in. Men beefde voor de toekomst,

hoewel men van haar alleen de verlossing uit deze pijnlijke spanning

verwachten kon.

Op een morgen, het was den tienden December, stond de gravin in haar

vertrek voor het venster en zag, in droeve mijmeringen verdiept, naar

de straat uit. Zij bespeurde een onrustig woelen en bewegen, bekenden

riepen elkander toe, hielden eene korte, levendige woordenwisseling en

zetten vervolgens hun vroeger uiteenloopenden weg gezamenlijk in die

richting voort, naar welke men een driftigen aandrang der voorbijgangers

waarnam. Het was het eerste begin van een, door het een of ander

belangrijk voorval teweeggebrachten volksoploop. Gedurende de laatste

dagen waren er zoo menigvuldige nieuwe onheilspellende geruchten in

omloop gekomen en vroegere noodlottige berichten, gelijk onder anderen

het innemen van Minsk door de Russen, bevestigd geworden. De gravin

vermoedde daarom iets kwaads, en was te ongeruster geworden door het

geheel uitblijven der brieven van haren broeder. Voor Lodoiska trachtte

zij wel rustig te schijnen, uit vrees dat zij in hare doodelijke

overspanning terug mocht gaan; maar in het binnenste van haar heldhaftig

gemoed stegen donkere voorgevoelens op, waarvan zij de mogelijkheid zich

nauwelijks durfde voorstellen. In hare onrust stond zij reeds op het

punt, den kamerdienaar te schellen en tot het inwinnen van eenige nadere

berichten uit te zenden, toen deze binnentrad en den ritmeester von

Arnheim aandiende.

„Zeer welkom!” sprak zij. Arnheim trad binnen.

„Op uw gelaat lees ik,” riep zij hem tegen, „dat er iets belangrijks

gebeurd is; zeg het ons spoedig, want het dreigend zwaard beangst meer

dan het gevallene.—Welke tijding is er? Spreek vrij uit, wij zijn

alleen.”

„Het ongehoordste, dat de geschiedenis heeft aan te wijzen,” hernam

Arnheim met een gelaat, waarop de hoogste verbazing, maar noch vreugde

noch droefheid te lezen stond. „Voor eenige minuten is de fransche

keizer hier aangekomen; alleen, vluchtend, vermomd! Zijn leger is

vernietigd—het overschot is door den vijand ingesloten...”

„Genoeg, genoeg!” riep de gravin, terwijl zij wankelde, verbleekte en

zich met moeite aan een stoel staande hield. Arnheim wilde haar te hulp

snellen, doch zij wees hem met de hand terug.—Nog stond zij ademloos,

niet in staat te spreken, toen de deur geopend werd. Lodoiska, bleek

als een marmerbeeld, met doodsangst in het matte oog, stoof het

vertrek binnen. Met uitgestrekte armen, als voor een dreigend spooksel

vliedende, snelde zij op de moeder toe, omhelsde haar krampachtig, en

voor haar op de knieën vallende, verborg zij het gelaat in haren schoot.

Als Niobe in hare smart versteend, stond de gravin sprakeloos over de

ongelukkige neergebogen en legde de bevende handen op haar hoofd.

Arnheim staarde somber voor zich heen; wel is waar zag hij uit dezen

vreeselijken nacht reeds de ster der verlossing voor zijn vaderland

schemeren; doch deze ging te bloedig op, dan dat zij met hare stralen

vreugde in een menschelijk voelend hart zou hebben kunnen uitgieten. De

ontzettingen der vernietigende Nemesis hadden het gemoed nog te zeer

vervuld, om ruimte te laten voor de hoop, die uit dit zaad des doods

ontkiemen zou.

Thans verscheen ook Maria, bleek, sidderend, maar met meer liefde dan

schrik in de zachte gelaatstrekken. Toen zij Arnheim bespeurde, vloog

een donkere blos over hare wangen; doch spoedig herstelde zij zich,

ging hem te gemoet, bood hem vriendelijk de hand en zeide met eene nauw

hoorbare stem: „O, help mij deze ongelukkigen troosten!” Hierop wendde

zij zich tot de gravin en Lodoiska en loste hare versteening door warme

beden en tranen der liefde in eene zachtere smart op.

„Het is voorbij,” sprak eindelijk de gravin met vaste stem; „ik vind

mij zelve weder. Deze ramp moet moedig en standvastig gedragen worden.

Terwijl wij de kracht tot tegenstand in ons _trachten_ op te wekken,

erlangen wij ze werkelijk. Kom, Lodoiska, beur het hoofd op; toon dat

gij eene dochter van Polen zijt.”

„Dat wil ik,” sprak het meisje, in wier oogen een nieuw vuur ontvlamde;

„toonen wil ik het door de daad. Maar gij, moeder, beloof mij, dat gij

mij niet verlaten zult!”

De edele trekken van haar gelaat verfden zich met den gloed, dien een

grootmoedig besluit over de wangen uitgiet. Voor de gravin was dit

verschijnsel een raadsel; Maria, daarentegen, wier zusterlijk gevoel

met dat der minnende nauw verwant was, vermoedde de bedoeling der

belofte, welke het teedere meisje zoo onstuimig vorderde.

„Behoef ik u nu eerst toe te zeggen, wat ik door elke daad mijns

levens beloofd, waarvan ik u elken dag een nieuw bewijs gegeven heb?”

antwoordde de gravin op een toon, waarin zoowel een vraag als een

verwijt lag.

„Neen gij behoeft het niet,” sprak Lodoiska kalmer; „want gij zult

doen, wat gij mij niet weigeren kunt, zonder mij het leven te

rooven,—moet hem zien, eer de oorlog hem wegraapt;—mijn hart zegt

mij, dat hij nog leeft, dat ik hem vinden zal,—wij moeten ons met

elkander verzoenen—neen, niet verzoenen, want ik voed geen wrok en

voedde dien nooit; maar hij moet de liefde hem nog eens vriendelijk

zien toelachen, al ware het ook in het laatste uur zijns levens!

Moeder! moeder! zoo gij dat belet, dan breekt mij het hart en hier noch

dáár boven is voor mij meer rust te hopen.”

„Onbegrijpelijk kind,” riep de gravin, door aandoening en verbazing

overweldigd, en drukte het minnende wezen aan hare borst met eene

teederheid, die het inwilligen van hare hartstochtelijke bede ook

zonder woorden te kennen gaf.

Maria's gemoed werd door afwisselende aandoeningen geschokt. Het

verpletterende der zoo even ontvangen berichten, hevige ontroering over

Lodoiska's smart en liefde, zusterlijk gevoel van bange bezorgdheid

voor den geliefden broeder en eindelijk, in de verborgenste diepte

van het hart, het beeld van den edelen man, van wien zij afstand had

gedaan, zonder van hare liefde voor hem afstand te doen, en die thans,

zoo hij al niet reeds uit het land der levenden was weggerukt, door

honderde doodsgevaren omringd werd,—dit alles bestormde gelijktijdig

hare ziel, haar adem en herinnering. Eensklaps viel haar oog op Arnheim

en een nieuwe smartelijke pijl drong in hare borst. Wat moest hij,

wien de liefde ontzegd werd, niet lijden, nu hij zag, hoe machtig die

heilige vlam het teederste hart doorgloeide! Van dat geluk was hij

uitgesloten—ach, en Maria, moest zij het niet zelve uit hare borst

verbannen? De overeenkomst van haar lot met dat van den edelen vriend

deed haar eene innige, zusterlijke betrekking op hem gevoelen. Zij trad

op hem toe en fluisterde: „Edele vriend, wellicht doet deze minuut mij

een broeder verliezen, wilt gij zijne plaats innemen—hij blijve of

keere terug—het zusterhart kan twee broeders liefhebben.”

Driftig greep hij hare hand en klemde ze aan zijne lippen. „O

Maria!—zij het een erfdeel of een geschenk,—het is het schoonste, wat

ik van nu af bezit.”—Zijn gevoel overmeesterde hem, hij verwijderde

zich haastig.

Toen de drie vrouwen zich alleen zagen en hare harten, die

vroeger reeds nauw verwant, nu door den machtigen band van een

gemeenschappelijk lijden nog vaster verbonden waren, ongestoord voor

elkander konden uitstorten, sprak de gravin:

„Deze vreeselijke slag, die in Europa's eene helft droefheid en jammer,

in de andere vreugde zal verspreiden, doet in uw hart, Maria, wellicht

eene zoete hoop ontkiemen, terwijl het onze aan sombere vertwijfeling

wordt ten prooi gegeven. Maar laat ons thans niet denken aan hetgeen

ons zou kunnen scheiden; eene gemeenschappelijke zorg, die voor onze

dierbaarste betrekkingen, houdt ons innig, onafscheidelijk verbonden.

Lodoiska's minnend hart heeft ons den weg gewezen. Het drijft haar naar

den geliefde voort; zij wil aan het harde lot nog een lachend oogenblik

ontwringen; mogen wij haar alleen laten heentrekken?”

„Neen, neen!” riep Maria, Lodoiska aan hare borst drukkende; „mijn hart

maakte mij reeds lang tot uwe gezellin. Eene zuster bemint ook!”

„Ja eene zuster bemint ook,” herhaalde de gravin, en een heldere

traan welde in haar groot oog op.—„Het is dus besloten, wij

vertrekken!—Onze vrienden zijn niet ver af, binnen weinige dagen

kunnen wij hen bereiken. Wellicht heeft het lot hen gespaard, om

hen nog eens in onze armen te voeren; wellicht zijn wij bestemd, om

hun brekend oog zacht te sluiten; wellicht ook kan onze vrouwelijke

verpleging hen aan den dood ontrukken. Men mag ons gedrag afkeuren; ons

hart spreekt ons vrij. Slechts de lage menigte die nooit groothartig

dacht of handelde, miskent elk vrij besluit dat de grenzen van

gebruiken, gewoonten en koele berekeningen stout te buiten treedt.—Ik

ben uwe moeder: mij is het heiligdom van uwe maagdelijke eer

toevertrouwd; maar vol vertrouwen hef ik het oog tot de zalige op, wier

schoot u baarde, want ik weet, dat zij billijkt, wat ik volbreng.”

1812: Historische roman · 第 131 / 154 题