Arnheim had vermoed, wat Maria gevoelde; uit dien hoofde legde hij den
volgenden morgen bij de gravin een bezoek af, om voor deze vrouw, wier
waardigheid en minzaamheid aan ieder vertrouwen inboezemde, zijn hart
open te leggen. Diep bedroefd, maar met bedaardheid hoorde hij zijn
vonnis aan.
„Ik durfde nauwelijks anders hopen,” sprak hij, „want ik ben niet aan
geluk en vreugde gewoon; alleen de buitenzijde des levens lacht mij
aan, van binnen hebben zijne priemen mijn hart reeds meermalen diep
gewond. Ik ben niet verstoord; ik eerbiedig haar besluit. Mij aan haar
te vertoonen, is mij vooreerst nog onmogelijk. Ik heb eenige dagen
stilte en afzondering noodig, om mijn onrustig hart tot bedaren te
brengen. Vaarwel, gravin!—Vóór mijn vertrek, ziet gij mij nog eenmaal.”
Hij ging.
De treurige, bange stilte, welke zijne verschijning voor eenige
oogenblikken had afgebroken, keerde opnieuw terug en woog met nog
beangstigender druk op de bewoonsters des huizes. Het hart miste de
kracht tot blijde verwachtingen; het knellend voorgevoel van eenige
ramp drong dieper en dieper den boezem in. Men beefde voor de toekomst,
hoewel men van haar alleen de verlossing uit deze pijnlijke spanning
verwachten kon.
Op een morgen, het was den tienden December, stond de gravin in haar
vertrek voor het venster en zag, in droeve mijmeringen verdiept, naar
de straat uit. Zij bespeurde een onrustig woelen en bewegen, bekenden
riepen elkander toe, hielden eene korte, levendige woordenwisseling en
zetten vervolgens hun vroeger uiteenloopenden weg gezamenlijk in die
richting voort, naar welke men een driftigen aandrang der voorbijgangers
waarnam. Het was het eerste begin van een, door het een of ander
belangrijk voorval teweeggebrachten volksoploop. Gedurende de laatste
dagen waren er zoo menigvuldige nieuwe onheilspellende geruchten in
omloop gekomen en vroegere noodlottige berichten, gelijk onder anderen
het innemen van Minsk door de Russen, bevestigd geworden. De gravin
vermoedde daarom iets kwaads, en was te ongeruster geworden door het
geheel uitblijven der brieven van haren broeder. Voor Lodoiska trachtte
zij wel rustig te schijnen, uit vrees dat zij in hare doodelijke
overspanning terug mocht gaan; maar in het binnenste van haar heldhaftig
gemoed stegen donkere voorgevoelens op, waarvan zij de mogelijkheid zich
nauwelijks durfde voorstellen. In hare onrust stond zij reeds op het
punt, den kamerdienaar te schellen en tot het inwinnen van eenige nadere
berichten uit te zenden, toen deze binnentrad en den ritmeester von
Arnheim aandiende.
„Zeer welkom!” sprak zij. Arnheim trad binnen.
„Op uw gelaat lees ik,” riep zij hem tegen, „dat er iets belangrijks
gebeurd is; zeg het ons spoedig, want het dreigend zwaard beangst meer
dan het gevallene.—Welke tijding is er? Spreek vrij uit, wij zijn
alleen.”
„Het ongehoordste, dat de geschiedenis heeft aan te wijzen,” hernam
Arnheim met een gelaat, waarop de hoogste verbazing, maar noch vreugde
noch droefheid te lezen stond. „Voor eenige minuten is de fransche
keizer hier aangekomen; alleen, vluchtend, vermomd! Zijn leger is
vernietigd—het overschot is door den vijand ingesloten...”
„Genoeg, genoeg!” riep de gravin, terwijl zij wankelde, verbleekte en
zich met moeite aan een stoel staande hield. Arnheim wilde haar te hulp
snellen, doch zij wees hem met de hand terug.—Nog stond zij ademloos,
niet in staat te spreken, toen de deur geopend werd. Lodoiska, bleek
als een marmerbeeld, met doodsangst in het matte oog, stoof het
vertrek binnen. Met uitgestrekte armen, als voor een dreigend spooksel
vliedende, snelde zij op de moeder toe, omhelsde haar krampachtig, en
voor haar op de knieën vallende, verborg zij het gelaat in haren schoot.
Als Niobe in hare smart versteend, stond de gravin sprakeloos over de
ongelukkige neergebogen en legde de bevende handen op haar hoofd.
Arnheim staarde somber voor zich heen; wel is waar zag hij uit dezen
vreeselijken nacht reeds de ster der verlossing voor zijn vaderland
schemeren; doch deze ging te bloedig op, dan dat zij met hare stralen
vreugde in een menschelijk voelend hart zou hebben kunnen uitgieten. De
ontzettingen der vernietigende Nemesis hadden het gemoed nog te zeer
vervuld, om ruimte te laten voor de hoop, die uit dit zaad des doods
ontkiemen zou.
Thans verscheen ook Maria, bleek, sidderend, maar met meer liefde dan
schrik in de zachte gelaatstrekken. Toen zij Arnheim bespeurde, vloog
een donkere blos over hare wangen; doch spoedig herstelde zij zich,
ging hem te gemoet, bood hem vriendelijk de hand en zeide met eene nauw
hoorbare stem: „O, help mij deze ongelukkigen troosten!” Hierop wendde
zij zich tot de gravin en Lodoiska en loste hare versteening door warme
beden en tranen der liefde in eene zachtere smart op.
„Het is voorbij,” sprak eindelijk de gravin met vaste stem; „ik vind
mij zelve weder. Deze ramp moet moedig en standvastig gedragen worden.
Terwijl wij de kracht tot tegenstand in ons _trachten_ op te wekken,
erlangen wij ze werkelijk. Kom, Lodoiska, beur het hoofd op; toon dat
gij eene dochter van Polen zijt.”
„Dat wil ik,” sprak het meisje, in wier oogen een nieuw vuur ontvlamde;
„toonen wil ik het door de daad. Maar gij, moeder, beloof mij, dat gij
mij niet verlaten zult!”
De edele trekken van haar gelaat verfden zich met den gloed, dien een
grootmoedig besluit over de wangen uitgiet. Voor de gravin was dit
verschijnsel een raadsel; Maria, daarentegen, wier zusterlijk gevoel
met dat der minnende nauw verwant was, vermoedde de bedoeling der
belofte, welke het teedere meisje zoo onstuimig vorderde.
„Behoef ik u nu eerst toe te zeggen, wat ik door elke daad mijns
levens beloofd, waarvan ik u elken dag een nieuw bewijs gegeven heb?”
antwoordde de gravin op een toon, waarin zoowel een vraag als een
verwijt lag.
„Neen gij behoeft het niet,” sprak Lodoiska kalmer; „want gij zult
doen, wat gij mij niet weigeren kunt, zonder mij het leven te
rooven,—moet hem zien, eer de oorlog hem wegraapt;—mijn hart zegt
mij, dat hij nog leeft, dat ik hem vinden zal,—wij moeten ons met
elkander verzoenen—neen, niet verzoenen, want ik voed geen wrok en
voedde dien nooit; maar hij moet de liefde hem nog eens vriendelijk
zien toelachen, al ware het ook in het laatste uur zijns levens!
Moeder! moeder! zoo gij dat belet, dan breekt mij het hart en hier noch
dáár boven is voor mij meer rust te hopen.”
„Onbegrijpelijk kind,” riep de gravin, door aandoening en verbazing
overweldigd, en drukte het minnende wezen aan hare borst met eene
teederheid, die het inwilligen van hare hartstochtelijke bede ook
zonder woorden te kennen gaf.
Maria's gemoed werd door afwisselende aandoeningen geschokt. Het
verpletterende der zoo even ontvangen berichten, hevige ontroering over
Lodoiska's smart en liefde, zusterlijk gevoel van bange bezorgdheid
voor den geliefden broeder en eindelijk, in de verborgenste diepte
van het hart, het beeld van den edelen man, van wien zij afstand had
gedaan, zonder van hare liefde voor hem afstand te doen, en die thans,
zoo hij al niet reeds uit het land der levenden was weggerukt, door
honderde doodsgevaren omringd werd,—dit alles bestormde gelijktijdig
hare ziel, haar adem en herinnering. Eensklaps viel haar oog op Arnheim
en een nieuwe smartelijke pijl drong in hare borst. Wat moest hij,
wien de liefde ontzegd werd, niet lijden, nu hij zag, hoe machtig die
heilige vlam het teederste hart doorgloeide! Van dat geluk was hij
uitgesloten—ach, en Maria, moest zij het niet zelve uit hare borst
verbannen? De overeenkomst van haar lot met dat van den edelen vriend
deed haar eene innige, zusterlijke betrekking op hem gevoelen. Zij trad
op hem toe en fluisterde: „Edele vriend, wellicht doet deze minuut mij
een broeder verliezen, wilt gij zijne plaats innemen—hij blijve of
keere terug—het zusterhart kan twee broeders liefhebben.”
Driftig greep hij hare hand en klemde ze aan zijne lippen. „O
Maria!—zij het een erfdeel of een geschenk,—het is het schoonste, wat
ik van nu af bezit.”—Zijn gevoel overmeesterde hem, hij verwijderde
zich haastig.
Toen de drie vrouwen zich alleen zagen en hare harten, die
vroeger reeds nauw verwant, nu door den machtigen band van een
gemeenschappelijk lijden nog vaster verbonden waren, ongestoord voor
elkander konden uitstorten, sprak de gravin:
„Deze vreeselijke slag, die in Europa's eene helft droefheid en jammer,
in de andere vreugde zal verspreiden, doet in uw hart, Maria, wellicht
eene zoete hoop ontkiemen, terwijl het onze aan sombere vertwijfeling
wordt ten prooi gegeven. Maar laat ons thans niet denken aan hetgeen
ons zou kunnen scheiden; eene gemeenschappelijke zorg, die voor onze
dierbaarste betrekkingen, houdt ons innig, onafscheidelijk verbonden.
Lodoiska's minnend hart heeft ons den weg gewezen. Het drijft haar naar
den geliefde voort; zij wil aan het harde lot nog een lachend oogenblik
ontwringen; mogen wij haar alleen laten heentrekken?”
„Neen, neen!” riep Maria, Lodoiska aan hare borst drukkende; „mijn hart
maakte mij reeds lang tot uwe gezellin. Eene zuster bemint ook!”
„Ja eene zuster bemint ook,” herhaalde de gravin, en een heldere
traan welde in haar groot oog op.—„Het is dus besloten, wij
vertrekken!—Onze vrienden zijn niet ver af, binnen weinige dagen
kunnen wij hen bereiken. Wellicht heeft het lot hen gespaard, om
hen nog eens in onze armen te voeren; wellicht zijn wij bestemd, om
hun brekend oog zacht te sluiten; wellicht ook kan onze vrouwelijke
verpleging hen aan den dood ontrukken. Men mag ons gedrag afkeuren; ons
hart spreekt ons vrij. Slechts de lage menigte die nooit groothartig
dacht of handelde, miskent elk vrij besluit dat de grenzen van
gebruiken, gewoonten en koele berekeningen stout te buiten treedt.—Ik
ben uwe moeder: mij is het heiligdom van uwe maagdelijke eer
toevertrouwd; maar vol vertrouwen hef ik het oog tot de zalige op, wier
schoot u baarde, want ik weet, dat zij billijkt, wat ik volbreng.”