Inmiddels verstreek de eene week na de andere, zonder naricht van de
betrekkingen bij het leger te zien aankomen; November spoedde ten einde
en nog was het vurig gewenschte antwoord niet verschenen. Lodoiska
verontrustte zich en begon te gelooven dat haar brief was verloren
geraakt; bij andere gelegenheden kwelde zij zich met twijfelingen
aangaande den aard van het antwoord. Te vergeefs stelde de gravin
alles in het werk, om haar gerust te stellen en dag aan dag haar voor
te rekenen, dat een tijding voor het einde van November onmogelijk
kon daar zijn; te vergeefs somde zij al de toevalligheden op, die in
oorlogstijd, bij het tusschen dooi en vorst weifelende winterweder en
bij de gebrekkige inrichting der veldposten in den geregelden gang der
briefwisseling eene stremming konden en moesten teweegbrengen; het
minnende meisje werd gestadig treuriger en beangster, en zelfs dit,
dat ook Rasinski, Lodewijk en Bernard geene enkele letter geschreven
hadden, was niet in staat haar te troosten. Inderdaad was echter juist
deze omstandigheid de bron van bekommernissen van een anderen aard voor
de gravin zoowel als voor Maria. Deze laatste begon voor het leven der
haren te sidderen, terwijl zich aan het dieper inzicht der eerste nog
andere vermoedens en zorgen opdrongen, die de waarheid, helaas! maar al
te nabij kwamen.
Het was in het begin van December, dat de drie vrouwen, die over
het geheel in strenge afzondering leefden, op een avond onder
vertrouwelijke gesprekken bijeenzaten. Er werd gescheld; de
kamerdienaar meldde een vreemden officier aan, die berichten uit het
leger bracht. Een gloeiende vreugdeblos overtoog Lodoiska's wangen bij
de gedachte: zou het misschien Jaromir zelf zijn? De gravin was niet
minder begeerig te weten, wie de vreemde zijn mocht, en nam, hoewel
geen naam was genoemd, derhalve het bezoek aan; in elk geval hoopten
allen eenig naricht van hare vrienden te erlangen, waarnaar zij zoo
lang en smachtend hadden uitgezien.
De deur werd geopend—Arnheim trad binnen.
Was ook dadelijk bij zijne verschijning de hoop op tijding van Rasinski
vervlogen, men koesterde toch voor den edelen, beschaafden man te veel
vriendschap, om hem niet van harte welkom te heeten. Na de eerste
begroetingen bracht de gravin het gesprek op de oorlogsaangelegenheden,
en daar sedert eenigen tijd allerlei geruchten, niet weinig geschikt
om onrust en bezorgdheid te verwekken, in omloop waren, vroeg zij
dienaangaande Arnheims gevoelen.
„Wij weten niets anders, dan dat de keizer met de groote armee
terugtrekt,” was het antwoord. „Evenwel gelooven wij, dat het in de
omstreken van Minsk of Wilna tot een belangrijken slag moet komen,
daar de russische legerkorpsen van de noordelijke en zuidelijke armee
zich gedurig dichter samentrekken. Dat is de reden, waarom vorst
Schwarzenberg zich thans tot dekking herwaarts gewend heeft.—Dezen
namiddag liep er een gerucht, dat Minsk zelf door Tschitschagoff zou
zijn ingenomen; de Fransche gezant spreekt zulks echter tegen.”
„Juist daarom zou ik bijna te eer geneigd zijn, het te gelooven,” sprak
de gravin met merkbare onrust; „want sedert ettelijke weken heeft
zich doorgaans datgene bevestigd, wat bij het gezantschap de meest
beslissende tegenspraak vond.”
„Volgens de stelling des legers moeten de Russen Minsk bezet hebben,”
hernam Arnheim; „misschien kan dat zelfs reeds veertien dagen het geval
zijn.”
„Het zou mij niet verwonderen,” sprak de gravin, „want de
ongelukstijdingen worden zoolang mogelijk voor ons verborgen gehouden.
Doch wat is uw gevoelen aangaande de plannen en voornemens van den
keizer? Tot hoever zal zijn terugtocht zich uitstrekken? Denkt hij in
Litthauwen de winterkwartieren te betrekken, of hier te komen?”
„Ik vermoed, dat hij Witepsk, Wilna, Minsk, zoo het niet verloren is
of hernomen wordt tot zijne kantonnementen kiezen en vandaar tegen het
volgende voorjaar den oorlog met nieuwe krachten hervatten zal; ingeval
hij zich namelijk niet te zeer uitgeput voelt en zich daardoor meer
geneigd tot den vrede betoont.”
„Zoo zou dan toch de uitslag van dezen veldtocht niet aan de
verwachting en aan de gedane opofferingen beantwoord hebben?”
„Openhartig gesproken, neen!” antwoordde Arnheim vrijmoedig. „Zoo het
den keizer gelukt ware, in Moskou vrede te sluiten—dan ongetwijfeld.
Nu echter zou hij ten minste even ver geweest zijn, wanneer hij na de
inneming van Smolensko den veldtocht besloten en de zaken van Polen
geregeld had.”
De gravin schudde mijmerend het hoofd. „Het was althans onze hoop zoo,”
zuchtte zij, meer dan zij sprak.—„Doch vertel ons nu ook iets van uw
eigen wedervaren, beste vriend!” vervolgde zij, blijkbaar met het doel
om het gesprek eene andere wending te geven. „Wat brengt u herwaarts?
Gij zijt spoediger teruggekeerd, dan wij hopen durfden.”
„Het zijn aangelegenheden van verschillenden aard en wel niet de
aangenaamste,” antwoordde Arnheim, „die mij in Warschau brengen;
invorderingen van gelden, kleine onderhandelingen wegens duizend
nietigheden, ten deele ook eigen zaken.” Hij wierp, dit zeggende,
een blik op Maria, die een weinig verward, het oog onwrikbaar op het
borduurwerk vestigde, waarmede zij zich juist bezighield.
„Dan zult gij toch niet weder zulk een vluchtige gast zijn als
onlangs?” hervatte de gravin met hartelijkheid. „Gij zult, hoop ik,
mijn huis als de toevlucht beschouwen, waar gij u van uwe bezigheden
ontspannen kunt, zoo de stilte eener vrouwelijke afzondering u
namelijk bevredigen kan na het woelige leven, dat de krijg medebrengt.”
„Wat kon mij meer welkom zijn?” riep Arnheim met vuur. „De krijg
maakt ons niet ongevoelig voor het geluk van een vertrouwelijken
omgang; hij verleent ons integendeel de vatbaarheid daarvoor, daar elk
genot door ontbering verhoogd wordt. Ik voor mij althans heb mij te
midden van het oorlogsgewoel vaak in de vredige rust van uw eenzamen
tuin teruggewenscht; aan die wandeling denk ik nog met wezenlijke
aandoening.”
Maria stond op en verliet onder eenig voorwendsel het vertrek. Hare
ontroering had Arnheim waarschijnlijk herinnerd, dat hij zich te
levendig had uitgedrukt; want hij bedwong zich en sprak in algemeene
bewoordingen over het genot, dat hij in de schoonheid der natuur vond,
en hoe hij daarbij licht te bevredigen en onverzadelijk tevens was.
Licht te bevredigen, wijl een boom, een weiland, een zonnestraal hem
het rijkste genot verschafte; onverzadelijk, daar hij zich in de stille
genoegens der natuur uren lang verlustigen kon.—Echter gelukte het hem
niet, bedaard te blijven, vooral toen Maria, met de onmiskenbare sporen
eener diepe aandoening op hare onbedriegelijke gelaatstrekken was
teruggekeerd. De bezorgdheid, welke uitlegging hieraan voor zich zelf
te moeten geven, verontrustte hem te zeer, dan dat zulks voor een zoo
geoefend oog als dat der gravin zou hebben kunnen verborgen blijven.
Arnheim had, sedert hij Warschau verliet, steeds het voornemen
gekoesterd, om Maria, voor wie hij eene warme genegenheid had opgevat,
zijne hand aan te bieden. Vandaar had al zijn pogen en streven
gedurende dien tijd slechts ten doel, in eene betrekking geplaatst te
worden, die hem het geluk van den echt veroorloven kon. Zijn positie
als soldaat was niet van dien aard en zijn tegenwoordige betrekking
kwam ook geenszins met zijne neigingen overeen, zoolang Europa's
staatkundige toestand alles aan den wil van Frankrijk ondergeschikt
maakte. Zijn ontslag was hem, terstond na het eindigen van den
veldtocht, toegezegd, en hij wilde zich dan als rechtsgeleerde aan den
staat wijden, waartoe vroegere studiën, geboorte en bekwaamheid hem
de bevoegdheid verleenden. Deze verwachtingen waren hare vervulling
nabij en het hoofddoel van zijn oponthoud in Warschau was dus
inderdaad geen ander, dan aanzoek te doen om de hand van het beminde
meisje. Eene onbedriegelijke overtuiging zeide hem, dat zij meer
dan enkel welwillendheid jegens hem koesterde; doch een bijna even
stellig voorgevoel deed hem vreezen, dat wat hij haar inboezemde meer
eene warme, vriendschappelijke neiging, of misschien wel deelneming
in den landsman, dan werkelijk liefde was. Ten einde haar niet te
verontrusten, wachtte hij zich zorgvuldig, deze teedere snaar opnieuw
aan te roeren en bepaalde hij zich in zijn gesprek tot algemeene
onderwerpen. Ook brak hij zijn bezoek vroeger af, dan hij dit anders
wel zou gedaan hebben.
De gravin zou zich in eene verbintenis tusschen Maria en Arnheim
innig verheugd hebben, daar zij, en waarschijnlijk niet ten onrechte,
vertrouwde, dat deze het geluk van het door haar zoo innig geliefde
meisje op hechte grondslagen zou vestigen. Arnheim toch was een edel
hart waardig en Maria, in haar verlaten toestand, had een beschermer
dringend noodig. Wat bovendien de uitwendige gaven der fortuin betrof,
ook in dit opzicht liet dit huwelijk niets te wenschen over. Zij
besloot uit dien hoofde alles, waartoe hare moederlijke betrekking
op Maria haar recht gaf, in het werk te stellen, om het tot stand te
brengen.
Tegen hare gewoonte trad zij nog in den laten avond Maria's kamer
binnen en vond deze met het invullen van haar dagboek bezig.
„Ik zou toch wel gaarne eens willen weten, wat mijne jonge vriendin
nog zoo laat in den nacht in dat boek opteekent,” zeide zij
glimlachend, schoon daar zij Maria's geaardheid kende, die in ernstige
zaken nimmer eene schertsende wending beminde, op den hartelijken toon
van moederlijke deelneming.
„Zoo gij het ernstig wenscht,” hernam Maria, die de bedoeling van het
bezoek wellicht gissen kon, „wil ik het niet voor u verbergen.”
„Neen, Maria,” sprak de gravin; „er zijn geheimen, welke zelfs de
dochter voor de moeder mag hebben. Veel in ons moet alleen ons eigendom
blijven; men miskent het innerlijke, zelfstandige recht van den mensch,
wanneer men in vriendschap, liefde of in welke betrekking ook, op een
_onbepaald_ vertrouwen aandringt. En die het vorderen, verleenen het
gewoonlijk het minst.”
„In deze zaak mag ik u het schenken, ja, ik zou er u wellicht morgen
zelve om verzocht hebben,” hernam Maria; „want uw moederlijke raad
wordt mij thans onontbeerlijk.”
„En ik kom u dien aanbieden,” viel de gravin haar haastig in de rede,
daar zij eene voor haar opzet gunstige stemming waande te ontdekken.
„Leg dan uw hart voor mij open, mijne lieve, en beschouw mij als uwe
tweede moeder.”
Maria zag haar met hare trouwe, blauwe oogen dankbaar aan en antwoordde
vol aandoening: „Als zoodanig heb ik u immers altijd beschouwd, van
het eerste oogenblik af, dat gij de ledige plaats innaamt, welke de
dood mijner eerste liefderijke moeder in mijn hart openliet. O, ik
heb steeds met innige dankbaarheid jegens de Voorzienigheid erkend,
hoe moederlijk gij voor mij zorgdet, toen ik hulp- en radeloos, toen
ik geheel verlaten was.—Daarom moet ik ook nu mijn hart voor u
openleggen, hoewel het mij eenigen strijd kost, daar gij mij wellicht
van eene berispelijke ijdelheid zult verdacht houden. Maar ik moet mij
dezen schijn van schuld getroosten, om niet eene werkelijke schuld op
mij te laden.”
De gravin luisterde in gespannen verwachting toe. Maria zweeg eenige
oogenblikken en ging vervolgens onder liefelijk blozen met neergeslagen
oogen voort: „Ik geloof—ik vrees, wilde ik zeggen—de ritmeester
Arnheim koestert inzichten....”
Hier brak zij in tranen uit. De gravin, geheel verschrikt, sloot haar
in de armen en trachtte haar tot bedaren te brengen. Zij kon dit weenen
wel is waar niet in zijne volle beteekenis verstaan, wijl Maria zich
over Rasinski's aanzoek nooit een woord had laten ontvallen, doch
in deze moesten de verlevendigde herinneringen gewaarwordingen doen
oprijzen, waaraan hare gevoelige ziel zich weemoedig overgaf.
„Gij zoudt zijne neiging niet kunnen beantwoorden?” vroeg de gravin op
een deelnemenden toon.
„Ach, dat is het juist, waarover ik mij bedroef en mij zelve verwijten
doe,” snikte het meisje. „Hij is goed, ja, ik moet hem edel noemen
en ik ben niet zonder schuld, want ik heb mijne gezindheid wellicht
te onvoorzichtig doen blijken,—ach, er kwam nog veel bij, dat mijne
vriendschap voor hem meer voedsel gaf—en nu moet ik hem zeggen: ik
versmaad u!—Dat grieft en pijnigt mij onuitsprekelijk. Daarom heb ik
eene moederlijke raadgeving noodig, hoe het onvermijdelijke kwaad te
verzachten.”
„Goeie Maria,” antwoordde de gravin vriendelijk, „gij weet, ik behoor
niet tot diegenen, die de heiligste gewaarwording van het hart,
de liefde, onder de dweepachtige tellen; maar ik geloof toch, dat
vereenigingen, op den vasten ankergrond van achting en vriendschap
gebouwd, op den duur gelukkiger zijn dan die, welke op de woelige zee
der hartstochten worden aangeknoopt. Zouden wij vrouwen, aan wie eene
vrije keus niet vergund is, wel het recht hebben, dezulken af te
wijzen, tegen welke het scherpste onderzoek geen ander geldig bezwaar
kan inbrengen, dan dit, dat zij ons geene onwillekeurige neiging hebben
ingeboezemd? Het is schoon, wanneer volmaakt gelijk gestemde harten
elkaâr ontmoeten; maar hoe zelden is dat werkelijk het geval! Meenen
wij ons gerechtigd, ook daar neen te zeggen, waar wij den hoogsten
graad van achting en vriendschap koesteren mogen, dan benemen wij ons
zelve bijna de mogelijkheid van aan onze vrouwelijke bestemming te
beantwoorden. Liefde baart liefde; hoe konden anders zoovele harten zoo
gelukkig verbonden wezen. Men bemint, wijl men bemind wordt....”
„Wanneer dat echter niet zoo is!” riep Maria met smartelijke hevigheid
en bedekte zich het gelaat met haren zakdoek.—„Wanneer nu die schoone
echo der wederliefde zich niet in het hart doet hooren,” vervolgde
zij na eenige oogenblikken met meerdere kalmte, „dan kan het toch wel
geen plicht zijn, een band aan te knoopen, alleen wijl de uiterlijke
omstandigheden gunstig schijnen? Het recht der keuze is ons ontzegd;
zouden wij daarom ook het recht verliezen, om neen te zeggen, wanneer
het hart tot een ja niet besluiten kan?”
De gravin zweeg. Hare wet was eene van het gebruik, van de
werkelijkheid, gelijk het leven in zijne verschijning die voorschrijft,
die van Maria eene hoogere, uit het vrije rijk der gedachte, die wel is
waar zelden wordt nageleefd, maar uit dien hoofde nog geenszins hare
geldigheid verliest.
„En waartoe hebt gij dan mijn raad noodig, mijne beste, wanneer gij zoo
vast besloten zijt?” vroeg de gravin na eenig zwijgen.
„Niet uw raad alleen, uwe dadelijke hulp heb ik noodig,” antwoordde
Maria. „Tot dusver is er geen beslissend woord gesproken; gij kondt het
geheel voorkomen en ons beiden de smartelijkste uitlegging besparen.”
„Hoe gaarne wil ik dat, schoon het mij leed doet,” hernam de gravin.
„Maar, lieve, staat uw besluit onherroepelijk vast? Zoo nu—ik moet u
deze bittere mogelijkheid herinneren—zoo nu Lodewijk eens niet uit
Rusland terugkeerde!”
„O, hij zal, hij zal!” riep Maria. „En zou ik een man mijne hand
reiken, wanneer ik ze slechts als een hulpeloos smeekende naar hem kon
uitstrekken? Dat mag niet beslissen; de nood zou mij in zijne armen
drijven, wanneer de liefde zulks niet vermocht.”
„Gij oordeelt valsch, Maria!” antwoordde de gravin bedaard, maar op
overtuigenden toon. „Het is het hoogste geluk der liefde, vreugde en
zegen van elken aard te kunnen uitstorten. De edele redt zijn geluk het
liefst uit onstuimige golven, uit eene schipbreuk des levens, ja, hij
zou der geliefde alles willen ontrooven, om haar daarna opnieuw met
alles te kunnen beschenken en versieren.”
„De _minnende_,” hernam Maria, „mag een dergelijk offer aannemen,
hoewel zij het liever zelve brengen zou; maar wie niet zijn gansche
hart ter vergoeding kan geven, die mag het niet—ik niet.”
Zij sprak deze woorden zeer zacht, maar met vastheid. Hierop wendde
zij zich weder biddende tot de moederlijke vriendin, opdat deze de
bemiddeling op zich zou nemen. „Zeg hem,” eindigde zij, „dat ik hem
mijne warme vriendschap wijd. Ook op mijne dankbaarheid heeft hij
aanspraak! Dubbel vriendelijk en zusterlijk wil ik jegens hem zijn, wijl
het hem smarten moet—maar ik kan niet anders, waarlijk ik kan niet.”
Stil weenende rustte zij aan de borst der moeder, en deze zocht haar
door teedere liefkoozingen te troosten, want beiden ontbrak het aan
woorden. Eindelijk scheidden zij, om in den zachten arm des slaaps rust
en kalmte voor het bewogen hart te zoeken.