HOOFDSTUK I.

Een langdurig ziekbed had Lodoiska in een toestand van bedwelming

gehouden; haar leven gedurende dat tijdsverloop was bij een zwaren

droom te vergelijken, waarin zij zonder bewustzijn leed of genoot, naar

gelang donkere of lichte gestalten hare bedwelmde zinnen voorbijgleden.

De beelden, die haar oog om zich zag, vielen niet dan door een

schemerachtig floers in hare ziel. Somtijds herkende zij hen, die

aan hare legerstede gezeten waren; meestal schenen deze haar geheel

vreemd en sprak zij hen verward en zonder samenhang uit de wereld harer

verbeelding aan. Het was eene weldaad voor de arme te noemen, dat de

ziekte haar niet het volle besef van haren toestand liet; want bij de

prikkelbaarheid van haar gevoel zoude zij onder de zielesmart, welke

zij op geene andere wijze had kunnen lucht geven, innerlijk weggekwijnd

en ongemerkt bezweken zijn.

Na eenige weken begon de hevigheid der ziekte te breken en mocht men

gegronde hoop voeden, dat de benevelde begrippen der lijdende nu toch

eindelijk zouden worden opgeklaard. Maria verheugde zich hierover

met zusterlijke deelneming; maar de gravin zag dit wederkeeren tot

de werkelijkheid des levens met gestadig toenemende bezorgdheid te

gemoet; want bij Lodoiska moest met het begrip der werkelijkheid om

haar heen ook het besef van de oorzaak van haar hartverscheurend lijden

terugkeeren, en dan was te duchten, dat de ziekte zich òf met doodelijke

hevigheid hernieuwen òf in eene stille, maar des te onverzettelijker,

alle inwendige levenskrachten verterende zwaarmoedigheid verkeeren

zoude. Ach, en niemand kon haar ook zelfs den geringsten schijn van

troost geven, want sinds die noodlottige regels van Jaromir waren geen

brieven uit het leger aangekomen, met uitzondering van eenige vluchtige

woorden van Rasinski, welke een keizerlijke renbode had medegebracht;

maar deze behelsden niets, dan dat alle vrienden nog leefden en waren

klaarblijkelijk in groote haast geschreven, om slechts de gelegenheid

niet te laten voorbijgaan, die zich tot eene groete aan de achtergelaten

betrekkingen aanbood. De gravin daarentegen had terstond na het

ontvangen van den ongeluksbrief van Jaromir haren broeder geantwoord en

op een onbewimpeld verslag van de reden dezer onbegrijpelijke aantijging

ten dringendste bij hem aangedrongen. Het antwoord op dezen haren

brief kon zij wel is waar nu nog niet verwachten; maar het plotseling

stilzwijgen van alle overigen, want ook Maria had geen enkelen regel

ontvangen, vervulde haar daarom toch met bange vermoedens.

„Wat moeten wij het arme kind zeggen,” vroeg zij op zekeren morgen,

terwijl de kranke nog sluimerde, aan Maria, „als zij nu eindelijk

wakker wordt en ons vraagt, of het een droombeeld was, dat haar zoo

vreeselijk beangst heeft, dan of deze aarde wezenlijk zulk eene bittere

waarheid oplevert?—Wat zouden wij haar antwoorden, zoo juist deze

zachte slaap haar het heldere bewustzijn van hare schuldelooze ziel

eens teruggaf?”

„Ik geloof niet, dat zij de waarheid vernemen mag,” sprak Maria; „wij

moeten haar door een liefderijk bedrog trachten te misleiden, totdat

haar hart meer veerkracht bekomen heeft en in staat is, het scherpe

vergif te verdragen. De rampzalige brief mag haar niet onder de oogen

komen; wij zullen haar in de waan trachten te brengen, dat het eene

koortsachtige inbeelding van haar is, dien te hebben ontvangen.”

„Dat zou mogelijk zijn, wanneer wij haar andere brieven konden toonen,”

hernam de gravin; „maar zoo zal zij op het vermoeden komen, dat Jaromir

dood is en deze gedachte, deze vrees pijnigt de arme wellicht nog

vreeselijker. Ach, ik zie geen uitweg uit deze akelige verwarringen en

ik hoop er ook niet op, want sinds lang ben ik gewoon, dat de bloesems

van mijn geluk zich slechts openen, om door de ruwe stormen van het lot

te worden afgeschud, opdat elke schrede van den voortsnellenden tijd ze

te dieper in den grond trappe!”

Dit droevig onderhoud werd door het binnenkomen van een bediende

afgebroken, die de oplossing der bange twijfelingen in de hand droeg,

want hij bracht een pakket brieven van Rasinski. Driftig brak de gravin

het open, om zoo spoedig mogelijk zekerheid te erlangen. Zij vond den

brief haars broeders, waarin deze van Jaromirs treurige geschiedenis

volledig verslag gaf, benevens dien, welken de ongelukkige na zijne

genezing aan Lodoiska geschreven had, om zich in zijn diepen rouw de

boete van onherroepelijke verbanning uit haar hart op te leggen. De

gravin had zwijgend ten einde toe gelezen, terwijl Maria met vragende

blikken aan hare lippen hing, met ongeduld hare mededeeling verwachtte

en toch niet waagde eene vraag te doen, wijl zij wist, dat dit zwijgen

niet uit vergeetachtigheid en nog minder uit koele achterhoudendheid

voortsproot, maar veeleer tot het sterke, zelfstandige karakter der

edele vrouw behoorde, die al hare gevoelens zoolang voor zich zelve

hield, tot zij zich bewust was, die volkomen meester en tot een vast

besluit gekomen te zijn. Een blos van verontwaardiging kleurde nu en

dan het gelaat der gravin, maar ging spoedig in een weemoedig lachje

over. Eindelijk nam zij ook Jaromirs brief, maar onder het lezen welden

verduisterende tranen in haar oog op en mompelde zij half voor zich

zelve: „Hij is toch meer ongelukkig dan schuldig!” Opstaande gaf zij

Maria de beide brieven over en wandelde met rassche schreden door het

vertrek.

„O, die Françoise Alisette!” riep zij bijna luide uit. „Wie had

zulk een giftige doortraptheid bij haar vermoed! Dus leert men toch

nimmer de diepten des harten doorgronden! Voor lichtzinnig had ik

haar misschien kunnen houden, en toch zou ik haar geene koele, vooraf

berekenende, maar veeleer die dweepende lichtzinnigheid hebben

toegeschreven, die meer zichzelve bedriegt dan anderen—en toch!—Zij

zij vergeten en veracht!”

Ook Maria had Rasinski's brief gelezen, onder maagdelijk blozen,

vermengd met diepe, zedelijke verontwaardiging tegen de verleidster;

maar Jaromirs berouwvolle boete perste haar warme tranen van mededoogen

uit het oog. „Arme Lodoiska,” zuchtte zij, „hoe zult gij nog gefolterd

worden! Maar uw minnend hart zal alles overwinnen en vergeven.”

„Dat mag zij niet,” sprak de gravin met vastheid. „Jaromir is harer

niet meer waardig. Zij moet achting hebben voor zich zelve! Kon zij hem

ook al vergeven, hij mag geen vergiffenis aannemen.”

Inmiddels sloeg de zieke de oogen op; zij geleek eene lieflijke, bleeke

roos; haar vroeger zoo vurig, donker oog had de vlam verloren, maar

den zachten gloed behouden; met teedere innigheid vestigde zij haren

blik op moeder en zuster en zeide: „Ik heb zeer gerust geslapen, ik ben

lichter en beter geworden.”

De gravin boog zich over haar neder en drukte een zachten kus op haar

voorhoofd. „Dat verheugt mij, lieve,” sprak zij, terwijl zij moeite had

hare inwendige ontroering door toon en stem niet te verraden. Maria

trad met een vriendelijk lachje op de zieke toe en vroeg: „Zijt gij

nu weer wel, volkomen wel?”—„O ja, mij dunkt ik ben geheel gezond,”

hernam Lodoiska, de aangeboden hand zachtkens drukkende; doch haar

blik verried, dat zij iets anders dacht, dan zij sprak. Met pijnlijke

onrust scheen zij zich op iets, dat zij vergeten had, te bezinnen. „Ik

weet niet, Maria,” vervolgde zij en zag de vriendin vragend aan, „mij

verontrust en beklemt iets, als had ik eene zware zonde begaan, die ik

niet biechtte.”

„Gij eene zonde!” antwoordde Maria. „Neen, die gedachte bleef u nog

uit de koortsachtige droomen uwer ziekte bij. Het vroolijke licht der

gezondheid zal die donkere nachtvogels weldra geheel verdrijven.”

„Ach, ik vrees neen,” vervolgde Lodoiska; „het is mij, alsof een

vreeselijk spook in mijne ziel stond, dat wijken noch wankelen wil.

Slechts weet ik niet, wat het met zijn zwarten sluier bedekt; maar het

beangst en knelt mij meer en meer.” Thans trad de gravin op het leger

toe, nam de hand der zieke en sprak liefderijk, maar ernstig: „Mijne

dochter, is u waarheid of ontveinzing liever? Zoudt gij thans in staat

zijn, de bittere waarheid, die u verpletterde, toen zij eensklaps

verraste, te verdragen, wanneer eene moeder ze u behoedzaam onthulde?”

Lodoiska staarde de gravin met angstig vorschende blikken aan en

scheen het geheim te willen raden. Eindelijk sprak zij met stille

onderwerping: „Van u kan ik alles hooren, ik wil bedaard blijven en

lijden; ik weet immers, dat gij mij lief hebt.”

„Ik wil u zeggen, wat toch niet voor u verzwegen kan blijven,” begon de

gravin. „Herinnert ge u nog de laatste woorden, die Jaromir u schreef?”

„O God!” riep Lodoiska angstig; „zoo is dat toch geen droom geweest! En

die furie vervolgt mij nog altijd!”

„Neen, neen, geliefd kind,” trachtte de moeder haar gerust te stellen;

„het was half een droom, half waarheid. Jaromir veroordeelde u in

de verbijstering van zijn schuldig hart; nu echter is hij tot beter

inzicht gekomen; aan hem lag de schuld, op hem rusten nu ook rouw en

boete.”

„Hoe?” snikte Lodoiska, die thans alle herinneringen weder met

gloeiende kleuren zag terugkeeren, maar niet verstond, wat de laatste

woorden der gravin moesten beteekenen; „dan gelooft hij toch weder aan

mijne liefde en miskent mijn hart niet langer? O, dan ben ik immers

gelukkig. Hij heeft mij diep gegriefd, maar alles, alles zij hem

vergeven! Ach, mijne moeder, hoe gelukkig maken mij uwe woorden!”

Zij strekte de zwakke armen uit, ten einde die om den hals der geliefde

moederlijke vriendin te slaan, maar was te zeer uitgeput; de gravin

echter volgde den teederen wenk, boog haar gelaat tot de lijdende

neder en liet zich door deze aan de hijgende borst drukken. Weldadige

vreugdetranen bevochtigden de wangen der kranke, maar eene angstige

beklemdheid drukte op het hart der moeder, die haar dezen nieuwen waan

ontrooven moest.

Doch de gravin erkende de noodzakelijkheid; zij had haar besluit

genomen en bracht het ten uitvoer.

Nadat Lodoiska kalmer was geworden, vervolgde zij dus: „Uw minnend hart

vergeeft; maar mag Jaromir, die de schuldelooze zoo diep krenkte, die

vergeving aannemen?”

„Ach, het besef van schuld zal zijne boete zijn, en boete verzoent!”

„Zoo hij echter nu zelf schuldig ware, zoo hij....”

„Verlaat hij mij?” riep Lodoiska buiten zich zelve en met zulk eene

hevigheid, dat de gravin het terugkeeren der woeste koortsvlagen

duchten moest.—„Neen, lief kind,” vervolgde zij: „maar hij heeft zwaar

tegen u misdreven, zóó zwaar, dat gij hem niet vergeven moogt, dat hij

zich niet kan laten vergeven.”

„O moeder, ik weet niet wat hij misdeed; maar iets harders voor mij

bestond er niet, dan dat hij mijn hart miskende en van ontrouw verdacht

hield. God, die barmhartig is, vergeeft elken berouwhebbende, en zou

het mij dan niet vrijstaan?”

Toen zij deze woorden sprak, glansde zulk eene hemelsche zachtheid

op haar gelaat, straalde zulk eene vrome geestdrift uit hare oogen,

dat de gravin zich in hare eigene strenge grondbeginselen overwonnen

gevoelde. „Ja, _gij_ moogt hem vergeven, _gij_ moogt het,” sprak

zij vol aandoening; „gij hebt het gedaan, nog eer gij zijne schuld

kendet—thans, verneem ook die.”

Zij gaf haar den brief van Rasinski. Lodoiska beschouwde dien eenige

oogenblikken en zeide: „Neen, lees gij hem slechts, als ik toch hooren

moet; maar nog veel liever hoor ik niets, het is immers genoeg dat hij

berouw heeft.—Zou hij dan zoo gruwzaam tegen mij zijn, wanneer ik

gedwaald had?”

Het reine hart van Lodoiska vermoedde Jaromirs schuld niet; hare

ziel had geen denkbeeld van de vele overtredingen, omtrent welke

de bezoedelde omgang des gemeenen levens den man vaak geheel

onverschillig doet zijn. Maar de gravin achtte het noodzakelijk, haar

alles te ontdekken. „Waarheid zij tusschen u en hem,” sprak zij;

„vergeef dan, zoo gij het kunt en wilt. Alles moet gij weten; de

vergeving zelve ware anders immers slechts eene halve vergeving, en

Jaromir mocht ze niet aannemen, daar hij zou moeten gelooven, dat zij

niet waar en niet volkomen was, wijl het u aan moed had ontbroken, de

schuld te vernemen, die gij vergeven wildet.”

Zoo begon zij Rasinski's brief langzaam voor te lezen, terwijl zij

de kranke daarbij zorgvuldig in het oog hield, om te zien, of deze

misschien ook te hevig geschokt mocht worden. Doch dit was het geval

niet, Lodoiska bleef bedaard; om hare lippen zweefde een weemoedig

lachje, dat de vriendelijkheid harer verzorgsters gold, en uit hare

oogen vloten zachte tranen, die zij over Jaromirs val en berouw vergoot,

welke beide Rasinski met de eenvoudige kleuren der waarheid had

afgeschilderd.

De brief was ten einde. Lodoiska bleef eenige minuten zwijgend en

heimelijk weenen, terwijl Maria haar door zachte liefkoozingen zocht te

troosten.

„Laat mij zelve Jaromirs brief lezen,” verzocht zij eindelijk en

ondersteunde deze bede door een tot diep in het hart dringenden,

weemoedigen blik. De gravin reikte haar dien toe en met een dikwijls

door tranen verduisterd oog las zij nu het geschrift een-, twee-,

driemaal over. „O mijn God!” riep zij vervolgens smartelijk uit; „hoe

onbeschrijfelijk heeft de arme geleden en hoe zwaar geboet! En ik zou

hem niet vergeven? Ach, hij bemint mij immers nog, bemint mij vuriger

dan ooit! Alles, alles zij vergeten! Hij mag mijn minnend hart niet

terugwijzen!”

Eene zalige vreugde kleurde hare bleeke wangen en verleende vuur en

gloed aan haar vochtig oog; zij was als nieuw geschapen door het

grootmoedig besluit, dat aan haar edele ziel niet eenmaal strijd

had gekost. De sombere geest der ziekte scheen eensklaps verbannen

te zijn en te vlieden. Zij hield niet op met bidden, tot de gravin

haar vergunde, de regels van verzoening en vergiffenis onverwijld te

schrijven; zelfs de bezorgdheid harer verpleegsters, dat haar de kracht

daartoe ontbreken zou, was ongegrond; want de dringende hevigheid van

haar wenschen en willen had haar zoodanig opgewonden, dat volslagen

weigeren thans gevaarlijker zou geweest zijn dan toegeven. Zich op haar

leger oprichtende, schreef zij het volgende aan Jaromir:

„O, mijn Geliefde! De liefde vergeeft alles; zij kan slechts weenen en

bloeden—ik ben nooit vertoornd op u geweest. Verplet zonk ik neder,

toen uw bedrogen hart mij verstooten wilde; thans toont gij mij een hart

vol berouw, en ik weet niets meer van schuld; een hart vol liefde, en

ik weet niets meer van mijne smart. Neen, geliefde, vorder niet, dat ik

zelve de bloesems mijns levens vertreden zou. Omsluit uw hart niet met

het koude ijzer der trotschheid!

Vriend mijner ziel! De rechter van uwe dwaling is alleen de liefde en

haar zacht vonnis luidt: alles, alles zij vergeten! Wilt gij doof zijn

voor hare zoete stem—o, dan zullen nacht en duister mijn hart omgeven,

tot het ophoudt te slaan en breekt—en voor eeuwig verloren is het zalig

geluk, waarop het thans nog hoop voedt!—Jaromir, hoor de heilige stem

der liefde!

Uwe LODOISKA.”

Toen het meisje geëindigd had, gaf zij het blad aan de gravin over.

Deze las het met diepe aandoening; het strookte niet met haren

gemoedsaard, maar zij eerbiedigde de heilige rechten van een minnend

hart, dat alleen zichzelf raadpleegt en hoort. Maria's gevoel stemde

met dat van Lodoiska overeen; zij zou zich niet zoo deemoedig, ja,

men mocht bijna zeggen zoo onderdanig, maar toch even liefderijk,

even vergevensgezind betoond hebben.—Daar deze schrede nu eenmaal

gedaan was, toonde de gravin ook haren vollen werkdadigen ijver, om

de zaak geheel ten einde te brengen. Zij schreef dadelijk aan haren

broeder, sloot Lodoiska's brief in den haren en reed met beide naar den

franschen gezant, ten einde de verzending door diens tusschenkomst op

de spoedigste en veiligste wijze bewerkstelligd te weten. Gewoonlijk

koos zij dezen weg niet; maar, hetzij dat zij er te veel belang in

stelde, juist dezen brief zoo ras en zeker mogelijk verzonden te zien,

hetzij dat een voorgevoel, misschien opgewekt door eenige wenken van

Rasinski, die zijn brief den eersten dag na den terugtocht uit Moskou,

toen zijn helder oog buiten twijfel reeds menig onheil voorzag,

verzonden had, haar aandreef, kortom: zij meende dezen maatregel van

voorzichtigheid thans niet te mogen verzuimen.

Toen Lodoiska wist, dat haar brief naar den geliefde op weg was en hem

elk uur nader en nader kwam, keerden hoop en vertrouwen in haar hart

terug. Elke dag zag haar frisscher ontluiken en reeds na verloop van de

eerste week was zij in staat haar ziekbed te verlaten.

1812: Historische roman · 第 129 / 154 题