Een langdurig ziekbed had Lodoiska in een toestand van bedwelming
gehouden; haar leven gedurende dat tijdsverloop was bij een zwaren
droom te vergelijken, waarin zij zonder bewustzijn leed of genoot, naar
gelang donkere of lichte gestalten hare bedwelmde zinnen voorbijgleden.
De beelden, die haar oog om zich zag, vielen niet dan door een
schemerachtig floers in hare ziel. Somtijds herkende zij hen, die
aan hare legerstede gezeten waren; meestal schenen deze haar geheel
vreemd en sprak zij hen verward en zonder samenhang uit de wereld harer
verbeelding aan. Het was eene weldaad voor de arme te noemen, dat de
ziekte haar niet het volle besef van haren toestand liet; want bij de
prikkelbaarheid van haar gevoel zoude zij onder de zielesmart, welke
zij op geene andere wijze had kunnen lucht geven, innerlijk weggekwijnd
en ongemerkt bezweken zijn.
Na eenige weken begon de hevigheid der ziekte te breken en mocht men
gegronde hoop voeden, dat de benevelde begrippen der lijdende nu toch
eindelijk zouden worden opgeklaard. Maria verheugde zich hierover
met zusterlijke deelneming; maar de gravin zag dit wederkeeren tot
de werkelijkheid des levens met gestadig toenemende bezorgdheid te
gemoet; want bij Lodoiska moest met het begrip der werkelijkheid om
haar heen ook het besef van de oorzaak van haar hartverscheurend lijden
terugkeeren, en dan was te duchten, dat de ziekte zich òf met doodelijke
hevigheid hernieuwen òf in eene stille, maar des te onverzettelijker,
alle inwendige levenskrachten verterende zwaarmoedigheid verkeeren
zoude. Ach, en niemand kon haar ook zelfs den geringsten schijn van
troost geven, want sinds die noodlottige regels van Jaromir waren geen
brieven uit het leger aangekomen, met uitzondering van eenige vluchtige
woorden van Rasinski, welke een keizerlijke renbode had medegebracht;
maar deze behelsden niets, dan dat alle vrienden nog leefden en waren
klaarblijkelijk in groote haast geschreven, om slechts de gelegenheid
niet te laten voorbijgaan, die zich tot eene groete aan de achtergelaten
betrekkingen aanbood. De gravin daarentegen had terstond na het
ontvangen van den ongeluksbrief van Jaromir haren broeder geantwoord en
op een onbewimpeld verslag van de reden dezer onbegrijpelijke aantijging
ten dringendste bij hem aangedrongen. Het antwoord op dezen haren
brief kon zij wel is waar nu nog niet verwachten; maar het plotseling
stilzwijgen van alle overigen, want ook Maria had geen enkelen regel
ontvangen, vervulde haar daarom toch met bange vermoedens.
„Wat moeten wij het arme kind zeggen,” vroeg zij op zekeren morgen,
terwijl de kranke nog sluimerde, aan Maria, „als zij nu eindelijk
wakker wordt en ons vraagt, of het een droombeeld was, dat haar zoo
vreeselijk beangst heeft, dan of deze aarde wezenlijk zulk eene bittere
waarheid oplevert?—Wat zouden wij haar antwoorden, zoo juist deze
zachte slaap haar het heldere bewustzijn van hare schuldelooze ziel
eens teruggaf?”
„Ik geloof niet, dat zij de waarheid vernemen mag,” sprak Maria; „wij
moeten haar door een liefderijk bedrog trachten te misleiden, totdat
haar hart meer veerkracht bekomen heeft en in staat is, het scherpe
vergif te verdragen. De rampzalige brief mag haar niet onder de oogen
komen; wij zullen haar in de waan trachten te brengen, dat het eene
koortsachtige inbeelding van haar is, dien te hebben ontvangen.”
„Dat zou mogelijk zijn, wanneer wij haar andere brieven konden toonen,”
hernam de gravin; „maar zoo zal zij op het vermoeden komen, dat Jaromir
dood is en deze gedachte, deze vrees pijnigt de arme wellicht nog
vreeselijker. Ach, ik zie geen uitweg uit deze akelige verwarringen en
ik hoop er ook niet op, want sinds lang ben ik gewoon, dat de bloesems
van mijn geluk zich slechts openen, om door de ruwe stormen van het lot
te worden afgeschud, opdat elke schrede van den voortsnellenden tijd ze
te dieper in den grond trappe!”
Dit droevig onderhoud werd door het binnenkomen van een bediende
afgebroken, die de oplossing der bange twijfelingen in de hand droeg,
want hij bracht een pakket brieven van Rasinski. Driftig brak de gravin
het open, om zoo spoedig mogelijk zekerheid te erlangen. Zij vond den
brief haars broeders, waarin deze van Jaromirs treurige geschiedenis
volledig verslag gaf, benevens dien, welken de ongelukkige na zijne
genezing aan Lodoiska geschreven had, om zich in zijn diepen rouw de
boete van onherroepelijke verbanning uit haar hart op te leggen. De
gravin had zwijgend ten einde toe gelezen, terwijl Maria met vragende
blikken aan hare lippen hing, met ongeduld hare mededeeling verwachtte
en toch niet waagde eene vraag te doen, wijl zij wist, dat dit zwijgen
niet uit vergeetachtigheid en nog minder uit koele achterhoudendheid
voortsproot, maar veeleer tot het sterke, zelfstandige karakter der
edele vrouw behoorde, die al hare gevoelens zoolang voor zich zelve
hield, tot zij zich bewust was, die volkomen meester en tot een vast
besluit gekomen te zijn. Een blos van verontwaardiging kleurde nu en
dan het gelaat der gravin, maar ging spoedig in een weemoedig lachje
over. Eindelijk nam zij ook Jaromirs brief, maar onder het lezen welden
verduisterende tranen in haar oog op en mompelde zij half voor zich
zelve: „Hij is toch meer ongelukkig dan schuldig!” Opstaande gaf zij
Maria de beide brieven over en wandelde met rassche schreden door het
vertrek.
„O, die Françoise Alisette!” riep zij bijna luide uit. „Wie had
zulk een giftige doortraptheid bij haar vermoed! Dus leert men toch
nimmer de diepten des harten doorgronden! Voor lichtzinnig had ik
haar misschien kunnen houden, en toch zou ik haar geene koele, vooraf
berekenende, maar veeleer die dweepende lichtzinnigheid hebben
toegeschreven, die meer zichzelve bedriegt dan anderen—en toch!—Zij
zij vergeten en veracht!”
Ook Maria had Rasinski's brief gelezen, onder maagdelijk blozen,
vermengd met diepe, zedelijke verontwaardiging tegen de verleidster;
maar Jaromirs berouwvolle boete perste haar warme tranen van mededoogen
uit het oog. „Arme Lodoiska,” zuchtte zij, „hoe zult gij nog gefolterd
worden! Maar uw minnend hart zal alles overwinnen en vergeven.”
„Dat mag zij niet,” sprak de gravin met vastheid. „Jaromir is harer
niet meer waardig. Zij moet achting hebben voor zich zelve! Kon zij hem
ook al vergeven, hij mag geen vergiffenis aannemen.”
Inmiddels sloeg de zieke de oogen op; zij geleek eene lieflijke, bleeke
roos; haar vroeger zoo vurig, donker oog had de vlam verloren, maar
den zachten gloed behouden; met teedere innigheid vestigde zij haren
blik op moeder en zuster en zeide: „Ik heb zeer gerust geslapen, ik ben
lichter en beter geworden.”
De gravin boog zich over haar neder en drukte een zachten kus op haar
voorhoofd. „Dat verheugt mij, lieve,” sprak zij, terwijl zij moeite had
hare inwendige ontroering door toon en stem niet te verraden. Maria
trad met een vriendelijk lachje op de zieke toe en vroeg: „Zijt gij
nu weer wel, volkomen wel?”—„O ja, mij dunkt ik ben geheel gezond,”
hernam Lodoiska, de aangeboden hand zachtkens drukkende; doch haar
blik verried, dat zij iets anders dacht, dan zij sprak. Met pijnlijke
onrust scheen zij zich op iets, dat zij vergeten had, te bezinnen. „Ik
weet niet, Maria,” vervolgde zij en zag de vriendin vragend aan, „mij
verontrust en beklemt iets, als had ik eene zware zonde begaan, die ik
niet biechtte.”
„Gij eene zonde!” antwoordde Maria. „Neen, die gedachte bleef u nog
uit de koortsachtige droomen uwer ziekte bij. Het vroolijke licht der
gezondheid zal die donkere nachtvogels weldra geheel verdrijven.”
„Ach, ik vrees neen,” vervolgde Lodoiska; „het is mij, alsof een
vreeselijk spook in mijne ziel stond, dat wijken noch wankelen wil.
Slechts weet ik niet, wat het met zijn zwarten sluier bedekt; maar het
beangst en knelt mij meer en meer.” Thans trad de gravin op het leger
toe, nam de hand der zieke en sprak liefderijk, maar ernstig: „Mijne
dochter, is u waarheid of ontveinzing liever? Zoudt gij thans in staat
zijn, de bittere waarheid, die u verpletterde, toen zij eensklaps
verraste, te verdragen, wanneer eene moeder ze u behoedzaam onthulde?”
Lodoiska staarde de gravin met angstig vorschende blikken aan en
scheen het geheim te willen raden. Eindelijk sprak zij met stille
onderwerping: „Van u kan ik alles hooren, ik wil bedaard blijven en
lijden; ik weet immers, dat gij mij lief hebt.”
„Ik wil u zeggen, wat toch niet voor u verzwegen kan blijven,” begon de
gravin. „Herinnert ge u nog de laatste woorden, die Jaromir u schreef?”
„O God!” riep Lodoiska angstig; „zoo is dat toch geen droom geweest! En
die furie vervolgt mij nog altijd!”
„Neen, neen, geliefd kind,” trachtte de moeder haar gerust te stellen;
„het was half een droom, half waarheid. Jaromir veroordeelde u in
de verbijstering van zijn schuldig hart; nu echter is hij tot beter
inzicht gekomen; aan hem lag de schuld, op hem rusten nu ook rouw en
boete.”
„Hoe?” snikte Lodoiska, die thans alle herinneringen weder met
gloeiende kleuren zag terugkeeren, maar niet verstond, wat de laatste
woorden der gravin moesten beteekenen; „dan gelooft hij toch weder aan
mijne liefde en miskent mijn hart niet langer? O, dan ben ik immers
gelukkig. Hij heeft mij diep gegriefd, maar alles, alles zij hem
vergeven! Ach, mijne moeder, hoe gelukkig maken mij uwe woorden!”
Zij strekte de zwakke armen uit, ten einde die om den hals der geliefde
moederlijke vriendin te slaan, maar was te zeer uitgeput; de gravin
echter volgde den teederen wenk, boog haar gelaat tot de lijdende
neder en liet zich door deze aan de hijgende borst drukken. Weldadige
vreugdetranen bevochtigden de wangen der kranke, maar eene angstige
beklemdheid drukte op het hart der moeder, die haar dezen nieuwen waan
ontrooven moest.
Doch de gravin erkende de noodzakelijkheid; zij had haar besluit
genomen en bracht het ten uitvoer.
Nadat Lodoiska kalmer was geworden, vervolgde zij dus: „Uw minnend hart
vergeeft; maar mag Jaromir, die de schuldelooze zoo diep krenkte, die
vergeving aannemen?”
„Ach, het besef van schuld zal zijne boete zijn, en boete verzoent!”
„Zoo hij echter nu zelf schuldig ware, zoo hij....”
„Verlaat hij mij?” riep Lodoiska buiten zich zelve en met zulk eene
hevigheid, dat de gravin het terugkeeren der woeste koortsvlagen
duchten moest.—„Neen, lief kind,” vervolgde zij: „maar hij heeft zwaar
tegen u misdreven, zóó zwaar, dat gij hem niet vergeven moogt, dat hij
zich niet kan laten vergeven.”
„O moeder, ik weet niet wat hij misdeed; maar iets harders voor mij
bestond er niet, dan dat hij mijn hart miskende en van ontrouw verdacht
hield. God, die barmhartig is, vergeeft elken berouwhebbende, en zou
het mij dan niet vrijstaan?”
Toen zij deze woorden sprak, glansde zulk eene hemelsche zachtheid
op haar gelaat, straalde zulk eene vrome geestdrift uit hare oogen,
dat de gravin zich in hare eigene strenge grondbeginselen overwonnen
gevoelde. „Ja, _gij_ moogt hem vergeven, _gij_ moogt het,” sprak
zij vol aandoening; „gij hebt het gedaan, nog eer gij zijne schuld
kendet—thans, verneem ook die.”
Zij gaf haar den brief van Rasinski. Lodoiska beschouwde dien eenige
oogenblikken en zeide: „Neen, lees gij hem slechts, als ik toch hooren
moet; maar nog veel liever hoor ik niets, het is immers genoeg dat hij
berouw heeft.—Zou hij dan zoo gruwzaam tegen mij zijn, wanneer ik
gedwaald had?”
Het reine hart van Lodoiska vermoedde Jaromirs schuld niet; hare
ziel had geen denkbeeld van de vele overtredingen, omtrent welke
de bezoedelde omgang des gemeenen levens den man vaak geheel
onverschillig doet zijn. Maar de gravin achtte het noodzakelijk, haar
alles te ontdekken. „Waarheid zij tusschen u en hem,” sprak zij;
„vergeef dan, zoo gij het kunt en wilt. Alles moet gij weten; de
vergeving zelve ware anders immers slechts eene halve vergeving, en
Jaromir mocht ze niet aannemen, daar hij zou moeten gelooven, dat zij
niet waar en niet volkomen was, wijl het u aan moed had ontbroken, de
schuld te vernemen, die gij vergeven wildet.”
Zoo begon zij Rasinski's brief langzaam voor te lezen, terwijl zij
de kranke daarbij zorgvuldig in het oog hield, om te zien, of deze
misschien ook te hevig geschokt mocht worden. Doch dit was het geval
niet, Lodoiska bleef bedaard; om hare lippen zweefde een weemoedig
lachje, dat de vriendelijkheid harer verzorgsters gold, en uit hare
oogen vloten zachte tranen, die zij over Jaromirs val en berouw vergoot,
welke beide Rasinski met de eenvoudige kleuren der waarheid had
afgeschilderd.
De brief was ten einde. Lodoiska bleef eenige minuten zwijgend en
heimelijk weenen, terwijl Maria haar door zachte liefkoozingen zocht te
troosten.
„Laat mij zelve Jaromirs brief lezen,” verzocht zij eindelijk en
ondersteunde deze bede door een tot diep in het hart dringenden,
weemoedigen blik. De gravin reikte haar dien toe en met een dikwijls
door tranen verduisterd oog las zij nu het geschrift een-, twee-,
driemaal over. „O mijn God!” riep zij vervolgens smartelijk uit; „hoe
onbeschrijfelijk heeft de arme geleden en hoe zwaar geboet! En ik zou
hem niet vergeven? Ach, hij bemint mij immers nog, bemint mij vuriger
dan ooit! Alles, alles zij vergeten! Hij mag mijn minnend hart niet
terugwijzen!”
Eene zalige vreugde kleurde hare bleeke wangen en verleende vuur en
gloed aan haar vochtig oog; zij was als nieuw geschapen door het
grootmoedig besluit, dat aan haar edele ziel niet eenmaal strijd
had gekost. De sombere geest der ziekte scheen eensklaps verbannen
te zijn en te vlieden. Zij hield niet op met bidden, tot de gravin
haar vergunde, de regels van verzoening en vergiffenis onverwijld te
schrijven; zelfs de bezorgdheid harer verpleegsters, dat haar de kracht
daartoe ontbreken zou, was ongegrond; want de dringende hevigheid van
haar wenschen en willen had haar zoodanig opgewonden, dat volslagen
weigeren thans gevaarlijker zou geweest zijn dan toegeven. Zich op haar
leger oprichtende, schreef zij het volgende aan Jaromir:
„O, mijn Geliefde! De liefde vergeeft alles; zij kan slechts weenen en
bloeden—ik ben nooit vertoornd op u geweest. Verplet zonk ik neder,
toen uw bedrogen hart mij verstooten wilde; thans toont gij mij een hart
vol berouw, en ik weet niets meer van schuld; een hart vol liefde, en
ik weet niets meer van mijne smart. Neen, geliefde, vorder niet, dat ik
zelve de bloesems mijns levens vertreden zou. Omsluit uw hart niet met
het koude ijzer der trotschheid!
Vriend mijner ziel! De rechter van uwe dwaling is alleen de liefde en
haar zacht vonnis luidt: alles, alles zij vergeten! Wilt gij doof zijn
voor hare zoete stem—o, dan zullen nacht en duister mijn hart omgeven,
tot het ophoudt te slaan en breekt—en voor eeuwig verloren is het zalig
geluk, waarop het thans nog hoop voedt!—Jaromir, hoor de heilige stem
der liefde!
Uwe LODOISKA.”
Toen het meisje geëindigd had, gaf zij het blad aan de gravin over.
Deze las het met diepe aandoening; het strookte niet met haren
gemoedsaard, maar zij eerbiedigde de heilige rechten van een minnend
hart, dat alleen zichzelf raadpleegt en hoort. Maria's gevoel stemde
met dat van Lodoiska overeen; zij zou zich niet zoo deemoedig, ja,
men mocht bijna zeggen zoo onderdanig, maar toch even liefderijk,
even vergevensgezind betoond hebben.—Daar deze schrede nu eenmaal
gedaan was, toonde de gravin ook haren vollen werkdadigen ijver, om
de zaak geheel ten einde te brengen. Zij schreef dadelijk aan haren
broeder, sloot Lodoiska's brief in den haren en reed met beide naar den
franschen gezant, ten einde de verzending door diens tusschenkomst op
de spoedigste en veiligste wijze bewerkstelligd te weten. Gewoonlijk
koos zij dezen weg niet; maar, hetzij dat zij er te veel belang in
stelde, juist dezen brief zoo ras en zeker mogelijk verzonden te zien,
hetzij dat een voorgevoel, misschien opgewekt door eenige wenken van
Rasinski, die zijn brief den eersten dag na den terugtocht uit Moskou,
toen zijn helder oog buiten twijfel reeds menig onheil voorzag,
verzonden had, haar aandreef, kortom: zij meende dezen maatregel van
voorzichtigheid thans niet te mogen verzuimen.
Toen Lodoiska wist, dat haar brief naar den geliefde op weg was en hem
elk uur nader en nader kwam, keerden hoop en vertrouwen in haar hart
terug. Elke dag zag haar frisscher ontluiken en reeds na verloop van de
eerste week was zij in staat haar ziekbed te verlaten.