Bianca hield beide hare handen voor de oogen en ademde krampachtig;
geen enkelen traan had zij meer, zoo greep haar de alles verstijvende
schrik der ontzetting aan. Lodewijk en Bernard sloten zich dicht aan
haar en zochten haar door bemoedigende toespraak tot kalmte te brengen.
Jeannette was doodsbleek en rilde koortsachtig; ook zij weende niet
meer, hare lippen beefden, alsof zij spreken wilde, doch zij vermocht
zulks niet. Het kind klemde zich schuw aan Bianca's boezem.
Plotseling kraakte en dreunde het om hen heen, en als door een
aardbeving geschokt, werden zij van hunne zitplaatsen opgelicht.
„Barmhartige God!” riep zij, toen zij opzag, en strekte de beide handen
afwerend voor zich uit. Een kogel had het voorste gedeelte van den
wagen getroffen, verbrijzeld en de bloedige, gescheurde ledematen der
beide officieren op den grond geslingerd. De schuwe paarden steigerden
hoog op en zouden, wanneer dissel en vooras niet verpletterd waren
geweest, den wagen zijwaarts gesleurd hebben. Willhofen sprong toe
om ze in de teugels te vatten; Lodewijk en Bernard beijverden zich,
hem bij te staan. Doch reeds had Jeannette zich met loshangende haren
van den wagen geworpen, en Bianca, onbewust wat zij deed, volgde dit
voorbeeld, terwijl zij de kleine aan haren boezem klemde.
„Leeft het nog? Leeft het?” riep eene forsche stem in hare nabijheid,
en zij voelde zich eensklaps van achteren vastgehouden. Toen zij zich
omwendde, stond Regnard, den linkerarm in een doek gebonden, voor haar.
„O, ik heb u gevonden,” sprak hij snikkend en kuste en liefkoosde het
kind in Bianca's armen, die, nog geheel bedwelmd door den schrik, niet
eens besef genoeg had, om zich over zijne plotselinge verschijning te
verwonderen.
Ook Bernard ontdekte hem, ijlde op hem toe en vroeg vol verbazing: „Gij
hier, overste? In 's hemels naam, hoe komt gij hier?”
„Van daarginds uit het gevecht,” antwoordde hij. „Het gaat er vreeselijk
moorddadig toe; onze soldaten staan als de muren van Troje, doch dra zal
alles instorten; want zij begraven ons onder hunne kogels!”
„Zaagt gij Rasinski? Leeft hij? Leven Boleslaw en Jaromir?” vroeg
Bernard driftig.
„Zij vechten als leeuwen, als duivels, die Polen,” hernam Regnard. „Maar
het zal alles te vergeefs zijn, wij kunnen geen uur meer standhouden! En
dan dit défilé, dat zoo goed als de open helpoort is.”
„Zijt gij gewond, overste?” vroeg Bernard, hem eene krampachtige
beweging naar den arm ziende maken, die met een zakdoek omwonden was.
„Mijn rechterarm is verbrijzeld,” was het antwoord; „mijn paard werd
door een granaat neergeworpen; ik sleepte mij naar Studianka, om een
wondarts te zoeken, doch daarginds is niets te vinden dan asch en
lijken. Vechten kan ik niet meer, ik wilde dus beproeven of ik over de
brug kon komen. Daar zag ik uit de verte deze wagens! Ik wist, dat gij
gisteren hier gestaan had en dacht: misschien vind ik hen nog daar.
Mogelijk kunt gij uw klein dochtertje nog eens zien! sprak het in mijn
binnenste, en—lach mijnenthalve, vriend,—dat klonk mij als eens stem
uit den hemel in de ooren. Wellicht is het de laatste wensch, dien gij
vervuld ziet, dacht ik en ging regelrecht hierop aan. Het was of een
goede geest mij geleidde, want ik was juist bij uwe wagen, toen de
twaalfponder u dien trek speelde.—Ach zie eens, hoe vriendelijk het
kind nog is; het lijkt toch sprekend op de moeder!—Ja, had ik maar
iets voor u, mijn arm schaap! Waren wij in Parijs, en kon ik u een zak
vol bonbons geven!”
Hij gaf zich geheel aan het liefkoozen der kleine over en scheen zoowel
zijn verpletterden arm, als de verwoesting om hem heen te hebben
vergeten. De kogels verschrikten hem niet, twintig veldslagen hadden
hem daaraan gewoon gemaakt; maar de vaderliefde was nieuw voor hem, en
een voorgevoel scheen hem te zeggen, dat hij dit geluk niet lang meer
genieten zou.
Middelerwijl was ook Lodewijk toegetreden en heette hem welkom. Bianca
gaf de kleine, die Regnard met zijn éénen arm niet houden kon, aan
Jeannette over: zij voelde dat zij wankelde, en trachtte zich aan het
rad van den wagen staande te houden. Bernard speurde dit, sloeg den arm
om haar middel en kuste hare bleeke wangen. Hij sprak niet, maar zijne
vurigste bede rees tot den Almachtige omhoog en smeekte: „Red mij om
harentwil en haar om mijnentwille, of laat ons allen omkomen!”
„Gij zijt zoo verschrikt geworden,” sprak hij na eenige oogenblikken;
„dat komt wijl gij uw oog voor deze tooneelen sluit: beschouw ze lang,
gij zult er aan gewoon worden en daardoor den indruk verflauwd zien.”
„O, mijn broeder!” riep zij smartelijk, „zou mijn hart dàt
leeren?—Neen, neen; dat kan ik niet.”
„Zie daar gindsche vrouw,” ging Bernard voort; „neem een voorbeeld aan
haar; zie, mijne lieve, hoe kalm en rustig zij onder de verwoestingen
des doods blijft.”
Inderdaad zag men, ongeveer twintig schreden van hen verwijderd,
eene edele vrouwelijke gestalte, die, een driejarig kind in den arm
houdende, te paard zat en naar het scheen met onafgewende oogen het
gewoel gadesloeg. Een zwarte sluier was om haar hoofd gewonden, doch
liet het gelaat vrij, welks regelmatige, edele trekken onwillekeurig
ontzag inboezemden. Zij moest zich eerst sinds eenige minuten hier
bevinden, want hare verschijning had anders, zelfs in dit gewoel,
waar ieder slechts aan zich zelf dacht, reeds vroeger de algemeene
deelneming moeten gaande maken. Bernard maakte ook Lodewijk op haar
opmerkzaam.
„Kalm, rustig?” vroeg Bianca, die haar lang oplettend had aangestaard;
„rustig meent gij? Versteend moest gij zeggen; want bemerkt gij de
tranen niet, die over haar onbewegelijk aangezicht rollen, en den
wanhopigen blik, dien zij van haar kind ten hemel slaat?... O, de
rampzalige!”
„Het is de weduwe van den overste Lavagnac,” sprak Regnard; „haar man
viel voor drie weken bij Wiasma en het kind, dat zij op den arm heeft,
is haar dochtertje.”
Allen hielden het oog op de rijzige, edele treurgestalte gevestigd.
Daar sloeg een gierende kartets verpletterend neder en wierp vrouw,
kind en paard ter aarde.
Zelfs den mannen werd bij dit gezicht een kreet van ontsteltenis
afgeperst. De ongelukkige was verdwenen; in het gedrang liet zich geen
spoor meer van haar ontdekken.
„In 's hemels naam, is zij dood?” kreet Bianca; „o, vliegt haar te
hulp, ziet of zij te redden is!”
De drie mannen zochten door de opeengedrongen menschen en paarden een
weg te banen, doch het was niet mogelijk, hierin spoedig te slagen.
Bianca volgde hen, deels door hare deelneming gedreven, deels ook om
hen in dit vreeselijk gedrang geen oogenblik uit het oog te verliezen.
Na eenige minuten opende zich de zwarte hoop, zoodat men, ofschoon een
omgestorte wagen belette haar te naderen, de rampzalige op de sneeuw
kon zien liggen.
Daar zat de edele vrouw, zonder een klacht te uiten, op de met bloed
gedrenkte sneeuw tegen een boomstam geleund en hield haar kind in de
armen, de kartets had hare beide voeten verbrijzeld, doch de kleine
scheen ongedeerd en sloeg de beide handjes angstig om den hals der
moeder. Niemand dacht er aan, haar hulp te bieden, elk ging, zich
alleen met zichzelf bezig houdende, haar gevoelloos voorbij; slechts
dewijl alles voor het zich in stuiptrekkingen rondwentelende paard op
zijde week, had zich eene opening om haar gevormd, anders ware zij
wellicht vertrapt geworden. Lodewijk en Regnard wilden beproeven, over
het omgeworpen voertuig heen te klimmen, terwijl Bernard de bevende
Bianca ondersteunde. In dit oogenblik rukt de edele lijderes een
haarsnoer van haren boezem los, legt het, eer iemand het verhinderen
kan, om den ontblooten hals van het kind en trekt den strikt met hare
laatste krachten te zamen, zoodat het kleine wezen met neerhangend
hoofd, verworgd, in haren schoot terugzinkt. Daarop omklemt zij het in
krampachtigen doodsangst, heft het woest, verwilderd, brekend oog ten
hemel, hijgt nog eenmaal uit holle, diepe borst en zijgt ontzield op
haar kind neder.
Tegelijk sprongen Lodewijk en Bernard toe, doch het was te laat; Bianca
wierp zich aan de borst des broeders en verborg haar gelaat, als
wilde zij den aanblik ontvlieden, die als eene Medusa haar binnenste
versteende. Bernard sloeg zijne armen om haar heen, en vermocht noch
te spreken, noch zijne overvloedig opwellende tranen te bedwingen.
Plotseling rukte zij zich los, staarde hem met strakke oogen aan en
sprak met doffe kalmte: „Thans kan mij niets meer verschrikken, mijn
broeder; heb ik dat gezien, zonder vernietigd neer te zinken, dan is
mijn hart voor eeuwig versteend en ik kan met den jammer spotten.”
Bernard huiverde; hij leidde haar langzaam naar de plaats, waar
Jeannette met het kind stond, en zeide: „Ween uit, zuster, en ontdooi
het koude ijs, dat zich op uw hart legt, met warme tranen; zie, ik ween
immers ook en ik ben toch een man.”
Het meisje strekte de armpjes verlangend naar Bianca uit, nam het
kind, drukte het met onstuimige hevigheid aan hare borst en barstte nu
in een stroom van tranen uit. Hare knieën knikten, Bernard liet haar
behoedzaam op de sneeuw nederzinken en plaatste zich naast haar op den
grond.
Het moorddadige vuur der Russen duurde inmiddels voort; de batterijen op
de heuvels werden versterkt, kogels en granaten kletterden onophoudelijk
op de brug en de dichte drommen neder. Ook in den rug, van de zijde van
Studianka, kwam het gevecht al nader en nader, en weldra moest men den
vervolgenden vijand ook van daar duchten. Zoo ratelde de donder van
het geschut in alle richtingen en smolt ineen met het gehuil van half
verpletterden, de wanhoopskreten van de ongelukkigen, die in den stroom
verzonken, het woest gebrul van hen, die zich met geweld de baan der
redding trachtten te ontsluiten.
De kogels sloegen thans weder meer in de nabijheid van Bianca en hare
vrienden neder, zoodat Willhofen moeite had, de paarden in toom te
houden. Regnard liefkoosde zijn kind en sloeg inmiddels den voortgang
van het gevecht en den aftocht met opmerkzaamheid gade. De pijn van
zijn verbrijzelden arm deed hem geen enkele klacht uiten; echter zag
hij met een gefronst voorhoofd den vloed des onheils steeds hooger en
hooger opzwellen.
Eene granaat raakte op eenige voeten afstands van de vrienden den grond,
deed ijs en sneeuw opstuiven en woelde een kuil in de aarde. „Neder,
bukt u!” riep Regnard, doch in hetzelfde oogenblik barstte het moordtuig
reeds in eene wolk van damp en gloed uitéén en spatten de stukken in
het rond. Een angstkreet ging er van alle zijden op; Bernard voelde
zich ongekwetst, de zuster in zijn arm was het ook, maar eene zwarte
rookzuil hield hem zoodanig omhuld, dat hij niemand der anderen kon
ontdekken. „Lodewijk!” riep hij, „Lodewijk, leeft gij?” Doch het kraken
der vuurmonden, het angstgeschrei der verschrikten en het gehuil van
den storm, die met vernieuwde woede opstak, versmoorden zijne stem.
Eindelijk wentelde de rook langzaam weg en men kon om zich heen zien.
„Gij leeft!” klonk Lodewijks stem en hij zelf lag aan Bianca's voeten
en drukte de geliefde met warme dankbaarheid voor hare redding aan
zijne borst. Eensklaps echter rukte hij zich los en riep: „Heilige
God, ook dat nog!” Zijn oog viel op Willhofen, die vreeselijk
verminkt tusschen de paarden op den grond lag. Slechts het gelaat was
ongeschonden; zijn brekend oog zocht verlangend eene vriendenhand, die
het toedrukte. Lodewijk snelde op hem toe en ondersteunde het zware
hoofd met beide handen. Bernard had de rechterhand van den gevallene
gegrepen en knielde naast hem neder. „Leeft gij nog, getrouwe vriend?
Kunt gij ons nog vaarwel zeggen?” stamelde Lodewijk met eene door
aandoening gesmoorde stem. De stervende kon geen woord meer uitbrengen;
hij bewoog slechts met moeite de lippen, en zijne machtelooze hand
sloot zich tot een zachten druk. Een smartelijk lachje zweefde over
zijne wangen, vervolgens zonk het hoofd op de borst neder en het oog
brak.
„Dus mocht gij toch het vaderland niet wederzien,” riep Lodewijk, „gij,
getrouwe dienaar! Nu is het lijden voorbij,—gij zijt de gelukkige!”
Zij wilden het lijk opheffen, maar eene vernielende laag uit de
russische batterijen slingerde juist weder eene menigte kogels en
granaten in het gedrang om hen heen.
„Laat ons opeensluiten,” riep Regnard; „anders zijn wij voor eeuwig
gescheiden.” Juist wilde hij Lodewijks hand grijpen, doch tusschen
beiden gierde een kogel door en wierp den overste ter aarde. „Regnard!”
riep Lodewijk, geheel verpletterd, en sprong op hem toe; „zijt gij
doodelijk getroffen?”
Bernard beurde den gevallene bij de schouders op en boog zich over hem
neder.
„Ik heb mijn deel,” steunde deze; „waar is mijn dochtertje?”
Bianca trad, hoewel bevende, met het kind op den arm nader; zij knielde
voor den vader neder en hield het hem toe. „Hier, hier,” snikte zij.
Regnard lachte de kleine weemoedig toe, kuste haar mond en voorhoofd en
sprak: „Leef gelukkig! Gij hebt geen vader meer... maar eene moeder...
niet waar?... Groet Rasinski... als nog een van u overblijft... Leve de
keizer!”
Deze kreet uitte hij met alle inspanning der laatste krachten in den
ruwen soldatentoon; hierop kromp hij zenuwtrekkend ineen—en was niet
meer.
_„Er is een maaier, die heet de Dood,”_
neurde Bernard, om zijn woeste smart te bekampen, uit een oud lied;
maar de tonen bestierven hem op de lippen.
_„Van God hij kracht ontving zeer groot!”_
ging hij nog, zich zelf vermannend, voort. „Van God! Ik ben getroost!”
Doch hun bleef de tijd niet, zich aan hunne droefheid over te geven,
want een vreeselijk gedreun en geratel in de nabijheid, een mengeling
van schreeuwen en brullen, een alles overhoop werpend dringen en golven
der vluchtelingen kwam nader.
„Laat ons dezen stroom ontwijken, hij overstelpt ons!” schreeuwde
Bernard. „Terug! Daar, de hoogte op.”
Lodewijk sleepte Bianca, Bernard de radelooze Jeannette met zich voort.
Alles achterlatende, zochten zij slechts het gevaar van het oogenblik
te ontkomen en waren dan ook gelukkig genoeg, zijdelings af eene plaats
te bereiken, werwaarts de menigte zich niet voortwentelde, daar zij
niet in de richting van de brug gelegen was en niemand anders dan over
deze zijne redding zocht.
„Hier is lucht,” riep Bernard geheel ademloos; „de vloed stroomt
hier voorbij. Hier kan ons niets ergers meer overkomen, dan door de
vijandelijke kogels getroffen of door den vijand zelf gevangen te
worden. Onbarmhartiger kan hij niet zijn, dan de tijgerwoede, waarmede
het verderf daar ginds moordt en worgt.”
Nu was echter ook het ontzettendste oogenblik daar; want van de hoogten
van Studianka kwamen de vluchtende benden des legers afstroomen. Het
geschut kletterde in vollen draf de steilten af; de paarden waren niet
in staat de stukken te houden. Zoo bleef er geene keus meer; de weg
liep midden op het diepste gedrang van ongelukkigen aan. Verpletterend
rolden de ijzeren raderen op eene straat van lijken en over de krakende
beenderen van vele honderden voort. Het angstgehuil scheen uit den
schoot der aarde op te rijzen; wagens, kanonnen, paarden en menschen
stormden over elkander heen, de oeverboorden af, op de brug toe.
Het vreeselijkst echter woedde de vernieling op de brug zelve. Hier
liepen behoud en verderf op het smalste pad langs den afgrond naast
elkander voort. De voet trad niet op lijken, maar op levenden, op
zieltogenden, die zich half vertrapt in dolle stuiptrekkingen kromden
en martelden. Gulzig spalkte de vloed aan weerszijden den zwarten muil
op en verslond duizende offers, die meedoogenloos in zijn gapenden
afgrond werden neergestort. Eene onmenschelijke worsteling werd op dit
punt met afwisselende kans voortgezet. De broeder wilde zich de baan
breken over het lijk des broeders en trapte diens hoofd onder den voet.
Die neergesleurd werden in de koude doodsomarming der golven, klemden
zich met woede aan de naast omgevenden vast en wilden dezen met zich in
het verderf trekken, of door hen op den veiligen oever gesleept worden.
De aangegrepenen stelden zich te weer, alsof zij door wolven overvallen
werden. Met de sabel, door een verpletterenden kolfstoot zochten zij
zich uit de krampachtig vastgeknelde armen der wanhopigen los te rukken
en stieten, zoo hun dit gelukte, de verminkte lichamen in de branding
neder. Maar de razernij der vertwijfeling nam nieuwe reddingsmiddelen
te baat; met scherpe tanden beten zich de nederstortenden in voet of
kleeding vast, tot een dreunende kolfslag op den schedel of een schop,
die het gelaat ontvleeschte, hen bedwelmd in den geopenden grafkuil
deed nedertuimelen.