HOOFDSTUK V.

Bianca hield beide hare handen voor de oogen en ademde krampachtig;

geen enkelen traan had zij meer, zoo greep haar de alles verstijvende

schrik der ontzetting aan. Lodewijk en Bernard sloten zich dicht aan

haar en zochten haar door bemoedigende toespraak tot kalmte te brengen.

Jeannette was doodsbleek en rilde koortsachtig; ook zij weende niet

meer, hare lippen beefden, alsof zij spreken wilde, doch zij vermocht

zulks niet. Het kind klemde zich schuw aan Bianca's boezem.

Plotseling kraakte en dreunde het om hen heen, en als door een

aardbeving geschokt, werden zij van hunne zitplaatsen opgelicht.

„Barmhartige God!” riep zij, toen zij opzag, en strekte de beide handen

afwerend voor zich uit. Een kogel had het voorste gedeelte van den

wagen getroffen, verbrijzeld en de bloedige, gescheurde ledematen der

beide officieren op den grond geslingerd. De schuwe paarden steigerden

hoog op en zouden, wanneer dissel en vooras niet verpletterd waren

geweest, den wagen zijwaarts gesleurd hebben. Willhofen sprong toe

om ze in de teugels te vatten; Lodewijk en Bernard beijverden zich,

hem bij te staan. Doch reeds had Jeannette zich met loshangende haren

van den wagen geworpen, en Bianca, onbewust wat zij deed, volgde dit

voorbeeld, terwijl zij de kleine aan haren boezem klemde.

„Leeft het nog? Leeft het?” riep eene forsche stem in hare nabijheid,

en zij voelde zich eensklaps van achteren vastgehouden. Toen zij zich

omwendde, stond Regnard, den linkerarm in een doek gebonden, voor haar.

„O, ik heb u gevonden,” sprak hij snikkend en kuste en liefkoosde het

kind in Bianca's armen, die, nog geheel bedwelmd door den schrik, niet

eens besef genoeg had, om zich over zijne plotselinge verschijning te

verwonderen.

Ook Bernard ontdekte hem, ijlde op hem toe en vroeg vol verbazing: „Gij

hier, overste? In 's hemels naam, hoe komt gij hier?”

„Van daarginds uit het gevecht,” antwoordde hij. „Het gaat er vreeselijk

moorddadig toe; onze soldaten staan als de muren van Troje, doch dra zal

alles instorten; want zij begraven ons onder hunne kogels!”

„Zaagt gij Rasinski? Leeft hij? Leven Boleslaw en Jaromir?” vroeg

Bernard driftig.

„Zij vechten als leeuwen, als duivels, die Polen,” hernam Regnard. „Maar

het zal alles te vergeefs zijn, wij kunnen geen uur meer standhouden! En

dan dit défilé, dat zoo goed als de open helpoort is.”

„Zijt gij gewond, overste?” vroeg Bernard, hem eene krampachtige

beweging naar den arm ziende maken, die met een zakdoek omwonden was.

„Mijn rechterarm is verbrijzeld,” was het antwoord; „mijn paard werd

door een granaat neergeworpen; ik sleepte mij naar Studianka, om een

wondarts te zoeken, doch daarginds is niets te vinden dan asch en

lijken. Vechten kan ik niet meer, ik wilde dus beproeven of ik over de

brug kon komen. Daar zag ik uit de verte deze wagens! Ik wist, dat gij

gisteren hier gestaan had en dacht: misschien vind ik hen nog daar.

Mogelijk kunt gij uw klein dochtertje nog eens zien! sprak het in mijn

binnenste, en—lach mijnenthalve, vriend,—dat klonk mij als eens stem

uit den hemel in de ooren. Wellicht is het de laatste wensch, dien gij

vervuld ziet, dacht ik en ging regelrecht hierop aan. Het was of een

goede geest mij geleidde, want ik was juist bij uwe wagen, toen de

twaalfponder u dien trek speelde.—Ach zie eens, hoe vriendelijk het

kind nog is; het lijkt toch sprekend op de moeder!—Ja, had ik maar

iets voor u, mijn arm schaap! Waren wij in Parijs, en kon ik u een zak

vol bonbons geven!”

Hij gaf zich geheel aan het liefkoozen der kleine over en scheen zoowel

zijn verpletterden arm, als de verwoesting om hem heen te hebben

vergeten. De kogels verschrikten hem niet, twintig veldslagen hadden

hem daaraan gewoon gemaakt; maar de vaderliefde was nieuw voor hem, en

een voorgevoel scheen hem te zeggen, dat hij dit geluk niet lang meer

genieten zou.

Middelerwijl was ook Lodewijk toegetreden en heette hem welkom. Bianca

gaf de kleine, die Regnard met zijn éénen arm niet houden kon, aan

Jeannette over: zij voelde dat zij wankelde, en trachtte zich aan het

rad van den wagen staande te houden. Bernard speurde dit, sloeg den arm

om haar middel en kuste hare bleeke wangen. Hij sprak niet, maar zijne

vurigste bede rees tot den Almachtige omhoog en smeekte: „Red mij om

harentwil en haar om mijnentwille, of laat ons allen omkomen!”

„Gij zijt zoo verschrikt geworden,” sprak hij na eenige oogenblikken;

„dat komt wijl gij uw oog voor deze tooneelen sluit: beschouw ze lang,

gij zult er aan gewoon worden en daardoor den indruk verflauwd zien.”

„O, mijn broeder!” riep zij smartelijk, „zou mijn hart dàt

leeren?—Neen, neen; dat kan ik niet.”

„Zie daar gindsche vrouw,” ging Bernard voort; „neem een voorbeeld aan

haar; zie, mijne lieve, hoe kalm en rustig zij onder de verwoestingen

des doods blijft.”

Inderdaad zag men, ongeveer twintig schreden van hen verwijderd,

eene edele vrouwelijke gestalte, die, een driejarig kind in den arm

houdende, te paard zat en naar het scheen met onafgewende oogen het

gewoel gadesloeg. Een zwarte sluier was om haar hoofd gewonden, doch

liet het gelaat vrij, welks regelmatige, edele trekken onwillekeurig

ontzag inboezemden. Zij moest zich eerst sinds eenige minuten hier

bevinden, want hare verschijning had anders, zelfs in dit gewoel,

waar ieder slechts aan zich zelf dacht, reeds vroeger de algemeene

deelneming moeten gaande maken. Bernard maakte ook Lodewijk op haar

opmerkzaam.

„Kalm, rustig?” vroeg Bianca, die haar lang oplettend had aangestaard;

„rustig meent gij? Versteend moest gij zeggen; want bemerkt gij de

tranen niet, die over haar onbewegelijk aangezicht rollen, en den

wanhopigen blik, dien zij van haar kind ten hemel slaat?... O, de

rampzalige!”

„Het is de weduwe van den overste Lavagnac,” sprak Regnard; „haar man

viel voor drie weken bij Wiasma en het kind, dat zij op den arm heeft,

is haar dochtertje.”

Allen hielden het oog op de rijzige, edele treurgestalte gevestigd.

Daar sloeg een gierende kartets verpletterend neder en wierp vrouw,

kind en paard ter aarde.

Zelfs den mannen werd bij dit gezicht een kreet van ontsteltenis

afgeperst. De ongelukkige was verdwenen; in het gedrang liet zich geen

spoor meer van haar ontdekken.

„In 's hemels naam, is zij dood?” kreet Bianca; „o, vliegt haar te

hulp, ziet of zij te redden is!”

De drie mannen zochten door de opeengedrongen menschen en paarden een

weg te banen, doch het was niet mogelijk, hierin spoedig te slagen.

Bianca volgde hen, deels door hare deelneming gedreven, deels ook om

hen in dit vreeselijk gedrang geen oogenblik uit het oog te verliezen.

Na eenige minuten opende zich de zwarte hoop, zoodat men, ofschoon een

omgestorte wagen belette haar te naderen, de rampzalige op de sneeuw

kon zien liggen.

Daar zat de edele vrouw, zonder een klacht te uiten, op de met bloed

gedrenkte sneeuw tegen een boomstam geleund en hield haar kind in de

armen, de kartets had hare beide voeten verbrijzeld, doch de kleine

scheen ongedeerd en sloeg de beide handjes angstig om den hals der

moeder. Niemand dacht er aan, haar hulp te bieden, elk ging, zich

alleen met zichzelf bezig houdende, haar gevoelloos voorbij; slechts

dewijl alles voor het zich in stuiptrekkingen rondwentelende paard op

zijde week, had zich eene opening om haar gevormd, anders ware zij

wellicht vertrapt geworden. Lodewijk en Regnard wilden beproeven, over

het omgeworpen voertuig heen te klimmen, terwijl Bernard de bevende

Bianca ondersteunde. In dit oogenblik rukt de edele lijderes een

haarsnoer van haren boezem los, legt het, eer iemand het verhinderen

kan, om den ontblooten hals van het kind en trekt den strikt met hare

laatste krachten te zamen, zoodat het kleine wezen met neerhangend

hoofd, verworgd, in haren schoot terugzinkt. Daarop omklemt zij het in

krampachtigen doodsangst, heft het woest, verwilderd, brekend oog ten

hemel, hijgt nog eenmaal uit holle, diepe borst en zijgt ontzield op

haar kind neder.

Tegelijk sprongen Lodewijk en Bernard toe, doch het was te laat; Bianca

wierp zich aan de borst des broeders en verborg haar gelaat, als

wilde zij den aanblik ontvlieden, die als eene Medusa haar binnenste

versteende. Bernard sloeg zijne armen om haar heen, en vermocht noch

te spreken, noch zijne overvloedig opwellende tranen te bedwingen.

Plotseling rukte zij zich los, staarde hem met strakke oogen aan en

sprak met doffe kalmte: „Thans kan mij niets meer verschrikken, mijn

broeder; heb ik dat gezien, zonder vernietigd neer te zinken, dan is

mijn hart voor eeuwig versteend en ik kan met den jammer spotten.”

Bernard huiverde; hij leidde haar langzaam naar de plaats, waar

Jeannette met het kind stond, en zeide: „Ween uit, zuster, en ontdooi

het koude ijs, dat zich op uw hart legt, met warme tranen; zie, ik ween

immers ook en ik ben toch een man.”

Het meisje strekte de armpjes verlangend naar Bianca uit, nam het

kind, drukte het met onstuimige hevigheid aan hare borst en barstte nu

in een stroom van tranen uit. Hare knieën knikten, Bernard liet haar

behoedzaam op de sneeuw nederzinken en plaatste zich naast haar op den

grond.

Het moorddadige vuur der Russen duurde inmiddels voort; de batterijen op

de heuvels werden versterkt, kogels en granaten kletterden onophoudelijk

op de brug en de dichte drommen neder. Ook in den rug, van de zijde van

Studianka, kwam het gevecht al nader en nader, en weldra moest men den

vervolgenden vijand ook van daar duchten. Zoo ratelde de donder van

het geschut in alle richtingen en smolt ineen met het gehuil van half

verpletterden, de wanhoopskreten van de ongelukkigen, die in den stroom

verzonken, het woest gebrul van hen, die zich met geweld de baan der

redding trachtten te ontsluiten.

De kogels sloegen thans weder meer in de nabijheid van Bianca en hare

vrienden neder, zoodat Willhofen moeite had, de paarden in toom te

houden. Regnard liefkoosde zijn kind en sloeg inmiddels den voortgang

van het gevecht en den aftocht met opmerkzaamheid gade. De pijn van

zijn verbrijzelden arm deed hem geen enkele klacht uiten; echter zag

hij met een gefronst voorhoofd den vloed des onheils steeds hooger en

hooger opzwellen.

Eene granaat raakte op eenige voeten afstands van de vrienden den grond,

deed ijs en sneeuw opstuiven en woelde een kuil in de aarde. „Neder,

bukt u!” riep Regnard, doch in hetzelfde oogenblik barstte het moordtuig

reeds in eene wolk van damp en gloed uitéén en spatten de stukken in

het rond. Een angstkreet ging er van alle zijden op; Bernard voelde

zich ongekwetst, de zuster in zijn arm was het ook, maar eene zwarte

rookzuil hield hem zoodanig omhuld, dat hij niemand der anderen kon

ontdekken. „Lodewijk!” riep hij, „Lodewijk, leeft gij?” Doch het kraken

der vuurmonden, het angstgeschrei der verschrikten en het gehuil van

den storm, die met vernieuwde woede opstak, versmoorden zijne stem.

Eindelijk wentelde de rook langzaam weg en men kon om zich heen zien.

„Gij leeft!” klonk Lodewijks stem en hij zelf lag aan Bianca's voeten

en drukte de geliefde met warme dankbaarheid voor hare redding aan

zijne borst. Eensklaps echter rukte hij zich los en riep: „Heilige

God, ook dat nog!” Zijn oog viel op Willhofen, die vreeselijk

verminkt tusschen de paarden op den grond lag. Slechts het gelaat was

ongeschonden; zijn brekend oog zocht verlangend eene vriendenhand, die

het toedrukte. Lodewijk snelde op hem toe en ondersteunde het zware

hoofd met beide handen. Bernard had de rechterhand van den gevallene

gegrepen en knielde naast hem neder. „Leeft gij nog, getrouwe vriend?

Kunt gij ons nog vaarwel zeggen?” stamelde Lodewijk met eene door

aandoening gesmoorde stem. De stervende kon geen woord meer uitbrengen;

hij bewoog slechts met moeite de lippen, en zijne machtelooze hand

sloot zich tot een zachten druk. Een smartelijk lachje zweefde over

zijne wangen, vervolgens zonk het hoofd op de borst neder en het oog

brak.

„Dus mocht gij toch het vaderland niet wederzien,” riep Lodewijk, „gij,

getrouwe dienaar! Nu is het lijden voorbij,—gij zijt de gelukkige!”

Zij wilden het lijk opheffen, maar eene vernielende laag uit de

russische batterijen slingerde juist weder eene menigte kogels en

granaten in het gedrang om hen heen.

„Laat ons opeensluiten,” riep Regnard; „anders zijn wij voor eeuwig

gescheiden.” Juist wilde hij Lodewijks hand grijpen, doch tusschen

beiden gierde een kogel door en wierp den overste ter aarde. „Regnard!”

riep Lodewijk, geheel verpletterd, en sprong op hem toe; „zijt gij

doodelijk getroffen?”

Bernard beurde den gevallene bij de schouders op en boog zich over hem

neder.

„Ik heb mijn deel,” steunde deze; „waar is mijn dochtertje?”

Bianca trad, hoewel bevende, met het kind op den arm nader; zij knielde

voor den vader neder en hield het hem toe. „Hier, hier,” snikte zij.

Regnard lachte de kleine weemoedig toe, kuste haar mond en voorhoofd en

sprak: „Leef gelukkig! Gij hebt geen vader meer... maar eene moeder...

niet waar?... Groet Rasinski... als nog een van u overblijft... Leve de

keizer!”

Deze kreet uitte hij met alle inspanning der laatste krachten in den

ruwen soldatentoon; hierop kromp hij zenuwtrekkend ineen—en was niet

meer.

_„Er is een maaier, die heet de Dood,”_

neurde Bernard, om zijn woeste smart te bekampen, uit een oud lied;

maar de tonen bestierven hem op de lippen.

_„Van God hij kracht ontving zeer groot!”_

ging hij nog, zich zelf vermannend, voort. „Van God! Ik ben getroost!”

Doch hun bleef de tijd niet, zich aan hunne droefheid over te geven,

want een vreeselijk gedreun en geratel in de nabijheid, een mengeling

van schreeuwen en brullen, een alles overhoop werpend dringen en golven

der vluchtelingen kwam nader.

„Laat ons dezen stroom ontwijken, hij overstelpt ons!” schreeuwde

Bernard. „Terug! Daar, de hoogte op.”

Lodewijk sleepte Bianca, Bernard de radelooze Jeannette met zich voort.

Alles achterlatende, zochten zij slechts het gevaar van het oogenblik

te ontkomen en waren dan ook gelukkig genoeg, zijdelings af eene plaats

te bereiken, werwaarts de menigte zich niet voortwentelde, daar zij

niet in de richting van de brug gelegen was en niemand anders dan over

deze zijne redding zocht.

„Hier is lucht,” riep Bernard geheel ademloos; „de vloed stroomt

hier voorbij. Hier kan ons niets ergers meer overkomen, dan door de

vijandelijke kogels getroffen of door den vijand zelf gevangen te

worden. Onbarmhartiger kan hij niet zijn, dan de tijgerwoede, waarmede

het verderf daar ginds moordt en worgt.”

Nu was echter ook het ontzettendste oogenblik daar; want van de hoogten

van Studianka kwamen de vluchtende benden des legers afstroomen. Het

geschut kletterde in vollen draf de steilten af; de paarden waren niet

in staat de stukken te houden. Zoo bleef er geene keus meer; de weg

liep midden op het diepste gedrang van ongelukkigen aan. Verpletterend

rolden de ijzeren raderen op eene straat van lijken en over de krakende

beenderen van vele honderden voort. Het angstgehuil scheen uit den

schoot der aarde op te rijzen; wagens, kanonnen, paarden en menschen

stormden over elkander heen, de oeverboorden af, op de brug toe.

Het vreeselijkst echter woedde de vernieling op de brug zelve. Hier

liepen behoud en verderf op het smalste pad langs den afgrond naast

elkander voort. De voet trad niet op lijken, maar op levenden, op

zieltogenden, die zich half vertrapt in dolle stuiptrekkingen kromden

en martelden. Gulzig spalkte de vloed aan weerszijden den zwarten muil

op en verslond duizende offers, die meedoogenloos in zijn gapenden

afgrond werden neergestort. Eene onmenschelijke worsteling werd op dit

punt met afwisselende kans voortgezet. De broeder wilde zich de baan

breken over het lijk des broeders en trapte diens hoofd onder den voet.

Die neergesleurd werden in de koude doodsomarming der golven, klemden

zich met woede aan de naast omgevenden vast en wilden dezen met zich in

het verderf trekken, of door hen op den veiligen oever gesleept worden.

De aangegrepenen stelden zich te weer, alsof zij door wolven overvallen

werden. Met de sabel, door een verpletterenden kolfstoot zochten zij

zich uit de krampachtig vastgeknelde armen der wanhopigen los te rukken

en stieten, zoo hun dit gelukte, de verminkte lichamen in de branding

neder. Maar de razernij der vertwijfeling nam nieuwe reddingsmiddelen

te baat; met scherpe tanden beten zich de nederstortenden in voet of

kleeding vast, tot een dreunende kolfslag op den schedel of een schop,

die het gelaat ontvleeschte, hen bedwelmd in den geopenden grafkuil

deed nedertuimelen.

1812: Historische roman · 第 126 / 154 题