HOOFDSTUK VI.

In dichte scharen stroomden de soldaten, die in den laatsten slag

gevochten hadden, van de heuvels af. Daar zij de brug en den geheelen

oever zoo dicht met vluchtelingen bezaaid zagen, dat het onmogelijk

was, zich hier een doortocht te banen, namen zij hun loop verder

stroomopwaarts, teneinde met zwemmen of over eene doorwaadbare

ondiepte de overzijde te bereiken. Deze stortvloed bedreigde ook de

schuilplaats, die Bernard had opgespoord. Lodewijk bemerkte dit het

eerst en ried aan, voor de anderen dieper landwaarts in te vluchten.

Zulks geschiedde met driftigen tred en zoo snel de uitgeputte krachten

der vrouwen het toelieten. Maar ook nu was de natuur vijandig gezind,

want de storm loeide hen tegen, en joeg hun de opeengehoopte sneeuw

vlak in het aangezicht. Velen, die aan de redding over de brug

wanhoopten, volgden hen na en zoo pakte zich ook hier eene dichte,

golvende zwerm opeen. De uit het gevecht terugkeerende ruiters,

soldaten, wagens en veldstukken stormden in teugellooze verwarring van

de hoogte naar beneden. Weldra smolten de beide stroomen inéén en thans

werden al de verschrikkingen van het vreeselijk gedrang vernieuwd.

„Volgt mij,” schreeuwde Bernard zijnen verbijsterden lotgenooten toe;

„altijd naar boven, nog hooger op moeten wij doorworstelen; waar

niemand zich redden wil, zullen wij ons behoud zoeken.”

Zij moesten dus den stroom van vluchtelingen doorsnijden en zulks

kostte hun eene geweldige inspanning; hijgend, ademloos, op het

punt van te bezwijken, zagen zij zich echter toch eindelijk aan de

grenzen van het gewoel verplaatst. IJlings spoedden zij over eene

gladde heuvelhelling voort, doch ook hier loerde het verderf op hun

ondergang. Twee kanonnen komen van de hoogte af, geraken op de met ijs

bedekte helling, de paarden struikelen, dreigen te vallen. Niets kan

meer redden dan een blind doorhollen. Door zweepslagen en wild getier

voortgejaagd, komen de paarden in vollen loop aanrennen en stormen

regelrecht op Bernard toe. Deze, Jeannette om den middel grijpende,

wil op zijde springen; doch het is te laat. Het voorste span heeft hem

bereikt, doet hem met het meisje ter aarde tuimelen, en kletterend

rollen de ijzeren raderen over hen heen.

Met een luiden kreet valt Bianca op de knieën, heft de armen smeekend

omhoog en roept: „Ook over mij, onmenschen, verplettert ook mij!” In

hare zinsverbijstering wil zij zich voor de paarden nederwerpen, doch

Lodewijk omvat haar en slingert haar terug. Bedwelmd zinkt zij met hem

ter aarde; het gespan klettert voorbij, het bewustzijn begeeft haar,

zij ligt in doodelijke onmacht.

Eindelijk dringt eene welbekende stem tot haar door. „Zuster, lieve

zuster, ontwaak!” Zij slaat het oog op, Bernard knielt ongekwetst voor

haar neder en strekt zijne armen naar haar uit. „O God, ik dank U!”

snikte zij en hield den broeder in teedere omhelzing vastgeklemd.

„Dus heeft het geen offer gekost?” vraagt zij nog eenmaal, en wil des

broeders lippen met zoete kussen verzegelen.

„Eén heeft toch moeten bloeden,” is het sombere antwoord, „schoon de

hemel het verderf van mij heeft afgewend, Jeannette vond den dood; de

trouw uwer vriendin zal als die van onzen Willhofen eerst daar boven

haar loon vinden.”

„Jeannette dood!” riep Bianca met bevende stem. „O,” vervolgde zij

na eenige oogenblikken met onderdrukte aandoening, „wanneer hier

alles vernietigd wordt, mogen wij het dan een geluk noemen, alleen te

ontkomen?—Maar waar is zij?”

„Ach, verlang haar niet te zien,” smeekte Bernard en wilde Bianca

beletten, zich om te keeren, want het lijk lag achter haar; „haar dood

was te afgrijselijk.”

Doch die bede kwam te laat. Bianca, de bloedsporen met de oogen

volgende, had het lijk reeds bespeurd en gaf een luiden gil bij den

vreeselijken aanblik. Het rad was over voorhoofd en borst gegaan en

had het frissche, bloeiende gelaat akelig gekwetst en opgereten. Nog

borrelde het bloed in donkere stroomen uit de gapende wonden op en

kleurde de blonde lokken, die loshangend en verward van het hoofd der

ontzielde afgolfden en over de witte sneeuw lagen uitgespreid.

„Ach, ik moet haar toch nog zien,” smeekte Bianca; „ik moet afscheid

van haar nemen, al is zij ook nog zoo vreeselijk misvormd. Zoo

weekelijk is mijn hart niet, dat ik dit gevoel door den plicht der

liefde niet zou kunnen overwinnen. Zij heeft haar jeugdig leven immers

voor mij opgeofferd! O, breng mij bij haar!”

Bernard en Lodewijk namen haar in den arm en geleidden haar naar de

doode. Lodewijk droeg ook het kind, dat tot nu toe, als door engelen

beschermd, in alle gevaren was bewaard gebleven.

De stroom der menigte in den omtrek was voorbijgevloeid, doch beneden

in de diepte en verder terug bruischte en raasde hij nog; slechts uit

de verte deed zich een verward geruisch van stemmen hooren. Zelfs de

kogels konden deze plaats niet meer bereiken, schoon de donder van het

geschut nog altijd den grond deed dreunen. Zij waren hier dus met hunne

droefheid en hun zielsangst geheel alleen en toch, in weerwil van alle

ellende, kinderlijk dankbaar, dat het losgelaten verderf ten minste de

heiligste banden der liefde verschoond had. Sprakeloos stond Bianca,

op de schouders van broeder en vriend geleund, voor de nu zalige en gaf

aan hare tranen den vrijen loop.

„O, zoo gij haar het hoofd wildet omkeeren, Bernard,” snikte zij,

„wellicht kon ik dan nog eens hare vriendelijke trekken zien.” Bernard

deed het; tegelijk verborg hij de bloedende, gewonde plaatsen onder

het gewaad en bedekte het voorhoofd met een gedeelte der lokken, die

nog niet met bloed besmet waren. Bianca had gelijk gehad; alleen de

linkerzijde van het hoofd was zoo afzichtelijk verminkt, de rechter wel

eenigszins krampachtig saamgetrokken, maar toch nog ongekwetst genoeg,

om aan het beeld der levende te herinneren.

Met aandoening boog Bianca zich over de doode neder. „Hoe zacht en

roerend is haar voorkomen,” sprak zij; „zoo vriendelijk, welwillend en

teeder was ook haar hart.”

„En dat goede kind moest zulk een wreeden dood vinden!” voegde Lodewijk

er bij en drukte Bianca met diepe ontroering de hand.

„Ja,” merkte Bernard aan, „een zacht bed moet men hier niet zoeken; wie

den dood hier gezien heeft, zal hem niet met de ouden als een genius

met omgekeerden fakkel afbeelden. Zelfs onze beenderman is nog te

vriendelijk; hij is een ijzeren cycloop, die onder zijne voeten en met

zijne knods alles vergruist en vermorzelt.—Doch schoon de plichten van

liefde heilig zijn, wij mogen en moeten ons hier niet langer ophouden.

Ziet, daarboven vertoonen zich reeds weder nieuwe massa's, Russen of

Franschen onverschillig, hier is alles vijand, want de menigte vernielt

zich onderling. Haasten wij ons, om gindsche oeverbocht te bereiken;

misschien vinden wij verder op nog een dorp of eene hut, waar wij

kunnen schuilen.”

Hij wilde de zuster voorttrekken, doch deze smeekte: „Laat mij nog

slechts ééne lok van haar hoofd medenemen, Bernard!”

„Gaarne,” antwoordde hij, en reikte haar uit zijne brieventasch

eene kleine schaar, benevens een blad papier, om het haar daarin te

wikkelen; „doch haast u, Bianca.”

Zij knielde op de sneeuw neder, sneed eene golvende lok uit het rijke,

blonde haar, rolde ze op en verborg ze zorgvuldig in haren boezem.

Vervolgens drukte zij een smartelijken kus op de bleeke wangen van het

meisje, bevochtigde die nog eenmaal met hare tranen en fluisterde haar

een teeder: „Slaap zacht!” toe.

Met verdubbelde snelheid zetten zij thans hunne vlucht voort. Eene

aanmerkelijke kromming van den rivieroever bracht hen geheel buiten

het gezicht der brug, en zij hoorden niets meer, dan het doffe gekraak

der vijandelijke vuurmonden; overigens omgaf hen een bar, noorsch

winterlandschap. Ter linkerzijde van hun pad kruide de Beresina hare

dikke ijsschollen opeen, rechts werd het door de hoogten begrensd, van

welke de storm de sneeuwvlokken dwarlend opjoeg. Deze blies koud tegen

hen in, zoodat gezicht en handen verkleumden, en gierde met hevige

rukken door de lucht. En toch was deze ruwe, akelige wildernis een

vriendelijk toevluchtsoord, vergeleken bij het tooneel van moord en

verwoesting, dat zij ontvloden.

Evenwel moest zich spoedig eene schuilplaats vertoonen, want Bianca was

doodelijk afgemat en op het punt van machteloos neerzinken. Bernard

zocht haar daarmede moed in te spreken, dat Weselowa niet ver meer kon

verwijderd zijn. Wanneer zij daar ook slechts Russen vonden, was hunne

redding toch verzekerd, daar Bianca zich naar Bernards aanwijzing voor

eene, voor de Franschen gevluchte Russin en hem en Lodewijk voor hare

uitlandsche huisbedienden zoude uitgeven. Vonden zij Franschen, dan was

het de taak der mannen, voor hulp en redding te zorgen.

Verder dan een uur hadden zij thans hunne schreden voortgezet en nog

liet Weselowa zich niet ontdekken. Eensklaps maakte Lodewijk zijn

vriend op eenige ruiters opmerkzaam, die zich rechts van hun pad op de

steile hoogte bevonden. Bernard, wiens scherp oog verder reikte, riep

dadelijk: „Dat zijn kozakken, ik zie het aan de pieken; zoo de gierige

roofvogels ons hier overvallen, is uitplundering het minste, dat wij te

wachten hebben. Vriend of vijand, den kozak is alles buit. Wij willen

ons zoo dicht mogelijk aan den oever houden”.—Dit geschiedde, doch

te vergeefs, want reeds hadden de ruiters hen in het oog gekregen en

schenen voornemens, jacht op hen te maken. Andermaal nam de rivier eene

bocht, die hen gelukkig den vervolgers uit het gezicht bracht; tegelijk

zagen zij de besneeuwde daken van Weselowa in de verte voor zich en

hadden zij dus de veilige haven in het gezicht.

Maar Bianca's krachten waren door de geweldige inspanning dezer laatste

minuten geheel bezweken; hare knieën knikten, zij zeeg op den grond

neder en riep: „Ik kan niet meer! O, vlucht gij, redt u en laat mij het

kind; de barbaren zullen met mij medelijden hebben.”

„Wij dragen u,” riep Bernard; „tot aan gindsche hut kunnen wij het nog

uithouden.”

Reeds hadden hij en Lodewijk haar opgeheven, doch zij beproefden het

onmogelijke. Na weinige schreden moesten zij het opgeven, daar zij

zelven zich met moeite staande hielden.

„Vlucht, ik smeek het u! Broeder, geliefde, vlucht, dat is de eenige

redding voor u en mij; zóó storten wij ons gezamenlijk in het verderf.”

„Bianca,” sprak Lodewijk vriendelijk, ofschoon eenigszins gekrenkt:

„kunt gij dat werkelijk van ons verwachten? Neen, uw hart weet niet, wat

uwe lippen vorderen!”

„Waarom luistert gij er dan naar, Lodewijk,” vroeg Bernard met een

weemoedig glimlachje. „Maar wij kunnen hier verder niets doen en willen

ons op de sneeuw nederzetten en er ons lot met bedaardheid afwachten.

Wij scheppen inmiddels toch weder adem.”

Bianca besefte, dat haar smeeken niets zoude baten. Zwijgend zette

zij zich dus op den kouden grond neder en nam het kind op den schoot.

Bernard en Lodewijk plaatsten zich nevens haar, sloegen elk den arm om

het schoone edele wezen en zagen zoo in eene liefelijke omhelzing hun

gemeenschappelijk lot te gemoet.

Thans hoorden zij het getrappel van paarden achter de spits des

sneeuwheuvels, om welken de rivier heen kromde; nog eene minuut, en hun

lot was beslist. Zij zagen niet op, maar hielden elkander slechts te

inniger omsloten en verwachtten als met gebukten hoofde den slag van

het doodszwaard, dat hen dreigde.

De ruiters kwamen nader, hielden voor hen stil, en eene stem vroeg in

het russisch: „Zeg, is dat daar ginds Weselowa?” Bianca hief het hoofd

langzaam op, maar juichte, het gelaat van den vrager herkennende, op

een onbeschrijfelijken toon: „Almachtige God, Rasinski!”

Met onstuimige vreugde sprongen Lodewijk en Bernard bij deze woorden

op en tegelijk wierp Rasinski zich van het paard en in hunne armen.

Ook Boleslaw en Jaromir die zich onder de achterste ruiters bevonden,

vlogen toe en aan de borst der vrienden. „Gij leeft, gij leeft! en

hier moeten wij elkander vinden!” klonk het uit aller mond; het hart

was niet in staat het overstelpende geluk te bevatten, en tranen der

vreugde bevochtigden zelfs Rasinski's wangen.

Bianca hing aan zijn hals als eene dochter aan de borst haars vaders.

De geweldige stroom der omstandigheden had de nietige grenzen en

beperkingen, binnen welke de mensch zich in gewone tijden kleingeestig

vastnestelt, geheel omvergerukt. Tusschen edele zielen bestonden geen

palen van armzalige gewoonte en stijve vormelijkheid meer, welke de

argwaan om zich afbakent en die uit de verdorven kiemen van het hart

opwassen. Het verheven geluk of ongeluk verbant al wat bedriegelijk en

valsch is uit de menschelijke borst; slechts het gelouterde hart blijft

over, en het edele slaat voor het edele.

De onstuimige, half bedwelmende minuut van zaligheid was voorbij, en

werd gevolgd door eene liefelijke rust, gelijk de stroom zich na een

woelig bruisenden waterval rustig voortstuwt en de gansche diepte van

den aether in zich afspiegelt.

Ook aan diep smartelijke inmengsels ontbrak het niet; Willhofens,

Regnards, Jeannette's lot werd verhaald. Rasinski vernam het met innige

ontroering, wendde zich om, wees op de weinigen, die hem volgden, en

sprak met eene bevende stem: „Ziedaar allen, die ik van mijne getrouwen

uit de slachting heb overgehouden! Wij zijn tot hier verjaagd!”

Eene ernstige stilte heerschte in den kleinen kring; elk gaf zich aan

zijne sombere mijmeringen over en bepeinsde, welke offers gedurende

deze korte scheiding gevallen waren. Ten laatste brak Rasinski

het zwijgen af. „Om niet nog anderen van onze weinige vrienden te

verliezen, willen wij opbreken; ginds ligt Weselowa, daar hoop ik

over de rivier te komen. Aan gene zijde zijn wij, vertrouw ik, in

veiligheid.”

Hij hief de uitgeputte Bianca met het kind op zijn eigen paard en

voerde het bij den teugel. Boleslaw en Jaromir boden Lodewijk en

Bernard hunne rossen aan, doch dezen, zich nog sterk genoeg voelende om

te voet te gaan, wezen dit aanbod van de hand.

Zoo brak men op. Na verloop van een uur had men het plaatsje bereikt;

een litthauwsche boer wees een punt aan, waar de stroombedding niet

meer dan eene manshoogte diep was; niettegenstaande het drijfijs, begaf

men zich moedig te water. Ditmaal zou hen geen nieuwe ramp treffen: zij

bereikten gelukkig den anderen oever, en aller oog en hart verhief zich

met een vurig dankgebed ten hemel.

1812: Historische roman · 第 127 / 154 题