HOOFDSTUK IV.

Plotseling vernam men een dof, donderend gekraak, en dadelijk gierde

een gillende angstkreet door de lucht. Aller oogen wendde zich naar

de rivier, vanwaar het snijdend angstgegil zich hooren liet, en een

ijskoud afgrijzen versteende borst en lippen, toen men de brug onder

haren last en door den aandrang van vreeselijke ijsschollen bezweken en

verschillende bogen vernield zag. Slechts van de omliggende hooge punten

des oevers kon men dit bemerken. De tallooze menigte echter, die zich

op de brug zelve en op den lager gelegen rivierzoom bevond, vermoedde

niets van het ongeval, maar drong in rampzalige verblinding voorwaarts

en dreef hen, die aan den rand des afgronds stonden, met geweld in het

gapende graf. Te vergeefs klemden de ongelukkigen zich aan de balken

der brug vast, te vergeefs riepen zij met hartdoorvlijmend gekerm het

mededoogen hunner broeders in—er bestond geene keuze meer, met geweld

werden zelfs zij, die gaarne zouden hebben willen redden en helpen,

tot den gruwzamen moord hunner lotgezellen genoodzaakt, om het volgend

oogenblik op dezelfde wijze in den zwarten muil van den verslindenden

stroom te worden neergestort. De doodsangst baarde vertwijfeling en

razernij. Zij, die zich verloren achtten, werden in bloedgierige tijgers

herschapen, want met getrokken sabels en degens stormden zij op de

saamgedrongen scharen hunner broeders in, om baan naar den oever te

breken. Zoo ontstond een onmenschelijke kamp, een waanzinnig moorden,

worgen en slachten onder bevriende kameraden; de achterwaarts golvende

vloed des gedrangs worstelde met den voorwaarts stroomenden, en daaruit

volgde een vreeselijk samenpersen naar het middenpunt. De schuwe paarden

steigerden of zochten zijwaarts een uitweg en plompten dan met wagen en

al in den schuimenden vloed neder. Angstkreten, weegeschrei, gebeden,

vervloekingen, wapengekletter, gedruisch en verwarring aan alle zijden!

Slechts weinige oogenblikken duurden deze schriktooneelen, die door eene

vreeselijke onwetendheid, eene rampzalige dwaling waren teweeggebracht;

doch elke minuut kostte aan honderden het leven, die reeds den voet op

den dorpel der redding gezet hadden. En in de borst van vele duizenden

sloeg het akelig spooksel der ontzetting zijne ijskoude klauwen en een

beklemmend voorgevoel zeide hun, welk lot de dreigende schrikgodinnen

ook voor hen weefden.

Terwijl de brug weder hersteld werd, heerschte eene doodsche akelige

stilte. Het reeds voorgevallen onheil had, meende men, de overigen

bedachtzamer gemaakt; ook werd al wat mogelijk was in het werk gesteld,

om eenige orde bij den overtocht voor te bereiden. Doch thans maakte

de diepe duisternis elke leiding der onafzienbare menigte nog oneindig

bezwaarlijker, en slechts het kleinste deel kon weten of vermoeden, wat

er gebeurd was. Elk werd als geblinddoekt zijner bestemming te gemoet

gevoerd, en eerst wanneer hij zich midden op den wentelenden stroom

des verderfs, waar geen vluchten, geen terugkeeren meer mogelijk was,

verplaatst zag, werd hem de blinddoek van voor de oogen weggerukt en hij

stond rillend aan den rand des afgronds.

Het aantal dergenen, die tot offers bestemd waren, wies daarenboven

van minuut tot minuut aan, daar nog gestadig eene menigte naloopers,

gekwetsten en zieken van alle zijden kwamen opdagen. Eensklaps werd

het dof, akelig gemompel, dat men aan de oevers van den verderfelijken

stroom hoorde, weder door luide, ratelende kanonschoten afgebroken. De

vlammen van Borisow wakkerden helderder op; van dien kant scheen de

gloeiende lavastroom van den kamp langzaam te komen aanwentelen. Terwijl

men angstig naar den rollenden donder van dit nieuwe onweder luisterde,

opende de krater zich nog aan eene andere zijde en kondigde zijn

uitbarsting door een verdoovend kraken en dreunen der vuurmonden aan.

Dit tweede gevecht had zich naar alle waarschijnlijkheid voor Studianka,

misschien wel op de heuvels, waar Rasinski legerde, ontsponnen, zoo

nabij hoorde men het gedruisch van den slag. Dit vermoeden werd

versterkt, daar men van verschillende zijden renboden op den keizer

zag toesnellen, die nog immer aan den oever vertoefde en bij de brug

voor het voetvolk den overgang bestuurde. Andere boden werden ijlings

teruggezonden, aan allen bespeurde men, dat er iets gewichtigs moest

zijn voorgevallen.

Aan de herstelling der brug werd reeds met de grootste inspanning

gearbeid; echter zond de keizer den eenen officier na den anderen af,

om de voleindiging te verhaasten. Intusschen duurde het donderen van

het geschut nog immer met kleine tusschenpoozen voort, zonder echter

naderbij te komen. De donkere nacht maakte een slag onmogelijk; het

wederzijdsche vuren scheen derhalve alleen ten doel te hebben, elkander

bij voortduring te verontrusten.

Middernacht was voorbij. De overspannen krachten van lichaam en ziel

zouden de meeste aan den oever verzamelde ongelukkigen weldra hebben

doen insluimeren, hadden niet honger en koude en vooral een snijdende

noordoostenwind, die zich gestadig heviger verhief en alles, wat hij met

zijn adem aanblies, versteende, hen aangedreven een ander toevluchtsoord

op te zoeken. Zij verscholen zich onder de wagens, kropen tusschen de

paarden, om hunne bevriezende ledematen aan de dierlijke warmte te

ontdooien, en pakten zich in dichte klompen opeen. Eensklaps verlichtte

een helder flikkerende fakkel het donkere nachtstuk en een bloedige

weerschijn blonk op den stroom en de besneeuwde heuvelkruinen. Toen men

zich omwendde, stond het dorp Studianka in vlammen. De ongelukkigen

van de oeverhoogten, die zich nog zoover hadden kunnen voortsleepen,

waren daar eene schuilplaats gaan zoeken; doch de hutten waren bezet

en de koude van den ruwen nacht nam met den storm toe. Hout was in de

nabijheid niet te vinden, dus trokken de wanhopigen de ellendige huizen

omver, joegen de daarin gevluchten naar buiten, en staken balken, delen

en daksparren in brand, om zich aan den gloed te verwarmen.

De keizer was hevig vertoornd over dit voorval, dat den vijand het

overgangspunt verraden en het verderf van allen na zich sleepen

kon. Intusschen was het onheil gebeurd en daarenboven de drang der

omstandigheden zoo groot, dat zelfs zijn machtige wil niets daartegen

vermocht.

Den ganschen nacht door hield het defileeren der geregelde troepen over

de onbeschadigde brug aan, doch deze werd thans ook voor de artillerie

gebruikt, tot zoolang de tweede gereed zoude zijn. Na hare herstelling

had men hoop gekoesterd, den overgang met meer regelmatigheid

bewerkstelligd te zien, daar èn de menigte aan den oever aanmerkelijk

verminderd was èn de bittere ervaring, welke men reeds gehad had, ter

waarschuwing kon verstrekken. Maar een nieuw onheil doet zich voor.

Onverhoeds komt eene menigte wagens met zwaar gewonden, door vrouwen

en lichter gekwetste soldaten te voet geleid, bij het leger aan. Het

zijn schrikgestalten, door honger, koude en smarten half ontzield. Men

is verbaasd, vraagt van waar zij komen? Van Borisow, waar de vijand

de brigade van den generaal Parthouneau dezen nacht voor het grootste

gedeelte heeft gevangen genomen. Slechts een deel is het gelukt,

zich te redden; het trekt voor de vervolgende Russen terug en wordt

voorafgegaan door dezen hoop gekwetsten, verminkten en wapenlooze,

uitgehongerde naloopers, die hier hun behoud zoeken. Nauw zijn deze

eerste berichten ingewonnen, of men ontdekt reeds dichte, zwarte

scharen, die de hoogten en oeverranden bedekken.

Bij het vale schijnsel der smeulende hutten van Studianka, bij het

flauwe schemerlicht van sneeuw en sterren ontwaart men, dat het vele

duizenden zijn, die in teugellooze verwarring naderen. Nauwelijks

ontdekken zij gewapende kameraden, van welke zij zich bescherming

beloven, of in wilde jacht, als zat hun de vijand reeds op de hielen,

snellen zij toe en pakken in zwermen opeen. Bleek, met holle wangen,

de razernij des knagenden hongers in het oog, van angst en koude

klappertandend, naderen deze rampzaligen met dof gejammer, en smeeken

met opgeheven handen om hulp en voedsel. Met medelijden bezield, wil

men hen aanvankelijk niet terugwijzen, doch hunne massa's dringen zoo

geweldig op, dat zij de geordende gelederen der soldaten doorbreken;

en daar zij eindelijk de brug ontdekken, stormen zij in blinde drift

op dezen reddingsweg toe en dreigen zoo de ramp van gisteren te

hernieuwen. In dezen oogenblik gelast de keizer, die nadere berichten

van het aanrukken der Russen bekomen had en wien men te gelijker tijd

meldt, dat de brug voor de wagens weder hersteld is, den overtocht

der garden op beide bruggen. Hij zelf werpt zich te paard, om aan

hare spits de overzijde te bereiken en haar bij Brilowa met de reeds

overgebrachte troepen in slagorde te stellen, wijl men, helaas! ook aan

den oever de vijanden te duchten had. Dit bevel tot opbreken brengt

alles in beweging. Ieder waant het gunstig oogenblik der redding thans

ook voor zich gekomen, en zoo stormen en dringen allen gezamenlijk op

de nauwe toegangen der brug in. Aan zulk een massa is geen wederstand

te bieden; de gelederen der oude garden stuiven uiteen, vreemde

voertuigen mengen zich onder den geschuttrein, alle orde is verbroken,

alles aan de vreeselijkste verwarring ten prooi gegeven. Zelfs het

gezag des keizers is ongenoegzaam om baan te maken. Trosknechten,

gekwetsten, pakwagens, vrouwen en kinderen versperren den toegang

tot de eerste brug en de golvende zwermen dringen zoo onophoudelijk

voorwaarts, dat zonder geweld aan geen doorbreken meer te denken

is. De ijzeren noodzakelijkheid dwingt tot het verschrikkelijkste

besluit. Ruiterbenden moeten in den dichten warklomp indringen en

dien met scherpe wapenen verbreken en verstrooien: met huivering

volbrengen zij het bevel, dat hen dwingt, het bloed van hulpelooze

lotgenooten te vergieten en de krimpende lichamen der gevallenen

onder de hoeven hunner paarden te verbrijzelen. Een luid gehuil, dat

zelfs den gierenden Noord overschreeuwt, verscheurt de lucht, en om

den schrik ten top te drijven, doet het donderen van het vijandelijk

geschut zich ook thans wederom opnieuw hooren. Het bewijst althans,

dat de onmenschelijkste last niet dan door den dringendsten nooddwang

is afgeperst geworden. De baan is nu geopend; eene afdeeling ruiterij

rukt vooruit; hierop volgt de keizer, van zijne officieren omgeven, de

garden sluiten zich achter hem aan; doch gestadig opnieuw, naarmate

het geschut nader en luider achter hun rug aandreunt, stormen de

vluchtende scharen op de troepen in. Slechts der vereende, geregelde

strijdkracht gelukt het, ze af te houden, en slachtoffers bij

honderdtallen laten in deze onnatuurlijken kamp het leven.

Toen de laatste colonnes de brug betraden, begon het te schemeren, en

allengs werden de zwarte sluiers voor het tafereel weggeschoven en kon

men zien, wat zij achter hun somber hulsel verborgen hielden. O, de

nacht was weldadig geweest, toen hij deze schriktooneelen met zijne

donkere vlerken bedekte! De meedoogenlooze dag onthulde de volle,

afgrijselijke waarheid! Vertrapte lijken, verbrijzelde wagens en

geschut, gevallen paarden, die zich in hunne laatste stuiptrekkingen

over nog bloedende menschelijke lichamen heenwentelden, bedekten de

steile boorden, die nabij de brug naar de rivierbedding afdaalden.

Tusschen de tegen de oeverranden opgekruide ijsschotsen ontwaarde men

half gezonken ongelukkigen, die dood en koude in hetzelfde oogenblik

versteend hadden, dat zij de armen nog smeekend naar hemel en menschen

uitstrekten, doch vruchteloos, wijl beide doof waren voor de kreten

van den angst en der vertwijfeling. Wendde het oog zich met afgrijzen

van de grijnzende schrikbeelden af, dan deinsde het nog schuwer terug,

wanneer het zich op de levenden aan den oever vestte; want het ontwaarde

slechts eene tallooze schaar bleeke spooksels, uit welker holle,

verglaasde oogen de wanhoop staarde, die sidderend, krijtend, huilend of

vloekend door elkander kropen en door eigen lijden verstompt, dat hunner

lotgenooten niet meer gevoelden. Slechts een woest, onzinnig streven

naar redding uit deze ellende bestuurde, als eene donkere, dierlijke

aandrift, al hunne bewegingen en schreden. Velen echter konden daartoe

zelfs geen klacht of wensch meer uiten, maar zaten roerloos als lijken

op de met ijs omschorste aarde en staarden onwrikbaar op de plaats,

die hun graf moest worden. Slechts het weeklagen der vertrapten,

der verpletterden, van dezulken, die in den stroom nederstortten en

door de ijsschotsen werden voortgesleept, slechts de vloeken en de

godslasteringen der onmenschen, die zich over de lijken hunner broeders

een pad baanden mengden in dit reusachtige beeld des doods de laatste

krampachtige stuiptrekkingen des levens. Doch het treurtooneel zou

een nog schrikwekkender voorkomen aannemen. De _menschelijke_ maat

van jammer en ellende scheen wel is waar geledigd, maar de machtige

wraakgodinnen wisten het onheil uit opnieuw gevulde vaten in nog

vreeselijker golven uit te gieten. Plotseling toch rolde en klaterde

het, als de donder van het jongste gericht, boven de hoofden dezer

verworpenen. Uit hunne doffe bedwelming wakker geschud, beurden zelfs

zij, die alle hoop hadden opgegeven en in koude wezenloosheid hun einde

naderden, het hoofd op, en zagen de heuvels in de nabijheid in zwarte

rookwolken gehuld: de slag woedde boven hunne hoofden. Alsof een demon

der blinde verschrikking zich plotseling in het midden der scharen

wierp en ze in radelooze vlucht opjoeg, wentelden zij zich thans, geene

mogelijkheid en waarschijnlijkheid der redding meer berekenende, in

dichte, zwarte golven op de rivier en de brug toe. En als brak hij uit

duizende geopende kolken te voorschijn, wies de vloed aan en zwol op

door de stroomen van vluchtelingen, die, door het gevecht voortgestuwd,

van de heuvels om Studianka en Borisow neerdruischten. Het oogenblik was

daar, dat het ijzeren rad der vernietiging van de besneeuwde hoogten

nederrolde, om al wat daar ademde te verpletteren.

Bianca, door angst en ontzetting uitgeput, wendde langzaam het hoofd

naar de vlammende en rookende hoogten. „Denkt gij, mijn broeder,” vroeg

zij Bernard op fluisterenden toon, alsof zij bevreesd was, het antwoord

te vernemen, „denkt gij, dat de edele Rasinski daarboven mede in het

gevecht is?”

„Het kan wel niet anders, lieve,” was het antwoord.

„Dan neemt mijn hart afscheid van hem,” sprak zij op een vasten, maar

diep roerenden toon.

„Waarom?” vroeg Lodewijk getroffen.

„Ach, mijn beste,” hernam Bianca, „waarlijk, ik vertrouw geloovig op

God; doch reeds onze redding uit dezen alles vernielenden maalstroom te

hopen, schijnt mij vermetelheid toe, hoeveel te meer dan de zijne, uit

dien moorddadigen slag. Ik heb de aarde vaarwel gezegd, die ik vereerde,

die ik beminde—nu, wij zien elkander immers daarboven weder.”

„Wees bedaard, Bianca,” zei Bernard en vermande zich, om het zelf te

schijnen; „gij hebt nog nooit gedobbeld, waar het één tegen één stond;

ik heb nog zooveel hoop op winnen als vrees voor verliezen. En ons spel

staat goed, want wij hebben hier ten minste een anker in de sneeuw

geworpen, dat ons steun geeft tegen de bergstroomen, die daar ginds van

de hoogte afrollen. Eens moesten zij toch verloopen, en dan krijgen wij

ruimte.”

„Voorzeker,” voegde Lodewijk er met mannelijke vastheid bij; „en ik bid

u, bedenk toch, Bianca, welke wonderen de hemel reeds voor ons gedaan

heeft; zij staan mij borg voor de toekomst, zijn mij een vast steunsel,

waarop ik gerust mijn vertrouwen stel.”

„Dat herinnerde de goede Gregoor mij ook,” antwoordde Bianca; „maar wie

doorgrondt de raadsbesluiten des hemels?”

„Dan zou onze ondergang toch al heilrijk voor ons zijn,” hervatte

Lodewijk met diepen ernst. „Dat zij uw troost!”

„Het is die ook, geliefde,” sprak zij kalmer en hief het oog ten hemel;

„maar ook daarom juist neem ik afscheid van de aarde.”

„Ik niet,” sprak Bernard, „en gij moet het ook niet doen, mijne zuster;

uit aardsche nooden en gevaren heeft het lot ons ook voor aardsch geluk

gered. Lodewijk heeft gelijk, wij hebben een onderpand; de hemel is niet

zoo kwistig met genade en wonderen....”

„O, spot niet,” viel Bianca hem verschrikt in de rede, daar hij weder

in zijn ouden, ruwen toon verviel en de bekommernissen stoutmoedig

afschudde als een leeuw, wien een muggenzwerm om het hoofd gonst; „spot

hier niet, waar de Almachtige zijn vreeselijk gericht houdt.”

„Neen, neen, zuster,” antwoordde Bernard; „gij verstaat mij niet;

Lodewijk weet wel hoe ik 't meen; hij kent mij langer.”

Deze drukte hem geroerd de hand. „En de Alwetende kent hem het best,”

fluisterde hij Bianca toe, „en heeft nooit een trouwer, edeler hart in

eene menschelijke borst gezien.”

„Dat is nog zoo zeker niet,” mompelde Bernard; „maar laat ons door

beuzelpraat den tijd niet verzuimen.—Willhofen! hebt gij nog eenig

voeder voor de paarden? Zij konden ons anders in het oogenblik van nood

in den steek laten.”

„Vóór het licht werd heb ik ze in stilte afgevoerd,” was het heimelijk

antwoord; „men mag hier niet te veel vertoonen; voor éénmaal is nog

voorraad.—Maar zie eens daar achter ons! Dat komt mij voor, alsof het

ons gelden moet.”

Hij had nauwelijks gesproken, of het eerste kanon schoot zijn bliksem

uit en na weinige seconden kaatsten de omliggende heuvels den doffen

knal daverend terug. In hetzelfde oogenblik sloeg een kogel met

verpletterend geweld in den dichtsten hoop voor de brug neder, zoodat

deze naar alle zijden uiteen stoof. Men had den tijd niet, zich te

bezinnen en den omvang van dit nieuwe gevaar te beseffen, want dadelijk

daarop volgde een tweede schot en toen een volle laag, die vreeselijke

openingen in deze opeengepakte menschenmassa's boorde.

In de eerste seconden hielden schrik en ontzetting de ongelukkigen

aan den grond geketend, en zelfs de spraak verliet hen. Daardoor

ontstond er eene doodsche stilte, die het dreunen der batterij nog te

schrikwekkender deed voorkomen. Spoedig echter gaf zich de angst in

huilend weeklagen lucht, en de een wierp zich in blinde, dolzinnige

drift op den ander, onverschillig waarheen, zoo men slechts uit dezen

vuurspuwenden krater ontkwam. Ruiters wierpen zich in den stroom en

zochten dien niettegenstaande het drijfijs over te zwemmen; de meesten

werden op korten afstand van den oever door de bruisende golven

medegesleept. Anderen sneden de strengen der voor vreemde wagens

gespannen paarden door, wierpen zich op den rug der vermoeide dieren

en wilden zich insgelijks door zwemmen redden, zonder zich om de

ongelukkigen te bekreunen, die nu hulpeloos moesten achterblijven. De

straf volgde deze daad op den voet. De massa's wentelden zoo geweldig

naar de boorden des strooms voort, dat zij thans niet enkel op de

brug, maar ook regelrecht op de rivierbedding aandrongen. Te vergeefs

verzetten de voorsten zich tegen het drukkende overwicht; gelijk

gisteren honderden van de bezwijkende brug nederstortten, werden heden

duizenden in den vrijen stroom gedrongen. Moeders met hare zuigelingen

op den arm zag men tusschen de drijvende ijsschollen, en vruchteloos

riep haar jammergeschrei om den man en beschermer, van wiens zijde zij

eerst zoo even waren weggerukt, doch dien misschien de vloed reeds

verslonden had, zoo hij niet onder de voeten der aandringenden vertrapt

werd. Het water zwol haar tot aan den gordel, tot aan de borst; nog

altijd hielden zij hare kinderen boven: eindelijk bereikte het den

hals, het hoofd, zij werden voortgesleurd, zonken, maar onder het

zinken hielden de verkleumde handen het dierbaarste leven nog boven den

zwarten afgrond der golven omhoog geheven, tot de stroom alles verslond

en begroef.

1812: Historische roman · 第 125 / 154 题