Plotseling vernam men een dof, donderend gekraak, en dadelijk gierde
een gillende angstkreet door de lucht. Aller oogen wendde zich naar
de rivier, vanwaar het snijdend angstgegil zich hooren liet, en een
ijskoud afgrijzen versteende borst en lippen, toen men de brug onder
haren last en door den aandrang van vreeselijke ijsschollen bezweken en
verschillende bogen vernield zag. Slechts van de omliggende hooge punten
des oevers kon men dit bemerken. De tallooze menigte echter, die zich
op de brug zelve en op den lager gelegen rivierzoom bevond, vermoedde
niets van het ongeval, maar drong in rampzalige verblinding voorwaarts
en dreef hen, die aan den rand des afgronds stonden, met geweld in het
gapende graf. Te vergeefs klemden de ongelukkigen zich aan de balken
der brug vast, te vergeefs riepen zij met hartdoorvlijmend gekerm het
mededoogen hunner broeders in—er bestond geene keuze meer, met geweld
werden zelfs zij, die gaarne zouden hebben willen redden en helpen,
tot den gruwzamen moord hunner lotgezellen genoodzaakt, om het volgend
oogenblik op dezelfde wijze in den zwarten muil van den verslindenden
stroom te worden neergestort. De doodsangst baarde vertwijfeling en
razernij. Zij, die zich verloren achtten, werden in bloedgierige tijgers
herschapen, want met getrokken sabels en degens stormden zij op de
saamgedrongen scharen hunner broeders in, om baan naar den oever te
breken. Zoo ontstond een onmenschelijke kamp, een waanzinnig moorden,
worgen en slachten onder bevriende kameraden; de achterwaarts golvende
vloed des gedrangs worstelde met den voorwaarts stroomenden, en daaruit
volgde een vreeselijk samenpersen naar het middenpunt. De schuwe paarden
steigerden of zochten zijwaarts een uitweg en plompten dan met wagen en
al in den schuimenden vloed neder. Angstkreten, weegeschrei, gebeden,
vervloekingen, wapengekletter, gedruisch en verwarring aan alle zijden!
Slechts weinige oogenblikken duurden deze schriktooneelen, die door eene
vreeselijke onwetendheid, eene rampzalige dwaling waren teweeggebracht;
doch elke minuut kostte aan honderden het leven, die reeds den voet op
den dorpel der redding gezet hadden. En in de borst van vele duizenden
sloeg het akelig spooksel der ontzetting zijne ijskoude klauwen en een
beklemmend voorgevoel zeide hun, welk lot de dreigende schrikgodinnen
ook voor hen weefden.
Terwijl de brug weder hersteld werd, heerschte eene doodsche akelige
stilte. Het reeds voorgevallen onheil had, meende men, de overigen
bedachtzamer gemaakt; ook werd al wat mogelijk was in het werk gesteld,
om eenige orde bij den overtocht voor te bereiden. Doch thans maakte
de diepe duisternis elke leiding der onafzienbare menigte nog oneindig
bezwaarlijker, en slechts het kleinste deel kon weten of vermoeden, wat
er gebeurd was. Elk werd als geblinddoekt zijner bestemming te gemoet
gevoerd, en eerst wanneer hij zich midden op den wentelenden stroom
des verderfs, waar geen vluchten, geen terugkeeren meer mogelijk was,
verplaatst zag, werd hem de blinddoek van voor de oogen weggerukt en hij
stond rillend aan den rand des afgronds.
Het aantal dergenen, die tot offers bestemd waren, wies daarenboven
van minuut tot minuut aan, daar nog gestadig eene menigte naloopers,
gekwetsten en zieken van alle zijden kwamen opdagen. Eensklaps werd
het dof, akelig gemompel, dat men aan de oevers van den verderfelijken
stroom hoorde, weder door luide, ratelende kanonschoten afgebroken. De
vlammen van Borisow wakkerden helderder op; van dien kant scheen de
gloeiende lavastroom van den kamp langzaam te komen aanwentelen. Terwijl
men angstig naar den rollenden donder van dit nieuwe onweder luisterde,
opende de krater zich nog aan eene andere zijde en kondigde zijn
uitbarsting door een verdoovend kraken en dreunen der vuurmonden aan.
Dit tweede gevecht had zich naar alle waarschijnlijkheid voor Studianka,
misschien wel op de heuvels, waar Rasinski legerde, ontsponnen, zoo
nabij hoorde men het gedruisch van den slag. Dit vermoeden werd
versterkt, daar men van verschillende zijden renboden op den keizer
zag toesnellen, die nog immer aan den oever vertoefde en bij de brug
voor het voetvolk den overgang bestuurde. Andere boden werden ijlings
teruggezonden, aan allen bespeurde men, dat er iets gewichtigs moest
zijn voorgevallen.
Aan de herstelling der brug werd reeds met de grootste inspanning
gearbeid; echter zond de keizer den eenen officier na den anderen af,
om de voleindiging te verhaasten. Intusschen duurde het donderen van
het geschut nog immer met kleine tusschenpoozen voort, zonder echter
naderbij te komen. De donkere nacht maakte een slag onmogelijk; het
wederzijdsche vuren scheen derhalve alleen ten doel te hebben, elkander
bij voortduring te verontrusten.
Middernacht was voorbij. De overspannen krachten van lichaam en ziel
zouden de meeste aan den oever verzamelde ongelukkigen weldra hebben
doen insluimeren, hadden niet honger en koude en vooral een snijdende
noordoostenwind, die zich gestadig heviger verhief en alles, wat hij met
zijn adem aanblies, versteende, hen aangedreven een ander toevluchtsoord
op te zoeken. Zij verscholen zich onder de wagens, kropen tusschen de
paarden, om hunne bevriezende ledematen aan de dierlijke warmte te
ontdooien, en pakten zich in dichte klompen opeen. Eensklaps verlichtte
een helder flikkerende fakkel het donkere nachtstuk en een bloedige
weerschijn blonk op den stroom en de besneeuwde heuvelkruinen. Toen men
zich omwendde, stond het dorp Studianka in vlammen. De ongelukkigen
van de oeverhoogten, die zich nog zoover hadden kunnen voortsleepen,
waren daar eene schuilplaats gaan zoeken; doch de hutten waren bezet
en de koude van den ruwen nacht nam met den storm toe. Hout was in de
nabijheid niet te vinden, dus trokken de wanhopigen de ellendige huizen
omver, joegen de daarin gevluchten naar buiten, en staken balken, delen
en daksparren in brand, om zich aan den gloed te verwarmen.
De keizer was hevig vertoornd over dit voorval, dat den vijand het
overgangspunt verraden en het verderf van allen na zich sleepen
kon. Intusschen was het onheil gebeurd en daarenboven de drang der
omstandigheden zoo groot, dat zelfs zijn machtige wil niets daartegen
vermocht.
Den ganschen nacht door hield het defileeren der geregelde troepen over
de onbeschadigde brug aan, doch deze werd thans ook voor de artillerie
gebruikt, tot zoolang de tweede gereed zoude zijn. Na hare herstelling
had men hoop gekoesterd, den overgang met meer regelmatigheid
bewerkstelligd te zien, daar èn de menigte aan den oever aanmerkelijk
verminderd was èn de bittere ervaring, welke men reeds gehad had, ter
waarschuwing kon verstrekken. Maar een nieuw onheil doet zich voor.
Onverhoeds komt eene menigte wagens met zwaar gewonden, door vrouwen
en lichter gekwetste soldaten te voet geleid, bij het leger aan. Het
zijn schrikgestalten, door honger, koude en smarten half ontzield. Men
is verbaasd, vraagt van waar zij komen? Van Borisow, waar de vijand
de brigade van den generaal Parthouneau dezen nacht voor het grootste
gedeelte heeft gevangen genomen. Slechts een deel is het gelukt,
zich te redden; het trekt voor de vervolgende Russen terug en wordt
voorafgegaan door dezen hoop gekwetsten, verminkten en wapenlooze,
uitgehongerde naloopers, die hier hun behoud zoeken. Nauw zijn deze
eerste berichten ingewonnen, of men ontdekt reeds dichte, zwarte
scharen, die de hoogten en oeverranden bedekken.
Bij het vale schijnsel der smeulende hutten van Studianka, bij het
flauwe schemerlicht van sneeuw en sterren ontwaart men, dat het vele
duizenden zijn, die in teugellooze verwarring naderen. Nauwelijks
ontdekken zij gewapende kameraden, van welke zij zich bescherming
beloven, of in wilde jacht, als zat hun de vijand reeds op de hielen,
snellen zij toe en pakken in zwermen opeen. Bleek, met holle wangen,
de razernij des knagenden hongers in het oog, van angst en koude
klappertandend, naderen deze rampzaligen met dof gejammer, en smeeken
met opgeheven handen om hulp en voedsel. Met medelijden bezield, wil
men hen aanvankelijk niet terugwijzen, doch hunne massa's dringen zoo
geweldig op, dat zij de geordende gelederen der soldaten doorbreken;
en daar zij eindelijk de brug ontdekken, stormen zij in blinde drift
op dezen reddingsweg toe en dreigen zoo de ramp van gisteren te
hernieuwen. In dezen oogenblik gelast de keizer, die nadere berichten
van het aanrukken der Russen bekomen had en wien men te gelijker tijd
meldt, dat de brug voor de wagens weder hersteld is, den overtocht
der garden op beide bruggen. Hij zelf werpt zich te paard, om aan
hare spits de overzijde te bereiken en haar bij Brilowa met de reeds
overgebrachte troepen in slagorde te stellen, wijl men, helaas! ook aan
den oever de vijanden te duchten had. Dit bevel tot opbreken brengt
alles in beweging. Ieder waant het gunstig oogenblik der redding thans
ook voor zich gekomen, en zoo stormen en dringen allen gezamenlijk op
de nauwe toegangen der brug in. Aan zulk een massa is geen wederstand
te bieden; de gelederen der oude garden stuiven uiteen, vreemde
voertuigen mengen zich onder den geschuttrein, alle orde is verbroken,
alles aan de vreeselijkste verwarring ten prooi gegeven. Zelfs het
gezag des keizers is ongenoegzaam om baan te maken. Trosknechten,
gekwetsten, pakwagens, vrouwen en kinderen versperren den toegang
tot de eerste brug en de golvende zwermen dringen zoo onophoudelijk
voorwaarts, dat zonder geweld aan geen doorbreken meer te denken
is. De ijzeren noodzakelijkheid dwingt tot het verschrikkelijkste
besluit. Ruiterbenden moeten in den dichten warklomp indringen en
dien met scherpe wapenen verbreken en verstrooien: met huivering
volbrengen zij het bevel, dat hen dwingt, het bloed van hulpelooze
lotgenooten te vergieten en de krimpende lichamen der gevallenen
onder de hoeven hunner paarden te verbrijzelen. Een luid gehuil, dat
zelfs den gierenden Noord overschreeuwt, verscheurt de lucht, en om
den schrik ten top te drijven, doet het donderen van het vijandelijk
geschut zich ook thans wederom opnieuw hooren. Het bewijst althans,
dat de onmenschelijkste last niet dan door den dringendsten nooddwang
is afgeperst geworden. De baan is nu geopend; eene afdeeling ruiterij
rukt vooruit; hierop volgt de keizer, van zijne officieren omgeven, de
garden sluiten zich achter hem aan; doch gestadig opnieuw, naarmate
het geschut nader en luider achter hun rug aandreunt, stormen de
vluchtende scharen op de troepen in. Slechts der vereende, geregelde
strijdkracht gelukt het, ze af te houden, en slachtoffers bij
honderdtallen laten in deze onnatuurlijken kamp het leven.
Toen de laatste colonnes de brug betraden, begon het te schemeren, en
allengs werden de zwarte sluiers voor het tafereel weggeschoven en kon
men zien, wat zij achter hun somber hulsel verborgen hielden. O, de
nacht was weldadig geweest, toen hij deze schriktooneelen met zijne
donkere vlerken bedekte! De meedoogenlooze dag onthulde de volle,
afgrijselijke waarheid! Vertrapte lijken, verbrijzelde wagens en
geschut, gevallen paarden, die zich in hunne laatste stuiptrekkingen
over nog bloedende menschelijke lichamen heenwentelden, bedekten de
steile boorden, die nabij de brug naar de rivierbedding afdaalden.
Tusschen de tegen de oeverranden opgekruide ijsschotsen ontwaarde men
half gezonken ongelukkigen, die dood en koude in hetzelfde oogenblik
versteend hadden, dat zij de armen nog smeekend naar hemel en menschen
uitstrekten, doch vruchteloos, wijl beide doof waren voor de kreten
van den angst en der vertwijfeling. Wendde het oog zich met afgrijzen
van de grijnzende schrikbeelden af, dan deinsde het nog schuwer terug,
wanneer het zich op de levenden aan den oever vestte; want het ontwaarde
slechts eene tallooze schaar bleeke spooksels, uit welker holle,
verglaasde oogen de wanhoop staarde, die sidderend, krijtend, huilend of
vloekend door elkander kropen en door eigen lijden verstompt, dat hunner
lotgenooten niet meer gevoelden. Slechts een woest, onzinnig streven
naar redding uit deze ellende bestuurde, als eene donkere, dierlijke
aandrift, al hunne bewegingen en schreden. Velen echter konden daartoe
zelfs geen klacht of wensch meer uiten, maar zaten roerloos als lijken
op de met ijs omschorste aarde en staarden onwrikbaar op de plaats,
die hun graf moest worden. Slechts het weeklagen der vertrapten,
der verpletterden, van dezulken, die in den stroom nederstortten en
door de ijsschotsen werden voortgesleept, slechts de vloeken en de
godslasteringen der onmenschen, die zich over de lijken hunner broeders
een pad baanden mengden in dit reusachtige beeld des doods de laatste
krampachtige stuiptrekkingen des levens. Doch het treurtooneel zou
een nog schrikwekkender voorkomen aannemen. De _menschelijke_ maat
van jammer en ellende scheen wel is waar geledigd, maar de machtige
wraakgodinnen wisten het onheil uit opnieuw gevulde vaten in nog
vreeselijker golven uit te gieten. Plotseling toch rolde en klaterde
het, als de donder van het jongste gericht, boven de hoofden dezer
verworpenen. Uit hunne doffe bedwelming wakker geschud, beurden zelfs
zij, die alle hoop hadden opgegeven en in koude wezenloosheid hun einde
naderden, het hoofd op, en zagen de heuvels in de nabijheid in zwarte
rookwolken gehuld: de slag woedde boven hunne hoofden. Alsof een demon
der blinde verschrikking zich plotseling in het midden der scharen
wierp en ze in radelooze vlucht opjoeg, wentelden zij zich thans, geene
mogelijkheid en waarschijnlijkheid der redding meer berekenende, in
dichte, zwarte golven op de rivier en de brug toe. En als brak hij uit
duizende geopende kolken te voorschijn, wies de vloed aan en zwol op
door de stroomen van vluchtelingen, die, door het gevecht voortgestuwd,
van de heuvels om Studianka en Borisow neerdruischten. Het oogenblik was
daar, dat het ijzeren rad der vernietiging van de besneeuwde hoogten
nederrolde, om al wat daar ademde te verpletteren.
Bianca, door angst en ontzetting uitgeput, wendde langzaam het hoofd
naar de vlammende en rookende hoogten. „Denkt gij, mijn broeder,” vroeg
zij Bernard op fluisterenden toon, alsof zij bevreesd was, het antwoord
te vernemen, „denkt gij, dat de edele Rasinski daarboven mede in het
gevecht is?”
„Het kan wel niet anders, lieve,” was het antwoord.
„Dan neemt mijn hart afscheid van hem,” sprak zij op een vasten, maar
diep roerenden toon.
„Waarom?” vroeg Lodewijk getroffen.
„Ach, mijn beste,” hernam Bianca, „waarlijk, ik vertrouw geloovig op
God; doch reeds onze redding uit dezen alles vernielenden maalstroom te
hopen, schijnt mij vermetelheid toe, hoeveel te meer dan de zijne, uit
dien moorddadigen slag. Ik heb de aarde vaarwel gezegd, die ik vereerde,
die ik beminde—nu, wij zien elkander immers daarboven weder.”
„Wees bedaard, Bianca,” zei Bernard en vermande zich, om het zelf te
schijnen; „gij hebt nog nooit gedobbeld, waar het één tegen één stond;
ik heb nog zooveel hoop op winnen als vrees voor verliezen. En ons spel
staat goed, want wij hebben hier ten minste een anker in de sneeuw
geworpen, dat ons steun geeft tegen de bergstroomen, die daar ginds van
de hoogte afrollen. Eens moesten zij toch verloopen, en dan krijgen wij
ruimte.”
„Voorzeker,” voegde Lodewijk er met mannelijke vastheid bij; „en ik bid
u, bedenk toch, Bianca, welke wonderen de hemel reeds voor ons gedaan
heeft; zij staan mij borg voor de toekomst, zijn mij een vast steunsel,
waarop ik gerust mijn vertrouwen stel.”
„Dat herinnerde de goede Gregoor mij ook,” antwoordde Bianca; „maar wie
doorgrondt de raadsbesluiten des hemels?”
„Dan zou onze ondergang toch al heilrijk voor ons zijn,” hervatte
Lodewijk met diepen ernst. „Dat zij uw troost!”
„Het is die ook, geliefde,” sprak zij kalmer en hief het oog ten hemel;
„maar ook daarom juist neem ik afscheid van de aarde.”
„Ik niet,” sprak Bernard, „en gij moet het ook niet doen, mijne zuster;
uit aardsche nooden en gevaren heeft het lot ons ook voor aardsch geluk
gered. Lodewijk heeft gelijk, wij hebben een onderpand; de hemel is niet
zoo kwistig met genade en wonderen....”
„O, spot niet,” viel Bianca hem verschrikt in de rede, daar hij weder
in zijn ouden, ruwen toon verviel en de bekommernissen stoutmoedig
afschudde als een leeuw, wien een muggenzwerm om het hoofd gonst; „spot
hier niet, waar de Almachtige zijn vreeselijk gericht houdt.”
„Neen, neen, zuster,” antwoordde Bernard; „gij verstaat mij niet;
Lodewijk weet wel hoe ik 't meen; hij kent mij langer.”
Deze drukte hem geroerd de hand. „En de Alwetende kent hem het best,”
fluisterde hij Bianca toe, „en heeft nooit een trouwer, edeler hart in
eene menschelijke borst gezien.”
„Dat is nog zoo zeker niet,” mompelde Bernard; „maar laat ons door
beuzelpraat den tijd niet verzuimen.—Willhofen! hebt gij nog eenig
voeder voor de paarden? Zij konden ons anders in het oogenblik van nood
in den steek laten.”
„Vóór het licht werd heb ik ze in stilte afgevoerd,” was het heimelijk
antwoord; „men mag hier niet te veel vertoonen; voor éénmaal is nog
voorraad.—Maar zie eens daar achter ons! Dat komt mij voor, alsof het
ons gelden moet.”
Hij had nauwelijks gesproken, of het eerste kanon schoot zijn bliksem
uit en na weinige seconden kaatsten de omliggende heuvels den doffen
knal daverend terug. In hetzelfde oogenblik sloeg een kogel met
verpletterend geweld in den dichtsten hoop voor de brug neder, zoodat
deze naar alle zijden uiteen stoof. Men had den tijd niet, zich te
bezinnen en den omvang van dit nieuwe gevaar te beseffen, want dadelijk
daarop volgde een tweede schot en toen een volle laag, die vreeselijke
openingen in deze opeengepakte menschenmassa's boorde.
In de eerste seconden hielden schrik en ontzetting de ongelukkigen
aan den grond geketend, en zelfs de spraak verliet hen. Daardoor
ontstond er eene doodsche stilte, die het dreunen der batterij nog te
schrikwekkender deed voorkomen. Spoedig echter gaf zich de angst in
huilend weeklagen lucht, en de een wierp zich in blinde, dolzinnige
drift op den ander, onverschillig waarheen, zoo men slechts uit dezen
vuurspuwenden krater ontkwam. Ruiters wierpen zich in den stroom en
zochten dien niettegenstaande het drijfijs over te zwemmen; de meesten
werden op korten afstand van den oever door de bruisende golven
medegesleept. Anderen sneden de strengen der voor vreemde wagens
gespannen paarden door, wierpen zich op den rug der vermoeide dieren
en wilden zich insgelijks door zwemmen redden, zonder zich om de
ongelukkigen te bekreunen, die nu hulpeloos moesten achterblijven. De
straf volgde deze daad op den voet. De massa's wentelden zoo geweldig
naar de boorden des strooms voort, dat zij thans niet enkel op de
brug, maar ook regelrecht op de rivierbedding aandrongen. Te vergeefs
verzetten de voorsten zich tegen het drukkende overwicht; gelijk
gisteren honderden van de bezwijkende brug nederstortten, werden heden
duizenden in den vrijen stroom gedrongen. Moeders met hare zuigelingen
op den arm zag men tusschen de drijvende ijsschollen, en vruchteloos
riep haar jammergeschrei om den man en beschermer, van wiens zijde zij
eerst zoo even waren weggerukt, doch dien misschien de vloed reeds
verslonden had, zoo hij niet onder de voeten der aandringenden vertrapt
werd. Het water zwol haar tot aan den gordel, tot aan de borst; nog
altijd hielden zij hare kinderen boven: eindelijk bereikte het den
hals, het hoofd, zij werden voortgesleurd, zonken, maar onder het
zinken hielden de verkleumde handen het dierbaarste leven nog boven den
zwarten afgrond der golven omhoog geheven, tot de stroom alles verslond
en begroef.