De dag begon aan te breken. Thans boorden aller blikken door de
verdunde nevels van den nacht, om de vijanden te tellen, die zich voor
de poorten der redding gelegerd hadden.—Rasinski had met Boleslaw
eene kleine, met struiken omzoomde hoogte bestegen, vanwaar hij den
loop des strooms en de kromming van diens oever tot in de verte kon
overzien. Nog glinsterden de vlammen der russische wachtvuren door de
morgennevels en het blauwachtig schemerende licht des daags. Echter was
alles stil op de besneeuwde heuvelkruinen.
„Mij dunkt, men moest toch reeds beweging onder de lieden bespeuren,”
sprak Rasinski; „of zouden zij zich achter den rand der hoogten
verschanst hebben?”
„Voor zoover ik zien kan, zijn de vuren verlaten,” antwoordde Boleslaw;
„althans de voorste. Daar achter den woudzoom zijn zij misschien nog
bezet.”
„Zij zullen zich buiten het vuur onzer artillerie hebben begeven; echter
verwondert het mij, dat ik nergens kanonnen in batterij zie.”
Zij reden nog ettelijke honderden schreden verder voorwaarts; intusschen
verstrooide de wind de vochtige morgendampen en het werd allengs
helderder.
„Bij den hemel!” riep Rasinski, die met stijgende verbazing in het rond
zag; „de gindsche oevers zijn verlaten! Daarachter moet eenig opzet
schuilen. Men wil ons misschien den overgang laten beginnen, om dan een
des te vreeselijker bloedbad onder ons aan te richten.”
„Wellicht blijft ons ten minste tijd genoeg om de brug te slaan,” meende
Boleslaw en wees naar den stroom, waar men thans de arbeiders in volle
bezigheid ontdekken kon.
„Op de heuvels daar rechts zie ik ruiters; zij schijnen ook op
verkenning uitgezonden. Laat ons derwaarts rijden; men moet van die
hoogte de bochten van de rivier beter kunnen volgen.”
Zij reden naar het gezegde punt en vonden er den maarschalk Ney,
Regnard en eenige andere officieren. Deze waren niet minder dan
Rasinski verbaasd, den gevreesden oever van troepen ontbloot te vinden.
Eensklaps riep Regnard: „Daar in de verte, naar Borisow, zie ik volk op
marsch; het is eene sterke colonne. Rasinski, gij hebt een valkenoog,
wat dunkt u, is het geen russische cavalerie?”
Rasinski hield de hand boven het oog, daar de zoo even opgaande zon
reeds begon te verblinden, zag scherp voor zich uit en riep: „Het is
artillerie en voetvolk; zij marcheeren naar Borisow.”
„Zou de vijand wellicht aftrekken!” riep maarschalk Ney op den toon van
twijfel. „Het is onmogelijk!”
„En toch is er niet meer aan te twijfelen,” viel Rasinski hem in de
rede.
„Dan straalt de ster des keizers nog immer helder en gunstig!” riep Ney
met vlammenden blik; „dadelijk moet hij daarvan onderricht worden.”
Allen renden, wat de paarden vermochten, op de brug toe, waar de keizer
bemoedigend en aansporend onder de arbeiders stond en op berichten
wachtte.
De op verkenning uitgezonden officieren kwamen thans van alle zijden
terug. Niemand had een spoor van den vijand ontdekt, meer dan een de
aftrekkende troepen bemerkt.
„Zoo is het ons dan toch gelukt, Tschitschagoff te bedriegen!” riep
de keizer. „Men moet een gevangene zien te krijgen, die ons zekerheid
verschaft.”
Rasinski bood zich hiertoe aan. Hij reed dadelijk met Boleslaw den
stroom opwaarts, nam eenige jagers mede en zwom met hen door de rivier.
Toen zij de hoogten aan de overzijde bereikten, ontdekten zij alle
sporen van een belangrijk korps, hetwelk hier gedurende den nacht moest
gelegerd hebben. De vuren brandden nog meerendeels; men zag dat zij
eerst sedert eenige uren heimelijk verlaten waren en dat hunne vlam den
keizer had moeten misleiden. De sporen van den weg, dien het russische
leger had genomen, waren op de sneeuw gemakkelijk te ontdekken; zij
trokken zuidwaarts op Borisow aan, Rasinski volgde ze ras, maar met
behoedzaamheid; door een klein kreupelbosch gereden zijnde, kreeg hij
eenige verstrooide kozakken in het oog; geheel onverhoeds overviel hij
ze; zij vluchtten, doch één struikelde met zijn paard, kon zich op de
gladde sneeuw niet spoedig genoeg weder oprichten en viel zoo in de
handen van Rasinski, die met dezen buit onverwijld terugkeerde.
Onderweg vroeg hij zijnen gevangene over alle omstandigheden uit en
vernam, dat de generaal Tschaplitz met tien duizend man en dertig
kanonnen de hoogten tegenover Studianka gedurende dezen nacht had bezet
gehouden, maar op Tschitschagoffs bevel tegen den morgen over Borisow
naar Beresino was opgebroken. Zijn hart klopte van vreugde, nu hij
zijne vermoedens aldus hoorde bevestigen; want thans was de redding
mogelijk, ingeval de overgang slechts in den loop van den dag beginnen
kon. „Verheug u, Boleslaw,” riep hij dezen toe, „nog glanst onze zon.
Heden heeft de godin des geluks getoond, dat zij den keizer nog niet
wil verlaten. Dit zijn de onbezette bergpassen van Cilicië; de ster
van den Macedoniër straalde niet luisterrijker, dan die van onzen
Corsikaan.”—Ongeduldig dit bericht aan den keizer mede te deelen, gaf
Rasinski zijn paard de sporen, stak den stroom over en meldde, wat hij
gezien en gehoord had.
De keizer ontving deze tijding met merkbare tevredenheid, maar toch
even kalm, even bedaard, als hij gisteren het bericht der dreigendste
gevaren aanhoorde. Hij gaf dadelijk bevel, het bouwen van de brug met
man en macht door te zetten. Met deze was men eindelijk zoover gekomen,
dat twee bokken ingeheid en met balken verbonden waren; nu moest het
werk rasser voortgaan, en de generaal Eblé beloofde, het tegen den
middag te voleindigen.
Inmiddels begonnen de troepenmassa's van alle zijden op te dagen.
Studianka zelf was met kanonnen, kruitwagens, transporttrein, de bagage
des keizers, der maarschalken en der andere officieren opgevuld; evenzoo
de wegen, die op het plaatsje aanliepen, en de hoogten, die het van
rondom omgaven. Rasinski zag met een beklemd hart deze ongeregelde
ophooping der massa's aan, welke slechts met den toestand van volslagen
oplossing, waarin het leger zich bevond, kon verontschuldigd worden.
Thans nog eene ordening, eene regeling te bewerken, scheen onmogelijk,
te meer daar menschen en paarden, tot het uiterste afgemat, zich dit
korte uitstel, zooveel de omstandigheden zulks toelieten, moesten
ten nutte maken. Men zag de uitgeputte trekdieren zich op de sneeuw
nederleggen en slecht haksel, verrot stroo of wat slechts naar voeder
geleek, met woedenden honger verslinden. De geleiders hadden deels
eene schuilplaats in de ellendige hutten gezocht, deels zich om vuren
gelegerd. Wanneer deze verwarde klomp zich begon te ontbinden en in
beweging te stellen, wanneer wagens braken, paarden neerstortten,
de enge wegen versperd werden, haast en begeerte om zich te redden
de bezinning roofden en, gelijk op dezen terugtocht reeds zoo
dikwijls gebeurd was, elk aan zijn eigen oogenblikkelijk voordeel het
voortdurend welzijn van het geheel opofferde—dan kon, hoe gelukkig de
omstandigheden zich ook hadden geschikt de ellende hier haar toppunt
bereiken en zich aan de oevers van den stroom nog een laatst, vreeselijk
gedenkteeken oprichten. Deze bange vermoedens van Rasinski werden,
helaas! maar al te ontzettend bewaarheid.
Toen hij zich weder naar de hoogte, waar zijn volk gelegerd was, wilde
terugbegeven, hoorde hij in de verte, naar de zijde van Borisow, het
doffe gekraak van een kanonschot. Eenige oogenblikken bleef het stil,
daarna herhaalde het zich en werd door een regelmatig vuren gevolgd.
„Hoort gij, Boleslaw,” sprak hij tot dezen, „daar beneden gaat het er
op los; wij willen hopen, dat het onweder ten minste heden nog niet los
breekt.”
Boleslaw luisterde aandachtig toe en antwoordde: „Het is mogelijk,
dat de wind mij bedriegt, maar ook daar opwaarts verbeeld ik mij
kanonschoten te hooren. Luister, opnieuw! Hoort gij wel? In de richting
van Niamanitza.”
Rasinski's voorhoofd fronste zich. „Zou het toch besloten zijn? Drie
russische legers zijn op het punt van zich te vereenigen!—Slechts twee
dagen uitstel!”
Het vuur werd intusschen levendiger; er moest hevig gevochten
worden. Wanneer het den Russen gelukte, het korps van maarschalk
Victor te slaan, dan zouden de massa's met geweld doordringen en de
overblijfsels van het fransche leger waren vernietigd. Dit zag Rasinski
onvermijdelijk voor zich en met deze nieuwe bezorgdheid keerde hij naar
de zijnen terug.
Hier heerschte nog eene algemeene vreugde over den aftocht der
legermassa's op den anderen oever; wel is waar was de verwijderde
donder van het geschut niet onopgemerkt gebleven, doch men geloofde het
gevaar niet zoo nabij.
Inderdaad werd het vuren gestadig flauwer en tegen den middag was alles
stil. Te een uur kwam eindelijk het bericht, dat eene der bruggen,
de voor het voetvolk bestemde, voltooid was en dat de brigade Legrand
reeds met hare artillerie overtrok. Ook de andere zoude spoedig gereed
zijn.
Reeds ontstond er een onrustig golven en dringen onder de saamgepakte
menigte, wijl ieder den reddenden oever het eerst wenschte te bereiken;
evenwel, nog was de keizer te Studianka, nog waren te veel geregelde
troepen tegenwoordig en ook de zwermen wapenlooze, ongeordende
vluchtelingen nog niet in die mate aangewassen, dat de stroom alle
banden verbroken en alles met zich voortgesleept zoude hebben. Tegen
den namiddag hoorde men opnieuw het donderen der kanonnen en wel nader
en sterker dan vroeger. Het gevecht rukte ontwijfelbaar nader; het
scheen mogelijk, dat de colonnes tegen het aanbreken der duisternis tot
Studianka konden zijn teruggeworpen. Intusschen zag men de artillerie
en hare troswagens, benevens eenige andere troepenkorpsen de Beresina
in twee zwarte rijen overtrekken. Alles scheen met zooveel orde toe te
gaan, dat men verwachten mocht, het grootste gedeelte der bagage, der
gekwetsten en der wagens, voor welke de eene brug uitsluitend bestemd
was, nog vóór middernacht aan genen oever te zien.
Rasinski gaf Bernard den raad, zich thans met Bianca's wagen bij den
trein aan te sluiten, opdat deze niet door den stroom der verwarring
zou worden medegesleept, wanneer misschien nieuw opdagende colonnes
of wel de aanrukkende vijand grooter haast en ontsteltenis verwekken
mochten. Met een beklemd hart scheidden Lodewijk en Bernard van den
vaderlijken vriend; doch zij zagen in, dat hij met de zijnen wellicht
een der laatsten zijn zou, ja, misschien hier nog in een gevecht
kon gewikkeld worden. Daarenboven had hij toch over de andere brug
moeten trekken, daar de bovenste bij uitsluiting voor de wagens was
aangewezen. Zij zeiden hem dus een weemoedig vaarwel en verzelden den
weder door Willhofen bestuurden wagen naar Studianka.—De schemering
begon te vallen. De tros der voertuigen bewoog zich langzaam
voorwaarts; den oever naderende scheen hij een ontzettende wagenbrug,
waarbij aan inachtneming van rang en orde niet meer te denken was. Al
naarmate men zich het best uit den saamgepakten klomp ontwarren en de
brug bereiken kon, trok men over.
Bianca wierp angstige blikken op dit gewemel van paarden, menschen,
wagens en sleden; een dof gedruisch van roepende en schreeuwende
stemmen, dat van minuut tot minuut met de duisternis toenam, verhoogde
den huiveringwekkenden indruk, dien deze onbeschrijfelijke verwarring
maken moest.
„O, waart gij thans niet in mijne nabijheid,” fluisterde zij haren
broeder en Lodewijk toe en drukte beider handen, „ik verloor mij zelve
in dit afgrijselijke gewoel! Doch zoo is mijn hart zonder zorg en
vrees.”
Lodewijk besefte wel, dat zij door deze schijnbare gerustheid slechts
zijne en haars broeders bezorgdheid wilde verminderen, daar het harer
schoone ziel eigen was, altijd eerst de vreemde smart, de vreemde
zorg te gevoelen en te verzachten. Hij antwoordde dus ook voor haar
troostend en opbeurend, en schertste, om haar te verstrooien, met
het kind, dat, geen gevaar vermoedend, met roerende onschuld snapte
en keuvelde. Bernard zag inmiddels opmerkzaam in het rond, om elk
voordeel, dat zich aanbood, ras waar te nemen. Een onrustig gemompel
aan zijne linkerzijde deed hem het oog derwaarts wenden. Eene
menigte soldaten wees op de sneeuwheuvels afwaarts den vloed, en het
gefluister, dat door de rijen liep, bewees, dat eenig voorval van
aanbelang hunne opmerkzaamheid bezig hield. Aanvankelijk kon Bernard
niet gissen, wat het zijn mocht, doch plotseling bespeurde hij een
roodachtig schijnsel op de sneeuw, dat in omvang en helderheid scheen
toe te nemen.
„Borisow staat in vlammen!” riep eene stem naast hem; het was Willhofen.
„Meent gij?” vroeg Bernard.
„Het kan geene andere plaats zijn; ik weet, dat het juist die streek
uit ligt.”
De vlammen sloegen hooger op; allengs werden allen, die aan den
oever verzameld waren, de verschijning gewaar en terwijl elk zijne
opmerkzaamheid daarop richtte, werd het verdoovende gedruisch der
stemmen eenige oogenblikken afgebroken. Inmiddels vernam men duidelijk
het dreunen van geschut. Dus werd om Borisow, nauwelijks twee uren van
Studianka, gevochten!
Nog dezen nacht kan ons de vijand overvallen.—Deze gedachte scheen
in aller borst gelijktijdig post te vatten en plotseling eene razende
aandrift en begeerte, om den anderen oever te bereiken, op te wekken.
Van drie zijden tegelijk werden de wagens op den engen toegang der brug
aangedreven; zij hortten tegen elkander aan, dat raderen en dissels te
pletter stoven, sloegen om en versperden zoo de baan. Dit veroorzaakte
een grimmig vloeken en verwenschen, dat gestadig toenam. Met woede
wierpen de nakomenden zich op hen, die verongelukt waren en hun zoo den
weg ter redding versperden. Meêdoogenloos sleurden zij de ongelukkigen,
die zich nog op de neergestorte wagens hielden vastgeklemd, naar beneden
en verbrijzelden de voertuigen in duizend stukken, om baan te maken.
Doch nog eer hun dat volkomen gelukte, drongen reeds weder andere wagens
na. De voorsten joegen dus in onzinnigen ijl over de verpletterde wielen
en spaken op de brug toe, botsten eveneens tegen elkander aan, braken de
assen, kantelden om en vernieuwden zoo zelven het schouwspel, hetwelk
hunne onbesuisde drift had teweeggebracht. Paarden en menschen tuimelden
over elkander heen; een huiveringwekkend geschreeuw en gekerm deed zich
van alle zijden hooren.
De cavalerie mengde zich in het gedrang en zocht de orde te herstellen,
door met sabelhouwen diegenen terug te drijven, welke zich van buiten
in de rijen wilden indringen; maar nauwelijks was haar dit aan de
eene zijde gelukt, of aan de andere had de verwarring ook reeds weder
driewerf grooter onheil aangericht. Gekwetsten raakten onder de
wagenwielen en hieven een hartverscheurend jammergeschrei aan, doch het
werd overschreeuwd door het tieren, razen en vloeken, waarmede zij,
die, het doel nabij, slechts nog een laatste inspanning behoefden, om
behouden te zijn, hunne dieren aanzetten.
„Heilige God, wat moet daaruit worden!” riep Bianca verbleekend en
vestigde, terwijl zij het angstig geworden kind bijna bewusteloos aan
haren boezem drukte, angstige blikken op dit tafereel van ontzetting.
„Wees bedaard, mijn lieve,” zei Lodewijk geruststellend; „het is
slechts de ontsteltenis van het eerste oogenblik; buiten twijfel komt
alles spoedig weer tot rust, want elk kan immers zien dat hij op deze
wijze slechts zijn eigen verderf bespoedigt.”
„O, laat ons liever naar Rasinski terug gaan,” bad zij smeekend;
„deze afschuwelijke redding over de verbrijzelde borst van hulpelooze
gewonden verlang ik niet. Liever wacht ik den dood van de vijandelijke
kogels, dan dat ik dezen bloedigen weg betreden zou.”
„Terugkeeren is onmogelijk, Bianca,” antwoordde Lodewijk, een blik om
zich heen werpende. „Zie, met welke massa's van wagens en menschen deze
hellingen en alle afdalende wegen bedekt zijn; men kan zich eer een weg
door eene rots graven, dan door dit gewoel dringen.”
Bernard, die met Lodewijk naast den wagen gestaan had, klom op de as van
het achterwiel, teneinde een ruimer uitzicht te hebben. Een onafzienbaar
zwart gewemel, dat zich, zoover men de oevers met het oog volgen kon,
langs hunne krommingen naar de besneeuwde heuvelklingen uitstrekte,
vertoonde zich aan zijn zwervenden blik. Door de toenemende schemering
scheen het nog onzekerder en reusachtiger.
„Hm!” mompelde hij, „de Zwarte Zee midden in den Noordpool-oceaan; en de
golven beginnen te spoken, wij krijgen storm.”
Aan den uitersten rand van den horizon, waar duisternis en afstand
inéénsmolten, gloeide de donkerroode weerschijn van het brandende
Borisow. Een nachtelijke storm begon zijne vleugels uit te spreiden en
gierde ijskoud over de wijde vlakte.
Zelfs den onverzettelijken Bernard bekroop eene kille huivering, en een
drukkend voorgevoel zeide hem, dat alle verschrikkingen, welke deze
veldtocht reeds had opgeleverd, zich hier zouden opéénhoopen en de
vroegere ellende als in het niet doen verzinken. Voor zich zelf alleen
voelde hij kracht, om alles te trotseeren, maar als hij een blik op
zijne zuster wierp, als hij hare jeugd, hare schoonheid beschouwde, zich
de offers herinnerde, die hare reine liefde hem gebracht had, en dan het
oog vestte op deze grondeloos diepe zee van verderf en verschrikking,
die om hem heen hare zwarte golven verhief—dan moest hij het harnas
van den ijzeren wil om zijne borst smeden, opdat zij onder het drukkend
gewicht der zorgen niet breken zou.
Uit maagdelijken schroom neigde Bianca zich met haar vertrouwen nog
altijd meer tot den broeder, dan den geliefde; ook hield zij hem wegens
zijne rassche wijze van handelen voor stoutmoediger en omzichtiger
in gevaren, dan den even vasten, maar meer zachtaardigen Lodewijk.
Daarom vestigde zij ook thans hare angstig vragende blikken, die raad
en troost schenen te verlangen, op Bernard. Ze drongen tot diep in
zijne borst door; opzettelijk echter zweeg hij, want hij was te hevig
ontroerd, om dit niet door zijn spreken te verraden, en zijn gewoon
ruw masker, zijn stekelig pantser van dolle scherts wilde hij tegen
de teedere zuster niet aanleggen, wijl hij wist, dat zij zich daaraan
bezeeren zou.
Gelukkig bevond de wagen, waarop zij gezeten was, zich op eene plaats,
die buiten het bereik der golven van het stroomende gedrang gelegen was
en van waar men dus, schoon de terugweg versperd bleef, ten minste niet
met geweld in de alles verslindende dwarling kon worden voortgedreven.
Dit verstrekte Bianca wel is waar tot eigen behoud, doch daar hare
medelijdende ziel haar gedurig in den toestand van anderen verplaatste,
leed zij des te onuitsprekelijker bij den aanblik van den jammer, dien
zij voor oogen had, zonder te kunnen redden of verzachten. Stom en
zwijgend, als een offerlam, dat onder de opgeheven bijl siddert, zat
zij daar en hield het oog onbewegelijk op het weenende kind op haren
schoot geslagen; zelve bevende, troetelde en kuste zij het en zocht
het gerust te stellen. Jeannette die naast haar zat, was bleek als een
lijk en gaf geen geluid, maar koude tranen van den angst biggelden
onophoudelijk langs hare wangen. Tegenover de beide vrouwen zaten twee
zwaar gekwetste officieren, die echter door eene ijlende koorts, het
gevolg van zware hoofdwonden, van de verschrikkingen, die zich om hen
opeenhoopen, geen besef hadden. Onder den druk van angst en kwellende
zorg kropen de minuten met tragen, slependen gang voorbij.