HOOFDSTUK III.

De dag begon aan te breken. Thans boorden aller blikken door de

verdunde nevels van den nacht, om de vijanden te tellen, die zich voor

de poorten der redding gelegerd hadden.—Rasinski had met Boleslaw

eene kleine, met struiken omzoomde hoogte bestegen, vanwaar hij den

loop des strooms en de kromming van diens oever tot in de verte kon

overzien. Nog glinsterden de vlammen der russische wachtvuren door de

morgennevels en het blauwachtig schemerende licht des daags. Echter was

alles stil op de besneeuwde heuvelkruinen.

„Mij dunkt, men moest toch reeds beweging onder de lieden bespeuren,”

sprak Rasinski; „of zouden zij zich achter den rand der hoogten

verschanst hebben?”

„Voor zoover ik zien kan, zijn de vuren verlaten,” antwoordde Boleslaw;

„althans de voorste. Daar achter den woudzoom zijn zij misschien nog

bezet.”

„Zij zullen zich buiten het vuur onzer artillerie hebben begeven; echter

verwondert het mij, dat ik nergens kanonnen in batterij zie.”

Zij reden nog ettelijke honderden schreden verder voorwaarts; intusschen

verstrooide de wind de vochtige morgendampen en het werd allengs

helderder.

„Bij den hemel!” riep Rasinski, die met stijgende verbazing in het rond

zag; „de gindsche oevers zijn verlaten! Daarachter moet eenig opzet

schuilen. Men wil ons misschien den overgang laten beginnen, om dan een

des te vreeselijker bloedbad onder ons aan te richten.”

„Wellicht blijft ons ten minste tijd genoeg om de brug te slaan,” meende

Boleslaw en wees naar den stroom, waar men thans de arbeiders in volle

bezigheid ontdekken kon.

„Op de heuvels daar rechts zie ik ruiters; zij schijnen ook op

verkenning uitgezonden. Laat ons derwaarts rijden; men moet van die

hoogte de bochten van de rivier beter kunnen volgen.”

Zij reden naar het gezegde punt en vonden er den maarschalk Ney,

Regnard en eenige andere officieren. Deze waren niet minder dan

Rasinski verbaasd, den gevreesden oever van troepen ontbloot te vinden.

Eensklaps riep Regnard: „Daar in de verte, naar Borisow, zie ik volk op

marsch; het is eene sterke colonne. Rasinski, gij hebt een valkenoog,

wat dunkt u, is het geen russische cavalerie?”

Rasinski hield de hand boven het oog, daar de zoo even opgaande zon

reeds begon te verblinden, zag scherp voor zich uit en riep: „Het is

artillerie en voetvolk; zij marcheeren naar Borisow.”

„Zou de vijand wellicht aftrekken!” riep maarschalk Ney op den toon van

twijfel. „Het is onmogelijk!”

„En toch is er niet meer aan te twijfelen,” viel Rasinski hem in de

rede.

„Dan straalt de ster des keizers nog immer helder en gunstig!” riep Ney

met vlammenden blik; „dadelijk moet hij daarvan onderricht worden.”

Allen renden, wat de paarden vermochten, op de brug toe, waar de keizer

bemoedigend en aansporend onder de arbeiders stond en op berichten

wachtte.

De op verkenning uitgezonden officieren kwamen thans van alle zijden

terug. Niemand had een spoor van den vijand ontdekt, meer dan een de

aftrekkende troepen bemerkt.

„Zoo is het ons dan toch gelukt, Tschitschagoff te bedriegen!” riep

de keizer. „Men moet een gevangene zien te krijgen, die ons zekerheid

verschaft.”

Rasinski bood zich hiertoe aan. Hij reed dadelijk met Boleslaw den

stroom opwaarts, nam eenige jagers mede en zwom met hen door de rivier.

Toen zij de hoogten aan de overzijde bereikten, ontdekten zij alle

sporen van een belangrijk korps, hetwelk hier gedurende den nacht moest

gelegerd hebben. De vuren brandden nog meerendeels; men zag dat zij

eerst sedert eenige uren heimelijk verlaten waren en dat hunne vlam den

keizer had moeten misleiden. De sporen van den weg, dien het russische

leger had genomen, waren op de sneeuw gemakkelijk te ontdekken; zij

trokken zuidwaarts op Borisow aan, Rasinski volgde ze ras, maar met

behoedzaamheid; door een klein kreupelbosch gereden zijnde, kreeg hij

eenige verstrooide kozakken in het oog; geheel onverhoeds overviel hij

ze; zij vluchtten, doch één struikelde met zijn paard, kon zich op de

gladde sneeuw niet spoedig genoeg weder oprichten en viel zoo in de

handen van Rasinski, die met dezen buit onverwijld terugkeerde.

Onderweg vroeg hij zijnen gevangene over alle omstandigheden uit en

vernam, dat de generaal Tschaplitz met tien duizend man en dertig

kanonnen de hoogten tegenover Studianka gedurende dezen nacht had bezet

gehouden, maar op Tschitschagoffs bevel tegen den morgen over Borisow

naar Beresino was opgebroken. Zijn hart klopte van vreugde, nu hij

zijne vermoedens aldus hoorde bevestigen; want thans was de redding

mogelijk, ingeval de overgang slechts in den loop van den dag beginnen

kon. „Verheug u, Boleslaw,” riep hij dezen toe, „nog glanst onze zon.

Heden heeft de godin des geluks getoond, dat zij den keizer nog niet

wil verlaten. Dit zijn de onbezette bergpassen van Cilicië; de ster

van den Macedoniër straalde niet luisterrijker, dan die van onzen

Corsikaan.”—Ongeduldig dit bericht aan den keizer mede te deelen, gaf

Rasinski zijn paard de sporen, stak den stroom over en meldde, wat hij

gezien en gehoord had.

De keizer ontving deze tijding met merkbare tevredenheid, maar toch

even kalm, even bedaard, als hij gisteren het bericht der dreigendste

gevaren aanhoorde. Hij gaf dadelijk bevel, het bouwen van de brug met

man en macht door te zetten. Met deze was men eindelijk zoover gekomen,

dat twee bokken ingeheid en met balken verbonden waren; nu moest het

werk rasser voortgaan, en de generaal Eblé beloofde, het tegen den

middag te voleindigen.

Inmiddels begonnen de troepenmassa's van alle zijden op te dagen.

Studianka zelf was met kanonnen, kruitwagens, transporttrein, de bagage

des keizers, der maarschalken en der andere officieren opgevuld; evenzoo

de wegen, die op het plaatsje aanliepen, en de hoogten, die het van

rondom omgaven. Rasinski zag met een beklemd hart deze ongeregelde

ophooping der massa's aan, welke slechts met den toestand van volslagen

oplossing, waarin het leger zich bevond, kon verontschuldigd worden.

Thans nog eene ordening, eene regeling te bewerken, scheen onmogelijk,

te meer daar menschen en paarden, tot het uiterste afgemat, zich dit

korte uitstel, zooveel de omstandigheden zulks toelieten, moesten

ten nutte maken. Men zag de uitgeputte trekdieren zich op de sneeuw

nederleggen en slecht haksel, verrot stroo of wat slechts naar voeder

geleek, met woedenden honger verslinden. De geleiders hadden deels

eene schuilplaats in de ellendige hutten gezocht, deels zich om vuren

gelegerd. Wanneer deze verwarde klomp zich begon te ontbinden en in

beweging te stellen, wanneer wagens braken, paarden neerstortten,

de enge wegen versperd werden, haast en begeerte om zich te redden

de bezinning roofden en, gelijk op dezen terugtocht reeds zoo

dikwijls gebeurd was, elk aan zijn eigen oogenblikkelijk voordeel het

voortdurend welzijn van het geheel opofferde—dan kon, hoe gelukkig de

omstandigheden zich ook hadden geschikt de ellende hier haar toppunt

bereiken en zich aan de oevers van den stroom nog een laatst, vreeselijk

gedenkteeken oprichten. Deze bange vermoedens van Rasinski werden,

helaas! maar al te ontzettend bewaarheid.

Toen hij zich weder naar de hoogte, waar zijn volk gelegerd was, wilde

terugbegeven, hoorde hij in de verte, naar de zijde van Borisow, het

doffe gekraak van een kanonschot. Eenige oogenblikken bleef het stil,

daarna herhaalde het zich en werd door een regelmatig vuren gevolgd.

„Hoort gij, Boleslaw,” sprak hij tot dezen, „daar beneden gaat het er

op los; wij willen hopen, dat het onweder ten minste heden nog niet los

breekt.”

Boleslaw luisterde aandachtig toe en antwoordde: „Het is mogelijk,

dat de wind mij bedriegt, maar ook daar opwaarts verbeeld ik mij

kanonschoten te hooren. Luister, opnieuw! Hoort gij wel? In de richting

van Niamanitza.”

Rasinski's voorhoofd fronste zich. „Zou het toch besloten zijn? Drie

russische legers zijn op het punt van zich te vereenigen!—Slechts twee

dagen uitstel!”

Het vuur werd intusschen levendiger; er moest hevig gevochten

worden. Wanneer het den Russen gelukte, het korps van maarschalk

Victor te slaan, dan zouden de massa's met geweld doordringen en de

overblijfsels van het fransche leger waren vernietigd. Dit zag Rasinski

onvermijdelijk voor zich en met deze nieuwe bezorgdheid keerde hij naar

de zijnen terug.

Hier heerschte nog eene algemeene vreugde over den aftocht der

legermassa's op den anderen oever; wel is waar was de verwijderde

donder van het geschut niet onopgemerkt gebleven, doch men geloofde het

gevaar niet zoo nabij.

Inderdaad werd het vuren gestadig flauwer en tegen den middag was alles

stil. Te een uur kwam eindelijk het bericht, dat eene der bruggen,

de voor het voetvolk bestemde, voltooid was en dat de brigade Legrand

reeds met hare artillerie overtrok. Ook de andere zoude spoedig gereed

zijn.

Reeds ontstond er een onrustig golven en dringen onder de saamgepakte

menigte, wijl ieder den reddenden oever het eerst wenschte te bereiken;

evenwel, nog was de keizer te Studianka, nog waren te veel geregelde

troepen tegenwoordig en ook de zwermen wapenlooze, ongeordende

vluchtelingen nog niet in die mate aangewassen, dat de stroom alle

banden verbroken en alles met zich voortgesleept zoude hebben. Tegen

den namiddag hoorde men opnieuw het donderen der kanonnen en wel nader

en sterker dan vroeger. Het gevecht rukte ontwijfelbaar nader; het

scheen mogelijk, dat de colonnes tegen het aanbreken der duisternis tot

Studianka konden zijn teruggeworpen. Intusschen zag men de artillerie

en hare troswagens, benevens eenige andere troepenkorpsen de Beresina

in twee zwarte rijen overtrekken. Alles scheen met zooveel orde toe te

gaan, dat men verwachten mocht, het grootste gedeelte der bagage, der

gekwetsten en der wagens, voor welke de eene brug uitsluitend bestemd

was, nog vóór middernacht aan genen oever te zien.

Rasinski gaf Bernard den raad, zich thans met Bianca's wagen bij den

trein aan te sluiten, opdat deze niet door den stroom der verwarring

zou worden medegesleept, wanneer misschien nieuw opdagende colonnes

of wel de aanrukkende vijand grooter haast en ontsteltenis verwekken

mochten. Met een beklemd hart scheidden Lodewijk en Bernard van den

vaderlijken vriend; doch zij zagen in, dat hij met de zijnen wellicht

een der laatsten zijn zou, ja, misschien hier nog in een gevecht

kon gewikkeld worden. Daarenboven had hij toch over de andere brug

moeten trekken, daar de bovenste bij uitsluiting voor de wagens was

aangewezen. Zij zeiden hem dus een weemoedig vaarwel en verzelden den

weder door Willhofen bestuurden wagen naar Studianka.—De schemering

begon te vallen. De tros der voertuigen bewoog zich langzaam

voorwaarts; den oever naderende scheen hij een ontzettende wagenbrug,

waarbij aan inachtneming van rang en orde niet meer te denken was. Al

naarmate men zich het best uit den saamgepakten klomp ontwarren en de

brug bereiken kon, trok men over.

Bianca wierp angstige blikken op dit gewemel van paarden, menschen,

wagens en sleden; een dof gedruisch van roepende en schreeuwende

stemmen, dat van minuut tot minuut met de duisternis toenam, verhoogde

den huiveringwekkenden indruk, dien deze onbeschrijfelijke verwarring

maken moest.

„O, waart gij thans niet in mijne nabijheid,” fluisterde zij haren

broeder en Lodewijk toe en drukte beider handen, „ik verloor mij zelve

in dit afgrijselijke gewoel! Doch zoo is mijn hart zonder zorg en

vrees.”

Lodewijk besefte wel, dat zij door deze schijnbare gerustheid slechts

zijne en haars broeders bezorgdheid wilde verminderen, daar het harer

schoone ziel eigen was, altijd eerst de vreemde smart, de vreemde

zorg te gevoelen en te verzachten. Hij antwoordde dus ook voor haar

troostend en opbeurend, en schertste, om haar te verstrooien, met

het kind, dat, geen gevaar vermoedend, met roerende onschuld snapte

en keuvelde. Bernard zag inmiddels opmerkzaam in het rond, om elk

voordeel, dat zich aanbood, ras waar te nemen. Een onrustig gemompel

aan zijne linkerzijde deed hem het oog derwaarts wenden. Eene

menigte soldaten wees op de sneeuwheuvels afwaarts den vloed, en het

gefluister, dat door de rijen liep, bewees, dat eenig voorval van

aanbelang hunne opmerkzaamheid bezig hield. Aanvankelijk kon Bernard

niet gissen, wat het zijn mocht, doch plotseling bespeurde hij een

roodachtig schijnsel op de sneeuw, dat in omvang en helderheid scheen

toe te nemen.

„Borisow staat in vlammen!” riep eene stem naast hem; het was Willhofen.

„Meent gij?” vroeg Bernard.

„Het kan geene andere plaats zijn; ik weet, dat het juist die streek

uit ligt.”

De vlammen sloegen hooger op; allengs werden allen, die aan den

oever verzameld waren, de verschijning gewaar en terwijl elk zijne

opmerkzaamheid daarop richtte, werd het verdoovende gedruisch der

stemmen eenige oogenblikken afgebroken. Inmiddels vernam men duidelijk

het dreunen van geschut. Dus werd om Borisow, nauwelijks twee uren van

Studianka, gevochten!

Nog dezen nacht kan ons de vijand overvallen.—Deze gedachte scheen

in aller borst gelijktijdig post te vatten en plotseling eene razende

aandrift en begeerte, om den anderen oever te bereiken, op te wekken.

Van drie zijden tegelijk werden de wagens op den engen toegang der brug

aangedreven; zij hortten tegen elkander aan, dat raderen en dissels te

pletter stoven, sloegen om en versperden zoo de baan. Dit veroorzaakte

een grimmig vloeken en verwenschen, dat gestadig toenam. Met woede

wierpen de nakomenden zich op hen, die verongelukt waren en hun zoo den

weg ter redding versperden. Meêdoogenloos sleurden zij de ongelukkigen,

die zich nog op de neergestorte wagens hielden vastgeklemd, naar beneden

en verbrijzelden de voertuigen in duizend stukken, om baan te maken.

Doch nog eer hun dat volkomen gelukte, drongen reeds weder andere wagens

na. De voorsten joegen dus in onzinnigen ijl over de verpletterde wielen

en spaken op de brug toe, botsten eveneens tegen elkander aan, braken de

assen, kantelden om en vernieuwden zoo zelven het schouwspel, hetwelk

hunne onbesuisde drift had teweeggebracht. Paarden en menschen tuimelden

over elkander heen; een huiveringwekkend geschreeuw en gekerm deed zich

van alle zijden hooren.

De cavalerie mengde zich in het gedrang en zocht de orde te herstellen,

door met sabelhouwen diegenen terug te drijven, welke zich van buiten

in de rijen wilden indringen; maar nauwelijks was haar dit aan de

eene zijde gelukt, of aan de andere had de verwarring ook reeds weder

driewerf grooter onheil aangericht. Gekwetsten raakten onder de

wagenwielen en hieven een hartverscheurend jammergeschrei aan, doch het

werd overschreeuwd door het tieren, razen en vloeken, waarmede zij,

die, het doel nabij, slechts nog een laatste inspanning behoefden, om

behouden te zijn, hunne dieren aanzetten.

„Heilige God, wat moet daaruit worden!” riep Bianca verbleekend en

vestigde, terwijl zij het angstig geworden kind bijna bewusteloos aan

haren boezem drukte, angstige blikken op dit tafereel van ontzetting.

„Wees bedaard, mijn lieve,” zei Lodewijk geruststellend; „het is

slechts de ontsteltenis van het eerste oogenblik; buiten twijfel komt

alles spoedig weer tot rust, want elk kan immers zien dat hij op deze

wijze slechts zijn eigen verderf bespoedigt.”

„O, laat ons liever naar Rasinski terug gaan,” bad zij smeekend;

„deze afschuwelijke redding over de verbrijzelde borst van hulpelooze

gewonden verlang ik niet. Liever wacht ik den dood van de vijandelijke

kogels, dan dat ik dezen bloedigen weg betreden zou.”

„Terugkeeren is onmogelijk, Bianca,” antwoordde Lodewijk, een blik om

zich heen werpende. „Zie, met welke massa's van wagens en menschen deze

hellingen en alle afdalende wegen bedekt zijn; men kan zich eer een weg

door eene rots graven, dan door dit gewoel dringen.”

Bernard, die met Lodewijk naast den wagen gestaan had, klom op de as van

het achterwiel, teneinde een ruimer uitzicht te hebben. Een onafzienbaar

zwart gewemel, dat zich, zoover men de oevers met het oog volgen kon,

langs hunne krommingen naar de besneeuwde heuvelklingen uitstrekte,

vertoonde zich aan zijn zwervenden blik. Door de toenemende schemering

scheen het nog onzekerder en reusachtiger.

„Hm!” mompelde hij, „de Zwarte Zee midden in den Noordpool-oceaan; en de

golven beginnen te spoken, wij krijgen storm.”

Aan den uitersten rand van den horizon, waar duisternis en afstand

inéénsmolten, gloeide de donkerroode weerschijn van het brandende

Borisow. Een nachtelijke storm begon zijne vleugels uit te spreiden en

gierde ijskoud over de wijde vlakte.

Zelfs den onverzettelijken Bernard bekroop eene kille huivering, en een

drukkend voorgevoel zeide hem, dat alle verschrikkingen, welke deze

veldtocht reeds had opgeleverd, zich hier zouden opéénhoopen en de

vroegere ellende als in het niet doen verzinken. Voor zich zelf alleen

voelde hij kracht, om alles te trotseeren, maar als hij een blik op

zijne zuster wierp, als hij hare jeugd, hare schoonheid beschouwde, zich

de offers herinnerde, die hare reine liefde hem gebracht had, en dan het

oog vestte op deze grondeloos diepe zee van verderf en verschrikking,

die om hem heen hare zwarte golven verhief—dan moest hij het harnas

van den ijzeren wil om zijne borst smeden, opdat zij onder het drukkend

gewicht der zorgen niet breken zou.

Uit maagdelijken schroom neigde Bianca zich met haar vertrouwen nog

altijd meer tot den broeder, dan den geliefde; ook hield zij hem wegens

zijne rassche wijze van handelen voor stoutmoediger en omzichtiger

in gevaren, dan den even vasten, maar meer zachtaardigen Lodewijk.

Daarom vestigde zij ook thans hare angstig vragende blikken, die raad

en troost schenen te verlangen, op Bernard. Ze drongen tot diep in

zijne borst door; opzettelijk echter zweeg hij, want hij was te hevig

ontroerd, om dit niet door zijn spreken te verraden, en zijn gewoon

ruw masker, zijn stekelig pantser van dolle scherts wilde hij tegen

de teedere zuster niet aanleggen, wijl hij wist, dat zij zich daaraan

bezeeren zou.

Gelukkig bevond de wagen, waarop zij gezeten was, zich op eene plaats,

die buiten het bereik der golven van het stroomende gedrang gelegen was

en van waar men dus, schoon de terugweg versperd bleef, ten minste niet

met geweld in de alles verslindende dwarling kon worden voortgedreven.

Dit verstrekte Bianca wel is waar tot eigen behoud, doch daar hare

medelijdende ziel haar gedurig in den toestand van anderen verplaatste,

leed zij des te onuitsprekelijker bij den aanblik van den jammer, dien

zij voor oogen had, zonder te kunnen redden of verzachten. Stom en

zwijgend, als een offerlam, dat onder de opgeheven bijl siddert, zat

zij daar en hield het oog onbewegelijk op het weenende kind op haren

schoot geslagen; zelve bevende, troetelde en kuste zij het en zocht

het gerust te stellen. Jeannette die naast haar zat, was bleek als een

lijk en gaf geen geluid, maar koude tranen van den angst biggelden

onophoudelijk langs hare wangen. Tegenover de beide vrouwen zaten twee

zwaar gekwetste officieren, die echter door eene ijlende koorts, het

gevolg van zware hoofdwonden, van de verschrikkingen, die zich om hen

opeenhoopen, geen besef hadden. Onder den druk van angst en kwellende

zorg kropen de minuten met tragen, slependen gang voorbij.

1812: Historische roman · 第 124 / 154 题